
Kom, laat me je meenemen, Johan, naar de Ardennen. Naar een tijd toen daar de bossen, de beken nog iets van avontuur beloofden. Toen jij die jonge zanger was met veel goesting in ’t leven en ik die nog jongere scholier met meer dromen in zijn kop dan plannen.
Die dromer en zijn vrienden, ze konden Johan Verminnen wel smaken, hij zong van die liedjes die ergens over gingen. Een plaat van Verminnen mocht ongegeneerd rondslingeren in onze kamer, ze misstond allerminst naast een langspeler van Bob Dylan of een moeilijk boek van Harry Mulisch. Kwestie van toch vooral onze vermeende goede smaak te etaleren. Er klonken schlagers genoeg op de radio, van gasten als Verminnen ging tenminste iets alternatiefs uit, van hun muziek èn van hun voorkomen. Johan Verminnens ruige haardos en nonchalante garderobe, daar kon je je mee vereenzelvigen.

Maar kom, Johan, op naar de Ardennen. Zoals die keer op een zomerse vakantieochtend toen de wereld nog jong was. Een handvol schoolkameraden stapten in Brugge op de trein, met goede moed en fietsen en al. Een week of wat op verkenning aan de Ourthe, om dan fietsend naar Brugge weer te keren. Logeren kon in een chalet van de ouders van één van ons. ’t Is te zeggen, dat was de bedoeling, een paar dagen voor afreis bleek het huisje onverwacht niet langer vrij. Geen nood, we vertrouwden op onze vindingrijkheid.
En ja hoor, we vonden een plek. In een diepe vallei nabij het gehucht Logne, een hoeve die informeel was ingericht als een soort jeugdherberg. We waren er niet alleen, er logeerde een groepje Waalse studenten. Ons timide school-Frans was net toereikend genoeg om te begrijpen dat ze er betrokken waren bij een archeologisch project in de buurt.

Dat werd duidelijk toen ze ons de volgende ochtend meenamen naar hun werkplek. Hoog boven de vallei, de dreigend sombere ruïnes van wat ooit een kasteel was, le château de Logne, door de tijd aan zijn lot overgelaten. Daar waren die jongens en meisjes dag in, dag uit in de weer met het lospeuteren van al wat los te peuteren viel. In de ondergrond, in een waterput, in nauwe, vochtige ruimtes. Archeologie, het leek ons monnikenwerk.

En wij, we hingen wat rond in de buurt, amuseerden ons zoals jongelui dat doorgaans doen. Om ’s avonds naar de oude boerderij terug te keren. Waar wij en onze Waalse vrienden beetje bij beetje elkaars vertrouwen wonnen. Er werd verteld in moeizaam Frans, en in datzelfde Frans nog veel moeizamer gediscussieerd over één en ander. Maar gezapig ging het er wel aan toe, met een troepje vlotte knapen en jongedames. De ene al vlotter dan de andere, maar dat gold ook voor ons, wat dacht je.
Ik weet nog van een goedlachse, baardige gast die graag uitweidde over het hoe en wat omtrent klassenstrijd. Dat soort gezelschap.
En er was ook het indiaantje. Zo noemden we haar. Tenminste als ze niet in de buurt was. Indiaantje, omdat ze ons met haar donkere vlechten en nog donkerder ogen liet denken aan, wel ja, een indiaantje. Maar misschien toch vooral omdat ze elk van ons met die diepe blik van haar moeiteloos wist in te palmen. Je bent jong en in vakantiestemming. Al was het indiaantje zich schijnbaar allerminst bewust van onze belangstelling en het woord ‘desillusie’ kenden we nog maar alleen van horen zeggen.
Enfin, voorts ging het die knusse avonden daar in de Ardennen over koetjes en kalfjes, al wist geen van ons hoe je dat zegt in de taal van Molière. En er was wel meer dat we niet onder woorden wisten te brengen. Wat weinig helpt als je indruk wil maken op een indiaantje dat geen Vlaams begrijpt.

Maar op een keer had iemand een platenspeler bovengehaald en een handvol platen. Eentje daarvan was ‘Elle chante na na na’ van … Johan Verminnen! Ja, ze kenden allemaal Verminnen, al klonk zijn familienaam uit hun mond onverwacht anders.
Verminnen had wat liedjes in ’t Frans opgenomen en die vonden ze best oké. Hij was dan wel de enige muzikant van bij ons van wie ze het bestaan afwisten, maar wij waren toch best trots op onze ‘Vlaamse’ zanger. Al was hij in hun ogen – niet ten onrechte – vooral Brusselaar. “Verminnen? c’est vraiment un mec cool!”, wist ’t indiaantje.

Enfin, Johan, da’s wat ik je wou vertellen en daarom nam ik je mee naar dat afgelegen gehucht in de Ardennen. Dat oord waar later het toerisme ongetwijfeld zijn zware voetafdruk zette, was in die dagen een ronduit verloren uithoek. Waar een stel jongens van hier bij ons verbroederden met een groepje naarstige studenten van een Waalse universiteit. Waar een meiske met exotische ogen stilletjes onze harten stal.
Wat er van die scholieren geworden is? Elk van ons vond zijn weg, elk de zijne. En de studenten-archeologen? ’t Indiaantje? Wie zal het zeggen. Of zij zich nog die onbeholpen Brugse jongens met hun strompelend Frans herinnert? Vergeet het maar. Maar de plaat van die Brusselaar met zijn woelhaardos en zijn schorre ‘Elle chante na na na’? Wees maar zeker, dat weet ze nog.
Mooi, Pol.
Verminnen heeft veel voor me betekend.
Hartelijk,
Tijs
Als fan van Verminnen heeft het nieuws over zijn afscheid mij niet onverschillig gelaten.
Denk met graagte terug aan de optredens die ik mocht bijwonen, o.a. in onze stadsschouwburg.
Heel knap geschreven Pol !
Ik heb zelf ook zo’n anekdote met Johan Verminnen.
Ik was soldaat milicien in het Duitse Lüdenscheid in het Sauerland. En de militaire overheid zorgde af en toe voor wat verstrooiing voor de soldaten aldaar.
Die verstrooiing kwam die bewuste februariavond in de vorm en de inhoud van jawel, Johan Verminnen.
Je moest vooraf ergens inschrijven, maar het optreden zelf was gratis, ergens in een mooie podiumzaal in de binnenstad.
Begon het echter – toen winters die naam nog waardig waren – in de ochtend te sneeuwen, te sneeuwen, te sneeuwen. Er was geen ophouden aan. Tegen de late namiddag lag er bijna een meter.
En deze jongen had ingetekend voor dat optreden van Johan Verminnen, dus ploeterde hij ‘s avonds rond zeven uur naar de binnenstad van Lüdenscheid om daar toch wel naar Johan Verminnen te gaan luisteren. Bleek dat er nog zeven of acht andere miliciens ook zo volhardend waren geweest. De andere 241 gaven duidelijk forfait.
Toen Johan opkwam, kon hij niet anders dan merken dat er net geen 10 man in die zaal van 250 zat. Hij begon met de woorden: “Dit wordt een avond om nooit meer te vergeten.” En hij had gelijk, dat werd het want hij bespeelde zijn publiek wellicht als nooit tevoren en wij waren bijna met z’n tienen heel erg blij met dit optreden en gaven een applaus met de weerklank van 250 mensen.
Goede morgen, Pol,
mijn eerste optreden van Verminnen was hééél lang geleden aan de voet van de kerktoren in Damme
voor een handvol luisteraars, zo’n 15 tot 20 mensen, denk ik.
Daniël,
wij waren er samen, jij en ik en Guido, weet je?
In zijn band speelde een jongeman klavier, een knaap waar we nog niet eerder van hoorden.
Iemand met een wat Hollands klinkende naam, Van het Groenewoud of zo …