“Weet je wel zeker dat het een fijne voorstelling worden zal?”
’t Is het soort frisse avond waarop een sjaal en handschoenen van pas komen om naar ’t stad te fietsen. De straatlantaarn voor ons huis werpt lange schaduwen op de oprit. Twee donkere silhouetten, mijn wederhelft en ik, in de weer met het stevig dichtknopen van onze winterjassen.
“Natuurlijk!”, verzekert ze mij, “Wouter Deprez kennen we onderhand, ’t wordt een geestige avond!”
“Ja” repliceer ik, “maar hij komt met Tcha Limberger. Die kent naar ‘t schijnt iets van muziek maken, maar ‘k vraag mij af of het wel zo boeiend wordt als anders.”
Mijn fietsgenote schudt meewarig het hoofd. Verzwijgt ze wijselijk dat ze ook amper inschat wat ons te wachten staat?

Onze tweewielers krijgen een plek in de fietsenkelder in ‘t Sint-Amandsstraatje. Zie ons op stap, arm in arm op weg naar de schouwburg.
“Als blinde jongen zat Tcha bij ons op school in Spermalie” herinnert zij zich, “In de basisschool, meen ik, hoe dan ook niet in de groep waar ik opvoedster was. Hij maakte toen al indruk met zijn zigeunersmuziek.”
“Tja, zigeuners …” mijmer ik. “Dat begrip ‘zigeuner’, wordt dat vandaag niet beschouwd als nogal denigrerend? Maar ‘k weet nog, in mijn kindertijd. Bij ons in het dorp had niemand het over zigeuners en al helemaal niet over Roma. ’t Waren allemaal ‘bohemers’, zoals ‘Bohémiens’ in ’t Frans. Als kwamen ze allemaal uit Bohemen. En ik kan je verzekeren, kwamen ‘bohemers’ ter sprake, dan was dat niet met hoofdletter. Een minachtende ondertoon was nooit ver weg.”
“Bij ons in Oostkamp lag dat ietwat anders.”, zegt ze. “Wij hadden een onderpastoor op de parochie, pastoor Delarue, en die mens zijn levenswerk was ’t Zwaluwnest. Dat was altijd een ankerpunt voor woonwagenbewoners en hun kinderen.”
“En toch. Benieuwd of dat werkt, Wouter Deprez en Tcha Limberger op één podium …” merk ik nog op en negeer stilletjes de fronsende blik die ze mij zijdelings toewerpt.

In de inkomhal van de schouwburg treffen we een paar oud-collega’s van haar. Iemand vertelt enthousiast over Tcha en met wie hij allemaal samenwerkte. Ik hoor namen passeren waar je van opkijkt. Een Koen De Cauter of een Wannes Van de Velde maar ook danser Alain Platel met zijn ‘Les Ballets C de la B’ en zelfs Jordi Savall, een monument omtrent oude muziek. Wordt het toch een boeiende avond?
De naam Wouter Deprez volstaat voor een volgelopen stadsschouwburg, je ontwaart volk tot helemaal in ’t kiekenkot. Wuiven naar kennissen, hier en daar, het vaste wachtritueel. Het vertrouwde piepsignaal roept iedereen naar zijn of haar stoel. Licht doven. Ze wandelen het podium op, Tcha aan de arm van Wouter. Er is een stoel voor Tcha en een muziekstandaard waarachter Wouter post vat.

Anderhalf uur later, de weer oplichtende luchter boven onze hoofden roept ons, na een staande ovatie, weer tot de orde. Was er hier eentje dat meende dat muzikant Tcha Limberger zich zou laten overschaduwen door een meneer als Wouter Deprez? Groot ongelijk!
Wouter kijkt op naar Tcha en je kan hem geen ongelijk geven!
’t Is bekomen van een avond die heerlijk heen en weer walst tussen leutig, verrassend en af en toe aangrijpend. Met een Wouter Deprez die ons meeneemt in verhalen zoals alleen Wouter dat kan. Met een Tcha die in sappig Brugs vertelt over zijn band met zijn muzikale familie, de Limbergers, maar ook met zijn geboortestad. En als zijn multi-instrumentale zelf de diepten opzoekt van melodieën, even ongekend als meeslepend.
Twee kunstenmakers, de één met zotte verhalen, de ander met viool, gitaar, klarinet, ze spelen moeiteloos in op elkaars vondsten.
Over hun schouder kijken ze toe, helemaal uit Hongarije de leermeesters van Tcha, uit Geluwe de nonkels en tantes van Wouter. Heel even is ook George Brassens van de partij.

Terug in de avondkoelte. Voor de schouwburg stopt ze op het plaveisel. Leest de namen die er staan. Die van Willy Lustenhouwer, Elisa Wout en nog een paar. Sinds kort ook die van Benny Scott. Onze Brugse ‘Walk of Fame’.
“Tcha is toch ook Bruggeling?” merkt ze op. “Zouden ze hem ook niet zo’n steen mogen geven?” Ze kijkt verrast als ik mijn hoofd schud.
“Neen.”, antwoord ik en ik meen het, “Ze mogen niet. Ze moeten!’
Toppie.
Ze mogen van mij ieder jaar eens terugkomen met hun zoetgevooisde klanken.
Spijtig dat ik dit gemist heb.
Ik herinner mij idd Tja als jonge puber die meeging op buitenlands kamp met andere blinden en slechtzienden.
Werkelijk overal maakte hij muziek, ook zonder viool. Zelfs in de berghut gebruikte hij zijn brooddoos om de sfeer er in te houden. Heerlijke tijden…