Zeebrugge, de Muur en de jongens

Er waren drie muren met een bijna mythische reputatie. Op de speelplaats van onze lagere school praatten wij over de Muur van Geraardsbergen, imiteerden daarbij de bravoure waarmee onze vaders dat deden. Want van hen hoorden we van de coureurs die de Muur beklommen in de Omloop Het Volk. Herman Van Springel won die koers en ’t jaar daarop Roger De Vlaeminck, weet je nog? En Eddy Merckx!
En er was de Muur van Berlijn, die beklom je beter niet. Die kwam wel eens ter sprake in ’t avondnieuws op de televisie die we nog niet lang in huis hadden. En op school vertelde de meester erover. Telkens het over de oorlog ging en bij onze meester ging het vaak over de oorlog. Dat zijn vader had gevochten in de eerste, de Grote Oorlog, was daar niet vreemd aan.

En dan was er nog de Muur van Zeebrugge. Op de prentjes van Chocolade Jacques zag hij er al redelijk indrukwekkend uit. Maar onze meester was nogal van grote verhalen, toen hij vertelde over dat bouwwerk kwam het ons voor als het achtste wereldwonder. Die havenmuur loopt bijna drie kilometer ver in zee, jongens, drie kilometer! En toen ze hem bouwden, lang geleden, deden ze dat met de grootste kraan van de wereld! De kleine jongens die hij met zijn vertelling meenam, keken met grote ogen naar de prenten die de meester toonde.
Mag het verbazen dat één van onze schoolreizen ons daarheen bracht? En dat lichte

teleurstelling ons deel was, toen we dat summum van het menselijk kunnen met eigen ogen aanschouwden? De havenmuur wàs indrukwekkend, maar niet zo hoog als die uit de verhalen van de meester. En de vuurtoren op het verre uiteinde veel bescheidener. Maar we hadden gedroomd en dromen heeft ook zijn waarde.
Sinds zijn bouw kreeg de havenmuur van Zeebrugge veel meer te verduren dan alleen de ontelbare baren die dag en nacht hun hoofd braken tegen zijn weerbarstige trots. Met de feestelijke inhuldiging van Zeebrugge, in de zomer van 1907, zou het oude Brugge na eeuwen weer aansluiting vinden met een wereld vol economische mogelijkheden. Het liep anders. Heel anders.  De Muur van Zeebrugge kreeg amper de kans om te wennen aan zijn plek in de branding, toen de oorlog, die van de pa van onze schoolmeester, ontbrandde. De Duitse bezetter maakte ondankbaar misbruik van de pas gebouwde haveninfrastructuur. De akelige onderzeeërs waarmee ze de Engelse vloot aanvielen palmden de haven in. Bij het einde van de grote wereldbrand was er de legendarische poging van de geallieerde troepen om de havengeul te blokkeren met gezonken schepen. De naam van de oorlogsbodem die daarbij werd ingezet, de Vindictive, de meester sprak hem uit met de eerbied van de ware bewonderaar.

… de oorlogsbodem die daarbij
werd ingezet, de Vendictive

Aan de oorlog kwam een eind maar voor Zeebrugge braken moeilijke jaren aan. Jaren waarin bleek dat de haven wat verweesd lag te wezen, met te weinig ontsluiting naar het achterland. Met achter zijn rug een stad waar het woord ‘industrie’ niet met hoofdletter werd geschreven. En weer kwam een oorlog en weer zuchtte de haven. Het duurde tot de jaren zestig die wij sleten op de harde banken van onze lagere school, vooraleer Brugge stoute plannen durfde en mocht ontplooien. Ik herinner mij, we waren inmiddels op ’t college in de stad verzeild, een diavoorstelling over grootse nieuwe plannen. Een nieuwe wind zou over de haven waaien. Die wind kwam er, en nog een tweede keer veel uitbundiger in de jaren tachtig. Sindsdien eist Zeebrugge zijn plaats op.

En de oude Muur? Die kreeg het benauwd. Kijk waar we staan, vandaag. In de weids uitgebouwde haven, die zich als een nijptang vastbijt in de Noordzee, vind je met wat goede wil wat ooit door onze meester werd voorgesteld als een onovertroffen kunstwerk, het povere restant van de Muur. Met nog zijn vuurtorentje dat met de nodige heropbouw twee oorlogen overleefde, beschermd monument midden een haven waarin het met heimwee terugdenkt aan alle schepen die het de zeesluis in loodste. Met vandaag tegenover zich een gasterminal, het woord bestond nog niet toen het torentje werd gebouwd. Met cruiseschepen die af en aan varen en minachtend neerkijken op de verlegen vuurtoren. En

met discussies over snelwegen, spoorwegen, binnenvaart en hoogspanningslijnen. Met onlangs op de kade belangrijke meneren en madammen die aankondigden dat Zeebrugge met de haven van Antwerpen … nou ja, in zee gaat.

Terwijl ik dit hier schrijf ….

Terwijl ik dit schrijf, ligt hier naast mij een knuist van een boek, ‘Brugge en de zee’. Het hoorde bij een tentoonstelling, veertig jaar geleden, in de stadshallen. Brugge pakt wel vaker uit met zijn haven. Meerdere keren ook met een tentoonstelling. Je steekt nog altijd wat op bij zo’n gelegenheden. Alleen niet meer zoals destijds op de schoolbanken, toen geen van ons, kleine mannen, in vraag stelde wat de meester wist. Het leven leert je te veel om nog te kijken met de ogen van het jongetje van toen, te horen met zijn oortjes.
Maar laat vandaag een meester of juffrouw ergens te lande met de nodige panache verhalen vertellen over een haven of een andere bijzondere plek, en de avonturen die ermee verbonden zijn.  En laat klein grut dan maar met open mond luisteren en dat meenemen naar later.

This entry was posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Zeebrugge, de haven. Bookmark the permalink.

12 Responses to Zeebrugge, de Muur en de jongens

  1. Noël Geirnaert says:

    het vuistdikke en degelijke Mercator-boek ‘Brugge en de zee’ stond als initiatief los van de aardige maar wat amateuristisch ineengestoken tentoonstelling.

    • Pol Martens says:

      Merkwaardig, Noël, het boek, met dezelfde titel als de expositie, is van hetzelfde jaar. Wat mij deed veronderstellen dat boek en expo bij mekaar hoorden. Niet, dus. De vorser nam zijn veronderstelling voor waarheid. En zeggen dat wij het daar laatst nog over hadden, omtrent het ‘Jacob van Maerlant’-verhaal. De affiche, die oogt dus fraaier dan de tentoonstelling die ze aankondigt.

    • Dirk Michiels, ere adjunct-stadssecretaris says:

      Als co-auteur van het Mercatorboek ‘Brugge en de Zee’ kan ik inderdaad bevestigen dat dit boek volledig los stond van de tentoonstelling. De tentoonstelling en bijhorende catalogus was meer een idee van wijlen schepen Claes, die toen ook schepen van de haven was en van zijn kabinetsmedewerker Thierry Vandercruysse. Het boek ‘Brugge en de Zee’ was meer een initiatief van wijlen Fernand Traen en Maurice Michiels, toenmalig Voorzitter en CEO van de haven, en vooral van het Mercatorfonds zelf. Zowel wijlen Maurits Naessens als de te vroeg gestorven Fernand Nédée, zijn opvolger in de hoedanigheid van voorzitter van het Mercatorfonds, hadden de challenge aanvaard om, na ‘De Gouden Eeuw van Antwerpen’ en na ‘Gent op de Wateren en naar de Zee’, een grootse uitgave te wijden aan de geschiedenis van Brugge als zeehaven, van het begin der tijden tot het wijdste perspectief dat zich voor de 21ste eeuw aanbiedt.

  2. Johny RECOUR says:

    Van 1974 tot 1977 was ik als bediende bij Ferry-Boats beheerder van balen Australische wol, onder meer opgeslagen in een magazijn nabij het Zeestation. Regelmatig moest ik er naartoe. Wanneer ik pech had, werd mijn nieuwe auto gewassen met vers over de Muur stormend zeewater. Maar daar moest je toen niet over klagen en kriepen.

    • Richard Ranson says:

      Over ‘niet klagen en kriepen’ gesproken. In 2007 publiceerde wijlen Fernand Tamsin een uitgave in eigen beheer, ‘De Reis om mijn Wereld in 80 vragen’, onder meer te vinden via Heemkundige Kring Maurits Van Coppenolle, Sint Kruis. Daarin getuigde hij over zijn vader, als volgt:
      “Of kijk naar mijn vader. Als jonge gast werkte hij slag om slinger, ook nog de zaterdag. Vier jaar van zijn leven stond hij ’s morgens om vier uur op en ging te voet naar Zeebrugge, waar hij nog de kaaimuur heeft helpen bouwen. Hij keerde ook te voet anderhalf uur terug. Als hij om vijf uur dertig stopte, was hij om zeven uur thuis om iets te eten, te slapen en te herbeginnen. Tien uur arbeid op een dag. Dat ‘kleine man’ zijn, daar heb ik altijd heel veel respect voor gehad. Als arbeider was mijn vader nooit een voorvechter, hij had maar één hoofddoel en dat was goed voor zijn gezin kunnen zorgen. Hij gaf hen eten en drinken, alles wat ze wilden.”

  3. Bedankt Pol voor dit interessante verhaal over Zeebrugge. Je documentatie is rijk en aangenaam gebracht.
    Naar aanleiding van het jaartal 1907, in dat jaar behaalde Joe English in Antwerpen de 2de ‘Romeprijs’ voor schilderkunst. Met als opdracht: ‘Les victorieux dans les temps primitifs’, een voorafbeelding van wat in 1914 de Eerste Wereldoorlog zou worden, waarin Zeebrugge een grote rol speelde. Hetzelfde jaar behaalde English de ‘Godecharle-prijs’ onder het thema ‘De mensheid op zoek…’ Toen al en nog steeds…
    Vredevolle groeten.

  4. Bert Vandenbussche says:

    Vooral veel mooie herinneringen aan de nieuwe muur. Voor de oude in z’n oorspronkelijke staat ben ik net wat te jong …
    Toen het strand nog niet zo ver kwam en we nog tussen en op de rotsen mochten … De krabben, zeesterren en andere boeiende wezens die we daar vonden spraken tot onze verbeelding!
    En heerlijk was het om mama te doen verschieten met een gigantische krab in onze pollen of een kwal op ons schupke!

  5. dries simoens says:

    In de jaren ’50 en ’60 … elke zondag met moeder naar het Zeebrugse strand. Putten graven om er ‘bloemen’, zelfgemaakt in papier, te verkopen tegen ‘poignees’ schelpen, handjesvol. Of zandkastelen bouwen, rekening houdend met de opkomende vloed! Om er onze ‘dinkey toys’ op denkbeeldige pistes te laten racen en bovenop een vlag te planten. Op de dijk, de strandspelen waar de behendigste, de vlugste … prijzen kon winnen. Maar ook toen al, de zeeschepen die er olie loosden, en de muur, die turbulenties veroorzaakte in het water, zodat het zaak was zich bij het zwemmen niet te ver in zee te begeven. De muur werd toen algemeen de ‘môle’ genoemd – waarschijnlijk uit het Frans, want op de ‘o’ paste een ‘accent circonflexe’.
    Maar in de jaren ’70-’90, steeds meer leegstaande en verkommerde villa’s. Verval ook in de horeca. In 2008 was Zeebrugge het enige strand waar men voor de kinderen geen ijsje kon kopen. Hotel Palace, omgebouwd tot appartementsgebouw, handelaars die hun strandcabines, windzeilen en ligzetels niet meer verhuurd kregen.
    Thans is er van stadswege veel promotie voor ons strand. Van de nood wordt een deugd gemaakt, het strand is 2 kilometer lang, en bij eb is het 1 km breed. Wwat surfers moet aanspreken, en straks wellicht ook strandzeilers. Parkeerproblemen zijn er nog steeds niet. En deze zomer wordt er een bewaakte zwemzone ingevoerd, in de duinenstrook tussen Zeebrugge en Blankenberge … daar minder turbulenties?

    • dries simoens says:

      Dit noemt men ‘het ijzer smeden terwijl het heet is’ … Wanneer in lockdownperiode de burgemeester van Oostende overwoog een ‘strandpas’ in te voeren, reageerde onze burgemeester: “In Zeebrugge is de social distance sowieso gegarandeerd.” De vastgoedsector rook nieuwe kansen en slogans waren niet uit de lucht … ‘Zeebrugge biedt u een zee aan mogelijkheden’, ‘Een wereldhaven met de ziel van een polderdorp’, ‘Zeebrugge, het best bewaarde geheim van de Kust’ …
      Op één juni e.k. wordt de “Stella Maris”-site weer geopend, met 15 golfbanen en 4 tennispleinen. De site was in 2019 gesloten door haar toenmalige eigenaar, het Boudewijn Sea Park.

  6. Luc Gilliaert says:

    In de kennissenkring van mijn vader gingen de mannen regelmatig naar Zeebrugge om krabben te vangen, mosselen te plukken en/of te vissen. Vooral zij die het niet breed hadden konden zo hun menu met verse vis aanvullen. Ik schrijf nu over de late jaren ’30 van de vorige eeuw, er was toen veel werkloosheid met daarbij gepaard gaande armoede.
    Zo ook bij mijn grootvader. Werkloos en niets om handen, besloot hij op een dag in 1939 alweer met de fiets naar Zeebrugge te rijden om mosselen te plukken en met een beetje geluk ook een krab te verschalken. Was de vangst groot, dan durfde hij wel eens een paar mossels rauw eten. En dat is hem fataal geworden. Mijn vader vertelde me dat zijn vader door een mosselvergiftiging is gestorven. Dat hij naar het schijnt nog tot bij de bruggendraaier van de Herdersbrug is geraakt. Die zette hem op de stoel in het schuilhuisje en ging hulp halen. Toen hij echter met hulp aankwam was mijn grootvader al overleden.
    Zo werd mijn grootmoeder net voor de oorlog weduwe met vier kinderen. Mijn vader was het voorlaatste kind en toen 13 jaar. De oorlogstijd was dan ook zeer barre tijd voor hen, waar niet voor iedere maaltijd eten op tafel kon worden gezet. Meermaals zei mijn grootmoeder rond etenstijd tegen mijn vader te gaan spelen bij de buren, want dan mocht hij daar een boterham mee eten. Ook waren er te weinig of geen medicijnen voorhanden en mijn vader liep tijdens de oorlog een bronchitis op die chronisch werd en hem gans zijn leven is blijven parten spelen. Ieder jaar in de winter zat hij wel enkele weken thuis met bronchitis en eigenlijk heeft het ook zijn overlijden, weliswaar op 84 jarige leeftijd, bespoedigd.
    Naast de beschreven problemen waren er nog vele andere … maar de meesten overleefden de oorlog. Overleefden, wat hier eigenlijk wel het juiste woord is, want dat was het voor veel mensen. En dat er nu mensen zijn die zegden dat de ‘corona-lockdown’ erger was dan tijdens de oorlog …

  7. Johny RECOUR says:

    Ooit, 45 jaar, zei een Antwerpse kapitein mij: “Jullie moeten kiezen, ofwel wordt Zeebrugge een internationale haven, ofwel een badplaats. De twee gaan niet samen”. En ergens had hij gelijk want Zeebrugge is ondanks de jarenlange inspanningen van de opeenvolgende stadsbesturen tot op heden hoofdzakelijk het strand van de Bruggelingen gebleven. Zelfs al had Jean-Luc Dehaene er een optrekje. Ik herinner mij dat Brugse inwoners, die er al dan niet een cabine hadden, ons opbelden om te weten welk weer het bij ons aan de zee was.
    Havenactiviteiten en toeristische recreatie liggen er veel te dicht bij elkaar. Zeker in de jaren ’70, toen ik ieder weekend toeristen moest onderscheppen die op één of andere manier verbodstekens hadden genegeerd en lustig slalomden tussen de ‘straddle-carriers’ om dicht bij een een containerschip te geraken.

  8. dries simoens says:

    Fernand Traen was 26 jaar lang voorzitter en gedelegeerd bestuurder van de ‘Maatschappij voor Brugse Zeevaartinrichtingen’. Hij schreef in 2015 zijn memoires – na de fakkel te hebben doorgegeven aan Joachim Coens – en kon zijn ontgoocheling niet verbergen over de manier waarop de Brugse haven vanuit de politiek werd behandeld. Traen heeft steeds verdedigd dat een terminal voor vloeibaar gas in de haven niet op zijn plaats was, en dat er beter op die plek een bijkomende containerterminal was gebouwd. Een ander punt: het is bekend dat in ons land de binnenvaart stiefmoederlijk wordt behandeld. Traen betreurde dan ook de verbreding van het Schipdonkkanaal, die zogezegd de binnenvaart van en naar Zeebrugge moest vergemakkelijken. In zijn ogen: “een halfslachtige tussenoplossing, een veel te lange omweg”. Hij pleitte in de plaats voor een nieuw breed “Noorderkanaal”, dat van Zeebrugge over Balgerhoeke rechtstreeks naar Zelzate zou hebben geleid. De maritieme vakkrant “De Loyd” bracht Fernand Traen, ondertussen ook in de adelstand verheven, een hulde door te stellen dat het havenbeheer in Brugge “een weg van lange adem is geweest, dat gepaard ging met ‘veel bloed, zweet en Traen’…”
    In de marge ook dit: Jean Luc Dehaene was niet de enige personaliteit die een villa bewoonde in Zeebrugge. Manu Ruys, hoofdredacteur van De Standaard totdat deze krant het embleem ‘AVV VVK’ liet vallen, heeft er in een villa aan de dijk zijn pensioenjaren doorgebracht. De zuurstofrijke zeelucht inspireerde hem bij het schrijven van zijn memoires ‘Het levensverhaal’. Ruys is 93 jaar geworden.

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *