“Hebt ge dat gehoord, da’s toch om te lachen, die gast noemt Franciscus de populairste heilige! De populairste, dat zeggen ze over een zanger op de radio of over een filmster op een rode loper! Zo’n rodeloperloper!”
De patron van de Hollandse Vismijn brengt onze pintjes naar onze tafel-met-uitzicht-op-de-Vismarkt.
’t Is hier aangenaam toeven, Bruggelingen ondereen. Een tijd geleden, misschien herinnert de trouwe lezer zich daar iets van, zaten we hier ook aan dit tafeltje, Kameraad en ik. Hij heeft een naam, onze vriend, maar we noemen hem Kameraad. Over Kameraad kan je veel zeggen maar niet dat hij zijn bijnaam gestolen heeft. Het ondeugende genoegen dat hij schept in mensen de gordijnen in jagen met zijn onverbeterlijk linkse kijk op de wereld, ‘t is hem vergeven want hij is een kerel uit de duizend. Al kan ik het ook nu weer niet laten, hem terecht te wijzen.
“Er is ook wel iets bijzonders gaande over Sint-Franciscus, daarover gaat het interview”, leg ik hem geduldig uit. “Nog tot een eind in ’t voorjaar kunnen pelgrims de stoffelijke resten van de heilige begroeten in de Sint-Franciscusbasiliek in Assisi.
En eigenlijk is ’t waar wat die priester zei, mensen voelen zich aangesproken door de figuur van Franciscus. Er wordt daar in Assisi een hele volkstoeloop verwacht.”

Kameraad nipt van zijn glas, veegt met zijn mouw het schuim van zijn snor en kijkt mij aan met donder in zijn blik.
“Hoe zot! Kunt ge u voorstellen dat ge helemaal naar Italië reist om in een lange rij aan te schuiven, alleen maar om efkes te mogen staren naar een stapeltje beenderen in een glazen vitrine!”

“Zelf zou ik ervoor bedanken.”, geef ik toe. “Maar toch, ik weet nog van die film over Sint-Franciscus, ‘Brother Sun, Sister Moon’, ergens in ’t begin van de jaren zeventig.
Ik vond dat een beklijvend verhaal.”
“Ge waart nog jong, hé, ik wed dat ge zoiets vandaag flauw zoudt vinden! Hoewel, jou kennende!”
Ik doe alsof ik niet merk hoe hij glundert om zijn eigen woorden.
“Alles wat we over Franciscus weten, wijst op een indrukwekkende en inspirerende mens!”
Betrap ik mezelf erop dat ik op dreef kom als pleitbezorger van de heilige?
“Zijn tijdgenoten vonden dat groots, zo’n rijkeluiszoontje dat radicaal koos voor soberheid en dienstbaarheid!”
“Tja”, weet Kameraad, “maar wel altijd braaf onderdanig en gehoorzaam tegenover het pauselijk gezag! En geloof me, ook in die dagen was de paus … nou ja, niet heiliger dan de paus!”
Met sacrale ernst heft hij met beide handen zijn pint van tafel, als was het de kelk van meneer pastoor.
“En toch!”, probeer ik, “Ken je het Zonnelied? Dat is poëzie van Franciscus van Assisi waarin hij zich toont als een groene jongen avant la lettre!”
“Hola ja, en ze zeggen ook dat hij met de dieren sprak, hé! Laat me niet lachen!
Uwen hond die moet plassen gaat naar de deur om te tonen dat het dringend is. En gij laat hem buiten, toch? Awel, da’s net zo goed een praatje! Dien hond en gij, ge babbelt ook, niks bijzonders!”

Misschien is het stilaan tijd om af te ronden, bedenk ik. Maar Kameraad denkt er anders over.
“Trouwens, die beenderen van die heilige dierentemmer, hoe zit het daar eigenlijk mee? Weten ze zeker dat het zijn knoken zijn? Ge weet, hier in Brugge dachten ze ook van die middeleeuwse abt van Ter Duinen, Idesbaldus, dat ze zijn stoffelijke resten vereerden. En nu blijkt dat het om de beenderen van een veel latere abt te gaan!”
Kameraad slurpt ostentatief het laatste restje pils uit zijn glas.
“En nu ik het zo zeg, Franciscus of Idesbaldus, wat zijn dat voor namen? Maak mij niet wijs dat ze die venten zo noemden! ’t Was gewoon François, gelijk mijn vader zaliger, of Ides, gelijk onze nonkel pater!”
“’t Volgend rondje is van mij!”, probeer ik mijn tafelgenoot te paaien.
“Hoe dan ook, waarde Kameraad, Sint-Franciscus van Assisi was een kerel om ‘u’ tegen te zeggen. Een pacifist in hart en nieren, we kunnen er mij dunkt nog wat van leren.”
“Daar zegt ge iets!”, repliceert Kameraad, “Mocht die Franciscus zien wat de wereld er vandaag van bakt, hij keert zich om in zijn graf. Stel je voor, in die glazen stolp van hem! Dat zou pas volk trekken!”
“Ge zijt een onverbeterlijke ketter, gij!”, concludeer ik en wenk de patron.
Alweer vlotjes om lezen !
Zou Franciscus nog aan dat tafeltje zitten in de Hollandse vismijn ?
Zo’n godvruchtig mens in een café met portretten van vader Achille en zoon Frank aan de muur?
Wie weet …