Die sloom zonnige zondagochtend wandelen we langs de Dijver, mijn Britse gaste en ik, haar gids. De stad geeuwt zich traagzaam wakker, bij de Gruuthusebrug verlost een vroege bootsman zijn vaartuig van het zeildoek waaronder het de nacht doorbracht. Een koppel zwanen kijkt toe, zwijgzaam zoals je dat van zwanen mag verwachten. Wie weet, luisteren ze alleen maar naar het tintelieren van de beiaard, verderop? Ik pikte de dame zonet op bij haar hotel en algauw wist ik, een madam met het hart op de tong. Dat bleek al meteen toen ze haar thuisstad omschreef. Ze woont, haar woorden, in ‘Sheffield of all places!‘ Een deprimerende plek, niks om naartoe te gaan, als ik haar mag geloven. Een weekendje Brugge, daar was ze aan toe! Hier aan de Dijver slaat ze verbaasd haar ogen op naar de prestigieuze toegangspoort van Gruuthuse, houdt mij staande, haar hand op mijn onderarm. “Do you, locals, realize what a breathtakingly beautiful place you get to live in?”
Of wij beseffen in welke overweldigend schone omgeving wij, Bruggelingen, onze dagen mogen slijten? Wuif ik die bedenking oneerbiedig weg als ik nu verklap dat die ingangspoort van Gruuthuse veel jonger is dan haar eeuwenoude uitzicht laat vermoeden? Dat zoveel in Brugge recenter is dan het zich voordoet, vertel ik haar, maar dat onze stad al lang beseft dat hij zich maar beter niet profileert als ‘middeleeuwse stad’. Toen Brusselaar Roel Jacobs drie decennia geleden kwam aanzetten met ‘Brugge, een stad in de geschiedenis’ waarin hij die middeleeuwse bubbel vakkundig doorprikte, was dat heel even spraakmakend. Zelfs de Britse krant The Guardian ging uit de bocht met een recensie over het boek, met gratuite dooddoeners als ‘Brugge laat zijn middeleeuwse masker vallen’ en ‘een negentiende-eeuwse potpourri’.
Neen, Brugge heeft er geen nood meer aan om zijn bezoekers om de tuin te leiden. Al waren we ooit redelijk bedreven in het bijkleuren van ons imago. Wij niet alleen, trouwens. Dat blijkt uit een vroege druk, zo’n ‘incunabel’ uit 1480. In dat boek – het wordt bewaard in onze stadsbib – vind je een houtsnede die ‘stadt van brug’ toont. Dat gaat over Brugge, maar veel herkenbaar Brugs valt op dat prentje allerminst te ontwaren.
Maar hoe dit oord zich in recenter tijden aan de wereld presenteerde, daar valt ook wel één en ander op aan te merken. Om dat te duiden, houden we even halt in de tweede helft van de jaren achttienhonderd. Brugge maakt in die tijden een architecturale bocht die het uitzicht van zijn straten en pleinen voor goed zou wijzigen. ’t Zijn de dagen waarin architecten die iets nieuws bouwen in deze oude stad, zich bij hun tekenwerk laten verleiden door een romantisch bijgekleurd beeld over een glorierijk verleden. Louis Delacenserie en zijn neogotische confraters, ze herformuleren een aardig deel van de binnenstad. Het Provinciaal Hof, de Minnewaterkliniek en zo kunnen we nog wel even doorgaan. Om over de talloze hertekende gevels nog te zwijgen. Brugge ging er hier en daar middeleeuwser uit zien dan in de middeleeuwen. En, geachte mevrouw uit Sheffield, ook de poort van Gruuthuse hoort in dat plaatje.
En weet je wie die neogotische trend hier introduceerde? Alvast niet in de laatste plaats een kolonie welgestelde Britten die hier bij ons een tweede thuis vonden. Hoe die gasten dweepten met een verzonnen, opgeschoond verleden! Hun ‘gotic revival‘, daar bleek geen ontkomen aan. En zo ging Brugge zich profileren als een baken van neogotiek. Maar daar hoeven we ons niet om te schamen, waarom zouden we? Doorheen de tijd ging die neogotische architectuur deel uitmaken van het Brugse DNA. We permitteerden er ons zelfs een tentoonstelling over die we zonder blozen ‘De uitvinding van Brugge‘ doopten. Hoe markant, toch! Jullie, Engelsen, die ons ooit meenamen in jullie fantasievolle voorkeur voor pronkerige neo-architectuur, gniffelden veel later in een gerespecteerde krant geringschattend over een ‘namaak-Brugge‘! En die talloze landhuizen en kastelen op jullie platteland die jullie in een nep-Tudor-jasje staken? En hoe jullie in Londen pronken met een bedrieglijk ‘historische’ Tower Bridge! Dus zo hoog van de toren – die van jullie Houses of Parliament, ook ‘fake’ – hoeven jullie niet te blazen. Hoe dan ook, hier bij ons laven passanten zich maar wat graag aan deze hoogst ‘authentieke’ plek. En verwarren het Brugge van vroeger met wat het nooit was.
Mijn gezelschap snapt de ironie der dingen, da’s sympathiek. Wanneer even later onze gezamenlijke verkenningsronde erop zit, biedt ze mij nog een koffie aan op een verrassend vroeg terras. Waarna ik haar voor straks een goeie terugkeer toewens. Ik stel voor dat ze mij ooit een keer rondleidt in haar stad. Ze fronst haar wenkbrauwen en kijkt mij aan alsof ze het in Sheffield hoort donderen.
Op mijn terugweg naar huis dwalen mijn gedachten nog even af naar mijn betoog van daarnet. Of onze heimat zich vandaag nog laat betrappen op een bedrieglijke blik in de spiegel? Welnu, het eerlijke antwoord luidt … ‘Ja’. Het was zelfs vorige week nog van dat! De campagne rond de opening van BRUSK, dagenlang was er geen ontkomen aan, elkeen moèst het weten. En dus was hij alomtegenwoordig, de ballon die een immens doek optilt om de nieuwe kunsthal aan de wereld te tonen. Een geestige vondst, voorwaar. Doch wie aandachtig toekijkt, ontwaart een detail. Een spitant detail, in de achtergrond. Op de wijdverspreide affiche vervaagt dat decor in een flou artistique, maar het campagnebeeld dat ons online in verleiding bracht laat er geen twijfel over bestaan. Iets is niet pluis met dat uitzicht over de stad.
Welke stad? Brugge? Herkennen wij één gebouw? Niet, dus. Meer zelfs, zie eens, rechts bij de horizon. Onze binnenstad telt nogal wat kerken, maar dit gebedshuis? Geen kerk in Brugge die er ook maar van ver op lijkt. Dè promotiecampagne voor het meest prestigieuze project sinds de inhuldiging van het concertgebouw toont … een panorama dat met onze stad niks van doen heeft. Een AI-Brugge. In deze tijden van nieuwbakken waarheden bulkt het internet van de volstrekt fout verzonnen ‘geschiedkundige’ filmpjes. Veelal tenenkrullende pastiches die steden met een ‘geschiedkundig’ AI-sausje overgieten. Ook jij, Brugge, ontsnapt niet aan die onzin. Maar nu je zelf het heft in handen neemt om te tonen wie je bent … Mijn beste Brugge, lezers merken wel eens op dat ik je wat vaker op de vingers mag tikken. Geef ze maar eens ongelijk. Helaas, ik ben braaf opgevoed en braaf opgevoed zijn, dat komt nooit goed. Maar dit keer kan ik er niet omheen … Foei, stad van mij! Zullen we grinniken of diep zuchten? Weet je wat, we gooien het op een akkoordje. Ik blijf jou een warm hart toedragen. En jij, je houdt het bij die ene uitschuiver. Even goeie vrienden. Of, zoals die sloeberse Engelsen zeggen, ‘No hard feelings!‘
Adembenemende spanning, tomeloze droefenis, zotte euforie. Oprechte emoties zijn het die in het universum dat sport heet onlosmakelijk verbonden lijken met winst of verlies. Soms benijd je de ware sportliefhebber om al die doorvoelde intensiteit. Soms ook niet. En een enkele keer betrap je jezelf op het heimelijk geringschatten van het hele sportverhaal. Zoals wanneer, na de aanvangsgeneriek van het avondnieuws, de hoofdpunten worden opgenoemd. Dan kan je er niet om heen, even belangwekkend als elk wereldschokkend nieuwsfeit en gelijkgesteld aan elk binnenlands knelpunt of ieder lovenswaardig initiatief, moèt één item erbij dat met sport van doen heeft. De voetbaltrainer die twijfelt of zijn spits komende zondag speelklaar zal zijn? De coureur die na een weekje snotvalling weer gaat trainen? Hoofdpunten, stuk voor stuk! Enfin, ’t is maar om te zeggen, deze jongen kan zichzelf bezwaarlijk tot het heir der sportfanaten rekenen. Zijn passage in de turnles van weleer indachtig, ging aan hem dan ook weinig sportief talent verloren. En bij ’t voetbal op woensdagmiddag vroegen ze hem alleen in uiterste nood – lees: ze hadden er eentje tekort! – om mee te spelen. Of op zijn minst te doen alsof. Neen, dit manneke was nooit een sportzot.
Ze noemen zich Club NXT …
En och arme, ook de furie van de volbloed supporter is hem vreemd. Dat sport de belangrijkste bijzaak in ’t leven zou zijn, die wijsheid is al lang gemeen goed maar uw dienaar somt makkelijk een resem bijzaken op waaraan hij meer waarde hecht. Vergeef het hem, waarde sportmens, hij weet niet wat hij mist. Of toch? Laatst zag hij een foto. Jong Brugs voetbaltalent. Ze noemen zich Club NXT en zijn, het mag weinig verbazen, het jonge volk van Blauwzwart. Zij haalden tot ieders verrassing de Europese finale van hun lichting en nooit eerder kreeg een Belgische jeugdploeg dat voor mekaar. Die foto, dus. Die ontlading, die blikken. Jongensstoerheid, vervlochten in kinderlijke blijdschap. Geen twijfel mogelijk, dit vergeten die gasten nooit meer. Wel ja, dat zijn van die beelden die je vertellen wat sport doen kan met een mens. Wat winst doen kan. Dan komt, heel even, sport los van zijn schaduwen. De schaduw, vooreerst, van sluwe geldwolven en hun tentakels. Voor wie het begrip ‘winst’ twee betekenissen heeft. Een sportieve en, hoofdzaak, een lucratieve. En ook de zo mogelijk nog donkerder schaduw van ongelijkheid en racisme die, ondanks goeie campagnes van velen, nu en dan nog vanop tribunes elk speelplezier schaamteloos verknalt.
Ach, topsport, zet mij maar liever aan de toog met de kleine sporter. Met de jogger die fier is op zijn jaarlijkse Dwars Door Brugge. Bij het koppel dat elke week een lange wandeling maakt. Voor wie winnen of verliezen niet aan de orde is. Want hoe jammer toch – diepzinnige toogfilosofie! – dat je enkel winnen kan als iemand anders verliest.
Maar dan gooit één van ons hier in ’t café een markante bedenking op tafel. Kijk eens aan, we zitten hier te pintelieren met een pauskenner! Wisten wij veel dat de witte man uit Vaticaanstad laatst een sportieve wijsheid vertelde! Bij sport, aldus onze tjeef die de kerkleider citeert, leer je winnen zonder je tegenspeler te vernederen. En verliezen zonder als mens verslagen te zijn. Zou het? Onze predikant van dienst nipt nog een keer van zijn cola en glundert. Maar da’s zonder de grapjas van ’t gezelschap gerekend. Er zijn sporten, meent hij, waarbij dat niet opgaat. Want wat zegt die paus over, ik noem maar wat, een sport als vissen of jagen? Weet je, jagen zou een sport zijn als het konijn ook over een geweer kon beschikken!
Hilariteit in de keet! Waarop iemand wijst op een affiche naast het dartsbord. Over een boksclub. Hoe zit het met die paus en boksen? Maar het betoog gaat meteen een ander pad op, zo gaat dat met babbels op café. Want kijk, die knapen op de affiche zijn geen jongelui! Is dat niet schoon? Boksen als bezigheidstherapie voor oudjes! ‘Word bokser, dan heb je kans op slagen!’, werpt de plezante van daarnet in de groep. We nemen ons voor om bij gelegenheid een keer langs te gaan bij die club, al zijn we dat voornemen morgen alweer vergeten. Zo gaat dat met voornemens op café. Waarop de stilste van het tooggezelschap het woord neemt en ons erop wijst dat sport niemand onverschillig laat. Heus? Hij herinnert ons aan dat voorval, een paar weken geleden in Roubaix. Waar iemand als eerste over de streep kwam, een wijsvinger fors in de hoogte. Een gebaar van winst met een achterliggend verlies. Het verlies van een jonge ploegmaat die het leven liet. En meteen daarna, diezelfde winnaar in tranen in de armen van zijn vrouw en kleine gastjes. Ineens is het café wat minder uitbundig. Tja, sport, het is me wat. Je kan met en je kan zonder. Iemand heft het glas en zegt voorzichtig ‘Santé! Op Wout!’ Het café beaamt. En terwijl dit gezelschap herademt herinner ik mij woorden – waar komen ze ineens vandaan? – van Midas Dekkers … ‘Dieren doen niet aan sport en zijn toch zo fris als wat. Misschien moeten wij ook eens wat meer laten en minder doen.’ Of van dat boksen dan nog iets in huis komt, vraagt één van ons.
Pictionary, ik heb het in geen jaren meer gespeeld, maar nu hij bij ons op zolder de spellendoos opdiept, is er geen ontkomen aan. Pictionary zouden we spelen! Mijn huisgenote vertelde haar neefje over onze zolder en wat daar allemaal sinds jaar en dag stof vergaart. Haar naar mijn mening schromelijk overdreven omschrijving van dat oord roept bij het manneke het beeld op van het walhalla der verrassingen. Waarop zijn oom zich laat overhalen om er samen op verkenning te gaan. Daar duikt dus dat kartonnen ding op waarop hij, lettergreep per lettergreep, het voor hem volstrekt bizarre woord ‘pictionary’ spelt. En zo komt de schier brocante doos na al die tijd nog een keer naar beneden.
Kaartjes met allerlei tekenopdrachten, weet je nog? Iemand tekent iets en anderen raden wàt. Een kangoeroe, een tube tandpasta, een reuzenrad. ‘k Was vergeten hoe geestig ik dat vond. Maar na een paar rondjes komt onze jonge medespeler op een briljant idee. We tekenen dingen die we zelf verzinnen. Dingen die niet ècht bestaan! En daar gaan we weer. Hij tekent Elsa, het figuurtje uit Frozen en zij de kerstman. Ik teken iets en onze jonge gast roept “Een unicorn!” Leg ik uit dat we dat gewoon een eenhoorn noemen, kijkt hij mij aan met een blik van “Ocharme, nonkel is niet meer mee met zijn tijd!”. Woordenschat gaat zijn gang door de dagen, nonkel kan maar beter berusten.
Er is iets bijzonders gaande in Herkenrode.
Maar dan, mijn moment van glorie! Ik neem een blaadje, mijn potlood. Leg het potlood naast het lege papier. Ze kijken mij aan. “Nou, teken je nog iets, nonkel?” Ik zwijg. Even. En zeg dan … “Een luchtkasteel! Hier staat een luchtkasteel en dus is mijn blad leeg, want een luchtkasteel kàn je niet tekenen!” “Flauw!”, meent mijn wederhelft. Maar neef is een andere mening toegedaan. Beoordeelt mijn vondst als hoogst origineel! Oef, wij mannen, we verstaan mekaar.
Zo’n monument kreeg destijds vorm door de inzet van gedreven vaklui.
’s Avonds, neefje hoeft nog even niet naar bed, het nieuws op tv sluit af met een toemaatje. Er is iets bijzonders gaande in Herkenrode, in de Limburg. Ze herbouwen er een kloosterkerk die twee eeuwen geleden afbrandde. Zo’n monument kreeg destijds vorm door de inzet van gedreven vaklui. Dat is vandaag niet anders, maar dit keer gaan ze aan de slag met cortenstaal. Een immense constructie van stalen laswerk, je kijkt ernaar op en je kijkt er doorheen. Magisch!
En ondergetekende gaat aan ’t fantaseren. Wat daar in Limburg doorgaat, roept een verre herinnering op. ’t Was Andries Van den Abeele, gerenommeerd dwarsligger als het over ons stedelijk erfgoed gaat, die ooit met het plan kwam aanzetten.
Alles werd openbaar verkocht, elke steen, elke balk, elke tegel.
Het plan om op de Burg de Sint-Donaaskerk te herbouwen. Je weet wel, het gebedshuis dat ooit op dat plein met zijn omvang ons stadhuis overklaste. De romaanse kerk waar Karel de Goede werd vermoord, groeide later uit tot een gotische kathedraal. Maar werd in het tumult van de Franse revolutie gesloopt. Alles werd openbaar verkocht, elke steen, elke balk, elke tegel. Andries wou dat bouwwerk heroprichten. Steen voor steen, stel je voor. Niemand volgde hem in dat voorstel. Maar bij wat ik zopas zag op tv daagt het weer op in mijn herinnering. Andries, luister man, dat idee van jou sloeg dan misschien nergens op, maar ièts is wel mogelijk. We laten Sint-Donaas herrijzen. Maar in cortenstaal, dit keer. Stel je voor, het overweldigende bouwsel zou de bomen die er staan moeiteloos onderdak bieden. Nou ja, onderdak, ’t zou er wel binnen regenen maar bomen malen daar niet om. De Burg van weleer, zou het plein niet opgelucht herademen? Vertel ik mijn huisgenote over mijn stoutmoedig voornemen, kijkt ze mij meewarig aan.
Maar neefje luistert stil. Waarover ik het heb ontgaat hem maar maakt hem nieuwsgierig. “Morgen gaan we er heen”, beloof ik, “Morgen toon ik jou wat het worden zal. Maar nu naar bed, jongeman!” ’s Nachts droom ik van een kerk op de Burg. Iets als een luchtkasteel, maar dan eentje dat je wèl kan zien … een luchtkerk! Er was dat andere voornemen waar men een tijd over nadacht, om een gloednieuwe parochiekerk te bouwen in Sint-Michiels. Dat idee werd dan wel recent weer opgeborgen, maar wat te denken van een heel nieuw soort gebedshuis op de Burg? Een kerk waar ze vrij spel krijgen, de wind, de zon, de regen. En de mens. De schepping, kortom, zoals de Maker ze bedoelde. Ik wed, als hij bestaat zal hij mij goedkeurend toeknikken. “Graag gedaan, Schepper!“
De Speelmanskapel, een week of wat geleden. Het is een bescheiden initiatief waar Koen Goeminne samen met een paar compagnons de route zijn schouders onder zet. Koen, die ons eerder verbaasde met zijn digitale bewerking van de alom geprezen kaart van Marcus Gerards èn met een paar boeken over dat stadsplan, trakteert dit keer Brugge op een tentoonstelling met de kaart als onderwerp. En de Speelmanskapel, dat eeuwenoude gebedshuis in de Beenhouwersstraat, als weloverwogen locatie. Klein genoeg om zo’n sober project tot zijn recht te laten komen. En ook nog aan te wijzen op de kaart waar de expositie op focust.
Ik ga er even langs, goeiedag zeggen aan Koen, en hij stopt mij een exemplaar van zijn tentoonstellingsaffiche toe. Affiches zijn als gezichten. Van sommige word je al vrolijk bij een eerste aanblik. Andere lijken met het verkeerde been uit bed gestapt. De affiche van Koen is er zo eentje. Zowat de hele bladspiegel wordt ingepalmd door een foto van een verweerde puntgevel in meelijwekkende toestand. Boven een armetierig, half open poortje, torst de gevel het restant van wat ooit een gotisch venster was. In die vensternis, resten van een amper te ontcijferen woordenbrij. Ontwaar ik vaag het woord ‘voitures’? Hogerop, een onrustwekkende scheur in het metselwerk. De Speelmanskapel in minder gunstige tijden.
In het stadsarchief, in de collectie van wijlen Jaak A. Rau, bewaren ze de foto samen met een andere van het gebedshuis in dezelfde lamentabele toestand. Ze werden genomen in 1968, kort daarna zou de restauratie van de kapel volgen. Terwijl ik de affiche voorzichtig oprol om ze op te bergen in mijn fietstas, betrap ik mezelf eensklaps op een déja vu. Koen gaf zijn expositie de naam ‘Vensters op Brugge’ … Waaraan herinneren mij die woorden? Van waar die vage herinnering, waar hoort ze thuis? Er rest mij nog een stuk ochtend en ik besluit op zoek te gaan, de stad in, naar een antwoord op mijn vraag. De aanzet tot een ongeplande vensterzoektocht.
Soms is zoeken minstens even waardevol als vinden wat je zoekt. Soms hopen vragen op meer dan alleen maar een antwoord. Vergezeld van die diepzinnige gedachte, passeer ik langs het concertgebouw. Ze gaan daar prat op één specifiek venster, het grootste van de hele binnenstad. Mijn fiets leidt mij langs de kathedraal die mij herinnert aan misschien wel de meest poëtische installatie die onze Triënnales tot nu toe voortbrachten. De Chinese kunstenaar Song Dong bedacht in 2015 een monumentale bonsai-sculptuur van gerecycleerde vensterramen ‘als metafoor voor het spanningsveld tussen de onstuitbare groei van megapolissen en het omgaan met erfgoed en natuur’.
En ja, op zoek naar Brugse vensterverhalen kan je onmogelijk ontkomen aan het ‘kleinste gotische venstertje van de stad’, dat de bootjesmannen keer op keer aanwijzen wanneer ze bij Gruuthuse onder het Bonifaciusbrugje door varen. Alleen … dat spionnetje heeft in de stad een paar broers. Of zijn vensters zussen van mekaar? Op de hoek van de Dijver en de Nieuwstraat, uitgerekend boven één van de aanlegsteigers van de bootjes, kijkt er ook eentje uit over zijn buurt. En een zijgevel in de Smedenstraat heeft er ook eentje. En dan is er nog het ‘jongste’ van de vier. Jong, omdat het pas enkele jaren geleden weer aan het licht kwam, nadat het sinds mensenheugenis verborgen zat achter een pleisterlaag op een gevelhoek in de Langestraat. In Brugge woont een voltallige familie ‘kleinste venstertjes’.
Kronkelfietsend door de straten van onze stad denk ik opeens ook aan dat tot de verbeelding sprekend verhaal over dichtgemetselde vensters. Was daar niet, in wat we vaak als de ‘Franse tijd’ benoemen, de jaren na de Franse Revolutie, die fiscale richtlijn waarbij belasting op onroerend goed berekend werd aan de hand van het aantal vensters in een gevel? Van de weeromstuit gingen eigenaars her en der ramen dichtmetselen. Het vergt in Brugge weinig moeite om te wijzen op muren met heimwee naar wat ooit hun vensters waren. Achteraf bleek dat dichtmetselen de hygiënische toestand in woonhuizen niet echt vooruit te helpen. En door die vindingrijkheid der huisbazen bleek het fiscale ramen tellen weinig accuraat. Maar de getroffen vensters, ze bleven dichtgemetseld.
Om mijn fietstoer niet te eindigen met zo’n stramme vertelling maak ik nog een ommetje langs de Groenerei. Deze hondenliefhebber brengt er nog een stille groet aan wat lange tijd de meest gefotografeerde vensterpartij van onze stad mocht zijn. Langs de schilderachtige reie, lui in de zomerzon, keek daar destijds vanop zijn kussen in een oud erkervenster, Fidel, de golden retriever van het huis, met volkomen onverschillige blik toe op de talloze toeristen die hem vanop de voorbij varende bootjes enthousiast toezwaaiden. Fidel is niet meer onder ons. Het wijze beest vertrok, alweer enkele jaren geleden, voor goed naar de Eeuwige Speelweiden.
Mijn voorjaarsfietstocht door een fris maar zonnig Brugge zit erop maar mijn vraag, waarom dat ‘Vensters op Brugge’ mij blijft fascineren, wacht nog op antwoord. Tot thuis. Dan daagt het mij. Mijn affichekamer! En jawel, daar diep ik het antwoord op uit een map vol affiches over Brugse geschiedenis.
Weliswaar al iets meer dan een kwarteeuw geleden liep in Gruuthuse een expositie en die heette … ‘Vensters op Brugge’! Met een niet onaardige affiche, trouwens. ‘Vijf eeuwen leef- en wooncultuur’ luidt de ondertitel. De tentoonstelling waar Koen Goeminne mee uitpakt is de tweede met die naam! In mijn boekenkast wacht de cataloog van die eerste expositie sinds lang op de dag waarop ik het boek nog een keer ter hand neem. Op vandaag, dus. Ik vlij mij neer met het leesvoer, tevreden om een zoektocht die de stadsgids in mij weer wat ideeën aanreikte. Een rondleiding ‘Brugge, vensterstad’? Venstertoerisme, zolang we niet binnen gluren moet het kunnen. En zoals dat wel vaker gebeurt, verrast het toeval ons. En passant legt mijn wederhelft een kalenderblaadje op de salontafel. Elke dag brengt onze scheurkalender wat wijsheden in huis, of toch wat daarvoor doorgaat. Soms van weinig betekenis, soms markant. Achteloos raap ik het papiertje van tafel. Lees een citaat van ene Henry David Thoreau. Diep in de negentiende eeuw ontsproten uit zijn denken de woorden ‘Volwassenheid is wanneer al uw spiegels in vensters veranderen’. Een meer geschikt slotwoord voor zo’n stadswandeling verzin je niet. Mijn zondag, die was al goed, kan niet meer stuk.
Spoiler alert … Met wat volgt zeuren wij geenszins over het genoeg of teveel aan toeristen. Over cruiseboten evenmin … Of toch maar heel even.
De Belgen waren de dappersten onder de Galliërs, de Vikingen waren barbaren en de Kruisvaarders helden. Onze meester op school was een begenadigd verteller, dus wat hij orakelde was waar. Pas later kom je erachter dat het voor de brave man met veel van zijn aangedikte verhalen ook wel makkelijk scoren was tegenover een bende jongetjes die niet doorhadden dat nuance van enig nut kan zijn.
En de meester had altijd wel een paar van die vastgeroeste waarheden voor ons in petto. Dat we door te sparen voor de missies de armoe uit de wereld zouden helpen. Voorts waren Gentenaren stroppendragers, Izegem was de borstelstad en Brugge … het Venetië van het Noorden. En wij, we luisterden gedwee. Zou ’t kunnen dat voor een klas staan vroeger minder metier vereiste dan vandaag? Misschien kende u in een ver verleden ook zo’n meester of juffrouw, waarde lezer, maar dat hangt van, nou ja, uw leeftijd af.
Het Venetië van het Noorden … Er zijn van die bijnamen die zich vastklampen aan de voorbij vliedende tijd. Die met trots worden gedragen, ongeacht of ze steek houden of niet. Dat van ‘ons’ Venetië is er zo eentje. Toch? Deze jongen, stadsgids, zal maar meteen bekennen dat hij die inmiddels tot op de draad versleten metafoor soms nog benoemt.
Een gids die zoiets achterhaald als ‘het Venetië van het Noorden’ aanhaalt! U fronst lichtjes verontwaardigd de wenkbrauwen? U vroeg uw abonnementsbijdrage terug, mocht die er zijn? Wacht daar nog even mee, trouwe lezer, enige duiding volgt.
Trouwens, kijk hoe ze jaar na jaar op een dagje paraderen midden onze oude of oudachtige baksteenmonumenten, de Venetiaanse maskers. De charme die uitgaat van die gracieuze verschijningen en hoe ze zich onze bewonderende blikken laten welgevallen midden het Brugse decorum! Even is er goesting om, tegen beter weten in, te geloven dat ze hier thuishoren. Maar kom, laten we overgaan tot de orde van de dag, het heffen van een glas Belgisch gerstenat. Op het terras van Klein Venetië, ik noem maar wat, uitkijkend op ons eigen Canal Grande. Tenminste, als dat uitzicht niet wordt belemmerd door selfiemakers die zichzelf vereeuwigen met in een bijrol ons belfort en die neogevels aan de overkant.
Passeer ik weer een keer gidsgewijs met bezoekers langs het Huidenvetterspleintje, dan hou ik daar graag even halt vooraleer we doorsteken naar de Rozenhoedkaai. Dan vertel ik mijn toehoorders dat, als ze in Brugge één iconische foto willen nemen, hier om de hoek dè buitenkans wacht. Om er meteen aan toe te voegen dat ze met die foto geen prijs zullen winnen omdat hun kiekje elke dag enkele duizenden keren wordt gemaakt. Waarop ze, eenmaal daar gekomen, toch maar hun smartphone boven halen.
En ja, dan wijs ik hen op de naam van het cafeetje waar we langs komen. En kom in de verleiding om de aloude vergelijking van stal te halen. Al voeg ik daar meteen een voetnoot bij, een paar bedenkingen. Want laten we serieus blijven, hé, naast het Venetiaanse Canal Grande is onze Dijver amper een straatgoot. Dus wie zijn wij om onze reien te meten met de grootsheid van het waterwonder dat Venetië heet? Kunnen we ons dan geenszins spiegelen aan de Dogestad? Toch wel. Brugge en Venetië kenden hun gloriejaren als handelsmetropool in dezelfde Late Middeleeuwen. En daarmee zit het verhaal er zo’n beetje op en daar kunnen we maar beter niet rouwig om zijn. Althans als we onze stad zoals ie er vandaag bij ligt meten met het Venetië van vandaag.
’t Schijnt dat ze de tot bij hun voordeur varende cruiseboten inmiddels elders laten aanleggen. En hoe zit het daar inmiddels met die taks die ze zouden opleggen aan dagjestoeristen? Maar voorts blijft Venetië net zo overrompeld. Een paar cijfers? In het Centro Storico, de oude binnenstad, leven zo’n vijftigduizend bewoners. Dat zijn er dan wel dik dubbel zoveel als in het ei van Brugge maar het is u bekend dat het oude centrum van de zuiderse trekpleister elk jaar dertig miljoen bezoekers over de vloer, of liever over ’t water krijgt. Enfin, we hebben dus nog veel in te halen. Het Venetië van vandaag, daar kunnen wij tot nader order niet aan tippen. Houden zo, Brugge! “Elle voulait qu’on l’appelle Venise … Quelle drole d’idée, quelle drole d’idée!” Julien Clerc zong het in mijn adolescentenjaren. Misschien ook in die van u, geachte lezer, maar dat hangt af van … u weet wel, de leeftijd, hé.
Toen de wereld nog van papier was. Alles van waarde werd bewaard op papier, weet je nog? En wij bedachten het woord ‘paperassen’ als synoniem voor stapels mappen en documenten, genoeg om het overzicht te verliezen. Papier is uit de tijd, da’s waar, maar sommigen bewaren het. Ze bewaren de tijd. Die verzamelaars kennen de opluchting die je te beurt valt wanneer je, zoals ik vandaag, rommelt in dozen, kaften en wat al meer, in paperassen dus, en uiteindelijk toch vindt wat je zoekt.
En al helemaal als het gezochte, dat hoogst bijzondere, panoramische zicht op onze binnenstad, de tijd kreukloos en vlekkeloos is doorgekomen. Waarom ik het zocht? Wel, er loopt een tentoonstelling in de Speelmanskapel. In dat laatmiddeleeuws pand in de Beenhouwersstraat pakt Koen Goeminne uit met een expositie over de kaart van Marcus Gerards. U weet wel, dat ene stadsplan waar Brugge nu al meer dan vier eeuwen met trots naar verwijst.
Een paar jaar geleden schreef Koen samen met een stel kenners een gedegen boek over dat secure meesterwerk dat Marcus Gerards in 1562 realiseerde. Meer zelfs, sinds kort ligt daarover nog een tweede worp van Koen in de boekenwinkel. Valt dan zoveel te vertellen over het chef d’oeuvre van Marcus Gerards? Wie de kaart onder ogen neemt, is voor een eind zoet met een overweldigende veelheid aan details. Veel herkenbaars en ook een handvol verdwenen monumenten. Hoeven wij Sint-Donaas, de kathedraal op de Burg, te vermelden? En een zo mogelijk nóg groter verlies voor onze stad, de waterhalle op de Markt?
… een tentoonstelling in de Speelmanskapel.
Enfin, die tentoonstelling is dus de aanleiding voor mijn speurtocht. Naar de kaart van Marcus Gerards? Neen, die heb ik hier bij de hand. De recente, vakkundig vernieuwde versie nog wel, waar diezelfde Koen Goeminne ons een tijd geleden mee verbaasde. Maar ik zocht haar broertje. Een veel jonger broertje, al dateert het inmiddels ook al van bijna een halve eeuw geleden.
We schrijven december 1979. Bij de krant Het Nieuwsblad komt iemand op het behoorlijk ambitieuze idee om zowaar een ‘Marcus Gerards 2.0’ te laten tekenen. Daarvoor kloppen ze aan bij Georges Ebinger en afgaande op wat hij ervan bakt kan je zonder meer stellen, die knaap uit Mortsel kent zijn stiel.
De Marcus Gerards van ’t Nieuwsblad tekent een panoramisch stadsplan zoals dat van zijn leermeester in 1562. Met, zoals op de koperplaten van de grootmeester, onwaarschijnlijk veel traceerbare details. Ook een handvol verdwenen … monumenten? Tja, wat zullen we omschrijven als monument? Hoe dan ook, zo’n stadsplan, wat een unieke momentopname! Hoe ziet Brugge anno 1979 eruit? Een grabbel uit de veelheid.
Onze binnenstad heeft bij de Botanieken Hof nog zijn gevangenis (1) en aan de Langerei, bij de Dampoort, zijn oude gistfabriek (2). En aan de Kruispoort, vandaag vind je daar het gerechtsgebouw, zie je nog de legerkazerne waarnaar de Kazernevest is genoemd (3). Er is nog geen spoor te bekennen van het concertgebouw op ’t Zand (4), dat knus oogt met die bomenrijen rondom. De fontein is voor later en dat het tussen al die bomen krioelt van de geparkeerde auto’s, daarover zwijgt de stadskaart. Da’s wijselijk maar wat meer is, alle verkeer dat later door de tunnel onder het plein geleid zal worden, passeert parmantig bovengronds. Iets lager op de kaart vind je natuurlijk nog de oude beurshal.
O ja, wie school loopt in ’t VTI kan dat in de Boeveriestraat (5) en – hoe actueel zo’n kaart kan wezen! – er staat een hoogwerkerskraan op de werf waar later de Biekorf-bibliotheek zal verrijzen (6). Het stadsplan van Georges Ebinger is gul met verrassingen. Je ziet de Aigle-Belgica brouwerij nabij de Carmersstraat, het KTA in de Jacobinessenstraat en bij het Sint-Janshospitaal is de ambulanceroute over Zonnekemeers richting de Minnewaterkliniek nog intact. Enfin, het plan uit de jaren zeventig is een tijdscapsule propvol herinneringen, je krijgt goesting in een zoekspelletje. Al heb je daartoe wel een exemplaar van de kaart van doen. Geen nood, soms daagt ze nog op tussen tweedehands spullen, hier of daar op een website. Het soort sites met dingen uit de tijd van toen. Van toen de wereld nog van papier was.
Koen Goeminne’s tentoonstelling over de kaart van Marcus Gerards (de echte uit 1562!) loopt tot eind maart in de Speelmanskapel, op zaterdag van 14 uur tot 18 uur en op zondag van 11 uur tot 16 uur.
“Hebt ge dat gehoord, da’s toch om te lachen, die gast noemt Franciscus de populairste heilige! De populairste, dat zeggen ze over een zanger op de radio of over een filmster op een rode loper! Zo’n rodeloperloper!” De patron van de Hollandse Vismijn brengt onze pintjes naar onze tafel-met-uitzicht-op-de-Vismarkt. ’t Is hier aangenaam toeven, Bruggelingen ondereen. Een tijd geleden, misschien herinnert de trouwe lezer zich daar iets van, zaten we hier ook aan dit tafeltje, Kameraad en ik. Hij heeft een naam, onze vriend, maar we noemen hem Kameraad. Over Kameraad kan je veel zeggen maar niet dat hij zijn bijnaam gestolen heeft. Het ondeugende genoegen dat hij schept in mensen de gordijnen in jagen met zijn onverbeterlijk linkse kijk op de wereld, ‘t is hem vergeven want hij is een kerel uit de duizend. Al kan ik het ook nu weer niet laten, hem terecht te wijzen. “Er is ook wel iets bijzonders gaande over Sint-Franciscus, daarover gaat het interview”, leg ik hem geduldig uit. “Nog tot een eind in ’t voorjaar kunnen pelgrims de stoffelijke resten van de heilige begroeten in de Sint-Franciscusbasiliek in Assisi. En eigenlijk is ’t waar wat die priester zei, mensen voelen zich aangesproken door de figuur van Franciscus. Er wordt daar in Assisi een hele volkstoeloop verwacht.”
Kameraad nipt van zijn glas, veegt met zijn mouw het schuim van zijn snor en kijkt mij aan met donder in zijn blik. “Hoe zot! Kunt ge u voorstellen dat ge helemaal naar Italië reist om in een lange rij aan te schuiven, alleen maar om efkes te mogen staren naar een stapeltje beenderen in een glazen vitrine!”
“Zelf zou ik ervoor bedanken.”, geef ik toe. “Maar toch, ik weet nog van die film over Sint-Franciscus, ‘Brother Sun, Sister Moon’, ergens in ’t begin van de jaren zeventig. Ik vond dat een beklijvend verhaal.” “Ge waart nog jong, hé, ik wed dat ge zoiets vandaag flauw zoudt vinden! Hoewel, jou kennende!” Ik doe alsof ik niet merk hoe hij glundert om zijn eigen woorden. “Alles wat we over Franciscus weten, wijst op een indrukwekkende en inspirerende mens!” Betrap ik mezelf erop dat ik op dreef kom als pleitbezorger van de heilige? “Zijn tijdgenoten vonden dat groots, zo’n rijkeluiszoontje dat radicaal koos voor soberheid en dienstbaarheid!” “Tja”, weet Kameraad, “maar wel altijd braaf onderdanig en gehoorzaam tegenover het pauselijk gezag!En geloof me, ook in die dagen was de paus … nou ja, niet heiliger dan de paus!” Met sacrale ernst heft hij met beide handen zijn pint van tafel, als was het de kelk van meneer pastoor.
“En toch!”, probeer ik, “Ken je het Zonnelied? Dat is poëzie van Franciscus van Assisi waarin hij zich toont als een groene jongen avant la lettre!” “Hola ja, en ze zeggen ook dat hij met de dieren sprak, hé! Laat me niet lachen! Uwen hond die moet plassen gaat naar de deur om te tonen dat het dringend is. En gij laat hem buiten, toch? Awel, da’s net zo goed een praatje! Dien hond en gij, ge babbelt ook, niks bijzonders!”
Misschien is het stilaan tijd om af te ronden, bedenk ik. Maar Kameraad denkt er anders over. “Trouwens, die beenderen van die heilige dierentemmer, hoe zit het daar eigenlijk mee? Weten ze zeker dat het zijn knoken zijn? Ge weet, hier in Brugge dachten ze ook van die middeleeuwse abt van Ter Duinen, Idesbaldus, dat ze zijn stoffelijke resten vereerden. En nu blijkt dat het om de beenderen van een veel latere abt te gaan!” Kameraad slurpt ostentatief het laatste restje pils uit zijn glas. “En nu ik het zo zeg, Franciscus of Idesbaldus, wat zijn dat voor namen? Maak mij niet wijs dat ze die venten zo noemden! ’t Was gewoon François, gelijk mijn vader zaliger, of Ides, gelijk onze nonkel pater!” “’t Volgend rondje is van mij!”, probeer ik mijn tafelgenoot te paaien. “Hoe dan ook, waarde Kameraad, Sint-Franciscus van Assisi was een kerel om ‘u’ tegen te zeggen. Een pacifist in hart en nieren, we kunnen er mij dunkt nog wat van leren.” “Daar zegt ge iets!”, repliceert Kameraad, “Mocht die Franciscus zien wat de wereld er vandaag van bakt, hij keert zich om in zijn graf. Stel je voor, in die glazen stolp van hem! Dat zou pas volk trekken!” “Ge zijt een onverbeterlijke ketter, gij!”, concludeer ik en wenk de patron.
Die late namiddag wandel ik over ’t Zand, de Boeveriestraat in. Kijk, de wolken boven West-Brugge laven zich nog heel even aan een lage winterzon. ‘k Ben in zo’n dagdromenerige stemming en denk terug aan vanmorgen, zij en ik aan ’t ontbijt. En wat ze voorlas uit de krant. Dat het deze week op één en dezelfde dag ‘dikketruiendag’ èn ‘doe-eens-vriendelijk-dag’ is. Van dat laatste hadden wij nimmer gehoord en dus ging zij op zoek naar een lijstje met themadagen. ‘Gedichtendag’, ‘dag van de arbeid’ en meer van dat. Veel meer en zelfs de meest bizarre themadagen.
– foto erfgoedbrugge.be/beeldbank –
Zo is er niet alleen een ‘dag zonder tabak’ maar, merkte ze stilletjes lachend op, ook een heuse ‘internationale pijprokersdag’! Da’s nu, vrijdag! Ik probeerde mij er iets bij voor te stellen. ‘Pijprokers aller landen, verenigt u!’ Was hier bij ons van zo’n oproep ooit een spoor te vinden? En warempel, na een tijdje zoeken op ‘erfgoedbrugge.be’, site waarop ik wel vaker en met plezier verloren loop, vond ik op een foto van meer dan een eeuw geleden, de ‘Brugse club van vrijgezellen-pijprokers’. In iets dat op een tuinprieeltje lijkt, kijken vijf mannen ietwat nors voor zich uit. Een select gezelschap dat het pijproken als zinvolle bezigheid promootte? Moest kunnen, in tijden waarin tabak nog ongevaarlijk leek.
En zij en ik, we lieten onze gedachten afdwalen naar een zomer uit ons jonge leven, de zomer waarin ik stopte met pijproken. Wij twee, op toer door Bretagne, we sloegen avond na avond ergens anders ons tentje op. En op een keer, bij het alweer alles uitpakken, bleek mijn pijp spoorloos. ‘k Zie me daar nog zitten, beteuterd aan ons blauwe klaptafeltje, mijn nutteloos geworden, halfvolle pakje Semois bij de hand. Maar ’t was daar dat ik mij voornam, als mijn pijp niet meer opduikt, stop ik met roken. Het kleinood bleef onvindbaar en de roker hield woord. Hoe raar het kan lopen in ’t leven.
De avondzon dommelt in achter de Kapucijnenkerk, nog heel even baden de straatgevels in een deugddoend warme gloed die lijkt op te lichten uit een ver verleden wanneer ik de jongen langs het voetpad mijn kant zie opwandelen. ‘k Zou amper op hem letten, ware ’t niet van zijn opvallend achterhaalde kledij. De hoge rolkraag van zijn wintertrui kan ermee door, maar met die olifantenpijpen broek lijkt ie helemaal weggelopen uit de jaren zeventig. Maar wat het meest mijn aandacht trekt, is dat pijpje, schijnbaar nonchalant in zijn mondhoek.
Hij komt langs en ik vertraag mijn pas. Kijk hem aan en zeg ‘m dat het mij bijna plezier doet, eindelijk nog een keer een jonge gast met een pijp! Hij gniffelt, neemt het pijpje in zijn hand en toont mij trots zijn pakje Semois. Vertelt dat hij zo’n pijptabak verkiest boven de sigaretten van zijn schoolmakkers, hier verderop in ’t VTI. Hoezo, denk ik, VTI? Die school is hier in de Boeveriestraat toch al een tijd weg? De jongen zwijgt even, kijkt mij recht in de ogen. Wie of wat herken ik in die blik? Maar hij vervolgt zijn verhaal. ‘k Zit in ’t laatste jaar, zegt hij. ‘k Ga mijn vrienden missen maar er is meer in het leven dan ’t school. Zoals? Ik vraag het, stilaan benieuwd naar wat zo’n jonge gast bezighoudt. ‘k Ben op weg naar mijn lief, zegt hij met geveinsd stoere zelfzekerheid, we hebben afgesproken in de Goezeput. De Goezeput? Maar wacht, dat klopt niet! Even weet ik niet wat ik hoor … De Goezeput, de bruine kroeg waar wij rondhingen in onze schooltijd!
En dan gaat mij een licht op. Vanmorgen … de spiegel in onze badkamer … de blik van deze knaap … Enfin, ik ga ervandoor, zegt de jongen en neemt zijn pijp weer in de mond. Mijn lief zegt dat ze in de Goezeput de nieuwe langspeelplaat van Rum hebben, da’s echt een machtige groep, ‘k ben benieuwd … We zeggen mekaar salut, de jongeman en ik, en hij vervolgt zijn weg. Ik kijk hem na. Het komt goed, jongen, bedenk ik. Ooit laat je je onzekere zelf achter je en vind je je draai. Al bij al wacht jullie een schoon leven. Dus dat lief van jou, koester haar. Enne, nog iets … Die pijp, wil je daar ooit vanaf komen … Ga dan samen op pad … Naar Bretagne, bijvoorbeeld. Maar vooral, ga erheen met een tentje!
Brugge is mor een schorte groat en toch … Toch vertelt in dit stadje elke buurt zijn hoogst eigen verhaal. Wie Brugge doorkruist staat er amper bij stil en dat hoeft ook niet. Maar eenmaal je daar oog voor hebt, kan je er niet om heen. Neem nu West-Brugge. Twee hoofdstraten, maar wat een verschil in ambiance. Er is de warrige drukte van de multiculti Smedenstraat met winkels, barbierszaken en eethuizen. En verderop de weliswaar hemelsbrede maar toch altijd wat ingedommelde Boeveriestraat, zonder ook maar één handelspand. Of verderop, bij de molens, ’t Gezellekwartier. De haast Hollands aandoende voortuintjeswijk en haar contrast met het volkse van de Carmerstraat en de Verloren Hoek. Om van ’t Stubbekwartier en zijn buurwijk Kristus Koning nog te zwijgen. Allebei rond 1900 ontworpen aan weerszijden van de Scheepsdalelaan, in de aanloop naar het project Brugge-Zeehaven. Enerzijds Kristus Koning, deftige, residentiële stadswijk voor lieden met centen. En het veel soberder Stubbekwartier als behuizing voor ambachtslui en ambtenaren. Twee wijken, twee werelden.
Najaar 1972 … poppenin Theater19 in de Beenhouwersstraat.
Brugge is, kortom, een lappendeken. Maar wel een deken waar in de loop der tijden nu en dan een volkomen contrasterend stuk stof werd tussen genaaid. Een flagrant voorbeeld? Ooit werd een eeuwenoude en ongetwijfeld pittoreske wijk uit het stadsweefsel gescheurd, de Brusselse allure van de stadsschouwburg kwam in de plaats. Of, van veel recenter datum, het Rijksarchief dat zich als vreemde eend in de bijt kwam nestelen bij de Coupure. Al integreerde dat gebouw zich verbazend vlot midden de bouwsels eromheen. Let wel, het inpassen van zo’n indringer kan ook discreter. Laten we terugkeren naar ’t Stubbekwartier. Die buurt herinnert zich van lang geleden de komst van De Werf, podiumhuis dat in de buurt wellicht wat vragen opriep, maar al bij al verliep die inplanting vrij rimpelloos. Al stond, jaren eerder, de wieg van De Werf niet in ’t Stubbekwartier maar in de Beenhouwersstraat.
Voorjaar 1984 … ook beginnende namen.
In het jaar 1973 werd daar in het pand met het huisnummer 19 het vestzaktheatertje ‘Theater19‘ geopend. Maar al een paar seizoenen later werd Theater19 aan de deur gezet, zo gaat dat als de eigenaar zelf zijn huis wil benutten. Na wat omzwerving kon het bescheiden toneelproject landen in een verlaten weverij in ‘t Stubbekwartier. Daar kwam nogal wat markant volk op het podium, soms ook beginnende namen. In 1986 – veertig jaar geleden – werd in de Werfstraat ten huize Theater19 door roerganger Rik Bevernage en kompanen vzw De Werf uit de grond gestampt. Wat volgde, daar in ’t Stubbekwartier, was een wervelwind. Met spraakmakende podiumkunst. Toneel en concerten, veelal jazz met vaak internationale allure. Al kwam ook liedjesmaker Bram Vermeulen er een live-plaat opnemen.
Tot een jaar of acht geleden De Werf fusioneerde met het Oostendse Vrijstaat O en zichzelf omdoopte tot Kunstencentrum Kaap. Het pand in de Werfstraat leek te gaan sluimeren. Voor het alom gerenommeerde De Werf Records bleef het een vaste stek voor repetities en opnamen, maar had de concertganger daar boodschap aan? Niet, dus. De Werf en zijn reputatie leek iets van ’t verleden. Tot onlangs. Want sinds een paar weken ontwaar je her en der in Brugge de affiche met de beloftevolle slogan ‘Er klinkt weer muziek in de Werf’.
En warempel, vorige week kon het publiek daar voor het eerst na jaren weer terecht voor … ja, hoor, muziek. Cultuurhuis De Werf was destijds dan wel een indringer in de wijk, toch deed de komst ervan in het
1999 … een tribute-concert voor John Coltrane … 2026 … De Werf vandaag
Stubbekwartier amper stof opwaaien. De invloed op de muziekwereld, tot ver buiten Brugge, des te meer. Jongens en meiskes van Kaap, laat De Werf zich daar maar opnieuw op toeleggen. Ook al is het podium daar mor een schorte groat.
Beste Exit, weet jij nog waar wij mekaar voor het eerst tegenkwamen? Ergens in een kroeg in ’t stad? Een winkel? In de bibliotheek, laat ons dat maar aannemen. Daar vond ik je tussen de folders die er altijd te grabbel liggen. Nam je achteloos mee. Je oogde in je eerste dagen zelf ook, laten we eerlijk wezen, min of meer als een ruim bemeten folder. Eén enkel samengevouwen blad, het minumum minimorum om van een krantje te spreken. Wanneer dat was? Januari ‘95 lees ik op de hoofding van dat allereerste exemplaar. Het verbaast je dat het kleinood hier naast mijn klavier ligt, terwijl ik deze woorden tokkel? Wel, ik kan het uitleggen.
Hoewel, eigenlijk is het ook mij een raadsel waarom ik jouw eersteling destijds bijhield. Zoals ik dat ook deed met de edities van de maanden die daarop volgden. En van dan af met alle Exit-krantjes. Of toch een verklaring? Misschien dacht ik, ze komen van pas bij het ordenen van mijn pas opgestarte affichecollectie. En zodoende koesterde ik sindsdien nauwgezet alle Exits. Tot vandaag. Vandaag nam ik de allerlaatste Exit mee naar huis … Uit de Biekorf-bib, net als toen die keer. Jammer? Ja, jammer. Maar zat het er al niet een tijdje aan te komen? Ooit, Exit, was je een stevig in het papier zittend blad, maar de voorbije maanden werd je almaar slanker. Ook de oplage daalde, biecht je op in je laatste nummer. En sponsors zien dat niet graag, dalende oplagen. Een tijd van komen en een tijd van gaan, hé. “Sing c’est la vie”, aldus een oud lied. Maar mijn dagplanning staat vast, nadat ik daarnet bij het ontbijt jouw laatste editie doornam, ga ik op zoek op die zolder van ons, die papieren hoorn des overvloeds. Daar rusten ze in een paar bananendozen, al jouw jaargangen. Op een handvol nummers na die nooit op papier verschenen, herinner je de dagen van mondmaskers en lege cultuurkalenders.
… van een jonge Jo Vrielynck …
Neen, ‘k sleur ze niet allemaal mee, de trap af. Ik hou het bij de eerste honderd edities. En neem van mij aan, daarmee alleen al ben ik een eind zoet. Enfin, hier zit ik dan, achter een stapel oud papier. Lees met verwondering maar ook iets van vertedering over het heden van al die jaren geleden. Mijn eigen verbazing verbaast mij, kan je je daar iets bij voorstellen?
… komt ook wijlen Benoît van Innis in beeld …
Een onvervalste trip down memory lane, dat struinen door een blad dat zich maand na maand meer volume aanmeet. En geleidelijk aan ook een eigen stem in het Brugse cultureel kapittel. Ik blader lukraak langs een Brugge dat stilaan wakker wordt.
Beginnend bij het allereerste nummer, de oer-Exit. Met een openingsinterview met nieuwbakken burgemeester Patrick Moenaert die Exit op zijn zachtst gezegd genegen is. Ik lees vraaggesprekken met prominente stadsgenoten. Interviews, wat uitgebreider en zodoende iets diepgaander dan in meer recente edities van Exit. Ook babbels met coryfeeën van elders die er toen toe deden, een Johan Anthierens, een Frans Boenders, Jan Wauters, Gerard Mortier. Merendeels mannen, dat valt op.
Ik sla een handvol nummers over, die zullen voor een andere keer zijn, maar in Exit nummer 50 van februari 1999 tref ik zowaar een Brugse poppoll. Met als ‘cultureel evenement van het jaar’ het Axion Beach Festival in Zeebrugge. ‘Cultuurman’ is Bart Caron, zijn rol in de aanloop naar het Culturele Hoofdstad-jaar 2002 is daar alleszins niet vreemd aan. En ‘cultuurvrouw van het jaar’ Antje De Boeck maakt blijkbaar in die dagen indruk in de Korre. Exit suggereert haar als … intendant voor Brugge 2002. Herinneren wij ons in die context ook niet de naam van de man die mee Exit opstartte, Jan Smekens?
Tja, de eeuw en het millennium lopen op hun eind en in Brugge neemt de nervositeit toe omtrent het Cultuurjaar. In datzelfde nummer 50 lees ik trouwens ook beschouwingen omtrent het gekozen ontwerp voor een Concertgebouw. Zo’n maandblad is mensenwerk, mag dat ook even vermeld? Hoofdredacteur Jan Smekens wordt na enkele jaargangen opgevolgd door Luc Fossaert. Die gaat door tot vandaag, tot de eindmeet, samen met rechterhand Antoine De Clerck. En ja, er zit in de loop der jaren ook wel een keer wat ruis op de lijn. Enige wrevel tussen de redactie en een journalist van een ander lokaal blad, om maar iets te noemen. Is er ook niet die columnist die verwelkomd wordt maar na weinig tijd de deur wordt gewezen? Mensenwerk, kortom. Of, met de wijze woorden van mijn moeder zaliger, ’t is stille waar da’t nooit waait. ’t Is al laat op de avond, Exit, wanneer ik met kleine oogjes jouw honderdste nummer dichtvouw. Onder de zolderbalken hierboven wachten nog twee kartondozen maar die gun ik nog wat rust. Mezelf ook, trouwens. In oude Exits snuisteren, hoe verhelderend ook, als lees-equivalent van bingewatchen kruipt dat in de kleren. Trouwens, morgen is er een nieuwe dag. Met nieuw cultureel voer om van te proeven. Al zal jij het niet meer aanprijzen, Exit. Sing c’ est la vie …
“Weet je wel zeker dat het een fijne voorstelling worden zal?” ’t Is het soort frisse avond waarop een sjaal en handschoenen van pas komen om naar ’t stad te fietsen. De straatlantaarn voor ons huis werpt lange schaduwen op de oprit. Twee donkere silhouetten, mijn wederhelft en ik, in de weer met het stevig dichtknopen van onze winterjassen. “Natuurlijk!”, verzekert ze mij, “Wouter Deprez kennen we onderhand, ’t wordt een geestige avond!” “Ja” repliceer ik, “maar hij komt met Tcha Limberger. Die kent naar ‘t schijnt iets van muziek maken, maar ‘k vraag mij af of het wel zo boeiend wordt als anders.” Mijn fietsgenote schudt meewarig het hoofd. Verzwijgt ze wijselijk dat ze ook amper inschat wat ons te wachten staat?
Wouter Deprez kennen we onderhand …
Onze tweewielers krijgen een plek in de fietsenkelder in ‘t Sint-Amandsstraatje. Zie ons op stap, arm in arm op weg naar de schouwburg. “Als blinde jongen zat Tcha bij ons op school in Spermalie” herinnert zij zich, “In de basisschool, meen ik, hoe dan ook niet in de groep waar ik opvoedster was. Hij maakte toen al indruk met zijn zigeunersmuziek.” “Tja, zigeuners …” mijmer ik. “Dat begrip ‘zigeuner’, wordt dat vandaag niet beschouwd als nogal denigrerend? Maar ‘k weet nog, in mijn kindertijd. Bij ons in het dorp had niemand het over zigeuners en al helemaal niet over Roma. ’t Waren allemaal ‘bohemers’, zoals ‘Bohémiens’ in ’t Frans. Als kwamen ze allemaal uit Bohemen. En ik kan je verzekeren, kwamen ‘bohemers’ ter sprake, dan was dat niet met hoofdletter. Een minachtende ondertoon was nooit ver weg.” “Bij ons in Oostkamp lag dat ietwat anders.”, zegt ze. “Wij hadden een onderpastoor op de parochie, pastoor Delarue, en die mens zijn levenswerk was ’t Zwaluwnest. Dat was altijd een ankerpunt voor woonwagenbewoners en hun kinderen.” “En toch.Benieuwd of dat werkt, Wouter Deprez en Tcha Limberger op één podium …” merk ik nog op en negeer stilletjes de fronsende blik die ze mij zijdelings toewerpt.
En toch. Benieuwd of dat werkt …
In de inkomhal van de schouwburg treffen we een paar oud-collega’s van haar. Iemand vertelt enthousiast over Tcha en met wie hij allemaal samenwerkte. Ik hoor namen passeren waar je van opkijkt. Een Koen De Cauter of een Wannes Van de Velde maar ook danser Alain Platel met zijn ‘Les Ballets C de la B’ en zelfs Jordi Savall, een monument omtrent oude muziek. Wordt het toch een boeiende avond? De naam Wouter Deprez volstaat voor een volgelopen stadsschouwburg, je ontwaart volk tot helemaal in ’t kiekenkot. Wuiven naar kennissen, hier en daar, het vaste wachtritueel. Het vertrouwde piepsignaal roept iedereen naar zijn of haar stoel. Licht doven. Ze wandelen het podium op, Tcha aan de arm van Wouter. Er is een stoel voor Tcha en een muziekstandaard waarachter Wouter post vat.
… zijn muzikale familie, de Limbergers …
Anderhalf uur later, de weer oplichtende luchter boven onze hoofden roept ons, na een staande ovatie, weer tot de orde. Was er hier eentje dat meende dat muzikant Tcha Limberger zich zou laten overschaduwen door een meneer als Wouter Deprez? Groot ongelijk! Wouter kijkt op naar Tcha en je kan hem geen ongelijk geven! ’t Is bekomen van een avond die heerlijk heen en weer walst tussen leutig, verrassend en af en toe aangrijpend. Met een Wouter Deprez die ons meeneemt in verhalen zoals alleen Wouter dat kan. Met een Tcha die in sappig Brugs vertelt over zijn band met zijn muzikale familie, de Limbergers, maar ook met zijn geboortestad. En als zijn multi-instrumentale zelf de diepten opzoekt van melodieën, even ongekend als meeslepend. Twee kunstenmakers, de één met zotte verhalen, de ander met viool, gitaar, klarinet, ze spelen moeiteloos in op elkaars vondsten. Over hun schouder kijken ze toe, helemaal uit Hongarije de leermeesters van Tcha, uit Geluwe de nonkels en tantes van Wouter. Heel even is ook George Brassens van de partij.
Terug in de avondkoelte. Voor de schouwburg stopt ze op het plaveisel. Leest de namen die er staan. Die van Willy Lustenhouwer, Elisa Wout en nog een paar. Sinds kort ook die van Benny Scott. Onze Brugse ‘Walk of Fame’. “Tcha is toch ook Bruggeling?” merkt ze op. “Zouden ze hem ook niet zo’n steen mogen geven?” Ze kijkt verrast als ik mijn hoofd schud. “Neen.”, antwoord ik en ik meen het, “Ze mogen niet. Ze moeten!’
Auto’s van vroeger, ‘k zal u een keer zeggen wat ik daarvan vind. Dat vroeger de auto’s van vroeger schoner waren dan de auto’s van vroeger van vandaag.
Kom mee, dan toon ik jullie …
Ik heb het erover met die neef van ons bij wie de goesting om ’s morgens uit zijn bedstee te komen hoofdzakelijk te herleiden is tot zijn collectie oldtimers. Verwacht je een nuchter oordeel uit de mond van zo’n nostalgische ziel?Ondergetekende, met zijn halve huis vol overjaarse affiches, zou beter moeten weten. En ’t moment blijkt ook nog fout gekozen, onze kozijn-autoverzamelaar is in de wolken met een zopas verworven aanwinst.
Dat vroeger de auto’s van vroeger schoner waren …
“Kom mee, dan toon ik jullie mijn vondst uit de duizend! Een cabrio, helemaal uit 1992! En bovendien – hou je vast aan je veiligheidsgordel! – dit is een ‘limited edition’! Dat is hier de ‘Roland Garos’-editie en daarvan werd maar een beperkt aantal gebouwd!” Onze neef zijn ogen stralen als koplampen!
Wat volgt is een opsomming van technische wetenswaardigheden waarvan het wetenswaardige mij volkomen ontgaat, maar ik luister gedwee. Thuis hebben ze mij goede manieren geleerd. En terwijl voor mij ongrijpbare begrippen als katalysator, ontstekingssysteem en joint de culasse de revue passeren, dwalen mijn gedachten af naar waar ik die goede manieren meekreeg. Naar ons thuis, het thuis van toen.
Waar ergens diep in de jaren zestig onze allereerste auto in beeld kwam. Een Ford Taunus 12m, dat weet ik nog. Zelfs de nummerplaat, FC831, bleef me bij. Ergens in een kartondoos vermoed ik nog een foto van die kleine pruts, amper in staat om met zijn elleboog schijnbaar nonchalant door het open raampje te leunen.
En al liep ook dat manneke van destijds niet warm voor autotechniek, toch herinnert hij zich tot vandaag een handvol auto’s die hem ooit aan ’t dromen zetten. Elke week kon hij op de televisie – hadden we die eerder dan onze eerste auto? – de avonturen van Batman mee beleven. Batman en Robin, roekeloze vechtersbazen in een serie waarin het geëtaleerde acteren al net zo bedenkelijk was als de belachelijke verhaallijnen. Maar dat stond Batmans heldenstatus allerminst in de weg! En hij had een auto, de Batmobiel of zo. Een futuristisch ding met allerlei spitsvondige snufjes waar dit knaapje wel moèst van dromen. Een schoolvriendje had een speelgoed-batmobieltje gekregen. Daar was dit ventje stiekem jaloers om, maar dat liet hij – welopgevoed, zoals gezegd – niet blijken.
… want Kapitein Zeppos kon ermee rijden en … varen!
Met zijn buitenaardse automobiel liet Batman onze jongensharten sneller slaan, dat staat buiten kijf. Maar er was op televisie nòg een auto waar we ’t op de speelplaats over hadden. Eentje van hier bij ons en niet uit het hooghartige Amerika, was het daarom dat wij de auto van Kapitein Zeppos zo mogelijk nog meer koesterden? Voor onze generatie blijft dat zowat het archetype van de droomauto. Iedereen, jongen of meisje van toen, weet wat je bedoelt, ’t was te zot voor woorden. Want Kapitein Zeppos kon ermee rijden en … varen!
En al was er bij ons nog geen sprake van kleurentelevisie, toch werd Polleke’s fantasie evenzeer ingekleurd door nog een ander feuilleton, ‘The Untouchables’. Eliot Ness, arm der wet die het opnam tegen gangsters in het Chicago van de jaren dertig, nam hem mee in een bestaan vol avontuur. Naast het schijnbaar moeiteloos over en weer schieten waren het vooral de auto’s uit dat tijdperk die hem bijbleven. Auto’s die als zwarte dozen – wat wil je, zwartwit-tv! – met gierende banden door de nachtelijke grootstad laveerden. Dàt waren pas oldtimers, zie!
Dàt waren pas oldtimers, zie!
Mijn beste neef, waar haal je die geestdrift voor een auto uit de jaren negentig? Dat is uit onze tijd, man! ’t Lijkt pas gisteren dat ie door de straten van onze eigen levensjaren reed! Die trotse karren uit de jaren dertig, dàt zijn de echte oldtimers! Maar mijn neef schudt het hoofd voor zoveel onbegrip.
“Allez, we gaan een keer een eindje rijden met mijne Peugeot!” … Het duurt even voor ik me realiseer waarom ons toertje door Sint-Andries mij niet koud laat. Maar dan daagt het mij. Het dashboard! Daar zit het hem, in het dashboard! In de ‘simili leren’ afwerking, de analoge draaiknoppen en wijzerplaten. Naast de uitschuifbare asbak zit een net zo uitschuifbare drukknop als aansteker voor je sigaret! En warempel, er is ook een radio-cassettespeler! Toen dit autootje in de jaren negentig voor ’t eerst op de weg verscheen zat het vol verrassend hypermoderne spullen! En stel je voor dat het manneke dat zich ooit vergaapte aan de auto van Batman met ons meerijdt? Voor hem is die Peugeot dè absolute droomwagen uit het in een lichtjaren verre toekomst liggende 1992! Het standpunt vanwaar je kijkt bepaalt wat je ziet! En bovenal, elk heden is het verleden van morgen. In de garage van ondergetekende staat een auto. Mits wat geduld wordt hij ook ooit een keer oldtimer. Een ouwe kar. ’t Zou schoon zijn, mocht deze oude knar dat nog meemaken!
‘Ziet ge wel, Dirk De fauw is aan den drank!’ En da’s nog waar ook, want terwijl wij hier op de Burg traagjes aanschuiven in de lange rij bij de biertent en ons verwarmen aan flauwe grapjes, heft op het podium bij het stadhuis onze burgemeester het glas. Weliswaar op de gezondheid van alle Bruggelingen en dus ook die van ons, maar toch, aan den drank is hij! Wanneer mijn kameraad en ik, bierdragers van dienst, terug bij ons partytafeltje bij de kerstboom midden het plein aanlanden, worden we met open armen verwelkomd door ons dorstig gezelschap. Nu is ’t aan ons, santé allemaal! ‘Hoeveel jaar staan we hier eigenlijk al?’, vraagt er eentje. Hoongelach, doorgaans keren we tussen de verschillende jaargangen van de nieuwjaarsdrink wel even naar huis terug! Maar of iemand weet hoeveel winters verstreken sinds de stad ons een eerste keer trakteerde?
’t Was in 2010 …
Welaan dan, vrienden, luistert! Deze knaap dook in zijn archieven. Sommige mensenkinderen houden er de markante gewoonte op na om oude agenda’s bij te houden. Uw metgezel is één van hen. En hij zocht en vond. ’t Was in 2010, alweer ruim vijftien winters geleden, dat onze toenmalige burgervader, de betreurde Patrick Moenaert, ons een eerste keer liet klinken op het jaar dat komen zou. En intussen koppelt ons vriendengroepje daar veelal een jaarlijks etentje aan vast. Lieten de burgemeester en schepenen zich ook die eerste keren al vanop zo’n podium door hun onderdanen bewonderen? Hield de burgemeester toen niet zijn speech vanuit het krappe balkonvenstertje in de stadhuisgevel? Daarover laten de krabbels in mijn agenda’s ons in het ongewisse.
Jaren kwamen, jaren gingen. Om bij de vierde aflevering Renaat Landuyt als pas aangesteld burgemeester te laten opdraven. Maar ook met een nieuwe voorman bleef Brugge vasthouden aan het goede winterse gebruik. Ze laten zich niet temmen, de dorstige Bruggelingen! Ook niet door de komst, zes winters later, van weer een nieuwe Grote Baas, de hogergenoemde Dirk De fauw. Of toch? Voorspelde op de drink van 2020 iemand dat we ’t volgende jaar zouden overslaan, dan merkte zeker één van ons lachend op ‘Ge hebt er al eentje teveel op, gij!’ En lachten we met z’n allen mee. Maar amper een paar weken later dook ergens in ’t land een bizar virus op. In de nieuwjaarsdagen van het daarop volgende 2021 wandelde je moederziel alleen over de Burg. Niks nieuwjaarsdrink. En ook bij de aanvang van 2022 lag het plein er desolaat bij.
Maar later dat jaar, op de zonnige zondagochtend van 24 april …
Maar de winter ging voorbij en op de zonnige zondagochtend van 24 april inviteerde de burgemeester zijn stadsgenoten voor een ‘lenteborrel’. Opluchting! We vierden het einde van één van de meest nare tijden die de stad sinds lang doormaakte. Sindsdien komen we bij elke jaarwende weer ongegeneerd samen. Bruggelingen, vrolijk eensgezind. Zou het? Weet je nog, twee winters geleden? Die keer, vrolijkheid met een pittig randje. Na jaren Brugse Zot van de tap, koos het stadsbestuur onverwacht voor Blonden Os van brouwerij Bourgogne des Flandres. Een kwestie van prijs, een redelijk argument? Maar daar werden ze bij de Halve Maan, brouwerij van Brugse Zot, allerminst blij gezind van. En zo kwam het dat je die ochtend overal op het plein ‘Brugse Zot’-mutsen ontwaarde met daarop het niet mis te verstane ‘Ik drink echt Brugs bier!’. De Burg kende in de loop der tijden ingrijpender revoluties, al lachte de burgemeester die keer groen. Maar tijd brengt wijsheid en zo kan je vandaag op onze nieuwjaarsreceptie toasten met Blonden Os, met Brugse Zot èn Fort Lapin. Er is een stand van Oxfam voor wijn en meer en een frietkot voor wie zijn maag hoort knorren. En een podium van waarop een handvol verkozenen des volks de stad een voorspoedig jaar toewensen. En ook wij zijn van de partij voor een aangenaam weerzien op het alweer overvolle Burgplein. Al ervaart een mens na een poos en wat lege bekers dat zijn verkleumde vingers vragen om de knusse warmte van een etablissement in de buurt. Afspraak, volgend jaar zelfde tijd, zelfde plek. Je weet wel, nabij de hoek van ’t Brugse Vrije, strategisch dicht bij de dranghekken van de biertent. Onderdanen van een dorstige burgemeester, tenslotte.
Wellicht ligt het stationsplein er op doordeweekse avonden stiller bij dan op een oudejaarsavond als deze, bedenkt ze. Terwijl ze over het plein wandelt merkt het meisje hoe de klok op de gevel van het station haar wijzers traagjes laat opschuiven naar twaalven. Van de geplande voetgangersdoorsteek onder de ringlaan is nog geen spoor te bekennen, merkt ze. Wel van een hoge, metalen brug over de drukke rijweg. De ijzeren treden van de steile trap klinken geruststellend kloek, maar toch betrapt zij zich op wat onzekerheid. Om die hoge stelling of eerder om de opdracht die haar wacht in deze stad? Midden op de brug ziet zij hem naar haar toe komen. Ze herkennen elkaar, al hebben ze mekaar nooit eerder ontmoet. Zij, het meisje Nieuwjaar dat haar twijfel om wat komt verbergt achter een brede glimlach. En hij, Oudejaar, zijn grijze karakterkop verraadt levenswijsheid zoals zijn wandelstok iets moeizaam in zijn stappen laat vermoeden.
‘Zou hij me goeie raad willen geven?’, vraag zij zich af. Oudejaar lijkt haar gedachten te lezen, met een geruststellende knipoog richt hij zijn blik over de weg, naar het Concertgebouw. Van daaruit waait de kille avondwind een ver feestgejoel naar hen toe. Zoals elke oudejaarsnacht is het Zand ingepalmd door een volkse samenzang. ‘Hoor!’ zegt hij en wijst in de verte, ’De Bruggelingen wachten op je!’ En nog voor Nieuwjaar iets vragen kan, vult hij aan ‘Je zal ze gauw leren kennen, ze zijn van de kwaadste niet. Wat eigengereid, soms, en voorzichtig als ’t op verandering aankomt.’
Het stelt Nieuwjaar gerust dat hij haar geen fabels vertelt. ‘Hoe verliep voor u het voorbije jaar hier in Brugge?’ waagt ze zich aan een vraag. Oudejaar zwijgt even, denkt na. ‘Een boeiende stad is het wel’, mijmert hij. ‘Wat hier de voorbije maanden het meeste stof liet opwaaien was de vooropening van BRUSK. Iedereen die langs kwam was onder de indruk. Over de festiviteiten die erbij hoorden waren de Bruggelingen het minder eens. ’t Is moeilijk in te schatten wat het meest over de tong ging, de komst van een reuzenspin of de centen die voor dat beest werden opgehoest. Maar straks maak jij, Nieuwjaar, de eerste tentoonstellingen in BRUSK mee, da’s om naar uit te kijken! O ja, deze zomer was er ook ‘Het Belfort vertelt’, een lichtprojectie op ’t belfort die de geschiedenis van de stad vertelde. Bruggelingen hebben ook iets met verjaardagen. De tiende verjaardag van de Republiek, de vijfentachtigste van Benny Scott of de achthonderdste van het Begijnhof, altijd iets om te vieren.
En ‘t is hier een voetbalstad, hou dat in je achterhoofd! Zelfs het Stadsarchief gaat daarin mee. Ze bouwden een expositie over de geschiedenis van Club. Of ze straks kampioen spelen en of Cercle in Eerste blijft, jij komt het aan de weet! Voorts zijn ze goed in plannen bedenken, hier in Brugge. Een nieuwe brandweerkazerne, daar zijn ze mee bezig. Maar ze willen ook hun belfort restaureren en van de oude Minnewaterkliniek maken ze Huis van de Bruggeling. Maar, mijn beste Nieuwjaar, of daar in die werktijd van jou iets van terecht komt? Voorts weet niemand wanneer er iets in huis komt van dat voetbalstadion. Plannen maken, zoals ik zei.”
Nieuwjaar beseft, wat ze weten wil moet ze nù vragen. “En de verkeerswerken, hier bij ’t station?” vraag ze. “Ach kind, lokaal lossen die iets op maar het teveel aan auto’s, daar kan een stad weinig aan verhelpen.Trouwens, hoezeer de Bruggeling wakker ligt om het milieu, daar heb ik geen antwoord op.”
Ze wikt haar woorden … “Toch lijkt Brugge mij een plek waar ’t aangenaam leven is, of heb ik dat verkeerd?“ “In elke stad bedenken ze wel iets om over te zeuren, meisje, in Brugge is dat het toerisme. Een tweesnijdend zwaard, dat wordt je gauw duidelijk. Maar het is hier al bij al goed toeven, da’s waar.” Dan recht Oudejaar zijn rug, kijkt haar diep in de ogen. “Maar goed, mijn tijd zit erop, Nieuwjaartje, ik moet ervandoor.” Koude rilling. “Nemen we nog een selfie?” vraagt ze. Oudejaar schudt zijn grijze hoofd. “Zorg jij maar dat je op tijd op ’t Zand geraakt.” Even aarzelt ze. Maar geeft de oude man dan toch maar een ferme knuffel. Allebei verzwijgen ze wat ze allebei weten. Dat ze mekaar nooit weerzien.
Een jonge vrouw haast zich door het Albertpark, langs het ruiterstandbeeld en de ijspiste, naar het Zand. Bang kloppend hart. De wandelstok van Oudejaar tikt op het plaveisel van het stationsplein. Hij heeft geen haast maar weet, er is geen weg terug. Schrikt om de klok boven de oude stationsingang. Houdt even de adem in. Maar dan ineens, van ver achter de bomen, uitbundig gejuich. Een stille zucht van opluchting. Oef, ze heeft het gehaald. Het jaar kan beginnen.
Weg met Kerstmis! … editie één Weg met Kerstmis? Jullie vertoeven onder de Spaanse zon of die van nog verdere oorden? Of misschien zoeken jullie verpozing in een chalet in d’ Ardennen of een hoeveke in de Westhoek, waar je een mildere rust vindt dan in Singapore of andere hippe plekken op onze aardbol. Alvast meer dan in onze eigen, de voorbije dagen naar adem happende binnenstad. Wat je mist door Brugge te ontlopen? Tja, een kerstmarkt zoals je er (n)ergens anders eentje vindt. Wintergloed dat in (n)iets vergelijkbaar is met vorige edities. Maar ook een brave maar verbazend uitgebreide tentoonstelling in de Sint-Gilliskerk. Op een rijtje, honderden kerststallen uit alle continenten. En de vertrouwde kerststal aan de voet van de Sint-Salvatortoren. Waarom Jezus en de zijnen zich daar verschansen achter een rooster van roestig ijzer? Ik vertel mezelf, ietwat tegen beter weten in, dat hier meer achter steekt dan enkel het voorkomen van kwajongensstreken. Dat het traditionele kerstvertelsel, over een stel dat noodgedwongen zijn toevlucht zoekt in een stal, ook een verhaal is van vandaag. Een verhaal van kwetsbaarheid, van zich bedreigd voelen, op de vlucht zijn.
Weg met Kerstmis! … editie twee Maar wie weet, sla ik de bal mis, de kerstbal in dit geval. Zou Kerstmis zijn status mogen behouden, mocht het niet deels draaien om in knusheid geld over de balk gooien? Om rijkelijk gedekte feesttafels en nippen van dampende glühwein onder rood-witte mutsen? Kerstmis als hoogdag der consumptie, we vieren het. Maar stel nu even, heel even, Kerst is er enkel en alleen als boodschap. Als oproep tot vrede, verdraagzaamheid, dat soort wolligheden.
Zie je ’t dan gebeuren dat ergens op onze aardbol iemand – wie, dat laat ik aan uw verbeelding over – met uitgestreken gezicht Kerstmis afdoet als kwalijk complot van ‘woke’-activisten? Kerstmis? Weg met Kerstmis! Geen zorgen, waarde lezer, men gunt het ons. Omdat Kerst vieren ongevaarlijk is en de economie kan er maar wel bij varen. We danken onze verknochtheid aan Kerst aan de Mariah Careys van deze wereld. Trouwens, ‘k zal ’t maar bekennen, ook in dit huis van ons lijkt het Kerstfeest aardig op dat uit de boekskes. En, eerlijk waar, ook mijn lezers wens ik zoiets toe. Al zoeken wij hier thuis misschien ook nog een keer naar ‘Kerstmis is dien dag da ze nie schieten’, oud lied van Wannes Van de Velde. Zie je wel, we laten ons al veel langer in de luren leggen door van die ‘woke’-predikers. Laat mij in dat soort goedgelovigheid jullie, als kerstgeschenk, dit zelfverzonnen karamellenvers voorlezen …
Elk jaar bedenken wij, een groepje vroegere collega’s, een paar redenen om mekaar weer te zien en om die ontmoeting, naast het kletsen en lunchen, ook enig elan te geven, knopen we er doorgaans ook iets cultureels aan vast. Zo gaan we deze keer bij Luc Vanlaere langs. We vinden hem op zijn vaste stek in Oud Sint-Jan, je weet wel, achter het middeleeuwse hospitaalmuseum.
Luc Al wie een concertje van harpspeler Luc Vanlaere wil meemaken is er welkom en pas na afloop laat je als bezoeker wat ‘toegangsgeld’ achter bij de deur, je betaalt wat je wil. Luc Vanlaere boert niet onaardig, nogal wat volk vindt de weg naar het bescheiden maar toch redelijk knusse zaaltje waar hij keer op keer uitpakt met zijn harp. Of liever, zijn harpen, want Luc bespeelt voortreffelijk allerlei harpen en sommige bouwt hij ook zelf. Harpen van hier en van elders, recente en kopieën van historische instrumenten, noem er eentje en Luc heeft ze in zijn klein museum. En hij brengt met goesting hun geschiedenis ter sprake.
David Zo bespeelt hij ook een lier, de verre voorloper van de harp. Waarbij hij een historie uit de Bijbel aanhaalt. Het verhaal van David, de herdersjongen die in vorstelijke kringen furore maakt als lierspeler en het tenslotte zelf tot koning brengt. En wij, we knikken bevestigend. Ach, waar is de tijd van die histories uit onze godsdienstlessen! Want ja, de meesten onder ons ‘genoten’ in hun verre verleden nog zo’n braaf katholieke schooltijd, Bijbelse vertellingen incluis.
Pluk Een weekje later, bij ons thuis. Hond staat op uit haar mand. Veelzeggende vraag in haar diepdonkere ogen. Want ‘t is dan wel zo’n lome avond en zij weet, baas slijt die liefst van al tussen affiches en boeken, maar een hond in huis, dat vergt een dagelijkse wandeling. Want, baas, zonder onze dagelijks toertje geen luchtige babbels met buurtbewoners, toch? Alledaagse praatjes die soms uitlopen op een goed gesprek. En rustig kuierend door je wijk merk je dingen op die je fietsend zouden ontgaan. Dankjewel, Hond. Zucht. Maar ’t is waar, al bij al geniet ook baas van dat vaste ritueel. Op stap met Hond heeft hij oog en tijd voor al wat langs zijn pad opduikt. Voor het boekenkapelletje, bijvoorbeeld, op een straathoek verderop. Je weet wel, zo’n kastje waar mensen boeken in deponeren die Jan en alleman mag meenemen.
Trouwens, zie ik dat goed, achter dat glazen deurtje? Lijkt die brede, groene rug van dat ene boekje niet verdacht veel op de pocketbijbel die ik in huis heb? Warempel! In het rommelige kastje, tussen een beduimelde ‘Pluk van de Petteflet’, de klassieker van Annie M.G. Schmidt met op de kaft die iconische tekening van Fiep Westendorp, en een stationsromannetje met de beloftevolle titel ‘De vergeten kus’, leunt een bijbel. Precies zo’n handig bijbeltje als dat in mijn bescheiden boekenhoek. Hoe belandt het ‘Boek der boeken’ hier in dit schamele straatkastje? Je kan alleen maar gissen.
Kenneth De volgende dag, iets na de middag. Hond slaagt er weer in om baas te overhalen. Vandaag wandelen we langs het pad bij het voetbalplein en kijk, Kenneth komt er aan. Kenneth is een jongen van een straat verderop. Beetje een eenzaat, geen knaap die met luidruchtige kameraden balletjes sjot. Leergierig maar geen Einstein. Wil hij dat ik hem iets uitleg, wat hij doorgaans wil, dan doe ik mijn flinke best om een eenvoudig antwoord te verzinnen. Maar wel een aardige vent. Er mochten er meer zijn als Kenneth.
En wat ziet mijn haviksoog? Wat houdt onze Kenneth onder de arm? Ja hoor, hij nam het bijbeltje mee uit het kastje van gisteren! Dit wordt een gesprek onder denkers, zoveel is duidelijk. Kenneth weet weinig over geloven en zo, bekent hij. Maar dat boekje hier, dat maakt hem misschien wijzer. Ik geef hem geen ongelijk maar waarschuw, ’t is een dikke turf, hé. Maar ’t staat wel vol straffe verhalen. En er valt ook iets op te steken over onze spreektaal. Enfin, toch die van ons, oudjes. Jullie, jongelui, hebben jullie eigen taaltje, maar wij hebben het soms nog over een ‘land van melk en honing’, over ‘je handen in onschuld wassen’ of ‘in adamskostuum rondlopen’. Komt allemaal uit de Bijbel! Maar wat erin staat is zware kost, Kenneth! Ik zie mijn toehoorder twijfelen … of hij dat boek wel lezen wil? En als ik hem vertel over de harpspeler en de lier van koning David, kijkt Kenneth mij aan als een Ongelovige Thomas. Opletten, denk ik, gevaar voor Babylonische spraakverwarring! Ach, weet je wat, Kenneth, laat maar, die bijbel. Zag je ook dat boek over Pluk van de Petteflet?
De kleine wil muziek maken. Viool spelen? Piano of gitaar wellicht? Neen, mama, drummer wil ik worden! Valt een stilte over het huis, het zwijgen van gezinsgenoten die er het hunne van denken. Stilte die in de dagen die volgen gemist zal worden. Maar dat de dreumes meer in zijn mars heeft dan lawaai maken, daar komen ze bij hem thuis pas later achter. Want klein Steventje weet dat zotte bravoure weinig toevoegt aan zijn slagwerk. Techniek en creativiteit, daar draait het om! Goei slagwerk is het zout op muzikale patatten! Al heeft drummen niet zelden iets weg van een achterhoedegevecht. De vroege Beatles in zo’n korrelig zwartwit filmpje. Vooraan op het podium, John, Paul en George die de ziel uit hun lijf spelen, met aan hun voeten in katzwijm vallende deernen. Met goeie ouwe Ringo die instaat voor een vakkundig getimed ritme, bescheiden op de achtergrond. Maar kan het ook anders. In de rokerige jazzkroegen van de jaren stillekes keek men allerminst op van een drummer als voorman. Saxofonist, trompetter, bassist of zangeres, allemaal in loondienst bij de drummer-frontman. Bij wie thuis is in jazz roept dat meteen namen op van een Chick Web, een Art Blakey of een Max Roach. Stuk voor stuk drummers-bandleaders.
… ook wanneer hij tussendoor optrekt met Hooverphonic.
Wacht, ik trakteer u op een verkwikkend verhaal dat sinds lang de ronde doet. Wijlen Charlie Watts, drummer bij de Rolling Stones, was een jazzman in ’t diepst van zijn ziel. Hij wees Max Roach aan als één van zijn grote helden. Op een keer wil een lichtjes benevelde Mick Jagger in het hotel waar de Stones logeren een nachtelijk feestje bouwen voor zijn entourage. Hij belt de receptie en vraagt naar ‘my drummer’. Charlie hoort daarvan en komt langs. Trakteert Mick op een ferme dreun op zijn bakkes en op de onsterfelijke woorden “Don’t ever call me ‘your drummer’ again. You’re my fucking singer!” Een waar gebeurd verhaal? Dat zullen we nooit weten. Maar wel dat het ons leert dat drummers op hun strepen staan. Je kan je er iets bij voorstellen. Of dat ook geldt voor drummers van bij ons? Brugse drummers? Nogal wat lezers, neem ik aan, zullen er net als ik weinig kunnen opnoemen. Maar het Steventje van daarnet is als Steven Van Havere wèl een naam geworden. Wat de man realiseerde met zijn muziekschool-project Metronoom zit daar voor veel tussen. Maar Steven is boven alles drummer en zijn reputatie in het vak is er eentje om in te kaderen. De jonge Steven hangt al een tijd rond in het Brugse muzikantenmilieu wanneer hij in 1993 bij Gorki, de groep van Luc De Vos, het drumstel mag inpalmen. Het is overigens Luc die hem de overstap gunt naar een ander op dat moment nog pril, maar beloftevol groepje. Arid, met zanger-frontman Jasper Steverlinck, wordt de nieuwe muzikale thuis van Steven.
Zo komt het dat wanneer op 20 april van het jaar 2002 in de gloednieuwe, nog naar mortel en bouwvakkerszweet ruikende Magdalenazaal het dan al vermaarde Arid aantreedt, Steven Van Havere de drumsticks beroert. Steven zal blijven trommelen bij Arid, ook wanneer hij tussendoor optrekt met Hooverphonic.
En midden al die slagwerkdrukte daagt in Brugge ineens Metronoom op. Was ondergetekende de enige die in 2012, wanneer alternatieve muziekschool Metronoom haar deuren opende, zich stilletjes afvroeg of zo’n gewaagd avontuur een lang leven beschoren was? En of hij het mis had. Voor veel stadsgenoten met goesting in muziek is het begrip Metronoom nog amper weg te denken. Trouwens, van het Brugotta-project – jong muziekgeweld dat een heuse concertzaal laat vollopen – zou weinig in huis komen zonder de ruggensteun van een heuse Metronoom-band. Met als voorman zowaar … een drummer.
Vier jaar geleden leek het erop dat bij het overlijden van Charlie Watts het doek zou vallen over één van de meest invloedrijke rockgroepen uit de geschiedenis. Mag ik u trakteren op een verkwikkend verhaal dat weliswaar nooit de ronde deed, maar dat ik alsnog met u wil delen? ’t Gaat over Steven Van Havere die op een dag wordt opgebeld door Mick Jagger. De zanger, op zoek naar een vervanger voor Charlie, meldt hem: “I guess you will be proud to be my drummer!” Wat Steven heeft geantwoord, die keer, zullen we nooit weten. Maar wel dat Mick Jagger op zoek mocht naar een andere drummer …
Of daar iets van aan is, van Steven en Jagger? ’t Had gekund. Ken je die oude wijsheid die vertellers graag met mekaar delen? Die luidt ‘Laat af en toe de waarheid een goed verhaal niet in de weg staan’.
Arid viert – mèt Steven – dezer dagen zijn vijfentwintigste verjaardag. Volgend Brugs concert op 29 januari in Cactus Muziekcentrum.
Voor mij komt het onverwacht, Leen, het nieuws van je overlijden … Een ochtend, vorige week, in de kleine supermarkt bij ons in de buurt. Zo’n winkel waar ze geen zelfscan hoeven, bij ’t afrekenen is veelal de glimlach van de kassière in de prijs inbegrepen. Ik leg mijn drie kartonnetjes karnemelk op de band, de deftige dame voor mij en de kassierster blijken mekaar goed te kennen en zoals dat dan gaat komt daar een babbel van. Of zij het al wist, vraagt de dame, dat Leen Persijn overleed? De vrouw aan de kassa weet het niet. Ik evenmin. Ze wisselen nog een paar bedenkingen, iets over de kassierster haar ma die sinds kort in een woonzorgcentrum verblijft, het verband met het jammere nieuws van daarnet ontgaat mij. Terwijl ik naar huis wandel, Leen, blijf je in mijn gedachten. Eén optreden van jou herinner ik me, ergens in mijn jongensjaren. Was het op school of elders, dat deemsterde weg in de mist die we tijd noemen. Mij rest een beeld van een statige vrouw, haar zelfzekere uitstraling, haar open blik vooral. En wat liedjes. Gedichten van Gezelle, zou het?
… avonden lang te gast in de Korrekelder …
Thuis gekomen vertel ik mijn eega wat ik net hoorde. Weet je nog, antwoordt ze, enkele jaren geleden toerde Leen Persijn met vertellingen en liedjes over haar moeder die aan dementie leed. Ik was erbij, op één van die middagen, en voor mij was dat heel herkenbaar. Ik weet waar ze ’t over heeft en meteen daagt het mij waarom de kassierster het daarnet over haar ma had. Op de radio komt Leen Persijn ’s avonds hele even ter sprake. En draaien ze ‘Ik heb het altijd gedaan’, het enige liedje van jou dat destijds echt radioaandacht kreeg. De woorden waren van Fred Brouwers, jij in de huid van een kind dat sakkert over zijn vermaledijde huisgenoten van wie het almaar op zijn donder krijgt. Een ondeugend lied van een voor het overige voorbeeldige zangeres, zal ik het zo omschrijven? Want, Leen, je zal het niet ontkennen, je was allerminst een tafelspringer. Het nooit echt tegen schenen schoppen en dat toch enigszins ‘burgerlijke’ imago van jou … Misschien hield dat jou enigszins onder de radar. Onze radar. Of lag het veeleer aan hoe je door ’t leven ging? Vandaag lijkt het doen en laten van podiummensen veelal op een racebaan. Jij, Leen, was nooit zo’n snelheidsduivel. Je vervolgde je weg op jouw gezapige manier, jouw tempo. Duwden anderen gehaast het gaspedaal in, dan was jij zo’n chauffeur die gedwee stopt aan elk zebrapad waar iemand oversteken wil.
– foto Piet Van Belle –
In je repertoire dat zich makkelijk bij kleinkunst laat onderbrengen is ’t dan ook zoeken naar iets dat stof deed opwaaien. In onze zotte jaren volgden wij min of meer wat in het kleinkunstwereldje gaande was, maar Leen Persijn kwam amper ter sprake. Hier in Vlaanderen maakten knapen als Kris De Bruyne en Zjef Vanuytsel – verdomme, ook al allebei ‘zaliger’ – ’t schoon weer. Jan De Wilde of Johan Verminnen, Willem Vermandere. En de ook al betreurde Walter De Buck en Wannes Van de Velde. Maar hela, nu ik dit hier opschrijf … dat gaat hier over mannen! Waar waren de vrouwen als je ze nodig had? Jij, Leen, en Della Bosiers en van jouw generatie kan ik voorts amper een Vlaamse bedenken die meespeelde op de speelplaats van de kleinkunst. Bij onze noorderburen hadden ze grote madammen als een Liesbeth List of een Jasperina De Jong. Een Astrid Nijgh en nog wel een paar dames. Maar hier bij ons was kleinkunst ventenwerk.
En toch dook jij altijd wel ergens op. Ook hier in Brugge. Was het niet in Brugge dat het meisje uit Tielt, Leen Persyn – pas later zou je kiezen voor de naam Persijn – haar regentaat Beeldende Kunsten voltooide voor ze de wereld in trok? Je keerde regelmatig
… in Onze Ark, wijkzaaltje in Sint-Michiels.
terug, zo leert mijn collectie waaruit ik een paar affiches opdiepte. In 1982 was je avonden lang te gast in de Korrekelder aan ’t Kraanplein. En enkele jaren later een avond in Onze Ark, wijkzaaltje in Sint-Michiels. Kleinere podiums, ook hier. Wat mij laat bedenken … Is dat spelen in kleine zaaltjes niet de kern van klein-kunst? Lag het ook daaraan dat je naam nooit klonk als een klok? Of eerder aan de soms zeer uiteenlopende keuzes die je zoektocht typeerden? In die lange loopbaan van jou ging het om zingen, ja, maar ook om theatermonologen brengen, presenteren op tv, toneelproducties begeleiden … Je koos ervoor om veel te kiezen. Tot vorige week. Al even, vernam ik, kwelde jou een bijzonder hardnekkige vorm van ALS. En ook hier koos je zelf, voor zover dat een keuze mag heten. Voor euthanasie. Op je verjaardag, je tweeëntachtigste. Zegt ook dat iets over wie je was, wie je bent?
Diezelfde middag ben ik alweer op weg naar de superette. Liet vanochtend na, iets mee te brengen dat mijn wederhelft van doen heeft in de keuken. Zo’n dingen vergeten, dat talent is mij gegeven. ‘k Wandel door de slome straten van onze wijk, tot bij de hoofdweg verderop. Ik wacht bij ’t zebrapad, komt een auto. De wagen vertraagt. Een hand wuift ‘Ga maar!’ De vrouw achter het stuur … haar blik … lijkt op iemand … ach, die verbeelding van mij. Ik ga het zebrapad op, steek even mijn hand op, als dank. Merci, Leen, merci om wie je was.
Ik vond een jaar op zolder. Het jaar verraste mij en daarom nam ik het met plezier mee, de trap af. Het is een jaar van al een hele tijd geleden, geen idee hoe lang het daar al geduldig wachtte, onderin die bananendoos, tot ik het weer een keer zou doorbladeren. ‘Bruggeboek van het jaar 85’ staat bovenaan op de kaft met daaronder ‘Onder redaktie van de Vereniging van Brugse Beroepsjournalisten’. Pardon, ‘redaktie’? Ach, let maar niet op die ‘k’ middenin het woord. De jaren tachtig en hun een zwak voor ‘progressieve’ spelling.
Hoe het boek op zolder belandde? Voorzichtig uitgedrukt … deze jongen blonk nooit uit in boeken en andere documenten van de hand doen. Bijgevolg ging in dit huis veel papiergerief langs het gammele uitklaptrapje zolderwaarts. En zo raakte onze redelijk ruim bemeten zolder almaar meer gevuld met een almaar onoverzichtelijker veelheid aan boeken en ander papierspul. En kreeg ondergetekende met toenemende regelmaat van zijn huisgenote het verzoek om die papierberg aan te pakken.
Doch vorige week, zijn eega wist niet wat ze hoorde. Dè dag brak aan waarop hij zijn zolder zou onderwerpen aan een hardvochtige vraagstelling! Wie blijft, wie moet weg? Lang leve de kringwinkel! Kwam hij toch wel meteen dat boek van veertig jaar geleden op het spoor, zeker! Halt! Pauze! Zo dringend is dat van die zolder nu ook weer niet. Tijd voor een boekwerk vol bijna vergeten maar meteen weer oplichtende herinneringen! De korte artikels in het boek hebben iets van veredelde krantenknipsels. Je vindt er het Brugge van toen, beschreven met woorden van toen. En uiteraard is er de verleiding om met wat je vandaag weet, makkelijk te oordelen over wat er staat.
En zoals de stad veranderde in de decennia die volgden, evolueerde ook de wereld eromheen. Hoe die er toen uit zag, dat laat het boek in het midden. Ons Europa, nog opgedeeld door een IJzeren Gordijn maar ook, in Polen, het kolkende verzet van Solidarnosc, de vrije vakbond van Lech Walesa. De onrust omtrent de aids-epidemie en het Heizeldrama maar ook de Live Aid-benefietconcerten.
Inmiddels is deze knaap stilletjes van het trapje afgedaald naar zijn ‘affichekamer’ waar hij, het oude boek op de knieën, verzinkt in een resem herkenbare histories. Mag het verbazen dat hij zich, hier midden zijn collectie, afvraagt hoe het zou zitten met affiches van toen? Niet elk item in het boek laat zich linken aan zijn verzameling. De sloop van de oude Gistfabriek aan de Langerei? De inhuldiging van het nieuwe gerechtsgebouw bij de Kruispoort? Geen affiche in huis. Evenmin omtrent de opening van de volkssterrenwacht in Beisbroek.
Maar van veel andere voorvallen diept de verzamelaar wel iets op uit zijn collectie. De zeilschepen die bij de inhuldiging van de nieuwe havenfaciliteiten Zeebrugge aandeden. De Meifoor, weer op ’t Zand na jarenlange omzwervingen langs de Kruisvest en ’t Boudewijnpark. Er was het nog prille maar groeiende Cactusfestival, die zomer voor een laatste keer op het Sint-Amandspleintje. Mij onbekend was een voornemen dat toen heel even de kop opstak en waarover hier staat ‘Kan het festival zijn kwaliteiten volgend jaar misschien ontplooien op de Burg?‘ De Korrekelder aan het Kraanplein hield zich staande, al ging het legendarische vestzaktheater woelige jaren tegemoet.
En kijk wie ook in het boek staat! In dat gezegende jaar 1985 werd Roger Vangheluwe tot bisschop gewijd! Een affiche van die viering? Neen, maar tot mijn eigen verbazing tref ik na wat zoeken toch een affiche omtrent de omstreden bisschop. Weliswaar van veel later, maar zullen we ze toch maar bovenhalen?
Het gaat om dinsdag 13 maart 2010, Assebroek, een lezing van de bisschop. Amper vijf weken later ontploft de bom die ‘de zaak Vangheluwe’ heet. Het is bekend dat woorden met de jaren soms een heel andere lading dekken. Zo ontwaar je, tussen alle lof over de nieuwe bisschop in het Bruggeboek 1985, de zin ‘Ook de jeugd heeft altijd zijn aandacht getrokken’.
Maar keren we in schoonheid terug naar toen. Toen in Gruuthuse een tentoonstelling liep over een groot streekgenoot uit de renaissance, componist Adriaan Willaert. Toen de beurshalle zaliger onderdak bood aan ‘Bouwen Wonen Nu’, de jaarlijkse bouwbeurs. En wie die jaren stilletjes nooit meemaakte, weet niet van Showburg, het brave ‘voor elk wat wils’-festival, elke zomer op de Burg.
Ik leg het ‘Bruggeboek 85’ opzij en verzin een verhaal over toen. Dit verhaal. Zoals gewoonlijk vergt dat meer tijd dan gepland. Tot bedtijd, zeg maar. Mijn teerbeminde bedgenote heeft gelijk, mij wacht nog een ferm karwei. Het verder ruimen van alle papier ginder boven. Maar geloof mij, ooit komt dat ervan, ook al vergt het mij … een jaar op zolder.
Van de paar woorden die ik las, mijn gedachten maar half bij de les, realiseerde ik mij pas later dat ze zich in mijn geheugen hadden genesteld. Jeroen Olyslaegers – je weet wel, de schrijver – had ze ergens online achtergelaten nadat iemand een standpunt van hem onderuit wou halen …
“Zoals gewoonlijk ben ik verheugd dat we het oneens zijn, want het doet me nadenken.” Van mening verschillen, daar vooreerst een waarde aan toekennen en dan pas een tegenargument aandragen … het getuigt van enige wijsheid. En toch zitten tegenstrijdige meningen je soms ronduit dwars. En al helemaal wanneer het je eigen standpunten zijn die mekaar tegenspreken. Neem nu dat recente besluit omtrent onze godshuizen. Het lijkt mij een gepaste maatregel èn tegelijk vind ik het spijtig dat ie er komt. Het ís gewoon een verstandige beslissing die ze namen over godshuizen. Ze, dat zijn die van de gemeenteraad. En ondergetekende zal het maar toegeven, was hij raadslid dan keurde hij zo’n voorstel zonder aarzelen goed. Maar hij zetelt niet in de raad, wel onderuit in zijn zetel thuis, als doordeweekse inwoner van zijn stad. Maar kan, naast zijn hoedanigheid van brave burger, ook prat gaan op een getuigschrift dat hij lang geleden verwierf. Een diploma als stadsgids. En ’t is als gids dat hij moeite heeft met die gloednieuwe regelgeving.
Want deze gids neemt bezoekers graag mee naar zo’n godshuis. Het liefst nog naar het ‘Rooms Convent’ in de Katelijnestraat. Wat een zegen is het, midden de rumoerigste hoek van onze binnenstad je volgelingen wijzen op het smalle poortje. Je neemt hen mee het steegje in en meteen deemstert het zotte geroezemoes van de chocolade-en-wafelstraat weg. Amper een paar stappen verder verrast het pittoreske tuintje zelfs de meest onverschillige bezoeker.
Een paar stappen verder verrast het pittoreske tuintje … Het schilderij op de afficheis van de hand van Louis Reckelbus
Een gedroomde plek om het verhaal van onze godshuizen te brengen. En raad eens waarmee de gids dan van wal steekt? Met het sociale vangnet dat we vandaag hier bij ons min of meer vanzelfsprekend vinden. Om dan zijn toehoorders mee te nemen naar ons ver verleden, een verleden waarin van sociale zekerheid geen sprake was.
Stel je even voor, je bent hulpbehoevend, zonder bestaansmiddelen, dakloos of zo. Je lot hangt helemaal af van de goedhartigheid van barmhartige stadsgenoten. Maar er is hoop, hier en daar in de stad worden woonhuisjes gebouwd voor ‘arme dutsen’ zoals jij. Soms op initiatief van beroepsverenigingen, vaak op kosten van welgestelde lieden. Noodlijdende medeburgers helpen, noem het menslievendheid. Je weldoener hoopt meteen met zijn voorbeeldige daad op een goed blaadje te staan bij de Allerhoogste, vandaar ‘godshuizen’. En als statussymbool kan het stichten van zo’n godshuis ook tellen, natuurlijk. Is ’t ondeugend van de gids, aan te merken dat zo’n initiatief ook van nut is om het gepeupel onder de knoet te houden? Krijg je op kosten van rijkelui een dak boven je hoofd, haal je het niet in datzelfde hoofd om hun riante welstand in vraag te stellen.
De godshuizen van de schoenmakers in de Balstraat, ja daar wel …
Dat en nog meer komen bezoekers aan de weet wanneer ze met deze stadsgids op verkenning gaan. Tenminste, tot vandaag liep het zo. Want straks mag het niet meer. Het recente gonzen van geruchten omtrent het toerisme in onze stad is u genoegzaam bekend. Over een pak nieuwe richtlijnen heeft zowat elke Bruggeling zijn zegje. Dat wij, gidsen, geen grote groepen meer op sleeptouw mogen nemen. En in nauwe straatjes of op bruggen niet langer halt mogen houden om ons publiek toe te spreken. Ordonnanties waar veel voor te zeggen valt. Maar die ene maatregel, over godshuizen? Daarover blijft het onvermoed stil. En nochtans, het is ’t één en ’t ander. Want, waarde stadsgenoten, aanhoort hier de beslissing van ons gemeentebestuur. Straks zijn wij, gidsen, met onze volgelingen niet langer welkom in die binnentuinen. Niet in de grote tuin aan de Nieuwe Gentweg. Evenmin, ik noem maar wat, bij De Pelikaan aan de Groenerei. De godshuizen van de schoenmakers in de Balstraat, ja daar wel, maar daar huist sinds jaar en dag het Volkskundemuseum met zijn heel eigen ambiance. Enfin, wij zijn er niet langer gewenst, in onze godshuistuinen. Kijk, da’s dus wat ze een dilemma noemen. Want woonde ik in één van die oorden, haalde ik dan opgelucht adem? Laat die toeristen hier weg en ons, bewoners van deze oases van rust … met rust? En was ik gemeenteraadslid, dan deelde ik die visie? Maar je bent gids en het stemt je droevig. Moraal van ’t verhaal? Zit een discussie je dwars, overweeg dan de les van Jeroen Olyslaegers. Maar ‘Zoals gewoonlijk ben ik verheugd dat we het oneens zijn’ … betrap je jezelf op tegenstrijdige meningen, dan kan je daar weinig mee aanvangen.