
Beste Exit,
weet jij nog waar wij mekaar voor het eerst tegenkwamen? Ergens in een kroeg in ât stad? Een winkel? In de bibliotheek, laat ons dat maar aannemen. Daar vond ik je tussen de folders die er altijd te grabbel liggen. Nam je achteloos mee. Je oogde in je eerste dagen zelf ook, laten we eerlijk wezen, min of meer als een ruim bemeten folder. EĂ©n enkel samengevouwen blad, het minumum minimorum om van een krantje te spreken.
Wanneer dat was? Januari â95 lees ik op de hoofding van dat allereerste exemplaar. Het verbaast je dat het kleinood hier naast mijn klavier ligt, terwijl ik deze woorden tokkel? Wel, ik kan het uitleggen.

Hoewel, eigenlijk is het ook mij een raadsel waarom ik jouw eersteling destijds bijhield. Zoals ik dat ook deed met de edities van de maanden die daarop volgden. En van dan af met alle Exit-krantjes.
Of toch een verklaring? Misschien dacht ik, ze komen van pas bij het ordenen van mijn pas opgestarte affichecollectie. En zodoende koesterde ik sindsdien nauwgezet alle Exits. Tot vandaag.
Vandaag nam ik de allerlaatste Exit mee naar huis ⊠Uit de Biekorf-bib, net als toen die keer.
Jammer? Ja, jammer. Maar zat het er al niet een tijdje aan te komen? Ooit, Exit, was je een stevig in het papier zittend blad, maar de voorbije maanden werd je almaar slanker. Ook de oplage daalde, biecht je op in je laatste nummer. En sponsors zien dat niet graag, dalende oplagen. Een tijd van komen en een tijd van gaan, hé.
“Sing câest la vieâ, aldus een oud lied.
Maar mijn dagplanning staat vast, nadat ik daarnet bij het ontbijt jouw laatste editie doornam, ga ik op zoek op die zolder van ons, die papieren hoorn des overvloeds. Daar rusten ze in een paar bananendozen, al jouw jaargangen. Op een handvol nummers na die nooit op papier verschenen, herinner je de dagen van mondmaskers en lege cultuurkalenders.

Neen, âk sleur ze niet allemaal mee, de trap af. Ik hou het bij de eerste honderd edities. En neem van mij aan, daarmee alleen al ben ik een eind zoet. Enfin, hier zit ik dan, achter een stapel oud papier. Lees met verwondering maar ook iets van vertedering over het heden van al die jaren geleden.
Mijn eigen verbazing verbaast mij, kan je je daar iets bij voorstellen?

Een onvervalste trip down memory lane, dat struinen door een blad dat zich maand na maand meer volume aanmeet. En geleidelijk aan ook een eigen stem in het Brugse cultureel kapittel. Ik blader lukraak langs een Brugge dat stilaan wakker wordt.
Beginnend bij het allereerste nummer, de oer-Exit. Met een openingsinterview met nieuwbakken burgemeester Patrick Moenaert die Exit op zijn zachtst gezegd genegen is.
Ik lees vraaggesprekken met prominente stadsgenoten. Interviews, wat uitgebreider en zodoende iets diepgaander dan in meer recente edities van Exit. Ook babbels met coryfeeën van elders die er toen toe deden, een Johan Anthierens, een Frans Boenders, Jan Wauters, Gerard Mortier. Merendeels mannen, dat valt op.

Ik sla een handvol nummers over, die zullen voor een andere keer zijn, maar in Exit nummer 50 van februari 1999 tref ik zowaar een Brugse poppoll. Met als âcultureel evenement van het jaarâ het Axion Beach Festival in Zeebrugge.
âCultuurmanâ is Bart Caron, zijn rol in de aanloop naar het Culturele Hoofdstad-jaar 2002 is daar alleszins niet vreemd aan.
En âcultuurvrouw van het jaarâ Antje De Boeck maakt blijkbaar in die dagen indruk in de Korre. Exit suggereert haar als ⊠intendant voor Brugge 2002.
Herinneren wij ons in die context ook niet de naam van de man die mee Exit opstartte, Jan Smekens?

Tja, de eeuw en het millennium lopen op hun eind en in Brugge neemt de nervositeit toe omtrent het Cultuurjaar. In datzelfde nummer 50 lees ik trouwens ook beschouwingen omtrent het gekozen ontwerp voor een Concertgebouw.
Zoân maandblad is mensenwerk, mag dat ook even vermeld? Hoofdredacteur Jan Smekens wordt na enkele jaargangen opgevolgd door Luc Fossaert. Die gaat door tot vandaag, tot de eindmeet, samen met rechterhand Antoine De Clerck.
En ja, er zit in de loop der jaren ook wel een keer wat ruis op de lijn. Enige wrevel tussen de redactie en een journalist van een ander lokaal blad, om maar iets te noemen. Is er ook niet die columnist die verwelkomd wordt maar na weinig tijd de deur wordt gewezen? Mensenwerk, kortom. Of, met de wijze woorden van mijn moeder zaliger, ât is stille waar daât nooit waait.
ât Is al laat op de avond, Exit, wanneer ik met kleine oogjes jouw honderdste nummer dichtvouw. Onder de zolderbalken hierboven wachten nog twee kartondozen maar die gun ik nog wat rust. Mezelf ook, trouwens. In oude Exits snuisteren, hoe verhelderend ook, als lees-equivalent van bingewatchen kruipt dat in de kleren.
Trouwens, morgen is er een nieuwe dag. Met nieuw cultureel voer om van te proeven. Al zal jij het niet meer aanprijzen, Exit.
Sing câ est la vie âŠ
Zelf heb ik Exit niet bewaard, al zal er hier of daar in een doos een nummer 100 of 200 zitten, in afwachting dat iemand na mij grote kuis houdt.
In Exit stonden telkens enkele interessante artikelen, maar als kalender heb ik het blad nooit gebruikt. Na het scannen van wat ik het bewaren waard vond, ging Exit dus de papierbak in. Maar gelukkig zijn er ijveriger verzamelaars dan ik…
Zal Exit nu ook in vergetelheid raken en hoogstens nog af en toe eens vermeld worden, zoals voorgangers “Kan’t”, “De Lastige Bruggeling” en veel andere lokale bladen?
Wie weet er nog dat de Korrekelder ooit een eigen blad had en of het ergens bewaard is?
Daarom een oproep aan de cultuursector om ook dit soort publicaties te digitaliseren en voor het publiek beschikbaar te maken, en aan de uitgevers ervan om zich hiermee akkoord te verklaren en niet moeilijk te doen over auteursrechten en dergelijke.
Wij hebben al het Brugsch Handelsblad en het Burgerwelzijn en een reeks oudere kranten om onze geschiedenis te doorzoeken, maar dat zijn maar enkele van de talloze papieren stemmen die ook iets te vertellen hebben.
Roland, een eigen periodiek van de Korrekelder, dat was mij niet bekend.
Wat archivering betreft, vraag ik mij af – ik zocht het nog niet uit – of de publicaties die je hierboven vernoemt in het archief van de stadsbibliotheek terug te vinden zijn.
Zoals alle opstarts meen ik mij te herinneren dat het ook met de allereerste Exits niet
van een leien dakje liep. Het was dan ook de eerste poging tot een volwaardige evenementenkalender voor Brugge en bezoekers.
Voorheen was er het initiatief van Raf Susauchoit, directeur toenmalige Dienst voor Toerisme, die in beperkte oplage zijn “NB”blaadje de verblijfstoerist aanbood. Bescheiden maar toch baanbrekend. De naam alleen al, “NB”, stond voor ‘Nieuws uit Brugge’, ‘Nouvelles de Bruges’, ‘News from Bruges’, ‘Neues von BrĂŒgge’, ‘Novelas de Brujas’ en doe zo maar voort.
Toen hij met pensioen ging werd met een nieuwe bewindsploeg wat ruimer in de omgeving gekeken en begon het lange leven van Exit. Ik herinner mij een anekdote dat er waren die reclameerden dat hun activiteit of organisatie er niet in opgenomen was. Ze beseften niet dat zij het evenement zelf moesten melden aan de redactie, gezien er geen uitgebreide staf was om zelf alles uit te pluizen.
Maar eens de kinderziektes overwonnen, zie tot welk handig cultureel instrument EXIT was uitgegroeid.
Er was een driemaandelijks tijdschrift ‘De Korre’, aanwezig in de stadsbibliotheek (en, terzijde, archief en een grote collectie affiches in het Letterenhuis in Antwerpen). De Lastige Bruggeling zal ook wel in de stadsbibliotheek zitten, maar van beide vraag ik mij af in hoeverre de collectie volledig is. Niemand weet hoeveel andere bekende en onbekende Brugse tijdschriften nog hier en daar bewaard zijn.
Van De Lastige Bruggeling heb ik enkele jaren geleden een waarschijnlijk bijna volledige collectie kunnen bijeensprokkelen en die voor eigen gebruik (wat primitief) gedigitaliseerd. Die blijft verborgen, want het is mij niet duidelijke hoe de voormalige medewerkers (die meestal nog leven en elkaar kennen) zouden reageren als dat ergens op een website zou verschijnen. Zij zouden kunnen samenzitten en op papier zetten dat de LB ‘publiek domein’ is, waardoor er een – weliswaar wankele – juridische bescherming zou zijn voor wie het riskeert. Ik heb de vraag gesteld, maar geen reactie gekregen. Ik vrees dat sommige betrokkenen nog altijd ‘lastig’ kunnen zijn.
Privé-personen en verenigingen zouden al die tijdschriften kunnen opsporen en quasi gratis digitaliseren, maar iets of iemand die zoiets wil/kan coördineren heb ik nog niet gevonden.
De volledige verzameling van “De Lastige Bruggeling” en ook van “K’ant” (maar daar ben ik niet zeker van ) is indertijd gedeponeerd in het Brugse stadsarchief. Zou daar nog moeten te raadplegen zijn.
Was er tussen ‘Lastige Bruggeling’ (1974-1982) en ‘Kan’t?’ (1984-?) nog geen ander gratis tijdschrift op A5-formaat dat ook als culturele kalender fungeerde?
Of was dat na ‘Kan’t?’?
Over ‘Kan’t?’ blijk ik maar één, onrechtstreeks stukje informatie te hebben:
een heftige reactie van G.R. in ‘Het Volk’ van 19 maart 1985 (‘Halve waarheden zijn meestal gevaarlijker dan leugens’)
op een dubbel-interview in ‘Kan’t?’ van februari 1985 met de toen pas benoemde mgr. Vangheluwe.
Zou ik de enige zijn die dat interview wel eens zou willen herlezen?
In het rijtje Brugse culturele periodieken mag ook “De Brugsche Gazette” niet ontbreken, maandelijks uitgegeven door de Goezeput, van juli 1972 tot voorjaar 1974.
Het kantoortje van De Brugsche Gazette was gevestigd in een huis (pand) naast het gelijknamige cafĂ© “de Goezeput” in de Goezeputstraat.
Vzw Goezeput startte officieel op 20 april 1971 met als ambitieuze hoofdbetrachting het internationale toerisme te bevorderen in Brugge.
Onder meer een meerdaags programma rond “Japan” werd destijds georganiseerd, Japanse bevlagging in de stad incluis.
Het gekende en later ook beruchte Goezeput café opende de deuren vanaf 1973, eerst als prestigieuze zaak voor ouders met hun kinderen, maar eindigde niet lang daarna als een zwijnenstal in 1979.
De jeugd had namelijk het heft in eigen handen genomen.
Het beeld dat mij van het Goezeput-cafĂ© is bijgebleven, van toen ik in de tweede helft van de jaren zeventig zelf ‘jeugd’ was, is nochtans redelijk braaf, Richard.
De ‘zwijnenstal’-momenten ben ik mislopen.
Afspraak met de geschiedenis gemist?
Luc Demets van de Goezeput, destijds secretaris generaal bij Touring en lesgever aan het Graduaat Toerisme en Onthaal van het HTI, heb ik goed gekend en veel mee samen gewerkt.Ik heb trouwens nog steeds een Japanse vlag die hij niet terug moest hebben.
Voor Luc is het goedbedoelde initiatief jammerlijk uit de hand gelopen toen hij de teugels vierde om jongeren een kans te geven. Binnen het jaar werd het inderdaad een âzwijnenstalâ en werd Luc even aangehouden op verdenking van drugs dealen, waar hij geenszins bij betrokken was.
God hebbe ondertussen zijn ziel.