Posted in Zonder categorie, voorlopig | Leave a comment

Een fontein op ’t Zand … Triënnale 2024

Waarom verbaast het mij amper dat op dit nachtelijk uur het hek in de tuinmuur van het Gezellemuseum gewoon open staat? Natasha glimlacht en gaat mij voor, de in het duister gehulde tuin van het museum in. Stilzwijgend, zoals ze mij eerder die nacht stilzwijgend stond op te wachten onder het raam van onze slaapkamer.
Ik ken Natasha nog niet zo lang. Ze is een standbeeld in het begijnhof, daar door een Poolse kunstenares neergezet naar aanleiding van de Triënnale. Het beeld van een strijdvaardig ogende jongedame heeft, zo las ik, iets van doen met het voormalig communistische regime in Polen. Maar vannacht is ze de Natasha die mij meeneemt, de stad door, helemaal naar de Rolweg. En ik gehoorzaam, volgzaam en zonder
iets te vragen, zoals mijn hond bij onze dagelijkse wandeling.


In de museumtuin staan twee figuren te praten. Ik herken Roger Raveel en James Ensor. Ze knikken ons vriendelijk toe. Maar Natasha stapt met vaste tred om de immense, rode stelling heen die hier al de hele zomer de huizenhoge dennenboom omsluit. Ook iets van de Triënnale. Gedwee volg ik haar op de ijzeren treden, langs de zware takken die in het duister nog forser lijken dan overdag.
Helemaal boven, waar anders een weids uitzicht wacht, omringt ons een dichte nevel. En dan weet ik waarom Natasha mij hierheen bracht. Ze wijst mij de nachtelijke nevel en daaruit doemt de Triënnale op …

de eerstvolgende Triënnale.

De Triënnale van 2024 wordt anders. Dat begint bij de keuze van een curator die  het festival aanstuurt. Voor deze editie vragen ze het aan een blogger. Eentje die verhalen verzint over de stad, iets met Brugse affiches. De blogger denkt er even over na, maar tenslotte stemt hij toe. En ja, ze zullen het geweten hebben. De curator van dienst pakt uit met een oude droom van hem.

… voor een sculptuur van
Nick Ervinck.

In de stad worden alle standbeelden van hun sokkel gelicht en tijdelijk opgeborgen. Jan van Eyck en Simon Stevin,
de Heilige Nepomucenus op de brug aan de Dijver
en Hans Memling op de Woensdagmarkt.
Op de vrijgekomen sokkels krijgen kunstenaars alle ruimte om hun ding te doen. Op de Markt hebben Breydel en de Coninck plaats gemaakt voor een sculptuur van Nick Ervinck. Guido Gezelle’s sokkel is voor werk van een leerlinge van de academie. De gelijkenis tussen het beeld dat zij kapt en Delphine Lecompte zorgt voor commotie. Een kunstenaar krijgt de kleine sokkel van Frank Van Acker’s buste aan de Vismarkt, maar hij laat die leeg. Burgemeesters behoeven geen standbeelden, meent hij. In dat najaar van 2024 zijn ’t gemeenteraadsverkiezingen.

Een fontein op het zand? Kunst behoeft geen eeuwigheidswaarde,
meent Jan Verhaeghe.

En op ’t Zand … tja, op het Zand komt een nieuwe sokkel. Een grote, platte schijf, midden op het plein. Onze eigen Jan Verhaeghe mag er iets neerzetten. En hij bedenkt een fontein. Een fontein op het Zand, hoe komt ie erbij. Niet in brons, neen, om één of andere reden is Jan niet zo aan brons. Een zot spektakelding wordt het, met kleurrijke beelden eromheen, helemaal in … papier maché. Tegen ’t eind van de zomer ziet het kunstwerk er helemaal anders uit. Het water van een fontein en papier maché, geen voor de hand liggend huwelijk, maar dit kunstwerk behoeft geen eeuwigheidswaarde, meent Jan Verhaeghe.

Het begint zachtjes te regenen. Van hoog op de stelling keren wij terug naar beneden. Rommelt in de verte de donder? Terug in de tuin knikt Natasha mij nog even toe en wenkt Raveel en Ensor die er nog aan de praat zijn. Samen gaan zij binnen in het geboortehuis van de dichter. In de tuin is het pikdonker, maar op de kasseien van de Rolweg valt druilerig licht uit de oude lantaarns.

M’n liefste kwam mij wekken, ze zei ‘je sliep zo diep’
Ik wou m’n droom vertellen, ik vond de woorden niet
.

Jan De Wilde en Lieven Tavernier, ‘de verdwenen karavaan’

Posted in Het Brugge van nu, Van schilderen en plaasteren | 7 Comments

Van ‘Lastige Bruggeling’ tot … brave ‘EXit’ ?

’t Is van heel lang geleden. Niet van toen de dieren nog spraken, we gaan niet overdrijven, maar in Torhout ging wel nog elk jaar een zomers muziekfestival door. Op een keer stond daar Tom Robinson op het podium, een inmiddels wat vergeten maar toen bekende en redelijk militante Brit. Van één van zijn songs herinner ik mij de rake quote “It’s there in the paper, it must be the truth!”. Burgerlijke goedgelovigheid, in één snedige zin gevat. Dat weet ik nog, want we waren erbij, die keer op de weide van Rock Torhout. ‘Het staat in mijn gazet, ’t moèt wel waar zijn!’, zoiets.
Kranten verschenen in die verre dagen alleen op papier. Niemand las het nieuws op zijn IPad. Dat de IPad nog niet bestond was daar niet vreemd aan. IPhone, laptop, internet, ’t moest allemaal nog verzonnen worden.
Maar papieren dagbladen waren er dus wel al, die zijn nóg ouder dan Rock Torhout. Ze zijn zelfs, en dat wil wat zeggen, ouder dan ondergetekende.  Die herinnert zich Het Volk, ’t gazetje dat de facteur bij ons aan huis bracht. Een gehoorzaam katholiek blad, meneer pastoor gaf ongetwijfeld zijn zegen over het abonnement dat we erop hadden. Het klein grut dat we waren keek vooral uit naar ’t Kapoentje, een wekelijks stripkrantje dat erbij hoorde, en in de zomer naar de Tour-fratsen van Thomas Pips. Braaf dagblad, brave humor.

Een eigenzinnig blad vereist een eigenzinnige affiche

Leest en verspreidt de Roode Vaan, dagblad der Communistische Partij van België!”, tussen oude papieren vond ik laatst nog een vergeeld, vooroorlogs pamflet. Dat het hier ooit bleef rondslingeren, mijn voorbeeldige vader zaliger had ongetwijfeld meewarig het hoofd geschud. Zoals hij deed bij de aanblik van de Lastige Bruggeling, stadskrant die ik als puber leerde kennen.  Niks communistisch maar wel lekker tegendraads. Onlangs vertelde ik hier al een keer hoe we in onze schooltijd dat stoute blaadje helemaal ’t einde vonden. Het eigengereide ding bleef niet bestaan, versmoord in de veranderende tijdsgeest van de jaren tachtig. Al overleefden de jonge gasten die het blad vol schreven die tijden wel, de meesten kwamen nog behoorlijk terecht ook.
Zoals de Lastige Bruggeling, zo vullen ze geen blad meer. ‘t Zou ook amper nog opvallen. De stoutmoedige pennenridders van toen waren softies in vergelijking met al het grove dat je vandaag leest op je pc. Weinig is minder sociaal dan onze sociale media.
Speelden in de loop der jaren nog Brugse tijdschriften mee in de marge? Welja, grijzende

De Uitkrant kondigt in 2002 affiche-gewijs zijn digitale ‘wedergeboorte’ aan …
En een promo-affiche uit 2010 van Bruges Inside Out.
Exit op affiche, bij het verschijnen van nummer 100 en bij een verjaardagsfeestje …

Bruggelingen herinneren zich ‘Kan’t? Magazine’ of de ‘Uitkrant’. En je mag van jongere leeftijd zijn om je ‘Bruges Inside Out’ of zijn opvolger ‘BLVRD magazine’ voor de geest te halen. Zien wij nog eentje over ’t hoofd? O ja, stadskrantje ‘De Commeere‘.

Maar tegen de standvastigheid van EXit, maandblad vol nuttigs over al wat in Brugge pretendeert cultuur te zijn, daar kan weinig tegen optornen. De eerste EXit, in januari 1995 goed voor één enkel gevouwen blad, was de aanzet tot intussen meer dan driehonderd nummers, elke maand goed voor ruim dertig pagina’s. Hoe noem je zoiets, een vaste waarde?
En ja, soms hoor je wel een keer de verzuchting dat het er allemaal zo braaf in staat. Toch vaag heimwee naar de Lastige?  Toegegeven, op venijnige schrijfsels zal je EXit niet betrappen. Maar informatief is het blad wel.
Zo hebben ze ’t deze maand over een blog van een afficheverzamelaar. Niet van belang, zo’n fait divers? Geachte lezer, ’t  staat in den EXit, dus het hééft belang! En twijfelt u aan wat ze erover schrijven, remember de wijsheid van de liedjeszanger … It’s there in the paper, it must be the truth!

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Over affiches verzamelen, Van boeken en schrijven | 6 Comments

Brugge viert 125 jaar Cinema Lumière

Waarde filmliefhebbers van Lumière,
jullie hebben zopas vijfentwintig kaarsjes uitgeblazen. Want evenveel jaren geleden werd de eerste film gedraaid in wat jullie daar in de Sint-Jacobsstraat de ‘
rode zaal’ noemen. Naast dat kaarsjesblazen vulden vooral films jullie feestweekend. Mogelijks kwam daar ook het knallen van een kurk of twee aan te pas. Een kwarteeuw filmgeluk, je zou voor minder felicitaties verdienen. Dus bij deze, gefeliciteerd en wel van harte.
Maar sta ons toe jullie meteen ook te wijzen op een kanjer van een rekenfout. Want vijfentwintig jaar Lumière, da’s een misrekening. Bij deze enige duiding.

Najaar 1996 … Lumière’s allereerste promotie-affiche

Het leek een Brugse zaterdag als een andere. Met in de ochtend de wekelijkse markt op de Markt. En voor het station op ’t Zand de vertrouwde koetsen, wachtend op wie ergens heen wou. Of toch op wie zich zo’n rit kon permitteren. Want het waren moeilijke tijden. Voor de dompelaars in de schamele achterafstraatjes die ze ‘fortjes’ noemden, maar ook voor de doorsnee Bruggeling was het leven geen lachertje. In kerken en kapellen werd zorgelijk gebeden door vrome volksvrouwen, terwijl hun werkloze mannen hun miserie verdronken aan de toog van ’t café om de hoek.
Al was er beterschap op komst. Dat beloofden de hoge heren van ’t stadhuis. Die zomer was het graven van een nieuw kanaal aangevat. Die waterweg zou Brugge verbinden met de zee, zoals in lang vervlogen tijden. Een grote haven moest de stad er weer bovenop helpen en dat was lang geen overbodige luxe.

Die dag die er zo gewoontjes uit zag, toen is het gebeurd. In de ochtend kwam een foorkramer iets drinken in de Keizerlijke Arend, bekend etablissement in de Vlamingstraat, tegenover de schouwburg. Die mens was daar met de patron aan de babbel geraakt. De foorkramer, zo’n welbespraakte Hollander, pochte dat hij in Parijs iets nieuws had gekocht. Een cinématographe, een ding waarmee hij ‘beweegende photografieën’ kon laten zien. En ’t moet zijn dat die meneer Krüger, zo heette hij,  van aanpakken wist. Want om zo’n ding te laten draaien èn oplichten was ‘eletriek’ van doen en dat hadden we nog niet hier bij ons. De man moet dus ook een soort generator benut hebben.

2006 … Stadsbibliotheek Lumière viert
zijn tiende verjaardag.

Hoe dan ook, die zaterdag kon je in de Keizerlijke Arend voor het eerst in Brugge ‘beweegende photografieën’ zien. Dat het nieuwe spektakel over de tong ging, ge ziet dat van hier. Alleen al om de toegangsprijs. Je hoestte vijftig centiemen, een halve frank, op om er in te mogen. Een lange werkdag over haar kussen gebogen bracht een Brugse kantwerkster één frank op. Maar wie er was zag  prenten uit Parijs, mensen, koetsen, een trein. En ze bewogen, echt waar. Sommigen fluisterden dat er ook iets te zien was uit de Moulin Rouge, maar ge moogt niet altijd geloven wat de mensen vertellen.

Tot hier, waarde filmliefhebber, onze flashback. Het scenario keert terug naar vandaag. Najaar 2021, Stadsbioscoop Lumière is nog aan ’t bekomen van zijn verjaardagsfeest. Het feest was op zijn plaats, maar ’t had groter gemogen.
Want, o ja, dat vergaten we te vertellen. Die dag waarop Brugge de uitvinding van de gebroeders Lumière leerde kennen was de zesde september van 1896.
Dat Lumière hier voor ’t eerst over de tong ging, da’s precies honderdvijfentwintig jaar geleden!
Ge hebt uw feest veel te bescheiden gevierd. Die vijfentwintig kaarsen die jullie uitbliezen, al was dat met recht en reden, ’t mochten er honderd meer geweest zijn.

Alle nieuws over stadsbioscoop Lumière vindt u hier: www.lumiere-brugge.be


Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van film | 4 Comments

Michel Van Maele, honderd

’t Is omdat ik het werk van de vuilnisophalers met achting gadesla dat ik ons papierafval zorgvuldig met touw omspan voor ik het ’s morgens neerzet op de stoep. Als onverschrokken schildknapen van de ophaalwagen marcheren ze door onze straat, de mannen die onze overdaad aan overbodigheden in de muil van het afvalmonster kieperen. Al dat papier dat we met z’n allen van de hand doen!
En dan zwijg ik nog over de stapel knipsels waarvan deze verstokte Brugge-verzamelaar zich al tijden afvraagt wanneer hij ze eindelijk een keer op straat zal zetten. Ergens in een uithoek van onze woonst, een torentje van wankel gestapelde kartonnen dozen propvol krantenpapier, van toen je nog papier van doen had om informatie te bewaren.  Nieuws van vroeger, ooit min of meer geordend per onderwerp.
Zoals dit hier, een mapje met knipsels over Michel Van Maele. Was die mens niet in 2003 overleden, dan vierde hij dezer dagen zijn honderdste verjaardag. Weinig stadsgenoten drukten hun stempel op Brugge zoals Michel Van Maele dat deed. Met de dadendrang waarmee burgemeester-zakenman Van Maele door het leven stapte vul je makkelijk een paar doorsnee mensenlevens. Dat hij zich met al die ondernemingszin een paar keer serieus misrekende is deel van het verhaal dat inmiddels uitgebreid is gedocumenteerd. En niet enkel in die oude gazetten van mij.

Pierre Vandamme en Michel Van Maele, schouder aan schouder, althans voor de verkiezingen …

Een samenvatting? Begin er maar eens aan. Over die jongeman die burgemeester werd, niet van Brugge maar van het toen nog landelijke Sint-Michiels dat hij liet uitdeinen met woonwijken die zich schaarden rond KMO-bedrijven en een nieuw recreatiedomein, het Boudewijnpark. Hoe hij omtrent de fusie met Groot Brugge eerst tegen en dan heel erg voor was. Wie hem van dichtbij meemaakte, weet nog dat Van Maele’s mening zich wel vaker zo’n lepe ommezwaai permitteerde. En ’t legde hem vaak geen windeieren.
Want kort na de eerste verkiezingen van dat nieuwe Brugge liet zijn populariteit hem toe om partijgenoot Pierre Vandamme de burgemeesterssjerp te ontfutselen. Bij de inhuldigingsstoet die hij zich liet welgevallen, de laatste in de geschiedenis van de stad, werd hij in een koets vergezeld door Brugs senator Frank Van Acker, de socialist die hem een handvol jaren later op zijn beurt een politieke hak zou zetten. Maar voor het zo ver was zette Van Maele de bakens uit. Waarbij de zakenman politicus speelde en andersom. Hij haalde het Brugs voetbal uit financiële miserie, realiseerde het Olympiastadion, het Zilverpand en andere Alberthallen, dronk voor het oog van de pers ostentatief een glas van het door hem gezuiverde water van de reien, liet de stad Beisbroek en de Zeven Torentjes kopen en pakte uit met een structuurplan voor de binnenstad.

En Van Maele droomde. Van een watertram op de Brugse binnenwateren, op het Zand zou daartoe de overwelfde reie weer open gelegd worden. Elders in de stad kan je ze nog aanwijzen, de bruggen die hij liet herbouwen met die watertram voor ogen. Om maar te zeggen, Van Maele zat niet stil.
Maar dat niet stil zitten geen garantie is voor blijvend succes leerde hij … net iets te laat. Hoe politiek en commercie soms wel héél dicht tegen mekaar aan hurkten, ’t begon op te vallen. En dat een stout stadskrantje dat Lastige Bruggeling heette, één en ander tegen ’t licht hield omtrent grondspeculatie en dat soort zaken hielp niet echt.  Vriend en tegenstander werd zenuwachtig, waarna in 1976 een monstercoalitie een einde maakte aan zijn korte loopbaan als Brugs burgervader.

De fratsen van Michel Van Maele spreken nog altijd tot de verbeelding van minder jonge stadsgenoten. Soms is aan de toog zo’n oud verhaal nog goed voor enig gegniffel. Over de in Van Maele’s tijd uitgetekende Expressweg en hoe die zich bij de Koning Albertlaan ineens met zo’n hele wijde bocht langs Sint-Michiels heen buigt. Iets met een onteigening die voor een connectie van de burgemeester erg ongelegen kwam? ” ’t is van horen zeggen, maar …” Of iets over af en toe een scheve schaats. Michel Van Maele, man van de wereld, ook dat. Bij zijn overlijden noteert een plaatselijk verslaggever, bij het vernoemen van de echtgenote van de oud-burgemeester, de gevleugelde woorden: ‘Hij had bij haar geen kinderen’.
Niet langer dan vijf jaar droeg zakenman Van Maele in Brugge de burgemeesterssjerp. We kennen lieden die meer tijd  nodig hebben om minder te realiseren. Politici?
Vriend en tegenstrever herinneren zich Michel Van Maele, die door zijn entourage tot in lengten van dagen als ‘burgemeester’ werd aangesproken, als man die al wie hij ontmoette kon thuiswijzen. Of dat toch nastreefde. Ons kent ons, zoals het eraan toe ging in de plattelandsgemeenschap waar hij als jonge knaap zijn bewogen loopbaan aanvatte.
Wedden dat hij ze bij naam kende, de vuilnisophalers die in zijn straat passeerden?

Posted in Het Brugge van toen, Van Brugs voetbal, Van Brugse politiek | 14 Comments

Met de lijnbus naar ’t leven …

Naar Brugge kwam je met de bus.
De schooljongetjes die wij waren, net onze plechtige communie gedaan
in dat  buitendorp van ons, op weg naar de grote school.
De bus reed bij de Kruispoort ’t stad in.
Er was nog tweerichtingsverkeer in de Langestraat, stel het u vandaag een keer voor.
Meestal stapten wij af bij de Molenbrug, de
Meulebrugge,
om dan langs de Sint-Annarei naar ’t college te slenteren.
Was de bus wat vroeger, gingen we er ook wel een keer af bij de Kruispoort,
en dan door het nog slaperige Sint-Anna naar de Potterierei.
En soms begon die tocht met de ‘beklimming’
van de molenterp van de Bonne Chieremolen, bij de stadspoort.

Daar stonden ze, in de ochtendkilte, onder die roerloze molenwieken,
een paar jongetjes met voor zich een heel leven
en aan hun voeten een uit zijn slaap ontwakende stad.
Eén van hen dacht toen, of tenminste, vandaag gelooft hij graag dat hij dat toen dacht,
dat is hier een schone plek.
Een schone plek, misschien, om te leven.
En hoe gaat dat, je groeit op,

gaat dus naar een school in Brugge.
En dan naar een andere school.

Omdat het je in die ene wat te moeilijk wordt, je bent lang geen bolleboos.
Je leert een meisje kennen waarvan je meent dat het je lief is
en dan een ander dat zowaar ook zelf heel even vindt dat ze je lief is.
En dan nog eentje waarvan je denkt dat het je lief is,
maar dat blijkt dan niet te kloppen, het is je vrouw.
En je trouwt en vindt een huis dat je thuis wordt.
En werk vind je ook.
In die stad die van jou is, intussen.
Soms leid je mensen rond die de stad komen bezoeken.
En van die plek waar je woont ga je wat spullen opzij leggen.
Affiches, vooral, en na verloop van tijd wordt dat meer dan zomaar opzij leggen.
Affiches van een stad die je graag in je armen sluit.
Zoals je ook wel een keer … je vrouw in je armen sluit?
Neen, niet zo. Of toch, zo ongeveer.

Een stad die je soms doet sakkeren om wat ie uitspookt.
Zoals je ook wel een keer …
?

Vandaag schrijf je een stukje over die stad van jou.
Want inmiddels weet je wel zeker …
dat is hier geen onaardige plek. Om te leven.

Posted in Het Brugge van toen, Over affiches verzamelen, Van wielen en op weg zijn | 5 Comments

Zeven letters voor Jan Broes

“Wie weinig weet en dat weet,
heeft dat alvast voor op wie alles meent te weten.”
Had iemand die woorden geduldig in steen gekapt, of met zorg toevertrouwd aan handgeschept papier, kregen ze misschien wel een plek bij Jan Broes in de Oude Zomerstraat. Tussen al het kostbaar schoonschrift waar Jan zijn leven en zijn huis mee vulde. Dat pand van hem, aan het eind van dat doodlopende straatje in de Oude Burg, stelde hij met lange tussenpozen open voor al wie kalligrafie genegen was. Keer op keer proefde je er van verrassende, ontwapenende, soms ontroerende schriftkunst. En van het interieur, dat aangaf dat Jan in alles authenticiteit voorop stelde. Een huis, bijgevolg, waaraan de tijd leek voorbij te gaan.

De imposante schermgevel van zijn huis De Zomere palmt nadrukkelijk de Oude Zomerstraat in. Maar omdat je zoveel schoonheid niet verwacht in zo’n niemendallig straatje, bestaat de kans dat je er achteloos voorbij passeert wanneer je langs de Oude Burg komt. Zelf stop ik er altijd even, wanneer ik bezoekers meeneem doorheen de stad. Om hen te wijzen op dat laatmiddeleeuwse baksteenjuweel, in een stille hoek weggestopt voor de haastige toeristenzwerm die zich verderop aan ander schoons vergaapt. Dan vertel ik over Jan, zijn letterverzameling en het huis. Over zo’n schermgevel, bedoeld om het huis hoger te laten lijken dan het in werkelijkheid is. Achter die slanke gevel schuilt immers een minder hoog dak dat ook genoegen zou nemen met een wat lagere voorgevel. Je buren imponeren, ook in de vijftiende eeuw wist men er al weg mee.

’t Was op een middag, enkele jaren geleden, dat Jan en ik mekaar op de hoek van zijn straatje tegen ’t lijf liepen. Nou ja, liepen, zo gehaast was Jan doorgaans niet en ook ik neem graag mijn tijd. Hoe dan ook, we kwamen mekaar tegen. Hij herkende mij en sprak me aan. Of ik een momentje had? Ja dus, benieuwd als ik was naar wat Jan me wilde zeggen. ’t Was dat hij zich ergerde aan wat stadsgidsen vaak menen te weten over die fameuze schermgevel van zijn woonst. Dan vertellen ze dat achter de gevel een dak schuilt dat lager is. Dat klopt, maar dan verkondigen ze ook dat de houten luiken helemaal bovenaan gewoon uitgeven op de open lucht. Dat daar geen zolder of wat dan ook achter steekt. “Maar zoveel lager is dat dak niet, die zolder is er wèl! Dat is dus niet waar, hé, ge moogt dat niet vertellen!”
En ja, ik moest bekennen dat ook ik dat verhaal voor waar aannam, al die keren dat ik er langs kwam. Meer zelfs, ik meende het zeker te weten. Jan zuchtte maar bleef zijn vriendelijke zelf. Zijn verontwaardiging hield hij voor zich.

Dat had anders gekund, want als Jan Broes verontwaardigd was, dan was dat met enige overtuiging. Dat herinnerde ik mij van toen hij nog veel langer geleden, in het verre jaar 1990, mee aan de wieg stond van een beweging die onze stad lichtjes op zijn middeleeuwse grondvesten liet daveren.

SOS voor een leefbaar Brugge’, zo heette het initiatief. Een groepje voortrekkers kreeg een ferm deel van de Brugse bevolking mee in een bewustmakingsactie. Die ging over de vermeende roekeloosheid van de stedelijke overheid omtrent het omgaan met waardevol erfgoed. En in één adem ook over de opgang van het massatoerisme. Toen al.  Ik zie de affiches nog, aan honderden Brugse vensterramen. En ik zie, en hoor vooral, Jan nog zijn punt maken, op een avond in een volgelopen Hof van Watervliet. Sarcastisch en spottend verraste ons zijn pleidooi dat je niet verwachtte van een mens die in letters vooral schoonheid zocht.

Zijn naam stond in de krant, intussen bijna twee  jaar geleden. Een overlijden. ‘Jan Broes’, een naam, goed voor zeven letters waar ik even stil van werd. Het voorbije Open Monumentenweekend leerde ons dat Jan’ s familie De Zomere restaureert. Ze doen dat grondig en dat is goed. In de aanloop tot dat weekend gaven ze mij de kans om mij te vergewissen van hetgeen Jan die keer vertelde. En ja, hoor, daar stond ik, met de verbaasde ogen van een ongelovige Thomas, op het zoldertje achter de houten vensterluiken.

Wanneer ik langs de Oude Zomerstraat voorbij kom hou ik graag even halt, maakt niet uit of ik alleen ben of in gezelschap. Maar indien wel, dan vertel ik over een man, Jan Broes heette hij, over zijn passie voor letters, geschreven, gekapt of geborsteld. En over zijn huis, met die schermgevel waarvan de bovenste luiken gewoon uitgeven op een zolder.

“Wie weet dat wat hij meent te weten niet altijd waar is,
heeft dat alvast voor op wie zich alwetend waant.”

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van boeken en schrijven, Van Brugse politiek, Van schilderen en plaasteren, Van toeristen | 3 Comments

Jens Keukeleire op de vélocipède

Ze hebben ’t hem gezegd, dat het wereldkampioenschap tijdrijden naar Brugge komt. Van onze grote poëet werd enig enthousiasme verwacht, op zijn minst een lofdicht, maar aan zijn blik te oordelen is dat een vergissing. Hij kijkt weliswaar al sip sinds ze hem op die sokkel in de schaduw van de Onze-Lieve-Vrouwekerk hebben gezet, maar nu hij weet heeft van al die wielerdrukte is dat er weinig op verbeterd. Wij vragen ons af hoe dat komt.
Het antwoord vernemen wij op de tentoonstelling ‘Een droomploeg voor het WK’ in ’t stadsarchief op de Burg. Daar vinden wij een gazetje waarin Guido Gezelle in ’t jaar 1869 zijn gedacht op papier zet over de fiets. De vélocipède, zo noemde men dat nieuwerwetse ding. Het mag verbazen, maar in Guido’s tijd werd met zo’n tuigen nu en dan al een keer om ter rapst gereden werd.

Die mannen peizen dat dat niet en is, alsan dat gedurig werken met  hunne voeten, dat is wel een bètje faliganter als te voete gaen’,
meent Gezelle, en ook:
Ze gaen in eene gemeente van onze provincie concours houden van vélocipèden.
En ’t gaen pryzen te winnen zyn voor degene die de zeerste kunnen ryen …’
Om te besluiten met
Alzoo moeten werken met hunne beenen, tot dat zy lam zyn, allons donc!

Enfin, we zien Gezelle, argwanend tegenover ’t nieuwe fenomeen, nog niet meteen Renaat Schotte-gewijs achterop een moto verslag uitbrengen van wat de coureurs ervan bakken.  Nochtans, in versvorm, ‘t ware een wereldprimeur.

Maar op die kleine tentoonstelling in ’t archief gaat het vooral over een troepje Bruggelingen die wèl met de nodige geestdrift met de koers bezig zijn of waren. Stuk voor stuk renners van wie de namen meer dan een keer klonken door de megafoon bij de eindstreep. Sommige namen zijn verneveld in de tijd, zoals je op tv tijdens een mistige bergrit van een eenzame renner enkel het silhouet ontwaart. Coureurs van soms heel ver terug, zoals Kamiel Van de Casteele die bijna honderd jaar geleden ritten won in de Tour. Of van minder lang geleden, Georges Vandenberghe, naam uit de jaren zestig, uitblinker in de Ronde van Frankrijk èn die van Italië. In zijn eigen Dudzele werden Georges’ overwinningen in 2018, vijftig jaar na datum, nog in herinnering gebracht. En Guido Reybrouck en Wilfried David, mannen die meer wonnen dan je hier kan oplijsten. En natuurlijk Jens Keukeleire, van wie we volgens kenners het laatste wielerexploot nog niet hebben gezien.

Neem uw tijd als u langs gaat op de tentoonstelling, ’t is een kleine ruimte die ze inpalmt maar die zit vol curiosa en schone verhalen. U hoeft er dus niet enkel langs te gaan voor het handvol wieleraffiches uit een Brugse collectie. Trouwens, zelf blijkt de verzamelaar die ze uitleende helemaal geen koerskenner.
Al laveert hij heel frequent en met plezier tweewielig door de straten van onze stad. Soms content gelijk een ritwinnaar, met in de achterzakken van zijn vélocipède een paar rollen affiches waarmee hij zijn collectie kan aanvullen. Passeert hij langs de Onze-Lieve-Vrouwekerk, schudt een meneer op een sokkel meewarig het bronzen hoofd.

Een droomploeg voor het WK – negen Brugse wielerhelden‘, de tentoonstelling, loopt nog tot zondag 14 november in het Brugse stadsarchief op de Burg.
https://www.brugge.be/expo-een-droomploeg-voor-het-wk-9-brugse-wielerhelden

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van sport in 't algemeen, Van wielen en op weg zijn | 8 Comments

Sportzot met jenever

We waren met een handvol stadsgidsen uitgenodigd bij ‘International Flavors & Fragrances Inc’.
Eigenlijk gingen we gewoon langs in de Gistfabriek, maar met zo’n mondvol Engels in de eerste zin van ons tekstje weet de lezer meteen: hola, dat gaat hier om serieuze connecties! En ’t is niet gelogen wat hierboven staat, vandaag heet het bedrijf bij de Dampoort ècht zo. Bent u al lang Bruggeling, dan weet u natuurlijk nog die naam van lang geleden. ‘Nederlandse Gist & Spiritusfabriek’ roept het beeld op van het overweldigende fabrieksgebouw, die reus met z’n voeten in de Langerei, het gevaarte werd in de jaren tachtig gesloopt. En natuurlijk ook van de jeneverfles, destijds in elke dressoir in elke living van Brugge en omstreken.
Al had de reden van ons bezoek, ietwat tot onze spijt, niks met jenever te maken. Omdat ze daar het stoken van geestrijke drank al lang hebben afgezworen. Er worden nu enzymen aangemaakt, dat klinkt niet als iets voor in een borrelglas. Al garanderen ze ons dat je hun enzymen in alle mogelijke etenswaren en dagdagelijkse spullen vindt. Van cornflakes tot zeep en weet ik veel, en geloof het of niet, enzymen zijn op zich echt der naturen zelve. Biotechnologie heet zoiets.
Maar u wil weten wat stadsgidsen te zoeken hadden in de Gistfabriek. Wel, tijdens het Open Monumenten Weekend, het tweede weekend van september, zijn wij daar present om u en al wie langs komt rond te leiden in het imposante kantoorgebouw. Dat er

kantoren bestaan die ’n bezoek waard zijn, ’t is aan ons om u daarvan te overtuigen.
De vriendelijke meneer die ons die middag ontving wist boeiende verhalen over het leven in en rond de fabriek, wij zullen ons best doen om ze te onthouden tegen dat u langs komt. Over een familiezaak van dertien in een dozijn die uitgroeide tot een bedrijf dat meetelde in Brugge. Over bloeitijden met veel volk aan ’t werk langs perioden van inkrimping en terug.
Maar ook over de sociale geschiedenis van een fabriek die haar stempel drukte op het Brugse volksleven. Niet dat het in en rond die fabriek altijd allemaal ‘suiker en zeem’ was, waar is dat wel zo, maar wie er zijn boterham verdiende genoot van een opvallend arsenaal aan vrijetijdsactiviteiten. Niet in de laatste plaats als ’t op sport aan kwam.

De heerlijk ouderwetste trots waarmee een schare mannen, fier in het gelid en borst vooruit, posteren op de affiche ‘Leven rond de fabriek’ laat daar geen twijfel over bestaan. De tentoonstelling liep destijds in het stadsarchief en vertelde over bedrijfssport, maar ook over allerlei sociale en culturele activiteiten bij grote bedrijven. Bij de Gistfabriek ging dat van een voetbalploeg over een naaischool voor de dochters van ‘t werkvolk, een harmonie en een bibliotheek tot een vakantiekolonie in Heist.
Keurgroep voor turners Rust Roest’ van de Gistfabriek werd in ’t jaar 1930 op foto gezet. Maar de cataloog van de tentoonstelling vermeldt de Gistfabriek al voor de Eerste Wereldoorlog als voorloper bij het organiseren van activiteiten buiten de fabrieksmuren.
We zijn al een eind in onze eigen eeuw aangeland, dat soort bedrijfsbinding kennen we niet meer. Maar aan ’t Zuidervaartje op Sint-Kruis heet nog altijd een sportveld ‘Rust Roest’.  En als turnliefhebber kan u tot vandaag terecht bij een clubje met de naam ‘Koninklijke Turnkring Rust Roest’. Da’s dus de erfgenaam van de stoere venten op de affiche.
Stel, een frisse najaarszondag in ’t jaar 1930. Zo’n gast van op de foto blijft, nadat hij zich een middagje ferm in ’t zweet zwoegt, nog wat nakaarten in de kantine aan ‘t Zuidervaartje. Waar hij met zijn sportmaten een frisse dreupel van eigen stokerij achterover slaat. Sportzot met jenever.
Tijdens het Open Monumentenweekend verwelkomen wij u bij ‘International Flavors & Fragrances Inc’. Enfin, de Gistfabriek. Met een markant verhaal over een hoogst markant kantoorgebouw. Alleen het dreupelglas zal u erbij moeten verzinnen.

Het schitterende art deco interieur van het kantoorgebouw van de Gistfabriek is toegankelijk op zaterdag 11 september van 14 tot 18 uur en op zondag 12 september van 10 tot 13 uur en van 14 tot 18 uur. Tijdens het Open Monumentenweekend is op sommige locaties vooraf reserveren nodig, in de Gistfabriek is dat niet het geval.

Posted in Het Brugge van toen, Van sport in 't algemeen | 5 Comments

De Triënnale als eksperiment

U leest het goed, waarde lezer, het staat er gewoon verkeerd. Het moet ‘experiment’ zijn, in de titel hierboven. Deelname aan het Groot Dictee Der Nederlandse Taal kan de schrijver van dit stukje dan ook maar beter, om bij toepasselijke termen te blijven, ‘op zijn buik schrijven’. Trouwens, weet u dat deze bedreven spellingsdwaler voor het nalezen van zijn schrijfsels iemand in dienst heeft? ’t Is weliswaar degene met wie hij sinds jaar en dag tafel en bed deelt, maar toch, haar bijdrage tot het min of meer leesbaar houden van wat hier staat mag niet worden onderschat. En zodoende heeft ze dan ook meteen de flater opgemerkt!
Maar ditmaal kan de auteur zijn blunder verantwoorden. Voor één keer heeft zijn nonchalance er niks mee te maken, ‘t is met opzet gedaan! Hoezo? Wel, ’t is een kwestie van inspiratie. Inspiratie die hij vond in teksten over de Triënnale.


Niet over degene die nu loopt en haar twee voorgangers, neen. Wel over de tentoonstellingen van héél veel zomers geleden. De oer-Triënnales, die ons een halve eeuw terugvoeren in de tijd.
Drie op een rij waren het er en kijk hier, de affiches van de tweede in die reeks, die ging door in de zomer van 1971. Drie affiches voor één kunstfestival. De ene was van de hand van Roger Raveel, de andere van Paul Mara. En nog eentje werd bedacht door Boudewijn Van Houcke. Drie kunstenaars die uiteraard ook op die tentoonstelling in de stadshallen nieuw werk presenteerden.
Om over die triënnale ’t één en ander te vertellen, ging uw dienaar op zoek in publicaties uit die periode. Onder meer in ‘Ons Erfdeel’, gerespecteerd tijdschrift als ’t op cultuur aan komt. In één van die periodieken leest hij een recensie, Bruggeling Fernand Bonneure schreef ze. En hoe.
Tot vrolijke verbazing van ondergetekende word je met die commentaar niet enkel teruggevoerd naar de kunstwereld van toen. Er is ook de spelling van toen! Of toch de schijfwijze zoals die in bepaalde middens werd gekoesterd.
Progressieve spelling was een kind van de jaren zestig, toen alles wat anders kon ook anders moest. Een weliswaar moedige maar roekeloze poging om de dingen min of meer te schrijven zoals je ze uitsprak. Met een warme voorliefde voor de letter ‘k‘. De ‘c‘, de ‘x‘ en andere moeilijkdoeners hadden afgedaan. En enigszins tot mijn verbazing ging ook Fernand Bonneure, gerespecteerd auteur in zijn tijd, vrolijk mee in dat verhaal.
Zonder blozen noemt hij de expositie “voor het toeristische Brugge een attraktie en voor allen een onderwerp voor diskussie. Hij vindt “de katalogus van de Triënnale een puik dokument.” En de tentoongestelde werken van Pierre Alechinsky roemt hij als “sterk gekondenseerde komposities. Verder vindt hij dat de triënnale “een groot konglomeraat vertoonde van allerhande konstrukties”.
Hij schrijft over het hele gebeuren “met respekt, al relativeert hij de fameuze konfrontatie tussen Roger Raveel en de toenmalige burgemeester omtrent Raveel’s houten zwanen op de reien. Hij heeft het over hoe “… een drietal keer door Roger Raveel gefabrikeerde zwanen te water werden gelaten, daarna ontvreemd en uiteindelijk weer geplaatst, telkens met de pers erbij, goed voor een item op de televisie!”
De Triënnales van toen, ’t is een vergeelde herinnering aan spraakmakende tentoonstellingen. En die progressieve spelling, och ja, ze hield niet lang stand. Was het gewoon tè vermoeiend om er konsekwent mee door te gaan? Maar toch, na al die jaren geeft ze mij een bemoedigend schouderklopje. Zo van, “Zó van levensbelang is al dat korrekt schrijven nu ook weer niet!
Dus, geachte lezer, al schaam ik me amper voor een enkel spellingsfoutje, hierbij alsnog mijn ekskuses.
En die correctie-lezeres van mij? Die hou ik toch nog maar even in de buurt. ’t Zou eenzaam zijn, anders, aan tafel en in bed.

Posted in Het Brugge van toen, Van boeken en schrijven, Van schilderen en plaasteren | 4 Comments

Terug naar Monnikerede

Van sommige vertellingen lijkt het alsof ze er altijd waren. Dat van Atlantis, bijvoorbeeld, verzon iemand die legende of is ze zo oud als de mensen zelf? Of, wie weet, is het verhaal gewoon waar.
Wanneer hoorde ik voor het eerst van het land dat lang geleden verzonk in de diepten van de zee? Misschien toen onze leraar Nederlands met zijn lijst ‘verplichte auteurs’ kwam aanzetten. Eén boek volstond, meenden nogal wat klasgenoten. Uitlezen dat ding, verslagje schrijven en gedaan. Maar eentje was danig onder de indruk van ‘De komst van Joachim Stiller’. En zo kwam het dat, terwijl zijn sportieve makkers gingen voetballen en de strevers blokten voor het naderende examen, uw dienaar nog een boek las van Hubert Lampo. En nog één en nog één. Ook ‘Terugkeer naar Atlantis’.
Op zijn schoolrapport blonken  nooit straffe cijfers en aan hem ging geen voetbaltalent verloren, maar hoe dat zat met dat mythische werelddeel Atlantis, dat kon hij wel uit de doeken doen.

Hij vond een lied over Atlantis op een plaat van de vriendelijke troubadour Donovan en was helemaal verkocht. En toen het kleinkunstige tweetal Miek en Roel het Verdronken Land van Saeftinghe bezong, leerde hij dat zo’n verloren-land-mythe ook hier bij ons leeft. Niet verder dan wat verderop, langs de Westerschelde, is Saeftinghe een plek waar het wassende water zijn eigen ding doet met slikken en schorren en van die dingen. En met een legende over een verzwolgen dorp waarvan je bij stormnachten de klokken hoort luiden. Echt waar, voor wie ’t gelooft.

Wat bracht deze week Atlantis weer in mijn gedachten? Wij keerden naar Brugge terug van in het Zwin. We zagen er de expositie ‘Verdwenen Zwinhavens’ over de geschiedenis van de Zwingeul waarvan het natuurreservaat bij Knokke de verre erfgenaam is. De tentoonstelling vertelt over Hoeke, Damme en Sluis, ooit de voorhavens van wereldhaven Brugge. Over hoe het Zwin het lage land binnendrong tussen Sluis en Muide. Dat gehucht heet vandaag Sint-Anna ter Muiden, de stompe bakstenen kerktoren zie je een eind voor je Sluis binnen rijdt.
Maar er is meer. Of liever, er is meer dat er niet meer is en het heet Monnikerede. Dat was zo’n beetje het kneusje onder de Zwinhavens. Maar wel eentje met stadsrechten, het had enig belang. ’t Vraagt nogal wat goeie wil om ons dat stadje voor de geest te halen, want er bleef niets van overeind.

In de zomer van 1970 liep in het stadhuis van Damme een tentoonstelling over het havenverleden van de stad.

Waar gaan we zoeken? Wel, langs de Damse Vaart, een eind voorbij de Siphon, waar de vaart de Stinker en de Blinker kruist, is de brug naar Oostkerke. Een weg die daar door de velden krinkelt heet, heel verrassend, Krinkeldijk. Daar ergens, onder de graszoden, rust wat rest van Monnikerede. Een dorp, zo zouden we het vandaag noemen, maar met ferme koopmanshuizen en een stadhuis, een kapel ook. En een haventje. En dus allicht ook wat kroegen en zo.  De naam verwijst naar de monniken van Ter Doest die er wat eigendommen hadden. Kroegen?
Maar met een verzandend Zwin een haven draaiende houden lukte niet en het stadje kwijnde weg, werd verlaten. De laatste resten Monnikerede verdronken later in de Damse Vaart die Napoleon liet graven.
Weet je wat, als daar bij winters nacht en ontij de stormwind over de velden raast ga ik een keer post vatten langs de Krinkeldijk. Op mijn dooie eentje, zie mij daar staan, ge moet wat over hebben voor de geschiedenis van uw streek. Want wie weet, ontwaar ik doorheen de gierende wind de klokken van Monnikerede … Ik hou u op de hoogte, beloofd. Stel u voor, midden de Oostkerkse weiden, ons eigen Atlantis.

‘Verdwenen Zwinhavens’ loopt nog tot het eerste weekend van november in de exporuimte van het Zwin.
Er is ook een fietsroute aan het project verbonden.

https://www.zwin.be/nl/verdwenen-zwinhavens


Posted in Het Brugge van toen | 4 Comments

De scheve kapel van Sint-Andries

Zullen wij het een keer hebben over ons zondige leventje?
Arme zondaars’, zegt het u nog iets? Doet ‘Bid voor ons, arme zondaars’ ergens licht schijnen in uw memorie, dan is het aannemelijk dat u al redelijk wat jaren op deze aardbol vertoeft. Lang genoeg om u de tijd te herinneren toen elke brave katholiek die woorden prevelde, bij tijd en wijle. Maar zoals de uitdrukking ‘bij tijd en wijle’ weg deemsterde uit ons woordenarsenaal, zo verging het ook dat gebedje, het aloude Weesgegroet.
De godvruchtige lieden die mij in mijn kindertijd omringden waren geen pilaarbijters, tussen soep en patatten werd wel een keer lacherig gedaan over wat de pastoor had verteld in de zondagspreek. Maar de katholieke waarden in twijfel trekken, ho maar! Pas later, de schoolbanken van het dorpsschooltje ontgroeid, gingen we dingen in vraag stellen. De mompelende, al wat verschrompelde pater van wie we godsdienstles kregen probeerden we wat graag in ’t nauw te babbelden. Neem nu die hoogdag, midden augustus, Onze Lieve Vrouw Hemelvaart. Iemand in de klas wist te zeggen dat in de bijbel niks te vinden is over die hemelvaart van Maria. En gij nu! We werden er niet katholieker door, maar leerden wel dat gelijk hebben en gelijk krijgen niet altijd synchroon lopen.

Bent u zo’n medemens die makkelijk de schouders ophaalt bij ‘geloofsdingen’? ’t Is u van harte gegund. Ook deze jongen leerde de waarde van het relativeren almaar hoger inschatten. Maar toch krijg je hem nog makkelijk mee bij een rondje keuvelen over de waarden des levens.
Het was dan ook niet enkel als verzamelaar dat hij deze week aan de Onze-Lieve-Vrouwekerk een curieuze affiche opmerkte. Ook wat ze vertelde trok zijn aandacht. Ze had het over concerten op de hoogdag waarover wij het net hadden. Ook wie niet zo vertrouwd is met oude muziek weet, het ensemble Currende en het dirigeerstokje van Erik Van Nevel staan garant voor meerstemmigheid van het betere soort. En dus begeeft uw dienaar zich op zondag nog een keer ter kerke. Al gaat het om muziek met een heel serieus elan.
De affiche toont een schilderij uit de genoemde kerk, het is van de Brugse grootmeester Adriaen Isanbrant. De Heilige Maagd, omringd door zeven taferelen, de ‘Zeven Smarten’. Smarten? Zeven? Welja, zeven sombere momenten uit haar leven. Het lijden van haar Zoon komt daarbij uiteraard uitgebreid in beeld. Weet je waar je die zeven droefheden nog kan zien? Bij de kapel van Onze Lieve Vrouw van ’t Boompje, op Sint-Andries. Een kapel, beeldschoon omringd door een aureool van oude bomen en alleen al daarvoor een bezoekje waard. Bij die kapel is een tuin met daarin acht bakstenen zuiltjes. Vakkundige voorstellingen van die Zeven Smarten. En op dat achtste zuiltje, wat staat daarop? Warempel, de Hemelvaart van Onze Lieve Vrouw!

Verborgen parel … de kapel van ’t Boompje

Vraagt u naar wat rest van al het paapse dat de schrijver van dit stukje als kind meekreeg, dan verzint hij maar moeizaam een antwoord . Of toch, een poging.
Misschien is de kapel van ’t Boompje in Sint-Andries u niet bekend maar passeert u er wel een keer langs de Gistelse Steenweg. Wel, niet ver van de Platse zie je vlakbij het Boeverbos een ander kapelletje. In heel Brugge vind je niet één ander bouwwerk dat sinds lang zo is scheef gezakt. De scheve kapel van Sint-Andries, men komt er met schroom over de drempel, benauwd dat elke stap die men zet het bakstenen bouwwerkje finaal uit balans haalt.
Dus op de vraag hoe het gesteld is met de fundamenten van al dat katholieke uit mijn kindertijd? Ewel, dit kadulle bouwwerk komt aardig in de buurt.
En toch, op die zomerse hoogdag in Brugge’s grootste kerk genieten van polyfonie die me in hemelse stemming brengt, voor even, het is mij een waar genoegen. Om dan, eenmaal weer op de profane straatstenen, met gulzige goesting terug te keren naar dat zalig zondige leventje van ons.

… en een architecturaal curiosum … de scheve kapel van Sint-Andries.
Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Over affiches verzamelen, Van feesten en vieren, Van schilderen en plaasteren, Van zin, zen en zijn | 14 Comments

Vier keer Guido Depraetere

Ha, ’t is weer met Studio Barcka in de Groene Poorte!
’t Waren de jaren van bals en fuiven waarop dj’s plaatjes draaiden en die muziekjes aan mekaar babbelden, zonder meer. De deejay van vandaag droomt van festivalweiden vol juichende fans, maar dit verhaal is nog van toen je zelf je platendraaiers en boxen naar het podium sleurde, loodzware koffers vol grammofoonplaten uit de koffer van je autootje hees en voor de rest van de avond gewoon je ding deed.

De grote zalen in het Brugse, ’t Schuttershof, het Jagershof, de Oberbayern-zaal van ’t Boudewijnpark en de sporthal van de Groene Poorte, werden week na week ingepalmd door fuiven van jeugdverenigingen en studentenclubs. En zo’n avond volgde eigenlijk een redelijk vast stramien. Een paar stevige dansdeuntjes, een paar keer ‘den Bamba’ ofte de ‘kuskesdans’ en nu en dan een slow om mekaar een keer goed vast te pakken.
Kwestie dat al dat jong dansvolk toch vroeg of laat van straat zou geraken. De dj’s van dienst kenden hun stiel. Met als misschien wel de meest gevraagde discoploeg de gasten van Studio Barcka.
Die jongens koesterden nauwlettend hun imago van net iets deftiger discobar. Ze draaiden alle hits, maar dat af en toe ook een braaf walsje of een tango door de zaal zou klinken, met Barcka kon je daar donder op zeggen. En steevast in maatpak en met vlinderdas koketteerden ze maar al te graag met dat imago. En al werd soms lacherig gedaan over Barcka, de burgermannetjes, populair waren ze wel.
Eén van die Barcka-knapen in smoking was Guido Depraetere.
De jonge Guido was daarenboven van wel meer markten thuis. Ook de politieke markt boeide hem, hij sleet twee legislaturen in de gemeenteraad. Sommigen zagen hem daar ongetwijfeld in doorgroeien, maar een mens zijn leven is soms een samenloop van kansen en keuzes. En zo gebeurde het dat een talentenjacht onze Guido aan een stiel bij de toenmalige BRT hielp. Waar hij Mike Verdrengh leerde kennen en wat daaruit volgde, dat is u mogelijks bekend.
Want toen op een winteravond van het jaar 1989 de eerste beelden van de commerciële zender VTM op Vlaanderen werden losgelaten was dat aan Mike en Guido te danken. Of te wijten, naargelang wie daar zijn mening over gaf. Want de opstart van een Vlaams commercieel televisiekanaal deed nogal wat stof opwaaien.
Je neus ophalen voor de volkse nieuwe zender, het werd bon ton in bepaalde middens. En ’t moet gezegd, in zijn begindagen deed VTM niet bijster veel moeite om dat beeld bij te sturen. Presenteerde Guido week na week een show waarin bekende Vlamingen overjaarse moppen tapten? Meer had de kritische kijker niet van doen om smalend neer te kijken op zoveel goedkope leute. En eerlijk waar, zo’n programmareeks schipperde tussen grappig en belachelijk. Maar ’t was anderzijds wel het programma waarin Baziel zijn vaste stek vond.
Baziel, zowat Guido’s alter ego, was de niet al te snuggere maar des te meer ontwapenende hoofdrol in talloze onnozele grappen. Guido en moppen tappen, het ging goed samen. Al was Baziel niet Guido’s vinding, naar men zegt kreeg het figuurtje al in de jaren zestig in onze contreien de hoofdrol in ‘kluchtjes aan de toog’. Maar dankzij Guido Depraetere kreeg het ventje landelijke bekendheid èn een wekelijkse cartoon in ’t Brugsch Handelsblad. En stond Baziel, ofte Guido, met een avondvullend moppenprogramma in onze stadsschouwburg.

Deze week is ’t vijftien zomers geleden dat Guido Depraetere ons, veel te vroeg, verliet. Het laat zich raden dat hij nog een heleboel pijlen op zijn vindingrijke boog had. Of grappen om uit zijn mouw te schudden. Maar ’t heeft niet mogen zijn.
Ken je dat kluchtje van die vier Bruggelingen? Er waren een keer een dj, een politieker, een televisiemaker en een moppentapper. Ze heetten alle vier Guido Depraetere …

Posted in Het Brugge van toen, Van Brugse politiek, Van feesten en vieren | 8 Comments

Beach Rock, Zeebrugge 1996 … een trouwfeest

’t Was vijfentwintig jaar geleden aardig zomerweer, eind juli.
Die lome namiddag wachtte het jeugdhuis van een Oost-Vlaams dorp geduldig op de avondambiance die bij zo’n plek hoort. Maar ’t was zo’n zonnige zaterdag waarop je liever buiten bent, Tijl, de knaap achter de tap verwachtte een kalme shift. Een groepje vrienden kwam langs, nog een pint pakken voor ze naar Zeebrugge trokken.
‘Naar Zeebrugge?’
‘Jawel, er is daar een festival.’
‘Ha, wist ik niet.’ 
‘’t Wordt wellicht leutig. En à propos, Jakoba komt ook. Je weet wel, dat meiske uit Gullegem, ze zit bij mij op school, je was met haar aan de praat, een paar weken geleden in Gent op dat straatfeest.’
Het komt voor dat woordcombinaties een bel laten rinkelen. Die keer waren dat ‘Gent’, ‘straatfeest’ en ‘Jacoba’. Ja, dat was een leuke babbel geweest, die avond. En zo kwam het dat Tijl die keer de handdoek zowat letterlijk in de ring gooide, de bar van jeugdkroeg De Cramme overliet aan een vriend en naar Zeebrugge trok. Voor, zoals gezegd, zo’n zomerdag die je beter buiten kon slijten. Aan zee, bijvoorbeeld, met kameraden en muziek. En met een voorraad wijn, binnen gesmokkeld in een fruitsapkarton, flessen mochten niet op het festivalstrand.

En al doet de arrogante kop van Johnny Rotten van de Sex Pistols het tegendeel vermoeden, er stond ook schoon volk op de affiche. Belga Beach Festival, dat sinds een paar jaar was herdoopt in Axion Beach Rock, had al eerder ferme namen op zijn lijstje. Op eerdere edities, eerst in De Panne en dan nogal wat jaren in Zeebrugge, stonden Van Morrison, Rod Stewart, Depeche Mode en Simple Minds daar op het strand. Naast vele anderen, zoals dat dan heet. Vele anderen en jaar na jaar tienduizenden bezoekers.
Schoon volk, dus, dat vond ook Tijl, want ja, ze was er ook, je weet wel, Jakoba. En het komt voor dat ook muziek een belletje doet rinkelen. Welk deuntje het die avond was, we weten het niet, maar Lou Reed die zijn slome ‘Perfect day’ aanheft, da’s natuurlijk een binnenkopper.

En ineens spoelt dan, middenin dit verhaal, de tijdslijn een eind door.
Een kwarteeuw, naar de net iets minder zonnige julimaand van 2021. In de mailbox van een Brugs afficheverzamelaar zit een vraag. De afzender vertelt over een bevriend koppel, Jakoba en Tijl. Die werden lang geleden een stel op een zomernacht aan zee, op een rockfestival. En die twee gaan nu, al die jaren en drie kinderen later, toch wel trouwen, zeker! En dat

doen ze dag op dag vijfentwintig jaar na dat rockfeest op het strand van Zeebrugge. Of ik de vriend-afzender misschien aan de festivalaffiche kan helpen? Hij wil er de trouwers mee verrassen, de sloeber.
Deze verzamelaar krijgt wel vaker een vraag over een affiche. Omdat ze zeldzaam is of mooi. De Axion Beach-affiche anno 1996 is niet de meest schilderachtige in mijn collectie. Maar Tijl en Jacoba, de ‘jonge trouwers‘, kunnen ermee leven, dat zie je zo.
En wat ons betreft doen ze dat nog een heleboel jaren.

Een toemaatje …
Een aanrader. Vijf jaar geleden, Jakoba en Tijl waren twintig jaar samen, bedachten hun drie jonge spruiten een filmverslag over Axion Beach Rock, 1996 … https://www.facebook.com/tijl.dewitte/videos/1371727926173922


Posted in Over affiches verzamelen, Van feesten en vieren, Van gitaren en drums, Van zingen en spelen | 2 Comments

Brugge aan Dominique Berten

Beste Dominique,
we horen je al denken, ‘Ha, nu ik binnen een paar weken als theatertechnicus bij ’t cultuurcentrum met pensioen ga, sturen ze van op ’t stadhuis een bedankingsbriefke, da’s sympathiek!

Dominique in de regisseursstoel …

En ja, ’t is best mogelijk dat  de burgemeester en zijn schepen van Cultuur al doende zijn met het schrijven van hun gelegenheidsspeech. Want er zijn dingen die maar één keer voorkomen en Dominique Berten die met pensioen gaat is daar één van.
Maar dit hier komt niet van ’t stadhuis. Deze brief krijg je van  Brugge, de stad. De stad met zijn torens en poorten, zijn reien, straten en pleinen. Zijn stadsschouwburg, niet in de laatste plaats. Het was de schouwburg, die kokette madame, die met het voorstel voor deze brief kwam aanzetten. De schouwburg, Dominique, al die jaren je maîtresse, is de tel van het aantal avonden die je bij haar doorbracht al lang kwijt. Decors bouwen, lichten richten, micro’s testen, keer op keer.
Toch er was niet alleen de Dominique van achter de schermen. Er was ook Dominique, de regisseur. Met theatergezelschap De Valk als je tweede thuis. Al trokken ze ook elders aan je mouw. Voor de Reiefeesten om maar iets te noemen, maar je liet je evengoed verleiden tot regiewerk voor het lichte genre in theaterland.
Maar klopt het hart van elk theatermens niet vooral òp de bühne? Ergens in een boekje over de Korrekelder steekt nog een foto, jij in je jongensjaren, op dat krappe podium van het vestzaktheatertje aan het Kraanplein. En laatst vertelde je, bij het overlijden van theatermonument Jaak Vissenaken, hoe hij jou op sleeptouw nam, door ons land en Nederland, van voorstelling naar voorstelling. Het ware acteursleven, tot je vijfendertig jaar geleden in de schouwburg van je thuisstad aan de slag ging.
Al bleef de goesting in het acteren wel kriebelen, wat dacht je. Op tv leek de cafébaas met wie inspecteur Van In in de Vlissinghe wel eens een babbel sloeg dan ook heel erg op Dominique Berten.

De Korrekelder, voorjaar 1978 … een toneelaffiche, een jonge acteur …

En dan is er deze zomer ‘De schouwburg vertelt‘, net iets meer dan een tentoonstelling. Een zwerftocht langs gangen, trappen en zalen, waarbij onderweg verrassend ruim het hele levensverhaal van het gebouw wordt getoond. Het initiatief is niet zo bedoeld, maar laat het toch maar een afscheidstoer heten. Een zomer waarmee de schouwburg één van zijn meest trouwe schildknapen uit wuift. Een schildknaap die we in de jaren die volgen ongetwijfeld nog zien opduiken. Want hij heeft, om het op z’n Benny Scotts te zeggen, ‘theater in z’n herte‘. Het Brugse toneelleven is de vijver waarin jij je vis in het water voelt, Dominique, en in die vijver blijf je zwemmen.
Dominique, achter de bib is het Biekorfzaaltje waar je ook beroepshalve thuis was. En daar is ook dat pleintje dat ze om de twee jaar de naam geven van een lokale culturele sleutelfiguur. Mochten ze zich afvragen aan wie ze het nog kunnen toewijzen, mogen ze ons om een voorstel vragen.
Het ga je goed, we komen je binnenkort ongetwijfeld nog wel een keer tegen. Hier of daar in een zaal, tussen de toeschouwers, ik zeg maar wat.

En voor de tijden die volgen, Dominique … break a leg!
Brugge, je stad
PS … en een zoen van de stadsschouwburg …

Posted in Het Brugge van nu, Over toneel, Van feesten en vieren, Van stoeten en processies | 7 Comments

Rik Slabbinck, zijn huis en zijn straat

Een bescheiden streepje op de wegenkaart zal het worden, het straatje dat straks de naam van Rik Slabbinck draagt. Een straatnaam, het heeft wel iets, maar ’t had ook een huis kunnen zijn dat naar hem genoemd werd.
Van bovenaf gezien is de omgeving van Brugge een lappendeken. Dat merkte u ongetwijfeld al een keer toen u op uw computerscherm het satellietbeeld van ons Brugs Ommeland opvroeg. Google Maps is daar goed in, dat weet u.
Een kleurrijk lappendeken is het met daar middenin, de Brugse binnenstad, als een knoop die iemand lang geleden in het strakke laken legde. Aan weerszijden van die knoop tekenen zich donkere, warmgroene vlekken af. Brugge in het groen, het bos van Ryckevelde aan de ene kant, aan de andere zijde het aaneen genaaide bossenlint van Tillegem en Beisbroek. In het noorden, boven de stad, is van bossen geen sprake. De kleuren, de weidse velden, zijn er lichter. En als was het een ritssluiting, deelt daar het kanaal dat Brugge met Zeebrugge en de zee verbindt, het laken in twee. Wie goed toekijkt, ontwaart links van die ritssluiting een lichtblauwe, grillige vlek. Het is de Sint-Pietersplas in de randgemeente met die naam. Vanuit de lucht lijkt het alsof die waterplas de bebouwing van Sint-Pieters belette om verder de open velden in te palmen.
Wij vertellen u graag over een bijzondere speldenprik die tot voor enkele jaren daar in de buurt op het Brugse landschapslaken prijkte. Over dat huis langs de Sint-Pietersmolenstraat, een huis met een verhaal.

Aanvankelijk, in de jaren dertig, was het zijn schildersatelier. Na de oorlog liet Rik Slabbinck het pand ombouwen tot het huis waar hij ging wonen met zijn vrouw en hun twee kinderen. Je had er ongeremd uitzicht op de weiden en velden, het licht dat door de hoge ramen zijn atelier binnenstroomde vatte hij in zijn schilderwerk.

’t Is deze week dertig jaar geleden dat Rik Slabbinck overleed. Hij maakte het nog mee dat het uitzicht tot aan de horizon, waar de verre duinen het land behoeden voor het zot geweld van de zee, werd doorsneden door dat genadeloze lint, de expresweg. De vooruitgang, geen ontkomen aan. Maar de sloop van zijn kubistische kunstenaarswoning is hem bespaard gebleven. Het huis van Rik Slabbinck stond een tijdlang op een lijst van te beschermen gebouwen. Dus toen het een jaar of vijf geleden tegen de vlakte ging, was daar nogal wat om te doen.
Het was architect Jozef Lantsoght die het destijds in opdracht van de schilder ontwierp. Lantsoght mag dan lang niet de grootste architect zijn die onze regio heeft gekend, hij tekende wel een handvol bouwwerken die nog altijd een stempel drukken op hun omgeving. Nogal wat kerkgebouwen zoals ‘Onze Lieve Vrouw ter Duinen’ in Koksijde. En hier bij ons onder meer het voormalig gemeentehuis van Zedelgem en de watertoren van Sint-Kruis, qua stijl helemaal kinderen van hun tijd.

Was het huis van de schilder van iconische waarde? Het was naar verluidt de stichting Onroerend Erfgoed, een redelijk gezaghebbende stem in die materie, die vaststelde dat het betonnen bouwwerk door de loop der jaren behoorlijk wat tekortkomingen verzamelde. Het aanpassen aan de eisen van vandaag, niet in de laatste plaats aan de huidige energievoorwaarden, bleek amper haalbaar. Waar trek je grenzen?
En al wensen wij wie daar vandaag woont een warme thuis toe, de huizenrij die werd neergepoot waar ooit Rik Slabbinck’s schildersezel stond maakt weinig indruk. Doch ziet, het verslag van een gemeenteraad van een tijd geleden leert ons dat daar in de buurt in een nieuwe verkaveling plaats is voor een Rik Slabbinckstraat. Niet meer dan een onooglijk zijdedraadje in het laken dat Brugs Ommeland heet, maar toch, zoals op een schilderij heeft ook op zo’n lappendeken het fijnste lijntje zijn betekenis.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van schilderen en plaasteren | 3 Comments

Stiene en Stance en de boze vos

Stiene en Stance waren twee madammen die de actualiteit op de rooster legden, veelal met een voorkeur voor Brugse wetenswaardigheden. Aanvankelijk alleen maar als intermezzo tijdens de variétéavonden van revuegezelschap Willen is Kunnen. De twee kletskousen werden vertolkt door mannelijke acteurs die zich voor de gelegenheid in volkse damestenue wrongen. Een travestieshow, maar dan niet van het aangebrande soort gelijk in Parijs.  Wel leutig en braaf zoals het hoorde in een zaal met katholieke allure, de Volksschouwburg ofte de grote zaal van de Gilde aan de Oude Burg. Bij het publiek in die zaal vielen de twee roddelwijven zo in de smaak dat ze elk seizoen opnieuw kakelend van de partij mochten zijn.
Hip, hip hoera voor de koetsiers’ was de titel van de revue van Willen is Kunnen in 1950.

Waarover dat ging, daarvoor laat de ondertitel ‘opdat de stad van Brugge zoe maggen proper zin!’ weinig aan de verbeelding over. Het dwergbestelwagentje dat in onze dagen het parcours van de koetsen volgt om één en ander op te kuisen hadden ze toen nog niet, zodus.

Mochten Stiene en Stance vandaag weer zo’n sketch in mekaar steken, hadden ze het ongetwijfeld eerder over het welzijn van de paarden die dag in, dag uit over de Brugse kasseien trappelen. Voor dierenliefhebbers blijft het een gevoelig punt. Het mag verbazen dat niet meer commotie volgde toen laatst tijdens zo’n ritje één van die brave beesten pardoes dood viel op de Burg.

’t Is daar op de Burg dat al wie geboeid is door de dierenwereld terecht kan voor een kleine expositie met een wel heel bijzonder uitgangspunt. In het stadsarchief hebben ze voor de gelegenheid Mendop losgelaten en dat archiefgezelschap staat garant voor een merkwaardig project. Het letterwoord ‘Mendop’ staat voor ‘Mens en dier op papier’, hoe verzinnen ze het! Die gasten vergaren nu al vele jaren alles wat verband houdt met de relatie tussen het wezen dat mens heet en de rest van de dierenwereld. En daarover hebben ze inmiddels veel, héél veel papieren documenten verzameld. De tentoonstelling die ze voor deze gelegenheid bouwden gaat over wolven, ‘Mendopje en de wolf’. Woordgrapje, jawel.

De voorbije maanden kwam de wolf, zowat het archetype van het dreigende boze beest, heel regelmatig langs in het nieuws. Er zijn na lange tijd weer wolven in ons land, vooral in ’t Limburgse. Hier aan onze kant van dit landje kom je ze voorlopig dus alleen tegen op prenten en documenten in ’t stadsarchief. Uitgestrekte bossen of andere natuurgebieden zijn in onze contreien niet zo talrijk, dus de kans dat je er ineens eentje aantreft in Tillegem of Rijkevelde is minder groot.

Wat niet betekent dat hier enkel konijnen, hazen en eekhoorns de bossen bevolken. Ook bij ons vind je beestjes van het roofzuchtige soort.
Onze thuis is een buurt in Sint-Andries met weliswaar wat groen langs de weg en een paar straten van onze tuin vandaan kom je aan de rand van een bescheiden bos. Maar toch was het schrikken, die frisse voormiddag in ’t voorjaar.
Met een kom met wat groentenresten stap ik achterin de tuin ons kippenparkje in. Met die keukenoverschotjes van mijn kant en dagelijkse eieren van hun kant zetten mijn twee kippen en ik sinds jaar en dag een ruilhandeltje op. Dat ik die keer niet één ei in hun nest vind verbaast mij, maar wanneer ik opkijk, op zoek naar mijn twee vriendinnen, stokt heel even mijn adem. Eén van onze beesten ligt, de keel vakkundig open gereten, levenloos midden het perk. Van haar medekip vind ik geen spoor meer terug.
In de dagen die volgen horen we verderop in de wijk een paar gelijkaardige verhalen. ’t Is het voorjaar, vossen hebben jongen en die jongen hebben honger, luidt het.

Het is stil, sindsdien, in die tuin van ons. Je mist het, telkens één van onze madammen een ei in het nest heeft gedeponeerd, dat uitbundige gekakel, als van volleerde roddeltantes.
Hoef ik je te vertellen hoe wij ze noemden, onze twee kakeldames?

Mendopje en de wolf’,
een tentoonstelling over wolven, uiteraard,
in het Brugse stadsarchief op de Burg,
tot zondag 22 augustus.

Posted in Het Brugge van nu, Van beesten, planten, Van zingen en spelen | 5 Comments

Ann Soete, Jasper Pillen en een burgemeesterssjerp

Er is goede raad en er is gemeenteraad …

Zo, we kunnen weer op café! Miste de waardin haar klanten of was het eerder andersom? Misschien is het wel de toog, debattafel van elke treffelijke staminee, die het meeste uitkeek naar zijn tooghangers. Maar zelfs dat meubel wist, ooit keert alles terug. Ook, en vooral, de diepzinnige gesprekken waarop herbergen sinds mensenheugenis een patent hebben. Eindelijk kunnen we weer de groten der aarde op hun plaats zetten en al wie in ’t nieuws komt tegen ’t licht houden.
Neem nu onze plaatselijke bestuurders, onze burgemeester en zijn schepenen voorop.

“Wat denk je, Omer, ik burgemeester van Brugge, voor een keertje?”
“Burgemeester nog wel, Stella!”
“Zeker weten, ‘k zou ’t heel anders doen dan die politiekers van ons! Dat ze er een potje van maken, tot daar aan toe. Dat doen wij in ons eigen ménage ook wel een keer, maar we komen er tenminste niet mee in de gazet. Neem nu die Jasper Pillen. Die heeft een nieuwe job gevonden en hij had er al één! In Brussel zit hij in ’t parlement en nu wordt hij hier bij ons ook nog schepen!”
“Ja, Stella, da’s waar, meiske, maar hij heeft nu de plek ingenomen van Ann Soete. Dat waren ze na de verkiezingen overeen gekomen.”
“Politiekers die overeen komen, ’t is een keer wat anders!”
“Allez, Stellatje, ge moet niet overdrijven, die mensen doen ook maar hun werk! Ge kunt veel zeggen, maar probeer maar een keer een stad gelijk Brugge draaiende te houden zonder politiekers! Als gij burgemeester wordt, ge zult nogal verschieten!”
“Ewel, ‘k zou dat helemaal zien zitten! Zolang ze mij niet lastig vallen met één of andere pandemie. En ook niet met al die bouwwerken, een berushal hier en een museum daar en wat nog allemaal. En over voetbalstadions moeten ze al helemaal niet beginnen! Enfin, als ze mij met al zo’n futiliteiten gerust laten lijkt mij dat best wel een aangename stiel, burgemeester zijn. Trouwens, Omer, wat gaat Ann Soete nu doen?”
“Weer muziekskes verkopen in haar winkel aan de Mallebergplaats, zeker? Niks meer in de politiek, alleszins. Ze heeft van den anderen kant wel al een boel ervaring op dat vlak! Er zijn er weinig die kunnen zeggen dat er drie politieke plakaatjes op hun affiches hebben gestaan!
“Drie?”
“Ewel, ze begon indertijd bij de N-VA, dat was toen die partij samen met die van de CD&V op één lijst ging staan, weet ge nog? En achteraf is ze bij de Liberalen beland. Ervaring zat, dus. ‘k Zie ’t al gebeuren dat ze nu haar memoires schrijft!
“Een vrouw minder in de politiek, da’s spijtig!”
“Voilà, Stella, nòg een reden om voor die burgemeesterssjerp te gaan! En onthou mijn goeie raad, dat elke politieker begint bij de ècht belangrijke dingen.”
“Hoe dadde?”
“Met op café alleman te trakteren!

Voilà, de cafés zijn weer open. ’t Was de hoogste tijd, want wie zal de wereld verbeteren als wij het aan de toog niet doen?

Posted in Het Brugge van nu, Van Brugse politiek, Van feesten en vieren | 3 Comments

Tony Willems, Simon Bening en een nieuwe kraan op het Kraanplein

Weet u nog, de stadskraan die de leerlingen van het VTI bouwden? De reconstructie van het houten monument was een blikvanger in ons straatbeeld, toen in 2002 Brugge Culturele Hoofdstad van Europa mocht spelen.
’t Was een jaar dat herinneringen opriep aan de èchte gloriejaren, de middeleeuwen, toen de stad handelsvolk uit de vier windstreken over de vloer kreeg. Toen het Zwin de oprijlaan was waarlangs zeeschepen tot in Damme en Sluis zeilden. De vracht die ze aanbrachten werden langs een verre voorloper van de Damse Vaart tot in Brugge gebracht. En voor het lossen van die spullen diende dus die kraan. Simon Bening was toen een befaamd miniaturist, zo’n knaap die dure boeken verfraaide met piepkleine schilderijtjes. Op één van zijn minutieuze prentjes zie je de stadskraan in volle glorie en werking.

Dat miniatuur werd het campagnebeeld van een tentoonstelling waarmee Brugge terugblikte op zijn florissante handelsverleden, een expositie met de naam ‘Hanze@Medici’. Dat was in dat Brugse pronkjaar 2002. Zo’n titel met een apenstaartje erin oogde lekker trendy, in dagen waarin het internet zich aandiende als hèt nieuwe ding. En op de affiche lieten ze één van de figuurtjes zeggen ‘Ik mail je morgen mijn offerte’. Zo van, kijk eens, we zijn dan wel een oude stad, maar wel mee met onze tijd!
Vandaag hebben we nog altijd een straatje dat Kraanrei heet. Stiekem onder de grond loopt daarlangs nog een waterloop. En wij, we hebben een goeie reden om hier ons aller Tony Willems ter sprake te brengen. Tony, in zijn gloriedagen gekend als regisseur van stoeten en processies, heeft een boontje voor die ondergrondse reie en wil de stad over de streep halen om dat waterloopje deels weer open te leggen.

Komt daar iets van terecht, dan hoort u het van ons, maar in afwachting stroomt dat stille water braaf onder het huidige Kraanpleintje door. Op de miniatuur van Simon Bening zie je hoe de stadskraan daar vlakbij dient voor het lossen van wijnvaten. En terwijl de ‘kraankinderen’ zich in het kraanwiel in ’t zweet werken, wordt lustig wijn geproefd.

Dorst? ’t Was in de buurt van het Kraanplein dat je moest zijn! En kijk, sindsdien is dat pleintje altijd dorstig gebleven. Weten we van diezelfde Tony Willems, die daar in zijn jonge jaren in de befaamde Korrekelder, het miniatuurtheatertje, in de weer was. Toneelmens, wat wil je. Laatst vertelde hij ons hoe toeschouwers èn acteurs in dat krappe keldertheatertje noodgedwongen langs de enige toegang binnen en buiten wandelden … voorbij de bar. Hoe je als acteur, eenmaal de schmink  van je snoet gewassen, geen andere keuze had dan met je toeschouwers aan de toog te blijven hangen. Dorstige buurt, het Kraanplein.



En dan vermelden we nog de Vuurmolen niet. Vele jaren lang dè stek waar je als Bruggeling ging feesten, doorzakken, een lief versieren of dat lief de bons geven en een ander lief binnendoen. En pinten drinken, dus. Tot een handvol jaren geleden, toen in de Vuurmolen het laatste lege vat werd buiten gedragen. Het Kraanplein bleef achter, verweesd en dorstig.
Maar ziet, de voorbije maanden werd dat stukje Brugge heraangelegd. En vandaag doet die hoek zijn reputatie opnieuw alle eer aan, kan je er weer terecht voor leute, vertier en bier. Ook weer in de Vuurmolen, hèt voormalige ankerpunt, dat zopas een nieuwe naam kreeg èn een heel nieuw elan. Het is, als vanouds, weer een plek waar je je dorst laven kan.
Dus ja, er is een gloednieuwe kraan op het Kraanplein.
Een tapkraan is ook een kraan. Toch?

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Over toneel, Van feesten en vieren, Van stoeten en processies | 8 Comments

Wachters aan de Gentpoort

Tot eind juni blijft wie naar Brugge komt veelal gespaard van ‘bruggenmiserie’. Wegens werken bij de Dampoort komen geen vrachtboten langs. Even zijn er minder ‘wachters aan de poort‘ …

Fiets je wel eens vanuit Assebroek naar de binnenstad, ben je af en toe wachter aan de Gentpoort. Da’s niet om mee te lachen en dat doe je dan ook niet. Dan zucht je, samen met alle anderen die je lot delen, en hou je je klaar.  Een legertje fietsers, schouder aan schouder. De blik, stuurs over het stuur, stadwaarts gericht. Het heeft iets van een troep strijders, uitziend naar een teken van de hoofdman om de poort te bestormen.
De Gentpoort kan ervan meespreken, van zo’n dreiging. Al is het lang geleden, ze herinnert het zich nog.  Er waren nog geen fietsen, wie naar de stad kwam deed dat te voet, te paard of met paard en kar. Maar soms kwamen ze ook met kwade bedoelingen. Dan waren ze daar ineens met velen tegelijk, met man en macht, met zwaard en pijl en boog in de aanslag.
De stadspoorten hadden allemaal iets van een versterkte burcht. Zo had de Gentpoort een zogenaamde ‘voorpoort’, letterlijk voor het hoofdgebouw.  En stadswachten die

paraat stonden bij het hierboven omschreven onheil. Wachters aan de Gentpoort, ’t was niet om mee te lachen en dat deed je dan ook niet.
De voorpoort werd in de jaren zeventienhonderd gesloopt. Ze maakte plaats voor een draaibrug, zodat boten vanuit Gent langs de ringvaart de coupure konden bereiken. Het hoofdgebouw bleef gespaard, niet zelden kreeg zo’n poort een nieuwe invulling als kantoor voor het innen van belastingen op ingevoerde goederen, het werk van een soort stedelijke douane. Wachters aan de Gentpoort en daar viel niet mee te lachen. Wie spullen invoerde deed dat dan ook niet.
Maar ook die tijd ging voorbij en in de vele jaren erna vroeg de Gentpoort zich soms af waartoe ze nog diende. Tot iemand op het idee kwam om er een museum in onder te brengen over de geschiedenis van de stadswallen. Het museum kwam er, bezoekers amper. Het museum ging weer dicht.
Maar kijk, sinds enkele weken is weer leven in de poort. De gidsen van de Gidsenbond hebben ze ingepalmd. Met vreedzame bedoelingen, wat had u van stadsgidsen verwacht?
En hoewel niet meer het glorieuze bouwwerk van in haar gloriedagen, is de Gentpoort nog altijd een imposant ding, van buiten èn binnenin. Wanneer je langs de eeuwenoude wenteltrap

naar boven klautert, wacht je een verrassende uitkijk over de stad en zijn wijde omgeving. Vanuit een gedroomd nest waar onze stadsgidsen reikhalzend uitkijken naar de terugkeer van wie Brugge wil bezoeken. Nooit eerder was het zo’n beloftevolle job , wachter aan de Gentpoort.

Een verkenning langs Brugse trekpleisters, een geleid bezoek aan de Triënnale, een fietstocht in het Brugse, een originele themawandeling, daar hebben we stadsgidsen voor: https://www.bruges-guides.com/

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van toeristen | 8 Comments

Van zeven burgemeesters

De klasfoto kwam onverwachts aan het licht, zat al die jaren verstopt, achter in een lade. Een twintigtal knapen, de ene is al meer opgeschoten dan de ander, de ene sukkelt allicht meer met acné dan de ander. En bij enkelen mag van thuis hun haardos wat langer. Maar allemaal met zo’n onmogelijke olifantenpijpen-broek en veelal met houthakkershemd. Schooljongens in een Brugse school in de jaren zeventig. Er is wat te doen in ’t stad, in die tijden. We horen geroezemoes, hier en daar. Brugge heeft een burgemeester en daar zijn nogal wat mensen niet content mee.

Hij heet Michel Van Maele en binnen zijn partij, de in het nieuwe Groot Brugge redelijk oppermachtige CVP, is hij dè sterke man. Ambitieuze mens en als je sommigen mag geloven is hij het vlees geworden eigenbelang. Althans, dat lezen we met graagte in een stadskrant met een naam die voor twijfel weinig ruimte laat: de Lastige Bruggeling. Dat gazetje ligt hier en daar. In de Cactus, onder meer, cafeetje waar ze tenminste goeie muziek draaien. Links oord, al vinden we dat eerder bijzaak. We volgen dat politiek gedoe graag, maar vanop de zijlijn. Hebben andere dingen aan het hoofd. Er zijn lessen en soms examens en tussendoor moet ge ook nog aan een lief zien te geraken. Het leven van een jonge gast, geen sinecure.

Maar toch, dat tot de verbeelding sprekende tumult, daar leer je veel van. Over Van Maele die amper een jaar of vijf eerder de burgemeesterssjerp heeft afgesnoept van zijn partijgenoot Pierre Vandamme. Dat geschiedde onder niet heel zachte dwang. Maar er komen verkiezingen, najaar 1976, waarbij Van Maele naar de oppositiebanken wordt verwezen. Frank Van Acker is nu burgemeester. Zijn vader Achille was een legendarisch eerste minister, maar een socialist als burgemeester? Neen, dat was in Brugge ongezien.



En je groeit op en blijft die lokale politiek volgen. Bij het plots overlijden van Frank Van Acker komt Fernand Bourdon in zijn plaats, een paar jaar. Om dan de fakkel over te dragen aan een jonge Patrick Moenaert en zo zijn we weer bij de ‘tsjeven‘. Moenaert houdt merkwaardig lang stand. Te lang, fluisteren sommigen, ook in zijn eigen rangen. Zijn gedoodverfde opvolger, Dirk De fauw, moet het in de spurt met een banddikte afleggen van Renaat Landuyt, weer een sos. Maar zes jaar later moet Renaat zijn rivaal Dirk De fauw toch laten voor gaan.
Dat vertel ik allemaal aan dat ene gastje op die klasfoto, op de eerste rij, derde van rechts, onmiskenbaar één van de kleinsten van de bende. Maar hij luistert niet echt, is meer geïnteresseerd in wat er van hemzelf worden gaat. Ik kan hem gerust stellen, hij zal zijn draai wel vinden. O ja, en een lief.
In het najaar van 2018 bouwden wij, tijdens het erfgoedweekend, in het Rijksarchief een tentoonstelling omtrent Brugse verkiezingsaffiches. Er kwam behoorlijk wat volk over de vloer. Ruime belangstelling ook vanwege plaatselijke politici, de toenmalige burgemeester incluis. Of dat iets van doen had met de gemeenteraadsverkiezingen van dat najaar?
Een kort filmpje over die tentoonstelling vindt u hier: https://www.youtube.com/watch?v=jjGU_IwMnYk

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Over affiches verzamelen, Van Brugse politiek | 9 Comments