Kijk eens wat de digitale postbode in mijn computerbrievenbus dropt!
Een mail van onze gidsenvereniging is zelden opzienbarend. Een opdracht, doorgaans, voor een klant die veelal de vertrouwde route vraagt, van ’t Minnewater langs het begijnhof en voorbij de Onze-Lieve-Vrouwekerk en de Dijver naar de Burg om te eindigen op de Markt.
Maar dit mailtje kleurt buiten die voorspelbare lijntjes. Dit keer is Stad Brugge de klant. De opdracht, op een nabije namiddag, is voor deze jongen en een handvol collega-gidsen. Plaats van afspraak, de Burg. Van daar kiest elk van ons zijn eigen parcours met in ons kielzog elk een meute volgelingen. En die hebben allemaal iets gemeen. Allemaal zijn ze Bruggeling en elk van hen wordt dit jaar vijfenzestig en daarom inviteert de stad hen op een wandeling in eigen heimat.
Deze gids kijkt graag uit naar dat jaarlijks ritueel. Met zijn gasten dolend door minder voor de hand liggende Brugse straatjes is hij in de kortste keren meer stadsgenoot onder stadsgenoten dan stadsgids. En gegarandeerd komen zijn ‘locals‘ weer met de meest onvermoede lokale herinneringen op de proppen. Als gids steek je altijd wat op, op zo’n keren. Op stap met de oudjes, dus.

waarin zij opgroeiden?
Hela, wacht eens even!
Oudjes, die Bruggelingen met vijfenzestig op de teller? Wil iemand er deze stadsgids op wijzen dat hij zelf die leeftijd al even achter zich liet?
Trouwens, dat hij vergeet te melden dat naast Stad Brugge ook de Seniorenadviesraad instaat voor het organiseren van die wandelingen, ligt dat aan zijn genoegzaam bekende verstrooidheid of eerder aan die voortschrijdende leeftijd van hem? In dat geval klopt hij best een keer aan bij die seniorenraad. Daar weten ze ongetwijfeld hoe je op je ouwe dag de fitheid van je brein op peil houdt.
Mijn grootvader zaliger wist een raadseltje. ‘Iedereen wil het worden maar niemand wil het zijn, rara wat is het?’ Dat het antwoord ‘Oud!’ was, wisten we omdat opa dat grapje ook het vorige nieuwjaar vertelde. Wat hij zich overigens niet meer herinnerde, maar wij hielden ons graag voor de domme. Om opa te plezieren en om het bescheiden nieuwjaar dat hij elk jaar uit zijn beduimelde portefeuille opdiepte. Brave mens, mijn opa.
Die brave mens, mijn moeders pa, was geboren in 1900. Zijn eega was iets jonger. Hen wachtte een beladen bestaan. De donkere dagen van de Eerste Wereldoorlog beleefden ze als puber, een woord dat in dat dorp van hen wellicht niemand kende. Een andere wereldoorlog overschaduwde de fleur van hun leven. Je zou van minder somber door de dagen gaan.
Maar onze grootouders hielden zich staande. Zoals dat hoorde in hun tijd, werd in soberheid een ruim bemeten kroost opgevoed. Onbewust drukten zij die soberheid uit in hun van vrolijkheid verstoken kledij. Ik herinner mij mijn opa en oma zoals ik hen zag door mijn kinderogen. In die kindertijd van mij waren ze zestigers, zo jong als de Bruggelingen die ik straks op sleeptouw neem. Maar ze droegen, met die bescheiden kleren van hen, ook een oud voorkomen met zich mee. Was die onwrikbare kledingstijl, als je die zo noemen mag, de erfenis van de lastige kindertijd waarin zij opgroeiden?

Ze lieten ze aan zich voorbijgaan, de almaar andere wendingen die de wereld keer op keer nam. Wendingen die, naarmate de tijd verstreek, mekaar almaar sneller opvolgden. Na de oorlog was er de wervelend toenemende levensstandaard, de frivoliteiten van de jaren zestig, ondanks het klimaat van een koude oorlog en nog hield het niet op.
Dat gold ook voor de plaats die ‘oude mensen’ in onze samenleving opeisten. Ik herinner mij, ’t was op onze zwartwit-televisie thuis, ‘Jonger dan je denkt’, een wekelijks programma, gericht op wat ‘derde leeftijd‘ was gaan heten. Het toonde wat je op je ouwe dag kon aanvangen met je leven. Compleet met belerend uitgelegde turnoefeningen-voor-ouderen en zo.
Dat in onze dagen de minder jonge medemens zijn bestaan in eigen handen neemt, mag lovenswaardig genoemd worden.
Al dient heel af en toe een vleug nuance of ironie als voetnoot toegevoegd.
U herinnert zich ons aller dokter Herman Lecompte en het onwaarschijnlijk lange leven dat hij voor de mens van de toekomst en zichzelf mogelijk achtte. Zijn ophefmakende ‘Misschien word ik wel duizend jaar!’ Dokter Lecompte hield geen woord, overleed op zijn achtenzeventigste.
En midden jaren negentig kon je hier bij ons bij een verkiezing je stem uitbrengen op de lijst WOW, dat stond voor ‘Waardig Ouder Worden’. Sindsdien is nimmer iets vernomen omtrent WOW, de partij hield gewoon op te bestaan. Gebrek aan verjonging, mag men aannemen.

Maar er bloeiden en bloeien in de loop der jaren uiteraard ook ontelbare te koesteren initiatieven. Zoals die keer, toen in de Brugse stadsschouwburg het ‘Young@Heart Chorus’ aantrad. Het toert nog altijd, het koor van Amerikaanse oudjes, met een repertoire dat gaat van Rolling Stones tot Coldplay.
En ook sterk, straks, een heleboel Brugse vijfenzestigjarigen die op weg gaan met ondergetekende en zijn collega-gidsen. Met z’n allen maken wij de overstap naar het ‘Jonger dan je denkt’-statuut. Laten we gaan voor een meer opwekkend equivalent voor ‘ouderdom’. Zoiets als ‘jongerdom’?
Want, waarde lezer, het leven begint bij vijfenzestig en mocht u dat betwijfelen, dan laat ik u achter met de diepzinnige woorden die ooit een wijs man in de mond nam. Ik wens u verhelderende inzichten bij het overwegen van dit filosofisch beladen enigma. Het luidt als volgt:
‘Iedereen wil het worden, niemand wil het zijn, rara wat is het?’
Alweer een prachtig stukje over de vervlogenheid van het leven.
Wie weet nog dat ‘Mon Canard’ eigenlijk Edmond Gadeyne heette? Wie weet trouwens nog wie hij was?
Of wie kent nog ‘Marietje Wullok’ of Wardje Everaert?
Zelfs ‘Georgstje van de Gilde’ heeft het moeilijk om nog herinnerd te worden.
Succes met je 65-jarigen! Sommigen zal je veel moet bijbrengen.
Doe zo voort, je stukjes zijn steeds een belevenis!
Denis
Mijn schoonmoeder zaliger – uiteindelijk blind zijnde gestorven – zei altijd “Oud worden is niets, oud zijn dat is het probleem”.
En nu zijn we zelf stilaan op weg met soms de nodige kwiek en de kwak, maar we doen stille voort,
zeker zolang “the little grey cells are still working”, om Poirot te parafraseren.
In dezelfde aard de uitspraak – in feite een zin uit een Frans lied – ‘Tout le monde veut aller au ciel, mais persone ne veut mourir’,
destijds – 1966! – gezongen door Petula Clark … Wie kent die nog?
Marc, ergens tussen alle honderden andere LPs en 45T zit de originele nog.
In 1962 was ik al fan van Petula, ondertussen een oud beeseke (° 1934).
https://www.youtube.com/watch?v=CG82uOADBrk
Een gezegde dat mij sterk is bijgebleven is ” Wie lang wil leven moet leren oud worden”
Mag ik het zeggen met de woorden van Victor Hugo: “l’un des privilèges de la vieillesse, c’est d’ avoir, outre son âge, tous les âges”.
Of met de woorden van Alfred de Vigny: “Une vie réussie est un rêve d’ adolescent réalisé dans l’ âge mûr”.
Mooi stukje Pol, inderdaad de generaties blijven steeds langer jong en actief.
Dankjewel om dat zo mooi te vertellen.
Ik behoor immers tot de groep met het ‘jonger-dan-je-denkt-statuut’. Voor mij ook liever het muziekgenre van soft pop tot rock&roll.
Ik was aangenaam verrast door de uitnodiging van stad Brugge en laat me dan binnenkort ook graag door jou rondleiden.
Young@Heart was zondagavond in ‘Zomergasten’ … nog steeds even ontroerend.