Gepost in Zonder categorie, voorlopig | Plaats een reactie

Met de lijnbus naar ’t leven …

Naar Brugge kwam je met de bus.
De schooljongetjes die wij waren, net onze plechtige communie gedaan
in dat  buitendorp van ons, op weg naar de grote school.
De bus reed bij de Kruispoort ’t stad in.
Er was nog tweerichtingsverkeer in de Langestraat, stel het u vandaag een keer voor.
Meestal stapten wij af bij de Molenbrug, de
Meulebrugge,
om dan langs de Sint-Annarei naar ’t college te slenteren.
Was de bus wat vroeger, gingen we er ook wel een keer af bij de Kruispoort,
en dan door het nog slaperige Sint-Anna naar de Potterierei.
En soms begon die tocht met de ‘beklimming’
van de molenterp van de Bonne Chieremolen, bij de stadspoort.

Daar stonden ze, in de ochtendkilte, onder die roerloze molenwieken,
een paar jongetjes met voor zich een heel leven
en aan hun voeten een uit zijn slaap ontwakende stad.
Eén van hen dacht toen, of tenminste, vandaag gelooft hij graag dat hij dat toen dacht,
dat is hier een schone plek.
Een schone plek, misschien, om te leven.
En hoe gaat dat, je groeit op,

gaat dus naar een school in Brugge.
En dan naar een andere school.

Omdat het je in die ene wat te moeilijk wordt, je bent lang geen bolleboos.
Je leert een meisje kennen waarvan je meent dat het je lief is
en dan een ander dat zowaar ook zelf heel even vindt dat ze je lief is.
En dan nog eentje waarvan je denkt dat het je lief is,
maar dat blijkt dan niet te kloppen, het is je vrouw.
En je trouwt en vindt een huis dat je thuis wordt.
En werk vind je ook.
In die stad die van jou is, intussen.
Soms leid je mensen rond die de stad komen bezoeken.
En van die plek waar je woont ga je wat spullen opzij leggen.
Affiches, vooral, en na verloop van tijd wordt dat meer dan zomaar opzij leggen.
Affiches van een stad die je graag in je armen sluit.
Zoals je ook wel een keer … je vrouw in je armen sluit?
Neen, niet zo. Of toch, zo ongeveer.

Een stad die je soms doet sakkeren om wat ie uitspookt.
Zoals je ook wel een keer …
?

Vandaag schrijf je een stukje over die stad van jou.
Want inmiddels weet je wel zeker …
dat is hier geen onaardige plek. Om te leven.

Gepost in Het Brugge van toen, Over affiches verzamelen, Van wielen en op weg zijn | 5 reacties

Zeven letters voor Jan Broes

“Wie weinig weet en dat weet,
heeft dat alvast voor op wie alles meent te weten.”
Had iemand die woorden geduldig in steen gekapt, of met zorg toevertrouwd aan handgeschept papier, kregen ze misschien wel een plek bij Jan Broes in de Oude Zomerstraat. Tussen al het kostbaar schoonschrift waar Jan zijn leven en zijn huis mee vulde. Dat pand van hem, aan het eind van dat doodlopende straatje in de Oude Burg, stelde hij met lange tussenpozen open voor al wie kalligrafie genegen was. Keer op keer proefde je er van verrassende, ontwapenende, soms ontroerende schriftkunst. En van het interieur, dat aangaf dat Jan in alles authenticiteit voorop stelde. Een huis, bijgevolg, waaraan de tijd leek voorbij te gaan.

De imposante schermgevel van zijn huis De Zomere palmt nadrukkelijk de Oude Zomerstraat in. Maar omdat je zoveel schoonheid niet verwacht in zo’n niemendallig straatje, bestaat de kans dat je er achteloos voorbij passeert wanneer je langs de Oude Burg komt. Zelf stop ik er altijd even, wanneer ik bezoekers meeneem doorheen de stad. Om hen te wijzen op dat laatmiddeleeuwse baksteenjuweel, in een stille hoek weggestopt voor de haastige toeristenzwerm die zich verderop aan ander schoons vergaapt. Dan vertel ik over Jan, zijn letterverzameling en het huis. Over zo’n schermgevel, bedoeld om het huis hoger te laten lijken dan het in werkelijkheid is. Achter die slanke gevel schuilt immers een minder hoog dak dat ook genoegen zou nemen met een wat lagere voorgevel. Je buren imponeren, ook in de vijftiende eeuw wist men er al weg mee.

’t Was op een middag, enkele jaren geleden, dat Jan en ik mekaar op de hoek van zijn straatje tegen ’t lijf liepen. Nou ja, liepen, zo gehaast was Jan doorgaans niet en ook ik neem graag mijn tijd. Hoe dan ook, we kwamen mekaar tegen. Hij herkende mij en sprak me aan. Of ik een momentje had? Ja dus, benieuwd als ik was naar wat Jan me wilde zeggen. ’t Was dat hij zich ergerde aan wat stadsgidsen vaak menen te weten over die fameuze schermgevel van zijn woonst. Dan vertellen ze dat achter de gevel een dak schuilt dat lager is. Dat klopt, maar dan verkondigen ze ook dat de houten luiken helemaal bovenaan gewoon uitgeven op de open lucht. Dat daar geen zolder of wat dan ook achter steekt. “Maar zoveel lager is dat dak niet, die zolder is er wèl! Dat is dus niet waar, hé, ge moogt dat niet vertellen!”
En ja, ik moest bekennen dat ook ik dat verhaal voor waar aannam, al die keren dat ik er langs kwam. Meer zelfs, ik meende het zeker te weten. Jan zuchtte maar bleef zijn vriendelijke zelf. Zijn verontwaardiging hield hij voor zich.

Dat had anders gekund, want als Jan Broes verontwaardigd was, dan was dat met enige overtuiging. Dat herinnerde ik mij van toen hij nog veel langer geleden, in het verre jaar 1990, mee aan de wieg stond van een beweging die onze stad lichtjes op zijn middeleeuwse grondvesten liet daveren.

SOS voor een leefbaar Brugge’, zo heette het initiatief. Een groepje voortrekkers kreeg een ferm deel van de Brugse bevolking mee in een bewustmakingsactie. Die ging over de vermeende roekeloosheid van de stedelijke overheid omtrent het omgaan met waardevol erfgoed. En in één adem ook over de opgang van het massatoerisme. Toen al.  Ik zie de affiches nog, aan honderden Brugse vensterramen. En ik zie, en hoor vooral, Jan nog zijn punt maken, op een avond in een volgelopen Hof van Watervliet. Sarcastisch en spottend verraste ons zijn pleidooi dat je niet verwachtte van een mens die in letters vooral schoonheid zocht.

Zijn naam stond in de krant, intussen bijna twee  jaar geleden. Een overlijden. ‘Jan Broes’, een naam, goed voor zeven letters waar ik even stil van werd. Het voorbije Open Monumentenweekend leerde ons dat Jan’ s familie De Zomere restaureert. Ze doen dat grondig en dat is goed. In de aanloop tot dat weekend gaven ze mij de kans om mij te vergewissen van hetgeen Jan die keer vertelde. En ja, hoor, daar stond ik, met de verbaasde ogen van een ongelovige Thomas, op het zoldertje achter de houten vensterluiken.

Wanneer ik langs de Oude Zomerstraat voorbij kom hou ik graag even halt, maakt niet uit of ik alleen ben of in gezelschap. Maar indien wel, dan vertel ik over een man, Jan Broes heette hij, over zijn passie voor letters, geschreven, gekapt of geborsteld. En over zijn huis, met die schermgevel waarvan de bovenste luiken gewoon uitgeven op een zolder.

“Wie weet dat wat hij meent te weten niet altijd waar is,
heeft dat alvast voor op wie zich alwetend waant.”

Gepost in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van boeken en schrijven, Van Brugse politiek, Van schilderen en plaasteren, Van toeristen | 3 reacties

Jens Keukeleire op de vélocipède

Ze hebben ’t hem gezegd, dat het wereldkampioenschap tijdrijden naar Brugge komt. Van onze grote poëet werd enig enthousiasme verwacht, op zijn minst een lofdicht, maar aan zijn blik te oordelen is dat een vergissing. Hij kijkt weliswaar al sip sinds ze hem op die sokkel in de schaduw van de Onze-Lieve-Vrouwekerk hebben gezet, maar nu hij weet heeft van al die wielerdrukte is dat er weinig op verbeterd. Wij vragen ons af hoe dat komt.
Het antwoord vernemen wij op de tentoonstelling ‘Een droomploeg voor het WK’ in ’t stadsarchief op de Burg. Daar vinden wij een gazetje waarin Guido Gezelle in ’t jaar 1869 zijn gedacht op papier zet over de fiets. De vélocipède, zo noemde men dat nieuwerwetse ding. Het mag verbazen, maar in Guido’s tijd werd met zo’n tuigen nu en dan al een keer om ter rapst gereden werd.

Die mannen peizen dat dat niet en is, alsan dat gedurig werken met  hunne voeten, dat is wel een bètje faliganter als te voete gaen’,
meent Gezelle, en ook:
Ze gaen in eene gemeente van onze provincie concours houden van vélocipèden.
En ’t gaen pryzen te winnen zyn voor degene die de zeerste kunnen ryen …’
Om te besluiten met
Alzoo moeten werken met hunne beenen, tot dat zy lam zyn, allons donc!

Enfin, we zien Gezelle, argwanend tegenover ’t nieuwe fenomeen, nog niet meteen Renaat Schotte-gewijs achterop een moto verslag uitbrengen van wat de coureurs ervan bakken.  Nochtans, in versvorm, ‘t ware een wereldprimeur.

Maar op die kleine tentoonstelling in ’t archief gaat het vooral over een troepje Bruggelingen die wèl met de nodige geestdrift met de koers bezig zijn of waren. Stuk voor stuk renners van wie de namen meer dan een keer klonken door de megafoon bij de eindstreep. Sommige namen zijn verneveld in de tijd, zoals je op tv tijdens een mistige bergrit van een eenzame renner enkel het silhouet ontwaart. Coureurs van soms heel ver terug, zoals Kamiel Van de Casteele die bijna honderd jaar geleden ritten won in de Tour. Of van minder lang geleden, Georges Vandenberghe, naam uit de jaren zestig, uitblinker in de Ronde van Frankrijk èn die van Italië. In zijn eigen Dudzele werden Georges’ overwinningen in 2018, vijftig jaar na datum, nog in herinnering gebracht. En Guido Reybrouck en Wilfried David, mannen die meer wonnen dan je hier kan oplijsten. En natuurlijk Jens Keukeleire, van wie we volgens kenners het laatste wielerexploot nog niet hebben gezien.

Neem uw tijd als u langs gaat op de tentoonstelling, ’t is een kleine ruimte die ze inpalmt maar die zit vol curiosa en schone verhalen. U hoeft er dus niet enkel langs te gaan voor het handvol wieleraffiches uit een Brugse collectie. Trouwens, zelf blijkt de verzamelaar die ze uitleende helemaal geen koerskenner.
Al laveert hij heel frequent en met plezier tweewielig door de straten van onze stad. Soms content gelijk een ritwinnaar, met in de achterzakken van zijn vélocipède een paar rollen affiches waarmee hij zijn collectie kan aanvullen. Passeert hij langs de Onze-Lieve-Vrouwekerk, schudt een meneer op een sokkel meewarig het bronzen hoofd.

Een droomploeg voor het WK – negen Brugse wielerhelden‘, de tentoonstelling, loopt nog tot zondag 14 november in het Brugse stadsarchief op de Burg.
https://www.brugge.be/expo-een-droomploeg-voor-het-wk-9-brugse-wielerhelden

Gepost in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van sport in 't algemeen, Van wielen en op weg zijn | 5 reacties

Sportzot met jenever

We waren met een handvol stadsgidsen uitgenodigd bij ‘International Flavors & Fragrances Inc’.
Eigenlijk gingen we gewoon langs in de Gistfabriek, maar met zo’n mondvol Engels in de eerste zin van ons tekstje weet de lezer meteen: hola, dat gaat hier om serieuze connecties! En ’t is niet gelogen wat hierboven staat, vandaag heet het bedrijf bij de Dampoort ècht zo. Bent u al lang Bruggeling, dan weet u natuurlijk nog die naam van lang geleden. ‘Nederlandse Gist & Spiritusfabriek’ roept het beeld op van het overweldigende fabrieksgebouw, die reus met z’n voeten in de Langerei, het gevaarte werd in de jaren tachtig gesloopt. En natuurlijk ook van de jeneverfles, destijds in elke dressoir in elke living van Brugge en omstreken.
Al had de reden van ons bezoek, ietwat tot onze spijt, niks met jenever te maken. Omdat ze daar het stoken van geestrijke drank al lang hebben afgezworen. Er worden nu enzymen aangemaakt, dat klinkt niet als iets voor in een borrelglas. Al garanderen ze ons dat je hun enzymen in alle mogelijke etenswaren en dagdagelijkse spullen vindt. Van cornflakes tot zeep en weet ik veel, en geloof het of niet, enzymen zijn op zich echt der naturen zelve. Biotechnologie heet zoiets.
Maar u wil weten wat stadsgidsen te zoeken hadden in de Gistfabriek. Wel, tijdens het Open Monumenten Weekend, het tweede weekend van september, zijn wij daar present om u en al wie langs komt rond te leiden in het imposante kantoorgebouw. Dat er

kantoren bestaan die ’n bezoek waard zijn, ’t is aan ons om u daarvan te overtuigen.
De vriendelijke meneer die ons die middag ontving wist boeiende verhalen over het leven in en rond de fabriek, wij zullen ons best doen om ze te onthouden tegen dat u langs komt. Over een familiezaak van dertien in een dozijn die uitgroeide tot een bedrijf dat meetelde in Brugge. Over bloeitijden met veel volk aan ’t werk langs perioden van inkrimping en terug.
Maar ook over de sociale geschiedenis van een fabriek die haar stempel drukte op het Brugse volksleven. Niet dat het in en rond die fabriek altijd allemaal ‘suiker en zeem’ was, waar is dat wel zo, maar wie er zijn boterham verdiende genoot van een opvallend arsenaal aan vrijetijdsactiviteiten. Niet in de laatste plaats als ’t op sport aan kwam.

De heerlijk ouderwetste trots waarmee een schare mannen, fier in het gelid en borst vooruit, posteren op de affiche ‘Leven rond de fabriek’ laat daar geen twijfel over bestaan. De tentoonstelling liep destijds in het stadsarchief en vertelde over bedrijfssport, maar ook over allerlei sociale en culturele activiteiten bij grote bedrijven. Bij de Gistfabriek ging dat van een voetbalploeg over een naaischool voor de dochters van ‘t werkvolk, een harmonie en een bibliotheek tot een vakantiekolonie in Heist.
Keurgroep voor turners Rust Roest’ van de Gistfabriek werd in ’t jaar 1930 op foto gezet. Maar de cataloog van de tentoonstelling vermeldt de Gistfabriek al voor de Eerste Wereldoorlog als voorloper bij het organiseren van activiteiten buiten de fabrieksmuren.
We zijn al een eind in onze eigen eeuw aangeland, dat soort bedrijfsbinding kennen we niet meer. Maar aan ’t Zuidervaartje op Sint-Kruis heet nog altijd een sportveld ‘Rust Roest’.  En als turnliefhebber kan u tot vandaag terecht bij een clubje met de naam ‘Koninklijke Turnkring Rust Roest’. Da’s dus de erfgenaam van de stoere venten op de affiche.
Stel, een frisse najaarszondag in ’t jaar 1930. Zo’n gast van op de foto blijft, nadat hij zich een middagje ferm in ’t zweet zwoegt, nog wat nakaarten in de kantine aan ‘t Zuidervaartje. Waar hij met zijn sportmaten een frisse dreupel van eigen stokerij achterover slaat. Sportzot met jenever.
Tijdens het Open Monumentenweekend verwelkomen wij u bij ‘International Flavors & Fragrances Inc’. Enfin, de Gistfabriek. Met een markant verhaal over een hoogst markant kantoorgebouw. Alleen het dreupelglas zal u erbij moeten verzinnen.

Het schitterende art deco interieur van het kantoorgebouw van de Gistfabriek is toegankelijk op zaterdag 11 september van 14 tot 18 uur en op zondag 12 september van 10 tot 13 uur en van 14 tot 18 uur. Tijdens het Open Monumentenweekend is op sommige locaties vooraf reserveren nodig, in de Gistfabriek is dat niet het geval.

Gepost in Het Brugge van toen, Van sport in 't algemeen | 5 reacties

De Triënnale als eksperiment

U leest het goed, waarde lezer, het staat er gewoon verkeerd. Het moet ‘experiment’ zijn, in de titel hierboven. Deelname aan het Groot Dictee Der Nederlandse Taal kan de schrijver van dit stukje dan ook maar beter, om bij toepasselijke termen te blijven, ‘op zijn buik schrijven’. Trouwens, weet u dat deze bedreven spellingsdwaler voor het nalezen van zijn schrijfsels iemand in dienst heeft? ’t Is weliswaar degene met wie hij sinds jaar en dag tafel en bed deelt, maar toch, haar bijdrage tot het min of meer leesbaar houden van wat hier staat mag niet worden onderschat. En zodoende heeft ze dan ook meteen de flater opgemerkt!
Maar ditmaal kan de auteur zijn blunder verantwoorden. Voor één keer heeft zijn nonchalance er niks mee te maken, ‘t is met opzet gedaan! Hoezo? Wel, ’t is een kwestie van inspiratie. Inspiratie die hij vond in teksten over de Triënnale.


Niet over degene die nu loopt en haar twee voorgangers, neen. Wel over de tentoonstellingen van héél veel zomers geleden. De oer-Triënnales, die ons een halve eeuw terugvoeren in de tijd.
Drie op een rij waren het er en kijk hier, de affiches van de tweede in die reeks, die ging door in de zomer van 1971. Drie affiches voor één kunstfestival. De ene was van de hand van Roger Raveel, de andere van Paul Mara. En nog eentje werd bedacht door Boudewijn Van Houcke. Drie kunstenaars die uiteraard ook op die tentoonstelling in de stadshallen nieuw werk presenteerden.
Om over die triënnale ’t één en ander te vertellen, ging uw dienaar op zoek in publicaties uit die periode. Onder meer in ‘Ons Erfdeel’, gerespecteerd tijdschrift als ’t op cultuur aan komt. In één van die periodieken leest hij een recensie, Bruggeling Fernand Bonneure schreef ze. En hoe.
Tot vrolijke verbazing van ondergetekende word je met die commentaar niet enkel teruggevoerd naar de kunstwereld van toen. Er is ook de spelling van toen! Of toch de schijfwijze zoals die in bepaalde middens werd gekoesterd.
Progressieve spelling was een kind van de jaren zestig, toen alles wat anders kon ook anders moest. Een weliswaar moedige maar roekeloze poging om de dingen min of meer te schrijven zoals je ze uitsprak. Met een warme voorliefde voor de letter ‘k‘. De ‘c‘, de ‘x‘ en andere moeilijkdoeners hadden afgedaan. En enigszins tot mijn verbazing ging ook Fernand Bonneure, gerespecteerd auteur in zijn tijd, vrolijk mee in dat verhaal.
Zonder blozen noemt hij de expositie “voor het toeristische Brugge een attraktie en voor allen een onderwerp voor diskussie. Hij vindt “de katalogus van de Triënnale een puik dokument.” En de tentoongestelde werken van Pierre Alechinsky roemt hij als “sterk gekondenseerde komposities. Verder vindt hij dat de triënnale “een groot konglomeraat vertoonde van allerhande konstrukties”.
Hij schrijft over het hele gebeuren “met respekt, al relativeert hij de fameuze konfrontatie tussen Roger Raveel en de toenmalige burgemeester omtrent Raveel’s houten zwanen op de reien. Hij heeft het over hoe “… een drietal keer door Roger Raveel gefabrikeerde zwanen te water werden gelaten, daarna ontvreemd en uiteindelijk weer geplaatst, telkens met de pers erbij, goed voor een item op de televisie!”
De Triënnales van toen, ’t is een vergeelde herinnering aan spraakmakende tentoonstellingen. En die progressieve spelling, och ja, ze hield niet lang stand. Was het gewoon tè vermoeiend om er konsekwent mee door te gaan? Maar toch, na al die jaren geeft ze mij een bemoedigend schouderklopje. Zo van, “Zó van levensbelang is al dat korrekt schrijven nu ook weer niet!
Dus, geachte lezer, al schaam ik me amper voor een enkel spellingsfoutje, hierbij alsnog mijn ekskuses.
En die correctie-lezeres van mij? Die hou ik toch nog maar even in de buurt. ’t Zou eenzaam zijn, anders, aan tafel en in bed.

Gepost in Het Brugge van toen, Van boeken en schrijven, Van schilderen en plaasteren | 4 reacties

Terug naar Monnikerede

Van sommige vertellingen lijkt het alsof ze er altijd waren. Dat van Atlantis, bijvoorbeeld, verzon iemand die legende of is ze zo oud als de mensen zelf? Of, wie weet, is het verhaal gewoon waar.
Wanneer hoorde ik voor het eerst van het land dat lang geleden verzonk in de diepten van de zee? Misschien toen onze leraar Nederlands met zijn lijst ‘verplichte auteurs’ kwam aanzetten. Eén boek volstond, meenden nogal wat klasgenoten. Uitlezen dat ding, verslagje schrijven en gedaan. Maar eentje was danig onder de indruk van ‘De komst van Joachim Stiller’. En zo kwam het dat, terwijl zijn sportieve makkers gingen voetballen en de strevers blokten voor het naderende examen, uw dienaar nog een boek las van Hubert Lampo. En nog één en nog één. Ook ‘Terugkeer naar Atlantis’.
Op zijn schoolrapport blonken  nooit straffe cijfers en aan hem ging geen voetbaltalent verloren, maar hoe dat zat met dat mythische werelddeel Atlantis, dat kon hij wel uit de doeken doen.

Hij vond een lied over Atlantis op een plaat van de vriendelijke troubadour Donovan en was helemaal verkocht. En toen het kleinkunstige tweetal Miek en Roel het Verdronken Land van Saeftinghe bezong, leerde hij dat zo’n verloren-land-mythe ook hier bij ons leeft. Niet verder dan wat verderop, langs de Westerschelde, is Saeftinghe een plek waar het wassende water zijn eigen ding doet met slikken en schorren en van die dingen. En met een legende over een verzwolgen dorp waarvan je bij stormnachten de klokken hoort luiden. Echt waar, voor wie ’t gelooft.

Wat bracht deze week Atlantis weer in mijn gedachten? Wij keerden naar Brugge terug van in het Zwin. We zagen er de expositie ‘Verdwenen Zwinhavens’ over de geschiedenis van de Zwingeul waarvan het natuurreservaat bij Knokke de verre erfgenaam is. De tentoonstelling vertelt over Hoeke, Damme en Sluis, ooit de voorhavens van wereldhaven Brugge. Over hoe het Zwin het lage land binnendrong tussen Sluis en Muide. Dat gehucht heet vandaag Sint-Anna ter Muiden, de stompe bakstenen kerktoren zie je een eind voor je Sluis binnen rijdt.
Maar er is meer. Of liever, er is meer dat er niet meer is en het heet Monnikerede. Dat was zo’n beetje het kneusje onder de Zwinhavens. Maar wel eentje met stadsrechten, het had enig belang. ’t Vraagt nogal wat goeie wil om ons dat stadje voor de geest te halen, want er bleef niets van overeind.

In de zomer van 1970 liep in het stadhuis van Damme een tentoonstelling over het havenverleden van de stad.

Waar gaan we zoeken? Wel, langs de Damse Vaart, een eind voorbij de Siphon, waar de vaart de Stinker en de Blinker kruist, is de brug naar Oostkerke. Een weg die daar door de velden krinkelt heet, heel verrassend, Krinkeldijk. Daar ergens, onder de graszoden, rust wat rest van Monnikerede. Een dorp, zo zouden we het vandaag noemen, maar met ferme koopmanshuizen en een stadhuis, een kapel ook. En een haventje. En dus allicht ook wat kroegen en zo.  De naam verwijst naar de monniken van Ter Doest die er wat eigendommen hadden. Kroegen?
Maar met een verzandend Zwin een haven draaiende houden lukte niet en het stadje kwijnde weg, werd verlaten. De laatste resten Monnikerede verdronken later in de Damse Vaart die Napoleon liet graven.
Weet je wat, als daar bij winters nacht en ontij de stormwind over de velden raast ga ik een keer post vatten langs de Krinkeldijk. Op mijn dooie eentje, zie mij daar staan, ge moet wat over hebben voor de geschiedenis van uw streek. Want wie weet, ontwaar ik doorheen de gierende wind de klokken van Monnikerede … Ik hou u op de hoogte, beloofd. Stel u voor, midden de Oostkerkse weiden, ons eigen Atlantis.

‘Verdwenen Zwinhavens’ loopt nog tot het eerste weekend van november in de exporuimte van het Zwin.
Er is ook een fietsroute aan het project verbonden.

https://www.zwin.be/nl/verdwenen-zwinhavens


Gepost in Het Brugge van toen | 4 reacties

De scheve kapel van Sint-Andries

Zullen wij het een keer hebben over ons zondige leventje?
Arme zondaars’, zegt het u nog iets? Doet ‘Bid voor ons, arme zondaars’ ergens licht schijnen in uw memorie, dan is het aannemelijk dat u al redelijk wat jaren op deze aardbol vertoeft. Lang genoeg om u de tijd te herinneren toen elke brave katholiek die woorden prevelde, bij tijd en wijle. Maar zoals de uitdrukking ‘bij tijd en wijle’ weg deemsterde uit ons woordenarsenaal, zo verging het ook dat gebedje, het aloude Weesgegroet.
De godvruchtige lieden die mij in mijn kindertijd omringden waren geen pilaarbijters, tussen soep en patatten werd wel een keer lacherig gedaan over wat de pastoor had verteld in de zondagspreek. Maar de katholieke waarden in twijfel trekken, ho maar! Pas later, de schoolbanken van het dorpsschooltje ontgroeid, gingen we dingen in vraag stellen. De mompelende, al wat verschrompelde pater van wie we godsdienstles kregen probeerden we wat graag in ’t nauw te babbelden. Neem nu die hoogdag, midden augustus, Onze Lieve Vrouw Hemelvaart. Iemand in de klas wist te zeggen dat in de bijbel niks te vinden is over die hemelvaart van Maria. En gij nu! We werden er niet katholieker door, maar leerden wel dat gelijk hebben en gelijk krijgen niet altijd synchroon lopen.

Bent u zo’n medemens die makkelijk de schouders ophaalt bij ‘geloofsdingen’? ’t Is u van harte gegund. Ook deze jongen leerde de waarde van het relativeren almaar hoger inschatten. Maar toch krijg je hem nog makkelijk mee bij een rondje keuvelen over de waarden des levens.
Het was dan ook niet enkel als verzamelaar dat hij deze week aan de Onze-Lieve-Vrouwekerk een curieuze affiche opmerkte. Ook wat ze vertelde trok zijn aandacht. Ze had het over concerten op de hoogdag waarover wij het net hadden. Ook wie niet zo vertrouwd is met oude muziek weet, het ensemble Currende en het dirigeerstokje van Erik Van Nevel staan garant voor meerstemmigheid van het betere soort. En dus begeeft uw dienaar zich op zondag nog een keer ter kerke. Al gaat het om muziek met een heel serieus elan.
De affiche toont een schilderij uit de genoemde kerk, het is van de Brugse grootmeester Adriaen Isanbrant. De Heilige Maagd, omringd door zeven taferelen, de ‘Zeven Smarten’. Smarten? Zeven? Welja, zeven sombere momenten uit haar leven. Het lijden van haar Zoon komt daarbij uiteraard uitgebreid in beeld. Weet je waar je die zeven droefheden nog kan zien? Bij de kapel van Onze Lieve Vrouw van ’t Boompje, op Sint-Andries. Een kapel, beeldschoon omringd door een aureool van oude bomen en alleen al daarvoor een bezoekje waard. Bij die kapel is een tuin met daarin acht bakstenen zuiltjes. Vakkundige voorstellingen van die Zeven Smarten. En op dat achtste zuiltje, wat staat daarop? Warempel, de Hemelvaart van Onze Lieve Vrouw!

Verborgen parel … de kapel van ’t Boompje

Vraagt u naar wat rest van al het paapse dat de schrijver van dit stukje als kind meekreeg, dan verzint hij maar moeizaam een antwoord . Of toch, een poging.
Misschien is de kapel van ’t Boompje in Sint-Andries u niet bekend maar passeert u er wel een keer langs de Gistelse Steenweg. Wel, niet ver van de Platse zie je vlakbij het Boeverbos een ander kapelletje. In heel Brugge vind je niet één ander bouwwerk dat sinds lang zo is scheef gezakt. De scheve kapel van Sint-Andries, men komt er met schroom over de drempel, benauwd dat elke stap die men zet het bakstenen bouwwerkje finaal uit balans haalt.
Dus op de vraag hoe het gesteld is met de fundamenten van al dat katholieke uit mijn kindertijd? Ewel, dit kadulle bouwwerk komt aardig in de buurt.
En toch, op die zomerse hoogdag in Brugge’s grootste kerk genieten van polyfonie die me in hemelse stemming brengt, voor even, het is mij een waar genoegen. Om dan, eenmaal weer op de profane straatstenen, met gulzige goesting terug te keren naar dat zalig zondige leventje van ons.

… en een architecturaal curiosum … de scheve kapel van Sint-Andries.
Gepost in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Over affiches verzamelen, Van feesten en vieren, Van schilderen en plaasteren, Van zin, zen en zijn | 14 reacties

Vier keer Guido Depraetere

Ha, ’t is weer met Studio Barcka in de Groene Poorte!
’t Waren de jaren van bals en fuiven waarop dj’s plaatjes draaiden en die muziekjes aan mekaar babbelden, zonder meer. De deejay van vandaag droomt van festivalweiden vol juichende fans, maar dit verhaal is nog van toen je zelf je platendraaiers en boxen naar het podium sleurde, loodzware koffers vol grammofoonplaten uit de koffer van je autootje hees en voor de rest van de avond gewoon je ding deed.

De grote zalen in het Brugse, ’t Schuttershof, het Jagershof, de Oberbayern-zaal van ’t Boudewijnpark en de sporthal van de Groene Poorte, werden week na week ingepalmd door fuiven van jeugdverenigingen en studentenclubs. En zo’n avond volgde eigenlijk een redelijk vast stramien. Een paar stevige dansdeuntjes, een paar keer ‘den Bamba’ ofte de ‘kuskesdans’ en nu en dan een slow om mekaar een keer goed vast te pakken.
Kwestie dat al dat jong dansvolk toch vroeg of laat van straat zou geraken. De dj’s van dienst kenden hun stiel. Met als misschien wel de meest gevraagde discoploeg de gasten van Studio Barcka.
Die jongens koesterden nauwlettend hun imago van net iets deftiger discobar. Ze draaiden alle hits, maar dat af en toe ook een braaf walsje of een tango door de zaal zou klinken, met Barcka kon je daar donder op zeggen. En steevast in maatpak en met vlinderdas koketteerden ze maar al te graag met dat imago. En al werd soms lacherig gedaan over Barcka, de burgermannetjes, populair waren ze wel.
Eén van die Barcka-knapen in smoking was Guido Depraetere.
De jonge Guido was daarenboven van wel meer markten thuis. Ook de politieke markt boeide hem, hij sleet twee legislaturen in de gemeenteraad. Sommigen zagen hem daar ongetwijfeld in doorgroeien, maar een mens zijn leven is soms een samenloop van kansen en keuzes. En zo gebeurde het dat een talentenjacht onze Guido aan een stiel bij de toenmalige BRT hielp. Waar hij Mike Verdrengh leerde kennen en wat daaruit volgde, dat is u mogelijks bekend.
Want toen op een winteravond van het jaar 1989 de eerste beelden van de commerciële zender VTM op Vlaanderen werden losgelaten was dat aan Mike en Guido te danken. Of te wijten, naargelang wie daar zijn mening over gaf. Want de opstart van een Vlaams commercieel televisiekanaal deed nogal wat stof opwaaien.
Je neus ophalen voor de volkse nieuwe zender, het werd bon ton in bepaalde middens. En ’t moet gezegd, in zijn begindagen deed VTM niet bijster veel moeite om dat beeld bij te sturen. Presenteerde Guido week na week een show waarin bekende Vlamingen overjaarse moppen tapten? Meer had de kritische kijker niet van doen om smalend neer te kijken op zoveel goedkope leute. En eerlijk waar, zo’n programmareeks schipperde tussen grappig en belachelijk. Maar ’t was anderzijds wel het programma waarin Baziel zijn vaste stek vond.
Baziel, zowat Guido’s alter ego, was de niet al te snuggere maar des te meer ontwapenende hoofdrol in talloze onnozele grappen. Guido en moppen tappen, het ging goed samen. Al was Baziel niet Guido’s vinding, naar men zegt kreeg het figuurtje al in de jaren zestig in onze contreien de hoofdrol in ‘kluchtjes aan de toog’. Maar dankzij Guido Depraetere kreeg het ventje landelijke bekendheid èn een wekelijkse cartoon in ’t Brugsch Handelsblad. En stond Baziel, ofte Guido, met een avondvullend moppenprogramma in onze stadsschouwburg.

Deze week is ’t vijftien zomers geleden dat Guido Depraetere ons, veel te vroeg, verliet. Het laat zich raden dat hij nog een heleboel pijlen op zijn vindingrijke boog had. Of grappen om uit zijn mouw te schudden. Maar ’t heeft niet mogen zijn.
Ken je dat kluchtje van die vier Bruggelingen? Er waren een keer een dj, een politieker, een televisiemaker en een moppentapper. Ze heetten alle vier Guido Depraetere …

Gepost in Het Brugge van toen, Van Brugse politiek, Van feesten en vieren | 8 reacties

Beach Rock, Zeebrugge 1996 … een trouwfeest

’t Was vijfentwintig jaar geleden aardig zomerweer, eind juli.
Die lome namiddag wachtte het jeugdhuis van een Oost-Vlaams dorp geduldig op de avondambiance die bij zo’n plek hoort. Maar ’t was zo’n zonnige zaterdag waarop je liever buiten bent, Tijl, de knaap achter de tap verwachtte een kalme shift. Een groepje vrienden kwam langs, nog een pint pakken voor ze naar Zeebrugge trokken.
‘Naar Zeebrugge?’
‘Jawel, er is daar een festival.’
‘Ha, wist ik niet.’ 
‘’t Wordt wellicht leutig. En à propos, Jakoba komt ook. Je weet wel, dat meiske uit Gullegem, ze zit bij mij op school, je was met haar aan de praat, een paar weken geleden in Gent op dat straatfeest.’
Het komt voor dat woordcombinaties een bel laten rinkelen. Die keer waren dat ‘Gent’, ‘straatfeest’ en ‘Jacoba’. Ja, dat was een leuke babbel geweest, die avond. En zo kwam het dat Tijl die keer de handdoek zowat letterlijk in de ring gooide, de bar van jeugdkroeg De Cramme overliet aan een vriend en naar Zeebrugge trok. Voor, zoals gezegd, zo’n zomerdag die je beter buiten kon slijten. Aan zee, bijvoorbeeld, met kameraden en muziek. En met een voorraad wijn, binnen gesmokkeld in een fruitsapkarton, flessen mochten niet op het festivalstrand.

En al doet de arrogante kop van Johnny Rotten van de Sex Pistols het tegendeel vermoeden, er stond ook schoon volk op de affiche. Belga Beach Festival, dat sinds een paar jaar was herdoopt in Axion Beach Rock, had al eerder ferme namen op zijn lijstje. Op eerdere edities, eerst in De Panne en dan nogal wat jaren in Zeebrugge, stonden Van Morrison, Rod Stewart, Depeche Mode en Simple Minds daar op het strand. Naast vele anderen, zoals dat dan heet. Vele anderen en jaar na jaar tienduizenden bezoekers.
Schoon volk, dus, dat vond ook Tijl, want ja, ze was er ook, je weet wel, Jakoba. En het komt voor dat ook muziek een belletje doet rinkelen. Welk deuntje het die avond was, we weten het niet, maar Lou Reed die zijn slome ‘Perfect day’ aanheft, da’s natuurlijk een binnenkopper.

En ineens spoelt dan, middenin dit verhaal, de tijdslijn een eind door.
Een kwarteeuw, naar de net iets minder zonnige julimaand van 2021. In de mailbox van een Brugs afficheverzamelaar zit een vraag. De afzender vertelt over een bevriend koppel, Jakoba en Tijl. Die werden lang geleden een stel op een zomernacht aan zee, op een rockfestival. En die twee gaan nu, al die jaren en drie kinderen later, toch wel trouwen, zeker! En dat

doen ze dag op dag vijfentwintig jaar na dat rockfeest op het strand van Zeebrugge. Of ik de vriend-afzender misschien aan de festivalaffiche kan helpen? Hij wil er de trouwers mee verrassen, de sloeber.
Deze verzamelaar krijgt wel vaker een vraag over een affiche. Omdat ze zeldzaam is of mooi. De Axion Beach-affiche anno 1996 is niet de meest schilderachtige in mijn collectie. Maar Tijl en Jacoba, de ‘jonge trouwers‘, kunnen ermee leven, dat zie je zo.
En wat ons betreft doen ze dat nog een heleboel jaren.

Een toemaatje …
Een aanrader. Vijf jaar geleden, Jakoba en Tijl waren twintig jaar samen, bedachten hun drie jonge spruiten een filmverslag over Axion Beach Rock, 1996 … https://www.facebook.com/tijl.dewitte/videos/1371727926173922


Gepost in Over affiches verzamelen, Van feesten en vieren, Van gitaren en drums, Van zingen en spelen | 2 reacties

Brugge aan Dominique Berten

Beste Dominique,
we horen je al denken, ‘Ha, nu ik binnen een paar weken als theatertechnicus bij ’t cultuurcentrum met pensioen ga, sturen ze van op ’t stadhuis een bedankingsbriefke, da’s sympathiek!

Dominique in de regisseursstoel …

En ja, ’t is best mogelijk dat  de burgemeester en zijn schepen van Cultuur al doende zijn met het schrijven van hun gelegenheidsspeech. Want er zijn dingen die maar één keer voorkomen en Dominique Berten die met pensioen gaat is daar één van.
Maar dit hier komt niet van ’t stadhuis. Deze brief krijg je van  Brugge, de stad. De stad met zijn torens en poorten, zijn reien, straten en pleinen. Zijn stadsschouwburg, niet in de laatste plaats. Het was de schouwburg, die kokette madame, die met het voorstel voor deze brief kwam aanzetten. De schouwburg, Dominique, al die jaren je maîtresse, is de tel van het aantal avonden die je bij haar doorbracht al lang kwijt. Decors bouwen, lichten richten, micro’s testen, keer op keer.
Toch er was niet alleen de Dominique van achter de schermen. Er was ook Dominique, de regisseur. Met theatergezelschap De Valk als je tweede thuis. Al trokken ze ook elders aan je mouw. Voor de Reiefeesten om maar iets te noemen, maar je liet je evengoed verleiden tot regiewerk voor het lichte genre in theaterland.
Maar klopt het hart van elk theatermens niet vooral òp de bühne? Ergens in een boekje over de Korrekelder steekt nog een foto, jij in je jongensjaren, op dat krappe podium van het vestzaktheatertje aan het Kraanplein. En laatst vertelde je, bij het overlijden van theatermonument Jaak Vissenaken, hoe hij jou op sleeptouw nam, door ons land en Nederland, van voorstelling naar voorstelling. Het ware acteursleven, tot je vijfendertig jaar geleden in de schouwburg van je thuisstad aan de slag ging.
Al bleef de goesting in het acteren wel kriebelen, wat dacht je. Op tv leek de cafébaas met wie inspecteur Van In in de Vlissinghe wel eens een babbel sloeg dan ook heel erg op Dominique Berten.

De Korrekelder, voorjaar 1978 … een toneelaffiche, een jonge acteur …

En dan is er deze zomer ‘De schouwburg vertelt‘, net iets meer dan een tentoonstelling. Een zwerftocht langs gangen, trappen en zalen, waarbij onderweg verrassend ruim het hele levensverhaal van het gebouw wordt getoond. Het initiatief is niet zo bedoeld, maar laat het toch maar een afscheidstoer heten. Een zomer waarmee de schouwburg één van zijn meest trouwe schildknapen uit wuift. Een schildknaap die we in de jaren die volgen ongetwijfeld nog zien opduiken. Want hij heeft, om het op z’n Benny Scotts te zeggen, ‘theater in z’n herte‘. Het Brugse toneelleven is de vijver waarin jij je vis in het water voelt, Dominique, en in die vijver blijf je zwemmen.
Dominique, achter de bib is het Biekorfzaaltje waar je ook beroepshalve thuis was. En daar is ook dat pleintje dat ze om de twee jaar de naam geven van een lokale culturele sleutelfiguur. Mochten ze zich afvragen aan wie ze het nog kunnen toewijzen, mogen ze ons om een voorstel vragen.
Het ga je goed, we komen je binnenkort ongetwijfeld nog wel een keer tegen. Hier of daar in een zaal, tussen de toeschouwers, ik zeg maar wat.

En voor de tijden die volgen, Dominique … break a leg!
Brugge, je stad
PS … en een zoen van de stadsschouwburg …

Gepost in Het Brugge van nu, Over toneel, Van feesten en vieren, Van stoeten en processies | 7 reacties

Rik Slabbinck, zijn huis en zijn straat

Een bescheiden streepje op de wegenkaart zal het worden, het straatje dat straks de naam van Rik Slabbinck draagt. Een straatnaam, het heeft wel iets, maar ’t had ook een huis kunnen zijn dat naar hem genoemd werd.
Van bovenaf gezien is de omgeving van Brugge een lappendeken. Dat merkte u ongetwijfeld al een keer toen u op uw computerscherm het satellietbeeld van ons Brugs Ommeland opvroeg. Google Maps is daar goed in, dat weet u.
Een kleurrijk lappendeken is het met daar middenin, de Brugse binnenstad, als een knoop die iemand lang geleden in het strakke laken legde. Aan weerszijden van die knoop tekenen zich donkere, warmgroene vlekken af. Brugge in het groen, het bos van Ryckevelde aan de ene kant, aan de andere zijde het aaneen genaaide bossenlint van Tillegem en Beisbroek. In het noorden, boven de stad, is van bossen geen sprake. De kleuren, de weidse velden, zijn er lichter. En als was het een ritssluiting, deelt daar het kanaal dat Brugge met Zeebrugge en de zee verbindt, het laken in twee. Wie goed toekijkt, ontwaart links van die ritssluiting een lichtblauwe, grillige vlek. Het is de Sint-Pietersplas in de randgemeente met die naam. Vanuit de lucht lijkt het alsof die waterplas de bebouwing van Sint-Pieters belette om verder de open velden in te palmen.
Wij vertellen u graag over een bijzondere speldenprik die tot voor enkele jaren daar in de buurt op het Brugse landschapslaken prijkte. Over dat huis langs de Sint-Pietersmolenstraat, een huis met een verhaal.

Aanvankelijk, in de jaren dertig, was het zijn schildersatelier. Na de oorlog liet Rik Slabbinck het pand ombouwen tot het huis waar hij ging wonen met zijn vrouw en hun twee kinderen. Je had er ongeremd uitzicht op de weiden en velden, het licht dat door de hoge ramen zijn atelier binnenstroomde vatte hij in zijn schilderwerk.

’t Is deze week dertig jaar geleden dat Rik Slabbinck overleed. Hij maakte het nog mee dat het uitzicht tot aan de horizon, waar de verre duinen het land behoeden voor het zot geweld van de zee, werd doorsneden door dat genadeloze lint, de expresweg. De vooruitgang, geen ontkomen aan. Maar de sloop van zijn kubistische kunstenaarswoning is hem bespaard gebleven. Het huis van Rik Slabbinck stond een tijdlang op een lijst van te beschermen gebouwen. Dus toen het een jaar of vijf geleden tegen de vlakte ging, was daar nogal wat om te doen.
Het was architect Jozef Lantsoght die het destijds in opdracht van de schilder ontwierp. Lantsoght mag dan lang niet de grootste architect zijn die onze regio heeft gekend, hij tekende wel een handvol bouwwerken die nog altijd een stempel drukken op hun omgeving. Nogal wat kerkgebouwen zoals ‘Onze Lieve Vrouw ter Duinen’ in Koksijde. En hier bij ons onder meer het voormalig gemeentehuis van Zedelgem en de watertoren van Sint-Kruis, qua stijl helemaal kinderen van hun tijd.

Was het huis van de schilder van iconische waarde? Het was naar verluidt de stichting Onroerend Erfgoed, een redelijk gezaghebbende stem in die materie, die vaststelde dat het betonnen bouwwerk door de loop der jaren behoorlijk wat tekortkomingen verzamelde. Het aanpassen aan de eisen van vandaag, niet in de laatste plaats aan de huidige energievoorwaarden, bleek amper haalbaar. Waar trek je grenzen?
En al wensen wij wie daar vandaag woont een warme thuis toe, de huizenrij die werd neergepoot waar ooit Rik Slabbinck’s schildersezel stond maakt weinig indruk. Doch ziet, het verslag van een gemeenteraad van een tijd geleden leert ons dat daar in de buurt in een nieuwe verkaveling plaats is voor een Rik Slabbinckstraat. Niet meer dan een onooglijk zijdedraadje in het laken dat Brugs Ommeland heet, maar toch, zoals op een schilderij heeft ook op zo’n lappendeken het fijnste lijntje zijn betekenis.

Gepost in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van schilderen en plaasteren | 3 reacties

Stiene en Stance en de boze vos

Stiene en Stance waren twee madammen die de actualiteit op de rooster legden, veelal met een voorkeur voor Brugse wetenswaardigheden. Aanvankelijk alleen maar als intermezzo tijdens de variétéavonden van revuegezelschap Willen is Kunnen. De twee kletskousen werden vertolkt door mannelijke acteurs die zich voor de gelegenheid in volkse damestenue wrongen. Een travestieshow, maar dan niet van het aangebrande soort gelijk in Parijs.  Wel leutig en braaf zoals het hoorde in een zaal met katholieke allure, de Volksschouwburg ofte de grote zaal van de Gilde aan de Oude Burg. Bij het publiek in die zaal vielen de twee roddelwijven zo in de smaak dat ze elk seizoen opnieuw kakelend van de partij mochten zijn.
Hip, hip hoera voor de koetsiers’ was de titel van de revue van Willen is Kunnen in 1950.

Waarover dat ging, daarvoor laat de ondertitel ‘opdat de stad van Brugge zoe maggen proper zin!’ weinig aan de verbeelding over. Het dwergbestelwagentje dat in onze dagen het parcours van de koetsen volgt om één en ander op te kuisen hadden ze toen nog niet, zodus.

Mochten Stiene en Stance vandaag weer zo’n sketch in mekaar steken, hadden ze het ongetwijfeld eerder over het welzijn van de paarden die dag in, dag uit over de Brugse kasseien trappelen. Voor dierenliefhebbers blijft het een gevoelig punt. Het mag verbazen dat niet meer commotie volgde toen laatst tijdens zo’n ritje één van die brave beesten pardoes dood viel op de Burg.

’t Is daar op de Burg dat al wie geboeid is door de dierenwereld terecht kan voor een kleine expositie met een wel heel bijzonder uitgangspunt. In het stadsarchief hebben ze voor de gelegenheid Mendop losgelaten en dat archiefgezelschap staat garant voor een merkwaardig project. Het letterwoord ‘Mendop’ staat voor ‘Mens en dier op papier’, hoe verzinnen ze het! Die gasten vergaren nu al vele jaren alles wat verband houdt met de relatie tussen het wezen dat mens heet en de rest van de dierenwereld. En daarover hebben ze inmiddels veel, héél veel papieren documenten verzameld. De tentoonstelling die ze voor deze gelegenheid bouwden gaat over wolven, ‘Mendopje en de wolf’. Woordgrapje, jawel.

De voorbije maanden kwam de wolf, zowat het archetype van het dreigende boze beest, heel regelmatig langs in het nieuws. Er zijn na lange tijd weer wolven in ons land, vooral in ’t Limburgse. Hier aan onze kant van dit landje kom je ze voorlopig dus alleen tegen op prenten en documenten in ’t stadsarchief. Uitgestrekte bossen of andere natuurgebieden zijn in onze contreien niet zo talrijk, dus de kans dat je er ineens eentje aantreft in Tillegem of Rijkevelde is minder groot.

Wat niet betekent dat hier enkel konijnen, hazen en eekhoorns de bossen bevolken. Ook bij ons vind je beestjes van het roofzuchtige soort.
Onze thuis is een buurt in Sint-Andries met weliswaar wat groen langs de weg en een paar straten van onze tuin vandaan kom je aan de rand van een bescheiden bos. Maar toch was het schrikken, die frisse voormiddag in ’t voorjaar.
Met een kom met wat groentenresten stap ik achterin de tuin ons kippenparkje in. Met die keukenoverschotjes van mijn kant en dagelijkse eieren van hun kant zetten mijn twee kippen en ik sinds jaar en dag een ruilhandeltje op. Dat ik die keer niet één ei in hun nest vind verbaast mij, maar wanneer ik opkijk, op zoek naar mijn twee vriendinnen, stokt heel even mijn adem. Eén van onze beesten ligt, de keel vakkundig open gereten, levenloos midden het perk. Van haar medekip vind ik geen spoor meer terug.
In de dagen die volgen horen we verderop in de wijk een paar gelijkaardige verhalen. ’t Is het voorjaar, vossen hebben jongen en die jongen hebben honger, luidt het.

Het is stil, sindsdien, in die tuin van ons. Je mist het, telkens één van onze madammen een ei in het nest heeft gedeponeerd, dat uitbundige gekakel, als van volleerde roddeltantes.
Hoef ik je te vertellen hoe wij ze noemden, onze twee kakeldames?

Mendopje en de wolf’,
een tentoonstelling over wolven, uiteraard,
in het Brugse stadsarchief op de Burg,
tot zondag 22 augustus.

Gepost in Het Brugge van nu, Van beesten, planten, Van zingen en spelen | 5 reacties

Ann Soete, Jasper Pillen en een burgemeesterssjerp

Er is goede raad en er is gemeenteraad …

Zo, we kunnen weer op café! Miste de waardin haar klanten of was het eerder andersom? Misschien is het wel de toog, debattafel van elke treffelijke staminee, die het meeste uitkeek naar zijn tooghangers. Maar zelfs dat meubel wist, ooit keert alles terug. Ook, en vooral, de diepzinnige gesprekken waarop herbergen sinds mensenheugenis een patent hebben. Eindelijk kunnen we weer de groten der aarde op hun plaats zetten en al wie in ’t nieuws komt tegen ’t licht houden.
Neem nu onze plaatselijke bestuurders, onze burgemeester en zijn schepenen voorop.

“Wat denk je, Omer, ik burgemeester van Brugge, voor een keertje?”
“Burgemeester nog wel, Stella!”
“Zeker weten, ‘k zou ’t heel anders doen dan die politiekers van ons! Dat ze er een potje van maken, tot daar aan toe. Dat doen wij in ons eigen ménage ook wel een keer, maar we komen er tenminste niet mee in de gazet. Neem nu die Jasper Pillen. Die heeft een nieuwe job gevonden en hij had er al één! In Brussel zit hij in ’t parlement en nu wordt hij hier bij ons ook nog schepen!”
“Ja, Stella, da’s waar, meiske, maar hij heeft nu de plek ingenomen van Ann Soete. Dat waren ze na de verkiezingen overeen gekomen.”
“Politiekers die overeen komen, ’t is een keer wat anders!”
“Allez, Stellatje, ge moet niet overdrijven, die mensen doen ook maar hun werk! Ge kunt veel zeggen, maar probeer maar een keer een stad gelijk Brugge draaiende te houden zonder politiekers! Als gij burgemeester wordt, ge zult nogal verschieten!”
“Ewel, ‘k zou dat helemaal zien zitten! Zolang ze mij niet lastig vallen met één of andere pandemie. En ook niet met al die bouwwerken, een berushal hier en een museum daar en wat nog allemaal. En over voetbalstadions moeten ze al helemaal niet beginnen! Enfin, als ze mij met al zo’n futiliteiten gerust laten lijkt mij dat best wel een aangename stiel, burgemeester zijn. Trouwens, Omer, wat gaat Ann Soete nu doen?”
“Weer muziekskes verkopen in haar winkel aan de Mallebergplaats, zeker? Niks meer in de politiek, alleszins. Ze heeft van den anderen kant wel al een boel ervaring op dat vlak! Er zijn er weinig die kunnen zeggen dat er drie politieke plakaatjes op hun affiches hebben gestaan!
“Drie?”
“Ewel, ze begon indertijd bij de N-VA, dat was toen die partij samen met die van de CD&V op één lijst ging staan, weet ge nog? En achteraf is ze bij de Liberalen beland. Ervaring zat, dus. ‘k Zie ’t al gebeuren dat ze nu haar memoires schrijft!
“Een vrouw minder in de politiek, da’s spijtig!”
“Voilà, Stella, nòg een reden om voor die burgemeesterssjerp te gaan! En onthou mijn goeie raad, dat elke politieker begint bij de ècht belangrijke dingen.”
“Hoe dadde?”
“Met op café alleman te trakteren!

Voilà, de cafés zijn weer open. ’t Was de hoogste tijd, want wie zal de wereld verbeteren als wij het aan de toog niet doen?

Gepost in Het Brugge van nu, Van Brugse politiek, Van feesten en vieren | 3 reacties

Tony Willems, Simon Bening en een nieuwe kraan op het Kraanplein

Weet u nog, de stadskraan die de leerlingen van het VTI bouwden? De reconstructie van het houten monument was een blikvanger in ons straatbeeld, toen in 2002 Brugge Culturele Hoofdstad van Europa mocht spelen.
’t Was een jaar dat herinneringen opriep aan de èchte gloriejaren, de middeleeuwen, toen de stad handelsvolk uit de vier windstreken over de vloer kreeg. Toen het Zwin de oprijlaan was waarlangs zeeschepen tot in Damme en Sluis zeilden. De vracht die ze aanbrachten werden langs een verre voorloper van de Damse Vaart tot in Brugge gebracht. En voor het lossen van die spullen diende dus die kraan. Simon Bening was toen een befaamd miniaturist, zo’n knaap die dure boeken verfraaide met piepkleine schilderijtjes. Op één van zijn minutieuze prentjes zie je de stadskraan in volle glorie en werking.

Dat miniatuur werd het campagnebeeld van een tentoonstelling waarmee Brugge terugblikte op zijn florissante handelsverleden, een expositie met de naam ‘Hanze@Medici’. Dat was in dat Brugse pronkjaar 2002. Zo’n titel met een apenstaartje erin oogde lekker trendy, in dagen waarin het internet zich aandiende als hèt nieuwe ding. En op de affiche lieten ze één van de figuurtjes zeggen ‘Ik mail je morgen mijn offerte’. Zo van, kijk eens, we zijn dan wel een oude stad, maar wel mee met onze tijd!
Vandaag hebben we nog altijd een straatje dat Kraanrei heet. Stiekem onder de grond loopt daarlangs nog een waterloop. En wij, we hebben een goeie reden om hier ons aller Tony Willems ter sprake te brengen. Tony, in zijn gloriedagen gekend als regisseur van stoeten en processies, heeft een boontje voor die ondergrondse reie en wil de stad over de streep halen om dat waterloopje deels weer open te leggen.

Komt daar iets van terecht, dan hoort u het van ons, maar in afwachting stroomt dat stille water braaf onder het huidige Kraanpleintje door. Op de miniatuur van Simon Bening zie je hoe de stadskraan daar vlakbij dient voor het lossen van wijnvaten. En terwijl de ‘kraankinderen’ zich in het kraanwiel in ’t zweet werken, wordt lustig wijn geproefd.

Dorst? ’t Was in de buurt van het Kraanplein dat je moest zijn! En kijk, sindsdien is dat pleintje altijd dorstig gebleven. Weten we van diezelfde Tony Willems, die daar in zijn jonge jaren in de befaamde Korrekelder, het miniatuurtheatertje, in de weer was. Toneelmens, wat wil je. Laatst vertelde hij ons hoe toeschouwers èn acteurs in dat krappe keldertheatertje noodgedwongen langs de enige toegang binnen en buiten wandelden … voorbij de bar. Hoe je als acteur, eenmaal de schmink  van je snoet gewassen, geen andere keuze had dan met je toeschouwers aan de toog te blijven hangen. Dorstige buurt, het Kraanplein.



En dan vermelden we nog de Vuurmolen niet. Vele jaren lang dè stek waar je als Bruggeling ging feesten, doorzakken, een lief versieren of dat lief de bons geven en een ander lief binnendoen. En pinten drinken, dus. Tot een handvol jaren geleden, toen in de Vuurmolen het laatste lege vat werd buiten gedragen. Het Kraanplein bleef achter, verweesd en dorstig.
Maar ziet, de voorbije maanden werd dat stukje Brugge heraangelegd. En vandaag doet die hoek zijn reputatie opnieuw alle eer aan, kan je er weer terecht voor leute, vertier en bier. Ook weer in de Vuurmolen, hèt voormalige ankerpunt, dat zopas een nieuwe naam kreeg èn een heel nieuw elan. Het is, als vanouds, weer een plek waar je je dorst laven kan.
Dus ja, er is een gloednieuwe kraan op het Kraanplein.
Een tapkraan is ook een kraan. Toch?

Gepost in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Over toneel, Van feesten en vieren, Van stoeten en processies | 8 reacties

Wachters aan de Gentpoort

Tot eind juni blijft wie naar Brugge komt veelal gespaard van ‘bruggenmiserie’. Wegens werken bij de Dampoort komen geen vrachtboten langs. Even zijn er minder ‘wachters aan de poort‘ …

Fiets je wel eens vanuit Assebroek naar de binnenstad, ben je af en toe wachter aan de Gentpoort. Da’s niet om mee te lachen en dat doe je dan ook niet. Dan zucht je, samen met alle anderen die je lot delen, en hou je je klaar.  Een legertje fietsers, schouder aan schouder. De blik, stuurs over het stuur, stadwaarts gericht. Het heeft iets van een troep strijders, uitziend naar een teken van de hoofdman om de poort te bestormen.
De Gentpoort kan ervan meespreken, van zo’n dreiging. Al is het lang geleden, ze herinnert het zich nog.  Er waren nog geen fietsen, wie naar de stad kwam deed dat te voet, te paard of met paard en kar. Maar soms kwamen ze ook met kwade bedoelingen. Dan waren ze daar ineens met velen tegelijk, met man en macht, met zwaard en pijl en boog in de aanslag.
De stadspoorten hadden allemaal iets van een versterkte burcht. Zo had de Gentpoort een zogenaamde ‘voorpoort’, letterlijk voor het hoofdgebouw.  En stadswachten die

paraat stonden bij het hierboven omschreven onheil. Wachters aan de Gentpoort, ’t was niet om mee te lachen en dat deed je dan ook niet.
De voorpoort werd in de jaren zeventienhonderd gesloopt. Ze maakte plaats voor een draaibrug, zodat boten vanuit Gent langs de ringvaart de coupure konden bereiken. Het hoofdgebouw bleef gespaard, niet zelden kreeg zo’n poort een nieuwe invulling als kantoor voor het innen van belastingen op ingevoerde goederen, het werk van een soort stedelijke douane. Wachters aan de Gentpoort en daar viel niet mee te lachen. Wie spullen invoerde deed dat dan ook niet.
Maar ook die tijd ging voorbij en in de vele jaren erna vroeg de Gentpoort zich soms af waartoe ze nog diende. Tot iemand op het idee kwam om er een museum in onder te brengen over de geschiedenis van de stadswallen. Het museum kwam er, bezoekers amper. Het museum ging weer dicht.
Maar kijk, sinds enkele weken is weer leven in de poort. De gidsen van de Gidsenbond hebben ze ingepalmd. Met vreedzame bedoelingen, wat had u van stadsgidsen verwacht?
En hoewel niet meer het glorieuze bouwwerk van in haar gloriedagen, is de Gentpoort nog altijd een imposant ding, van buiten èn binnenin. Wanneer je langs de eeuwenoude wenteltrap

naar boven klautert, wacht je een verrassende uitkijk over de stad en zijn wijde omgeving. Vanuit een gedroomd nest waar onze stadsgidsen reikhalzend uitkijken naar de terugkeer van wie Brugge wil bezoeken. Nooit eerder was het zo’n beloftevolle job , wachter aan de Gentpoort.

Een verkenning langs Brugse trekpleisters, een geleid bezoek aan de Triënnale, een fietstocht in het Brugse, een originele themawandeling, daar hebben we stadsgidsen voor: https://www.bruges-guides.com/

Gepost in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van toeristen | 8 reacties

Van zeven burgemeesters

De klasfoto kwam onverwachts aan het licht, zat al die jaren verstopt, achter in een lade. Een twintigtal knapen, de ene is al meer opgeschoten dan de ander, de ene sukkelt allicht meer met acné dan de ander. En bij enkelen mag van thuis hun haardos wat langer. Maar allemaal met zo’n onmogelijke olifantenpijpen-broek en veelal met houthakkershemd. Schooljongens in een Brugse school in de jaren zeventig. Er is wat te doen in ’t stad, in die tijden. We horen geroezemoes, hier en daar. Brugge heeft een burgemeester en daar zijn nogal wat mensen niet content mee.

Hij heet Michel Van Maele en binnen zijn partij, de in het nieuwe Groot Brugge redelijk oppermachtige CVP, is hij dè sterke man. Ambitieuze mens en als je sommigen mag geloven is hij het vlees geworden eigenbelang. Althans, dat lezen we met graagte in een stadskrant met een naam die voor twijfel weinig ruimte laat: de Lastige Bruggeling. Dat gazetje ligt hier en daar. In de Cactus, onder meer, cafeetje waar ze tenminste goeie muziek draaien. Links oord, al vinden we dat eerder bijzaak. We volgen dat politiek gedoe graag, maar vanop de zijlijn. Hebben andere dingen aan het hoofd. Er zijn lessen en soms examens en tussendoor moet ge ook nog aan een lief zien te geraken. Het leven van een jonge gast, geen sinecure.

Maar toch, dat tot de verbeelding sprekende tumult, daar leer je veel van. Over Van Maele die amper een jaar of vijf eerder de burgemeesterssjerp heeft afgesnoept van zijn partijgenoot Pierre Vandamme. Dat geschiedde onder niet heel zachte dwang. Maar er komen verkiezingen, najaar 1976, waarbij Van Maele naar de oppositiebanken wordt verwezen. Frank Van Acker is nu burgemeester. Zijn vader Achille was een legendarisch eerste minister, maar een socialist als burgemeester? Neen, dat was in Brugge ongezien.



En je groeit op en blijft die lokale politiek volgen. Bij het plots overlijden van Frank Van Acker komt Fernand Bourdon in zijn plaats, een paar jaar. Om dan de fakkel over te dragen aan een jonge Patrick Moenaert en zo zijn we weer bij de ‘tsjeven‘. Moenaert houdt merkwaardig lang stand. Te lang, fluisteren sommigen, ook in zijn eigen rangen. Zijn gedoodverfde opvolger, Dirk De fauw, moet het in de spurt met een banddikte afleggen van Renaat Landuyt, weer een sos. Maar zes jaar later moet Renaat zijn rivaal Dirk De fauw toch laten voor gaan.
Dat vertel ik allemaal aan dat ene gastje op die klasfoto, op de eerste rij, derde van rechts, onmiskenbaar één van de kleinsten van de bende. Maar hij luistert niet echt, is meer geïnteresseerd in wat er van hemzelf worden gaat. Ik kan hem gerust stellen, hij zal zijn draai wel vinden. O ja, en een lief.
In het najaar van 2018 bouwden wij, tijdens het erfgoedweekend, in het Rijksarchief een tentoonstelling omtrent Brugse verkiezingsaffiches. Er kwam behoorlijk wat volk over de vloer. Ruime belangstelling ook vanwege plaatselijke politici, de toenmalige burgemeester incluis. Of dat iets van doen had met de gemeenteraadsverkiezingen van dat najaar?
Een kort filmpje over die tentoonstelling vindt u hier: https://www.youtube.com/watch?v=jjGU_IwMnYk

Gepost in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Over affiches verzamelen, Van Brugse politiek | 8 reacties

Horen, zien en … Spermalie

Wat wij ons uit onze prille levensjaren herinneren, is het vooral wat we zagen of eerder hetgeen we  hoorden? Of gaat het om geuren? Zintuigen laten mekaar zelden los, in onze memorie zal dat ook wel zo zijn.
Ergens in de verste uithoek van mijn herinneringen ben ik het ukkie dat liefst achter moeders rokken aan loopt. Mijn ma en ik staan op de koer bij de achterdeur van het huis. Ik, veilig dicht bij haar, de twee mannen die langs komen ken ik niet. Tussen ons in staat, op de grijze tegelvloer, iets wat op een buitenmaatse dokterstas lijkt. De tas staat open, ze steekt vol met allerlei flesjes en potjes. De ene meneer voert het woord, hij vertelt mijn moeder wat hij allemaal te koop aanbiedt, van alles voor madammen, parfum en van die dingen. Uit zo’n flesje laat hij mijn ma een zoete geur opsnuiven. Ik wil ook even ruiken maar de man ziet het knaapje aan zijn voeten over ’t hoofd, letterlijk.

Het ‘blindenbloempje’ …
meer ‘verbloemend’ kon het niet worden. Maar ’t was goed bedoeld … ‘ten bate van onze meest beproefde broeders, de blinden‘.

De andere meneer staat erbij, zegt amper iets. Daarom kijk ik ietwat schuw naar hem op. Maar vooral om de manier waarop hij ons vanachter zijn wel heel donkere bril niet lijkt aan te kijken. Heeft hij een witte wandelstok bij?
Het is de eerste keer dat ik met een blinde in contact kom. Een venter die van deur tot deur ging, met in zijn gezelschap een blinde man. Een zinnige tijdsinvulling voor iemand met een visuele beperking? Of had het, in plaats van met integratie en betrokkenheid, eerder iets van een stout trucje? Werd hier slim ingespeeld op de compassie van de klant?
Zoals ik mijn ma heb gekend, is dat die middag zonder twijfel gelukt. De vreemde mannen waren weer weg, mijn ma vertelde aan mijn vader dat ze, terwijl de verkoper in zijn auto wisselgeld haalde, even in de tas rommelde, kijkend of ze nog wat kon gebruiken. Ze had dat nadrukkelijk gezegd aan de blinde meneer.
Die mens hoorde mij bezig maar zag het niet, ‘k wou hem gerust stellen dat ik niet stiekem iets wegnam. ’t Zijn toch echt wel dutsen, hé, zo’n mensen!’
Da’s wat je bijblijft. Ik zie ze staan, die mannen. En ik hoor mijn moeder rammelen met doosjes en flesjes. Alleen de geur is mij, hoe kon het anders, ontgaan.

Een aankondiging van het Brugse Spermalie, een niet nader omschreven ‘tentoonstelling en revue‘, die doorging in het Instituut Heilige Familie in Ieper.

Vele levensjaren later komen mijn vrouw en ik en een kennis van ons langs in het Arentshuis. Er loopt een tentoonstelling over hulpmiddelen voor mensen met een visuele beperking, ‘De wereld binnen handbereik. In het deel van mijn leven dat zich afspeelde tussen die middag in mijn kindertijd en dit museumbezoek, is één en ander omtrent visuele beperkingen mij enigszins vertrouwd. Mijn wederhelft bracht haar hele beroepsloopbaan door in Spermalie, het instituut dat voor deze tentoonstelling een flink deel van zijn archief naar het Arentshuis overbracht.
Maar toch kom ik hier verrassende verhalen te weten over wat in ’t verleden allemaal aan hulpmiddelen werd bedacht voor en door blinden en slechtzienden. Didactische spullen waarbij horen, voelen en ruiken het zien compenseren of daar toch toe bijdragen. Wie weet, liep die meneer wiens zwijgzame blik me destijds verontrustte ooit school in Spermalie. Dan benutte hij misschien wel ’t één en ander van wat hier vandaag getoond wordt.
Terug buiten, houden we even halt op het bordes van het museum. Met forse tred komt een paard met koets door de poort van het hof van Arents. Mijn vrouw en ik zien en horen ze. De vriend die ons vergezelt, tikt even ritmisch met zijn blindenstok op de arduinen stoep en lacht: ‘Ik hoor ze en ruik ze!

De tentoonstelling ‘De wereld binnen handbereik‘,
loopt tot het laatste weekend van augustus in het Arentshuis.

Gepost in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen | 8 reacties

Bob Dylan in Brugge

Waarmee kon je, op die voorjaarsavond van het jaar 1984, het aftandse voetbalstadion in Schaarbeek het best vergelijken? Misschien met het toen al lang verlaten, maar nog overeind gebleven oud plein van Cercle Brugge langs de Torhoutse Steenweg? Onder de dreigende regenwolken oogden de schamele tribunes rond het bescheiden stadion, daar in Schaarbeek, niet als een uitnodigende plek voor het concert van één van de grootheden uit de muziekwereld. Hoewel … de charme van vervallen oorden.
’t Was voor Bob Dylan dat zo’n kleine twintigduizend muziekliefhebbers het Brusselse voetbalplein hadden ingepalmd. Ze hadden best wel uitgekeken naar die avond. Want al stond de singer-songwriter er misschien zelf niet bij stil, ’t was de allereerste keer dat hij optrad in ons land. Dat het zijn eerste concert was waarop mijn goeie vriend Patrick en ik present waren, wist hij allicht ook niet.
Carlos Santana, als gitarist ook geen kleintje, zorgde voor een voorspelbaar maar schoon voorprogramma, en in de begeleidingsgroep van Dylan speelde ex-Rolling Stone Mick Taylor. Om maar te zeggen, we vertoefden in goed gezelschap. Maar de meute muziekliefhebbers kwam voor de meester zelf. Voor hem en zijn iconische klassiekers.
En ergens op dat drassige voetbalveld vond je dus ondergetekende en zijn boezemvriend, dertigers maar puberaal content om erbij te zijn. Op de terugweg naar het nachtelijke Brugge, de ruitenwissers vochten verwoed met de slagregen, vroegen wij ons af waarom de organisator het concert liet doorgaan tussen overjaarse tribunes van een aftands voetbalstadion. Ja, ’t was echt wel het Brusselse equivalent van ons oud Cercle-plein.
Voor jongere lezers, dat bejaarde Brugse voetbalplein lag dus nabij de Torhoutse Steenweg, veel later bouwden ze daar de Magdalenazaal. Wie meer levensjaren verzamelde, herinnert zich misschien nog dat Edgard De Smet-stadion. Cercle was er thuis tot midden de jaren zeventig. Nadat ze met Club naar Olympia verhuisden, bleven de tribunes rond het stille plein nog jaren overeind.

Bob Dylan, live op ’t oud Cercleplein,
donderdag 7 juni ’84 …

Welaan dan, als het zo nodig op een verkommerd voetbalveld moest! Dan hadden ze Dylan, in plaats van ginder in Brussel, net zo goed een podium kunnen geven op ’t oud plein van ons eigen Cercle! Konden deze fan en zijn kameraad, gewoon met de velo naar Bob Dylan!
Met zijn tournee, waar die avond in Schaarbeek deel van uitmaakte,  was de grote liedjessmid blijkbaar content, want achteraf liet hij er de langspeler ‘Real Live’ mee vullen. Dus met wat geluk stond die plaat vol met Brugse opnamen. ‘Real Live at Edgard De Smet Stadium, Bruges’, zoiets. Toegegeven, op zo’n hoes valt het rock&roll-gehalte van dat ‘Edgard De Smet Stadium’ wat magertjes uit, maar toch.
Inmiddels is Dylan niet meer in de fleur van zijn jaren. De legendarische bard werd deze week tachtig. De kans dat hij ooit nog op een Brugs podium staat wordt er niet groter op. Hoewel. Hallo, Cactus? Maar weet je wat, Patrick Keirsebilck? Die Dylan is echt wel een taaie, hij gaat nog wel even mee. Dus wacht gerust nog vijf jaar, tot zijn vijfentachtigste. Dan zit een schone Brugse lijn in dit verhaal. Want tien jaar geleden, op Bob’s zeventigste, organiseerden fans hier in Brugge al een keer een ‘Birthdayparty‘. Bij zijn verjaardag vijf jaar later, speelde een feesttent vol Brugse muzikanten een avond lang Dylan-songs. Dit jaar kan dat niet, om de alom vermaledijde reden. Maar, Cactus, hebben jullie binnen vijf jaar nog een  plek over op jullie affiche, je weet wie naar hier gehaald! Hou alvast twee plekken vrij in ’t fietsenrek!

Brugse verjaardagsfeestjes voor Bob? Jawel, de ouwe mag niet klagen over zijn Brugse aanhang. Bij zijn zeventigste ging hier al een keer een feestavondje door. En vijf jaar later vierde zowat het hele Brugse muzikantenlegioen zijn verjaardag in een spiegeltent bij de molens.

Gepost in Van 't Cactusfestival, Van Brugs voetbal, Van feesten en vieren, Van gitaren en drums, Van zingen en spelen | 7 reacties

Over Benny Scott en … foute muziek

De filosofen!” laat mijn wederhelft weten vanuit het salon, en ik veer op van mijn bureaustoel. Mijn zoals altijd uitermate belangwekkende bezigheid op mijn pc moet even wachten. Want ‘De filosofen’ komen op tv!
De bijdrage van uw dienaar aan de landelijke kijkcijfers is bescheiden. Maar op maandagavond spendeert hij met graagte een korte tijdspanne voor de kijkdoos des huizes. Want Jean Paul Van Bendegem en Ignaas Devisch palmen weer het scherm in met het korte item ‘Doordenken’. De heer Van Bendegem is alom gekend als filosoof, zijn gesprekspartner Ignaas wordt dat stilaan ook. Want het praatje dat de mannen slaan is aangenaam kijk- en luistervoer. Een paar minuten ‘Filosofie voor Dummies’, bondig en met welkome kwinkslag. In het rustieke interieur dat als decor fungeert, badineren de geleerde mannen dit keer over de levensbelangrijke vraag ‘Bestaat er foute muziek?’ Aannemelijke overwegingen passeren de revue, min of meer zinnige besluiten volgen.

Terug bij mijn vertrouwde computer, merk ik dat iemand van de krant een mailtje stuurde. De redactie wil iets ondernemen omtrent een bekend Brugs lied, lees ik. Ze bedoelen “‘k En Brugge In m’n Herte!”, van de in Brugge wereldberoemde Benny Scott. Of ik misschien een affiche heb liggen over die mens?  Eén van de handige kanten van mijn collectie is dat alle affiches zijn ondergebracht in thematische, genummerde mappen. Muziek, bijvoorbeeld. Klassiek in een map, rock of jazz in weer andere. In één zo’n map, tussen affiches van Will Tura, een vergeelde plakbrief over Roger Danneels, schlagerfestivals in de beurshal, vind ik een paar affiches van Benny Scott. Op de map waarin ze steken, staat ‘Lichte genres’. Zou je, met wat daarnet op tv werd verteld, die reeks ook als ‘foute muziek’ kunnen omschrijven? Welnu, niet volgens de hogergenoemde wijsheren.

Benny Scott, 10 x 7 … ofte een optreden bij zijn zeventigste verjaardag.

Want wat bedachten zij omtrent ‘foute muziek’? Na enig telegeniek geredeneer merken de nadenkers fijntjes op dat ‘fout’ enkel zin heeft als in dezelfde context ook ‘juist’ van toepassing is. En er bestaat niet zoiets als ‘juiste muziek’. Dat is, nou ja, juist. Muziek, een symfonie of een lied, raakt je of doet dat niet. Punt.
In het verre verleden waarin ondergetekende zijn apenjaren beleefde, haalden hij en zijn vrienden muziek in huis van de Rolling Stones of Van Morrison. De Vlaamse hitparade was goed voor gegrinnik. Veel te commercieel, hé! De woorden ‘foute muziek’ waren nog niet in voege, maar we bedoelden hetzelfde.
Vandaag, vele muziekjes later, laat deze jongen zijn pc zoeken naar “’k En Brugge in m’n herte!”. En stelt vast dat verdorie zowat elk woord in dat simpele lied hem op het lijf geschreven lijkt. De volgende ochtend betrapt hij het refrein erop, dat het de hele dag door zijn hoofd blijft dansen. Het herinnert hem aan de tijd van toen, wanneer een veel te commercieel deuntje uit de Vlaamse Top Tien hem ook wel een keer een etmaal lang kon ‘ambeteren’. Toen vond ie dat gênant. Vandaag heeft hij met plezier en lichte trots “Brugge in z’n herte!” Met dank aan twee filosofen … èn Benny Scott!
De term ‘foute muziek’, zei u? Gewoon een foute term!

Een link naar het lied?
Hier komt ie … https://www.youtube.com/watch?v=Gn-XyQpGdLY

Gepost in Het Brugge van nu, Van zingen en spelen | 9 reacties

Jezus was een socialist!

Ook dit Brugse voorjaar gaat voorbij zonder Meifoor. En zonder Heilig Bloedprocessie. Het zet ons aan ’t mijmeren … over kermisleute en godsdienstlessen …

Laten we het een keer hebben over de bevrijdingstheologie … Pardon, de wat? Geen nood, hier volgt ter duiding een hapje godsdienstles. Van op de schoolbanken in de jaren zeventig herinner ik mij, eerlijk waar, niet bijster veel lesinhoud. Maar die van een jonge priester met een heel eigen kijk op de Leer van de Heer, die is me bijgebleven. ‘k Weet nog hoe in die slordig maar enthousiast gegeven godsdienstlessen van hem het evangelie klonk als de ultieme oproep tot bevrijding van alle verdrukking. Geldgewin? Dividenden? Zonde! Die van Nazareth, hij sprong in de bres voor de sukkelaars! Jezus was gewoon een rooie rakker! Nogal wat klasgenoten trokken de schouders op. Ondergetekende en zijn vrienden vergaapten zich aan zo’n denkpiste, die volgens onze leraar kwam overgewaaid vanuit het getormenteerde Latijns Amerika. En ja, die kleurrijke namen die bij dat discours hoorden, Camilo Torres, Ernesto Cardenal, ’t had wel iets.
Dat ik hier en nu aan dat pleidooi terugdenk, ’t is door de Heilig Bloedprocessie. Want wat vertelde dat jong pastoorke ook alweer? Jezus, een linkse jongen, da’s één ding. Maar dat ze dat voor het eerst in verre landen bedacht hebben, daar willen we wel nog een boompje over opzetten. Want dat Jezus een sos is, dat zeggen ze in Brugge namelijk al van in de tijd van onze grootouders.
Het zit namelijk zo. Het komt voor dat de Heilig Bloedprocessie uitgaat bij schoon weer. Geen gemopper, wat dacht je. Maar laat het een keer regenen op ‘Heiligbloeddag’, ge zult wat horen! Gegarandeerd herinnert iemand zich dan dat enkele dagen eerder, op de eerste mei, de optocht van de socialisten door de stad trok onder een stralende zon! En voilà, dan haalt altijd wel eentje de oude Brugse wijsheid van stal haalt: ‘Ziet ge wel, ons Heere is voe de sossen!

Het Volkskundemuseum toont in 2013, naast kermisaffiches uit onze collectie, foto’s van Nick Hannes. Nick, die ook de schapen hierboven vereeuwigde.

Al heeft de Heilig Bloedprocessie veelal toch ook de weergoden aan zijn kant. Oeps, de Zoon Gods en zoiets heidens als ‘weergoden‘, samen in één zin? Het hoort niet, ‘k weet het. Maar ach, onze plechtige hoogdag is wel meer tegenstrijdigheden gewoon. Zie de schapen die processiegewijs langs de Meifoor passeren.
De verwondering van de toeschouwers verbleekt bij de devote verbazing van de brave kudde. Want wat doemt op in de achtergrond? De lugubere gevel van ‘Devil’s Manor’! Een verderfelijk oord dat grijnzend wacht tot al dat plechtstatige voorbij is. Waarna het godvruchtige volk zich omdraait en zich gulzig in al het zondige van de kermis stort.
De foorkramers houden zich nog even stil. Om dan meteen hun kermisgejoel te hervatten, zoals ’t hoort. Jezus, die ’t volgens sommigen niet zo begrepen had op geldgewin, en zijn processie, ze zijn gepasseerd, laat rinkelen die kassa! Trouwens, als ’t waar is, dat ons Heere in zijnen tijd aan de kant stond van de kleine man, dan kwam je hem toch zeker ook een keer tegen op de kermis?

Gepost in Het Brugge van nu, Van feesten en vieren, Van stoeten en processies, Van zin, zen en zijn | 7 reacties