Posted in Zonder categorie, voorlopig | Leave a comment

Kili Watch in Brugge

De Zandfeesten, de brocantemarkt die drie zomerzondagen het Brugse Zand inpalmt, het is op die veredelde rommelmarkt dat ik de affiche vind. Een eenvoudig document dat weer thuis komt, dik zestig jaar nadat het onze stad op de hoogte bracht van het derde lustrum van de ‘Universitaire Kring ’t Brugs Beertje’ in hotel Portinari, toen nog aan de Garenmarkt. Wat verfrommeld en vergeeld, met erop niet meer dan een handvol woorden, veel hoef ik er niet voor op te diepen.

Wat verfrommeld en vergeeld, met erop niet meer dan een handvol woorden …

Terwijl ik de verkoper dat handvol centen aanreik, zie ik haar passeren langs de terrassen van de Vrijdagmarkt. Bedachtzaam steunend op haar rollator, maar met heldere blik en opgeheven hoofd kijkt zij in het rond, alleen het stappen valt haar moeilijk. Een dame op leeftijd, maar onmiskenbaar vooral een dame. Hopend dat het haar lukt, heelhuids van de stoep af te komen, kijk ik nog een keer om. En even is er de gedachte dat lang geleden, in haar jeugdjaren, alle jongens omkeken naar het fraaie meisje dat ze toen allicht was. Zal ik even goeiedag zeggen? We zijn zo zelden benieuwd naar het misschien ongemeen boeiende leven dat oude mensen, met elke behoedzame stap die ze zetten, achter zich laten. Maar voor ik de kans krijg om haar aan te spreken, is ze aan de babbel met iemand op een terras.
Soms is het bestaan tegelijk simpel en schoon. Zelf ben ik tevreden met mijn bescheiden aankoop en de oudere dame is niet alleen. De affiche die ik onder mijn arm meeneem naar mijn fiets, verderop, en die vrouw, ze hebben wat gemeen. Het onopvallende van hun ouwe dag laat niets vermoeden van de opwindende tijden waarop ze terugblikken.

De Universitaire Kring ’t Brugs Beertje, opgericht kort na de Tweede Wereldoorlog, zou het, naar wij vernamen van wie het weten kan, uitzingen tot midden de jaren zeventig. In de loop van die dertig jaar prijken op de praesidium-lijst nogal wat namen die later hun prominente stempel zouden drukken op onze stad. Sommigen als arts, als advocaat, anderen op het culturele of politieke toneel. Studenten die luisteren naar namen als Pieter Leys, William De Becker, Fernand Traen … Wie al wat langer het Brugse leven volgt, hoort belletjes rinkelen.

Ook in hun studentenjaren die slimmerds van ‘t Brugs Beertje al niet stil. Ze organiseren voordrachten en soortgelijke serieuze initiatieven, maar daarmee houdt het niet op. Een toneelavond in de Volksschouwburg ofte de Gilde aan de Oude Burg? Een voetbalmacht tegen de koorzangers van Cantores? Met carnaval een ‘bal masqué‘ in zaal Concordia in de Zuidzandstraat? Eén naam, ’t Brugs Beertje! En ook bij andere gelegenheden wordt de dansvloer opgeblonken.
Zoals die avond op de affiche van het jaar 1961. ’t Brugs Beertje viert zijn vijftiende verjaardag, een derde lustrumfeest. Eerder huurden ze wel al een keer de foyer van de stadsschouwburg af voor zo’n avond, toen met de befaamde violist Eddy De Latte die met zijn salonorkest beschaafde muziekjes bracht.

Is ’t omdat het er dit keer wat meer losjes aan toe zal gaan dat ze de foyer van de schouwburg inwisselen voor het hotel aan de Garenmarkt?
De affiche oogt goed met de band van Norbert Goddaer, vakman met

Norbert Goddaer, vakman met een hart voor jazz.

een hart voor jazz. Dat Norbert heel veel later dat muzikale gen zal doorgeven aan zijn zoon, die er als Ozark Henry mee zou scoren, die avond heeft het jonge volkje daar geen boodschap aan.
Jong Brugge kijkt vooral uit naar de komst van The Cousins! ‘Kili Watch’, de monsterhit van het Belgische gitaargroepje, groeit op dat eigenste moment uit tot een wereldsucces. Niet moeilijk om ons voor te

Jong Brugge kijkt vooral uit naar de komst van The Cousins!

stellen dat Brugge lichtjes op zijn kop staat wanneer in de krant te lezen valt dat ’t Brugs Beertje zo’n sterren kon strikken. Ja, we hebben hier in Brugge lokaal wel al wat prille rock & roll, Ricky Morvan voorop. Maar The Cousins, al zijn het muzikaal brave broertjes van de Engelse Shadows, hebben een wereldhit te pakken, da’s toch even een ander kaliber.
Gaat de zaal uit de bol? Joelende fans, gillende meiden?  We weten het niet. In de krant van die dagen vind je vooraf wel die enthousiaste aankondiging, maar jammer, achteraf geen verslag over die avond.
Maar weet je wat, ik passeer eerstdaags nog een keer langs de Vrijdagmarkt. Als ’t echt mee zit, drink ik op een terras een koffie met een mevrouw op leeftijd die met ogen vol heimwee terugblikt op een zotte oktoberavond in 1961.

Hoe ging dat ook weer, Kili Watch? https://www.youtube.com/watch?v=k4Xj1X7V3J8

Posted in Het Brugge van toen, Over affiches verzamelen, Over toneel, Van feesten en vieren, Van gitaren en drums, Van zingen en spelen | 4 Comments

Het meneerke en Otobong Nkanga

Een paar maanden geleden, een gezapige voorjaarsavond in de oude binnenstad. Aan de voet van de waakzame toren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, waar ze lang geleden twee hospitalen bouwden. Twee Sint-Jannen, het ene  weliswaar eeuwen ouder dan het andere en elk met een heel eigen geschiedenis. Een smalle doorsteek in de voorgevel van het middeleeuwse gebouw brengt je naar het jongere voormalige hospitaal.
Uw dienaar wandelde van bij de straat langs die doorsteek en uit de andere richting kwam een jonge vrouw zijn kant op. Haar kleine hond, vrolijk huppelend aan zo’n lange touw die het beestje de vrijheid gaf om rond te snuffelen. En dat was wat het hondje deed, rondsnuffelen.
De vriendelijke dame en ik knikten mekaar goeiedag toen het beestje plots besloot, zijn instinct te volgen. En bij honden wil dat zeggen, zijn neus. Tegen de zijmuur van de doorsteek was iets te ruiken dat hem vlak voor mijn voeten tot stilstand bracht. Heel even moest ik stoppen, gehinderd door het nieuwsgierige kleinood. Zelf hondenliefhebber zijnde, had ik daar niet de minste moeite mee, maar de jongedame vond dat ze het mij lastig maakte. Haar reactie was er eentje om lang te onthouden. Op trieste toon sprak zij de verontschuldigende woorden “Oh, sorry, meneerke!
De dame en het hondje vervolgden hun weg, net als ik. Maar amper een paar stappen verder hield deze knaap halt. Om verbaasd zijn hoofd te schudden. Voor het eerst in zijn leven sprak iemand hem aan met ‘meneerke’ …
Deze namiddag, op weg naar het Sint-Janshospitaal, het oudste van de twee, wandelden mijn wederhelft en ik door diezelfde steeg. Stiekem hoopte ik de jonge vrouw met haar hond tegen te komen, benieuwd of ze mij zou herkennen als het meneerke van toen.

Dat vertrouwde museum krijgt deze zomer
een heel uitzonderlijke invulling.

Ik had haar graag bedankt voor de wijze les die ik van haar kreeg. De simpele waarheid, dat een man vanaf een zekere leeftijd maar best aanvaardt dat, ooit op een doordeweekse avond, iemand hem aanspreekt als meneerke. Er is voor alles een tijd, de bijbel wist het al.
Zij was er niet, maar niet getreurd, wij waren op weg naar een andere madam. Ze heet Otobong Nkanga en ze heeft een tentoonstelling in het oude hospitaal. Het trotse monument dat tot ver buiten onze stadsgrenzen geroemd wordt om zijn authentieke, eeuwenoude sfeer en zijn meesterwerken van Hans Memling. Dat vertrouwde museum krijgt deze zomer een heel uitzonderlijke invulling. Voor het eerst sinds mensenheugenis is het merendeel van het historisch materiaal er weggehaald om Otobong Nkanga, kunstenares van internationale allure, haar ding te laten doen.

… de aanwezige kunstwerken,
van Jan Beerblock tot Hans Memling …


Zal ik maar meteen bekennen dat ik, wat die beroemdheid van haar betreft, maar best niet te hoog van de toren blaas? Eerlijk, Otobong Nkanga was mij tot voor kort helemaal onbekend. Maar gelukkig kwam daar dus een einde aan met ‘Underneath the shade we lay grounded’, haar tentoonstelling waar we de tijd voor namen. Je tijd nemen voor de dingen
die er toe doen, daarover gaat de beeldtaal van Otobong Nkanga. Tijd om stil te staan bij datgene waaraan je in ’t dagelijks leven achteloos voorbij leeft.
Hoe lang is het geleden dat ik zo onder de indruk was van actuele kunst? En waaraan ligt dat? Toch niet aan de marketing, slim maar op het randje van opdringerig, waarmee de expositie overal in de stad wordt kenbaar gemaakt?
Neen, het is de overdonderende eerste indruk. De brede waaier aan materialen, invalshoeken, sferen. De wijze waarop Otobong de aanwezige kunstwerken, van Jan Beerblock tot Hans Memling, en haar eigen kunst met mekaar aan de praat krijgt … En vooral dat alles samen. Hoe het imposante interieur van het gasthuis

… net zo nadrukkelijk over de dood
als over het leven.

herademt door de nochtans forse ingrepen van Otobong, de frisse wind die ze langs de muren en over de vloer van het museum laat waaien doet deugd. Al gaat het in dat project van haar net zo nadrukkelijk over de dood als over het leven. Het is de kringloop der dingen en hoe wij daarmee omgaan die haar aangrijpt. Haar verhaal vertelt ze op warme toon in een filmpje dat op de zolder van het museum op u wacht, en ze haalt u helemaal over de streep.
En zodoende komt ondergetekende beslist nog een keer langs bij Otobong Nkanga, wiens naam hem intussen vertrouwd is als was zij zijn buurvrouw. Bij dat komende bezoek zal zij hem mogelijks nog één en ander bijbrengen.
Een aanrader? Zeg maar ja. Want al volgt u aan geen kanten de krachtlijnen in de actuele kunstwereld, toch zal haar werk, vermoed ik,  u aanspreken. Haar wijze van kijken, voelen, ruiken, raakt verraste toeschouwers. Alle toeschouwers? Zelfs een eenvoudig meneerke.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van schilderen en plaasteren, Van zin, zen en zijn | 6 Comments

Van ’t Groot Tornooi en bloemkolen.

Toen het Groot Tornooi doorging, in de zomer van 1974, zat Sarah nog in de bloemkolen. Vandaag is Sarah actief bij de Brugse Erfgoedcel, dus ik durf te hopen dat ze inmiddels wat vertrouwd is met volkse vertellingen. En anders expliceer ik het haar wel, als ze de affiche van Arno Brys over het tornooi komt ophalen, wat het wil zeggen dat ze nog in de kolen zat.
Het is goed, te weten dat jeugdig volk nog warm loopt voor erfgoed. En als dat jong grut dan ook nog enthousiast vraagt naar een specifieke affiche van jaren geleden, doet dat niet enkel deugd, het verrast ook. En er is meer dat mij verbaast. Want van iemand als Sarah, jong in deze digitaal verwende eeuw, verwacht je niet meteen bewondering voor het oude werk van een ook al oude meneer als graficus Arno Brys.

… als ze de affiche van Arno Brys
over het tornooi komt ophalen …

Een meneer uit een tijd waarin papier nog drager was van boodschappen van allerlei slag. Een tijd waarin affiches nog onmisbaar waren voor al wie iets te verkondigen had. Zoals de organisatoren van het Groot Tornooi op de Brugse Markt.
Een prestigieuze historische evocatie zou dat worden, bedacht door regisseur Tony Willems, een feest waar Brugge nog jaren zou van nagenieten. Een project met allure en dus mag het niet verbazen dat ze voor de inkleuring van één en ander aanklopten bij Arno Brys. Voor de affiche? Jawel, maar niet alleen voor de affiche. Een totaalspektakel van die omvang vroeg om veel meer dan alleen promotiemateriaal.

Wellicht speelde u als kind ook wel een keer soldaatje of riddertje. In het beste geval met een houten zwaard en het deksel van één of andere afgedankte pot als schild, u weet het nog. Maar als grote mensen vechtertje spelen, hebben ze meer ambitie. Dan wordt alles uit de kast gehaald voor de meest secure reconstructie van een historisch tornooi. Het ietwat ongemakkelijk klinkende begrip re-enactment dat nog niet zo lang geleden aan onze woordenschat werd toegevoegd, daar ging het die keer om. Alles, maar dan ook alles zou worden uitgewerkt tot in de kleinste puntjes.
Tussen hoge tribunes werd de bestrating van de Markt opgebroken om alles op een onverharde ondergrond te laten doorgaan. Om van hun paard vallende ridders min of meer veilig in het zand te laten bijten. Het plein onderging een totale metamorfose. Tenten, vlaggen, baldakijnen, versierselen alom, een decor waarin ridders, jonkvrouwen, jongleurs en valkeniers zich thuis voelden.
Tony Willems trommelde een gerenommeerd Engels team van stuntmannen op voor het echte werk, compleet met op mekaar af stormende ridders te paard en stoere zwaardgevechten. En vele tientallen Bruggelingen als prominente edelen en kleurrijk uitgedoste figuranten.
Een halve eeuw later halen stadsgenoten nog altijd herinneringen op aan dat Groot Tornooi. Elk zijn avontuur, elk zijn herinnering. Zoals die van een nog jonge Dominique Berten, die tornooiknecht mocht spelen en tot zijn verbazing tijdens één van de repetities ongevraagd de teugels van twee forse paarden in handen kreeg geduwd, om de nerveuze beesten doorheen een Philipstockstraat vol geparkeerde auto’s te leiden. Of van Tony Willems zelf, die ons vertelde over de schone romance die zich ontspon tussen één van de Britse stuntmannen en een Brugse jonkvrouw. Zij leefden lang en, naar wij graag aannemen, gelukkig.

Bleef de steekspelenkoorts beperkt tot die ene keer? Was dat maar zo. De vraag wie op het onzalige idee kwam om vele jaren later dat unieke tornooi nog een keer over te doen, die laat u

Bleef het bij die ene keer, het steekspelenverhaal? Was dat maar zo.
… een historisch tornooi
in het verre 1907.

maar beter achterwege. Wellicht steekt niemand zijn of haar vinger op. Brugge wordt liever niet herinnerd aan de beschamende taferelen die zich in het voorjaar van 2006 op de Markt afspeelden. Uit wat de pers van die dagen vertelt over dat tornooi kan men enkel opmaken dat het scenario volstrekt ongeloofwaardig was opgebouwd. Met een Jan Breydel en Pieter de Coninck die niet op de Groeningekouter tegen de Fransen vochten maar tegen mekaar op een goedkope middeleeuwse kermis. Waarbij de stuntmannen van dienst niet zozeer bloeddorstig maar eerder bierdorstig op het toneel verschenen. Misschien maar goed dat de publieke belangstelling voor het spektakel tegenviel.

Wat goed geweest is hoef je niet altijd te hernemen, zou dat dan toch waar zijn? Dat we een goede herinnering maar best gewoon herinnering laten zijn?
Hola, merkt de aandachtige lezer op en wijst op een affiche die hier een paar weken geleden werd opgediept. Ook over de evocatie van een historisch tornooi, in het verre 1907. U hebt een punt, aandachtige lezer, het Groot Tornooi van 1974 was op zich zowaar ook al een herneming.
Of het toen, meer dan honderd jaar geleden, nóg indrukwekkender was, dat eerste ridderspektakel? Wij kunnen het u niet vertellen, we waren er niet bij. Hoe dat komt, dat willen wij u wel uitleggen. Hebt u even? ’t Is iets met bloemkolen.

Posted in Het Brugge van toen, Over affiches verzamelen, Van feesten en vieren, Van stoeten en processies | 5 Comments

’t Gebouwverlof … lotgevallen van een schouwburg

Na elk theaterseizoen is onze stadsschouwburg aan wat maanden rust toe. Van in de prille herfst tot een stuk in ’t voorjaar stelt de aloude cultuurtempel zich ten dienste van speellieden van allerlei slag. Toneelgezelschappen, muziekmakers, dansers en weet ik veel wie allemaal eigenen zich al die tijd onze schouwburg toe. En dus gunnen wij, na al dat maandenlange kabaal, die bejaarde madam in de Vlamingstraat een welverdiende zomerslaap.
Tenminste, dat gunden wij haar tot voor kort. Want vandaag de dag blijft van haar congé niets meer over. En al weet de trouwe lezer van deze blog dat wij zelden met de beschuldigende vinger wijzen, in dit geval kunnen we het niet laten. ’t Is namelijk de schuld van Dominique Berten, voilà, nu weet u het.

Dominique Berten, u kent hem. Al van in zijn jonge jaren treft u hem hier of daar op of achter een Brugs podium. Als regisseur of acteur bij De Valk en nogal wat andere toneelgroepen. Hij was betrokken bij stoeten en reiefeesten en sleet het grootste deel van zijn beroepsloopbaan als theatertechnicus in … jawel, de schouwburg. Waar het nut van elk knopje, de sterkte van iedere lamp en het kreunen van elke plank hem vertrouwd is. Welnu, ’t is door die knaap zijn toedoen dat onze schouwburg ook in zomertijden geen rust meer kent.
Hoe dat komt? ’t Gebeurde al even geleden. In welke uithoek van de schouwburg kunnen wij u niet vertellen en het maakt ook weinig uit. Want ouwe spullen vond je overal in het gebouw. Zoals de zolders tot tegen de hanenbalken volgestouwd lagen met sinds lang vergeten materiaal, zo was ook de kelder volgepropt met dingen waar sinds mensenheugenis niemand naar omkeek. En op een dag kwam Dominique er langs. En vroeg zich af of hetgeen rommel werd genoemd ook ècht rommel was. En dus ging hij op onderzoek. Wat hij zocht wist hij niet, maar wat hij vond verraste hem. Wat al jaren stof vergaarde, bleek niet zelden ongewoon oud en soms bijzonder waardevol toneelmateriaal.

… affiches die vertellen over wat allemaal
te beleven viel in dit huis.

Erfgoed heet zoiets tegenwoordig en daar hebben we bij ons de Erfgoedcel voor. Die werd bij het avontuur betrokken en van het één kwam het ander, zo gaat dat. Het technische team van de stadsschouwburg trad, zoals dat heet, buiten zijn comfortzone, zette zijn schouders onder een weinig alledaagse uitdaging. Roestige resten van een vergeeld verleden en rekwisieten van talloze seizoenen geleden kregen nieuw leven ingeblazen. En omdat ook de schouwburg zelf veel te vertellen heeft kwam men op het idee van een ontdekkingsparcours doorheen het gebouw. In de zomer is in dit pand toch niets te doen, tiens! En lap, onze geliefde schouwburg mocht dat jaarlijks verlof schrappen.

Zo komt het dat het cultuurhuis de hele zomervakantie open blijft. En zoals wij hierboven al aangaven, de trouwe lezer kent ons. Weet dat wij zelden de loftrompet blazen, maar hier hoort echt wel enig klaroengeschal!

u mag één keertje raden wie.

Er valt best veel te ontdekken. Ja, ook een paar honderd reproducties van affiches die vertellen over wat door de jaren heen allemaal te beleven viel in dit huis. Affiches uit ’t stadsarchief èn uit de collectie van een verzamelaar, u mag één keertje raden wie.
En natuurlijk is er vooral het monument zelf, waar u misschien al ontelbare keren een voorstelling bijwoonde. Maar vergeet de rol die u zich op zo’n avond aanmeet. Dit keer komt u niet als toeschouwer maar als ontdekker. Als gluurder, bij momenten. En vergeet ook maar de rol die de schouwburg dan speelt. Want uw stadsschouwburg heeft zich getooid met het onverwachte. Wij overdrijven, meent u? Wel, ’t is aan u om dat na te gaan. En dat kunnen wij u dus aanbevelen.

… deuren waarachter zich de geheimen
van zolder en toneeltoren ontsluiten.

Nog tot het eind van deze zomervakantie laat de Brugse schouwburg u kiezen tussen twee formules om langs te komen. Drie, zelfs, maar de ontbijtformule is volzet, intussen. Doch niet getreurd, van donderdag tot maandag kan u in de namiddag op eigen houtje op verkenning langs het parcours.
Maar èchte ontdekkingen zijn voorbehouden voor wie online inschrijft voor een rondleiding.
Dan staat op donderdag, vrijdag en zaterdag in de ochtend iemand van eigen huis klaar om met u door de schouwburg te dwalen. En nóg meer deuren te openen, deuren waarachter zich de geheimen van zolder en toneeltoren ontsluiten.
En weet u wat? Het komt ons voor dat onze schouwburg, die statige dame, stiekem trots is op haar zomer zonder verlof.
’t Is maar een indruk, we kunnen ’t fout hebben. Maar in dat geval verwijzen wij haar naar Dominique Berten. ’t Is allemaal zijn schuld, tenslotte.


Praktische info omtrent ‘De schouwburg vertelt’, reservaties en zo, vindt u hier: https://www.ccbrugge.be/agenda/2884/de_schouwburg_vertelt/

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Over affiches verzamelen, Van zingen en spelen | 5 Comments

Thomas Pips en het plassend vrouwtje

’t Waren de jaren waarin wij klein waren en Jacques Anquetil en Felice Gimondi groot. Want de Ronde van Frankrijk winnen was in onze ogen zowat het hoogste wat je bereiken kon. En zodoende koersten we op warme vakantiemiddagen de longen uit ons kinderlijf over de kasseien bij de dorpse kerktoren, in de wetenschap dat op een dag eeuwige roem ons deel zou zijn. En in de vooravond passeerde de koerier van ’t Volkske met het Ronde-gazetje. Dat was het moment om onze velootjes in de graskant achter te laten, we moesten eerst op zoek naar de muis in de tekening van Thomas Pips. Wie het muisje vond was de winnaar. Minder lastig dan de ronde winnen, maar toch een vondst om trots op te zijn.

Pips en Wally
’t Is overigens ook een knappe vondst van striptekenaar Buth, dat zotte idee om elke keer zo’n amper vindbaar, minuscuul beestje in zijn warrige tekeningen binnen te smokkelen. Jong en oud, iedereen liet zich door zo’n onnozel spelletje verleiden. En laten we het maar toegeven, tot de dag van vandaag voelen u en ik ons uitgedaagd door zo’n drukke tekening met daarin een piepklein ding. Neem nu het antwoord op de befaamde vraag ‘Waar is Wally?’, dat zocht u toch ook al een keer? Dan speurt het kind in u op overvolle kleurplaten naar een mannetje in wit-rood gestreepte jas. Was de muis in de prenten van Thomas Pips de voorloper van Wally?

Marcus Gerards
Welnu, lang, heel lang voor tekenaar Martin Handford zijn eerste Wally op papier zette was een andere tekenaar hem al voor.  En die tekenaar van toen deed dat hier bij ons, in ons eigenste Brugge. Zijn naam was Marcus Gerards.

Een herdruk, anno 1941 …
zelfs in oorlogstijden.

Marcus Gerards, u kent hem ongetwijfeld van zijn fameuze plan van het Brugge van de zestiende eeuw. Wie weet, bent u één van de vele Bruggelingen die ergens in huis zo’n ingekaderd, panoramisch stadsplan koesteren.

In het midden van de jaren vijftienhonderd heeft de stedelijke overheid alle redenen om dat huzarenstuk te laten ontwerpen. Want onze stad zit verveeld met een ferm imagoprobleem. Brugge, is dat niet die havenstad die door het verzanden van het Zwin nog amper te bereiken is vanop zee? Een prestigieus stadsplan moet de buitenwereld op andere gedachten brengen. En Marcus Gerards gaat aan het werk. Hij tekent een havenstad die imponeert. Door zijn omvang, door zijn reien waarop hier en daar bootjes aan en af varen.
Met buitenmaats breed getekende grachten om de hele stad heen. En kijk, Brugge heeft een kanalenverbinding met de dichtbij gelegen voorhavens Damme en Sluis, amper een ferme boogscheut van de stad vandaan!

… in 1996 een grootse maquette in de toenmalige Bank van Roeselare.

De verbazing en bewondering, tot vandaag, om het pronkstuk dat Marcus Gerards realiseerde! Op zijn plan kan je verdwalen in het Brugge van het jaar 1562. Hoewel, verdwalen? Elke straat, elk belangwekkend gebouw, elke brug laat zich traceren!

Interpretaties
In de loop der tijden bleef de kaart tot onze Brugse verbeelding spreken. ’t Mag dan ook niet verbazen dat ze heel vele herdrukken kende.
En dat sommigen aan de slag gingen met een heel eigen interpretatie. Zo trof je in 1996 een grootse maquette in de toenmalige Bank van Roeselare, in huis ‘Ter Beurze’ in de Vlamingstraat. Weet iemand waar dat grootse vakwerk, waaraan de bouwer ontelbare uren besteedde, later terecht kwam?
In het Huis van de Bruggeling, bij het station, vinden we vandaag dan weer een heel markante versie van het stadsplan van Marcus Gerards. Luc Dusauchoit uit Sint-Andries tekende het complete plan op dubbele grootte … helemaal in potlood!
En nog altijd voelen sommigen zich uitgedaagd door Marcus Gerards. In deze tijden uiteraard ook digitaal. Met voorop Koen Goeminne, Brugs historicus. Hij werkt aan een versie van het plan in hoge resolutie. Dat klinkt technisch en minder spectaculair dan wat

… het complete plan op dubbele grootte … helemaal in potlood!

u hierboven las, maar Koen maakt zich sterk dat de kaart van Marcus Gerards meer details zal vrijgeven dan ooit voorheen. Wat door ons met veel belangstelling wordt gevolgd.

Er zijn een handvol merkwaardigheden aan ‘ons’ stadsplan. Zo is op de kaart in de hele binnenstad geen levende ziel te bespeuren. Pas bij de omwalling en verderop in het landschap ontwaar je hier en daar beweging. En daar zijn we dan, eindelijk, helemaal terug bij het begin van dit verhaal.

Het plassend vrouwtje
Want wat tekent Marcus Gerards, daar op de vesten? Hou u vast, dicht bij het lommer van wat struiken nabij de Dampoort, ontwaar je een heel klein mensje. Het vraagt goede ogen en enig geduld om het te vinden, het figuurtje waarvan steevast wordt beweerd dat het een plassend vrouwtje voorstelt. Neen, we gaan niet in detail en het vergt wat goeie wil om dat te bevestigen. Maar ze zit er, onmiskenbaar. Marcus Gerards, die wel meer ontwerpen op zijn naam heeft staan, zou naar men zegt nog wel een keer dat pissend madammeke tekenen als een soort van ludieke knipoog.
U kent ons, waarde lezer, dus mag het niet verbazen dat wij langs gingen in ’t Huis van de Bruggeling, bij de reuze-potloodtekening van Luc Dusauchoit. Nieuwsgierig naar … En wat blijkt, zowaar? Dat Luc het vrouwtje helemaal nièt tekende, de sloeber! Geschiedenisvervalsing? Ach, Luc liet hier en daar ook wel een zwaantje achterwege, ’t is hem vergeven. Maar toch kijken we met achterdocht uit naar de digitale superversie van Koen Goeminne!
De kaart van Marcus Gerards, voorloper van onze hedendaagse prenten die wij graag uitkammen, op zoek naar kleinigheden. Naar men zegt kan je op die kaart van hem bij een handvol huizen rook uit de schouw zien opstijgen.
En ja, wij hebben hier zo’n kaart in huis. Dus we  moeten dringend een keer op zoek naar rokende schoorstenen. Wachten ons nog verrassingen? Wie weet, wat nog te ontdekken valt in de uithoekjes van dat aloude stadsplan. Bij zo’n Marcus Gerards weet je nooit wat je vindt. Wally? De muis van Thomas Pips?

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van schilderen en plaasteren | 11 Comments

De Grote Bastaard en ik.

Hoe het begon, dat verzamelen, dat vertelde ik u enkele verhalen geleden. Ergens diep in de jaren negentig, met affiches die mij van her en der werden toebedeeld. Wat ooit ‘Brugge in affiches’ zou worden, ging van start met een stapeltje. En dat stapeltje groeide.
In het begin lijkt dat groeien snel te gaan. Met pakweg dertig affiches heb je er maar dertig van doen om je collectie te verdubbelen. Dat vandaag, met enkele duizenden exemplaren in huis, dat verdubbelen iets langer duurt mag weinig verbazen. Maar in den beginne maakt de vlotte aangroei van zo’n reeks affiches een mens dan ook overmoedig.

Eenmaal een handvol maanden bezig, waant de verzamelaar zich expert ter zake, volleerd kenner van de materie. Hij heeft immers affiches over tentoonstellingen en processies, over concerten en feesten en wat nog al. Wie doet hem wat?
Maar dan, op een dag, wacht de onvermijdelijke les in bescheidenheid. Op een rommelmarkt ligt een oude affiche. Je neemt ze voorzichtig ter hand, keurt ze. Voor het oog der goegemeente doe je dat met je meest secure kennersblik, je kan maar beter zeker spelen. Want stel dat iemand door heeft dat je amper kan inschatten wat je in handen hebt!
En ja, je koopt ze. Voor een heel redelijk bedrag, dat valt mee. Een aanwinst is het hoe dan ook, voor je al bij al nog belachelijk bescheiden collectie. Omdat ze oud is, 1907 staat erop. Maar meer nog, omdat ze vragen oproept. Vragen waarop je het antwoord schuldig blijft. Want al laat je de meneer bij wie je ze aanschaft in de waan dat je het kleinood niet echt hoog inschat, eigenlijk heb je er geen idee van wat je in huis haalt.

Brugge, de zomer van 1907
(foto Beeldbank Brugge)

De affiche heeft het over een ‘cortège historique’ en over een ‘tournoi de l’arbre d’or’. Een stoet? De Gouden Boomstoet? En hoe zit dat met dat tornooi? En waarom gaat dat allemaal door, twee keer na mekaar, in de zomer van 1907? En die ridder, is ‘Antoine de Bourgogne’, de naam die erboven staat, de zijne? En onderaan, onder de staart van het paard, is een soort signatuur amper leesbaar. Allemaal moeilijk op te lossen raadsels in die nog internetloze tijden. Of hoe zo’n affiche de verzamelaar weer met zijn stoutmoedige voetjes op de grond zet. Er valt nog veel te leren.

Maar veel tijd en nog veel meer affiches verder kan één en ander worden gemeld. Onder meer dat Antoine van Bourgondië een erkende bastaardzoon was van Filips de Goede. Filips was goed in een aantal dingen, hij had een twintigtal bastaardkinderen. Daar werd in hoge kringen blijkbaar minder moeilijk over gedaan dan vandaag. Als was het een soort geuzennaam, liet Antoine zich ‘le Grand Bâtard de Bourgogne‘ noemen. Hij zou overigens één van de bevoorrechte kinderen van Filips geweest zijn. En Antoine was van het sportieve type, stond aardig zijn mannetje in tornooien, dè topsport van de vijftiende eeuw.
En die historische evocatie in 1907? Wel, die kaderde, samen met andere feestelijkheden, in de inhuldiging van de haven van Zeebrugge.  En die krabbel onderaan de affiche is van

De postkaartenreeks van het tornooi, ook van Flori Van Acker.

Flori Van Acker, Brugs schilder en zowat de vader van de Brugse affiche. Pas later zou ondergetekende leren dat Flori Van Acker veel imposanter afficheontwerpen tekende dan dit sobere ontwerp.
Maar wie die ochtend op de rommelmarkt de knaap met zijn pretentieuze kennersblik gadesloeg, was er ongetwijfeld van overtuigd dat die dat allemaal al wist.

Posted in Het Brugge van toen, Over affiches verzamelen, Van feesten en vieren, Zeebrugge, de haven | 7 Comments

Michel Van Maele en Isidore Alleweireldt, mannen van de wereld.

Als man van de wereld door ’t leven gaan, Isidore Alleweireldt was het aan zijn familienaam verplicht. Al kostte hem dat weinig moeite, zijn bevoorrechte komaf hielp hem een aardig handje.  In het verpauperde Brugge van het jaar 1824 het levenslicht zien, gaf niet zelden uitzicht op een weinig rooskleurig leven. Maar Isidore had mazzel, zijn wieg stond in de ruime woonst van een bourgeois familie. Papa was een dokter met aanzien, lid van de vrijmetselaarsloge en stevig ingeburgerd in de lokale fine fleur, je kon het minder treffen.
En dus kon Isidore ‘voort studeren’. Hij werd architect en dat zal Brugge geweten hebben. We besparen u de opsomming van tientallen authentieke trapgevels die Alleweireldt vertimmerde in de stijl die bij de upper class in trek was, compleet met witgekalkte lijstgevel. Isidore’s creaties waren kinderen van hun tijd.

Dat waren ook de bouwkundige ideeën die burgemeester Jules Boyaval koesterde. Liberaal Boyaval wou komaf maken met het ouderwetse, gotische en dus katholieke imago dat zijn stad met zich mee sleepte. Brugge kon zich maar beter meten met èchte steden, met Brussel, met Parijs. In hoofdstraten met ruim bemeten rooilijnen zouden nieuwe, prestigieus ogende panden verrijzen met, jawel, van die hoge, ruim bemeten lijstgevels.
Minachting voor wat naar ‘ouderwetse gotiek’ verwees was aan de orde van de dag en Isidore Alleweireldt liet zich gewillig voor die liberale kar spannen. Meer zelfs, niet zelden leek hij in dat denken voorop te lopen. Dus mag het niet verbazen dat we zijn naam terugvinden bij een voorontwerp omtrent de nieuw te bouwen stadsschouwburg. Ook zijn voorstel om de binnenkoer  van de stadshallen van een koepel te voorzien lag al in die nieuwerwetse lijn.

Maar Alleweireldt ging pas echt loos toen hij een nieuw ziekenhuis mocht uittekenen. Het eeuwenoude Sint-Janshospitaal voldeed niet langer aan de evolutie in de ziekenzorg. En dus schiep onze architect een nieuw Sint-Jan, dat oprees achter het oude monument. Een slim bedacht concept met een groots binnenplein, omsloten door een pandgang. Ruime

raampartijen lieten het daglicht gulzig binnenvallen in de haaks op de pandgang gebouwde ziekenzalen. Eigentijdser kon je ’t niet bedenken.
Maar om het uitzicht op zijn meest prestigieuze bouwwerk ten volle tot zijn recht te laten komen vond hij er niet beter op dan … het hinderlijk in de weg staande middeleeuwse hospitaal te slopen. Ook de authentieke apotheek zou eraan geloven.

Zover kwam het niet. Naar verluidt omdat Isidore’s nieuwe hospitaal algauw iets te krap bemeten was en men het oude ziekenhuis toch nog diende te benutten.
Het ziekenhuis van Alleweireldt bleek na verloop van tijd ècht ruimte te missen en in de loop van de eeuw die volgde raakte het omzoomd met een krioelen van aanbouwsels, het ene nog lelijker dan het andere. Een uit zijn voegen gebarsten wirwar van koterijen, de naam ziekenhuis nog amper waardig. En dus werd in de jaren tachtig van vorige eeuw, eenmaal op Sint-Pieters de huidige kliniek gebouwd, nagedacht over de mogelijkheid om in de binnenstad dat in onbruik geraakte complex van Isidore Alleweireldt te slopen.

En waarom ook dàt tenslotte niet doorging? Da’s een verhaal waarin Michel Van Maele een sleutelrol vervulde. Van Maele was al een hele tijd burgemeester af, maar een bezige bij zou hij altijd blijven. En zodoende had hij zich voorgenomen om het negentiende-eeuwse ziekenhuis te redden. Het een nieuwe invulling te geven. Je kon Van Maele veel aanwrijven maar nimmer een gebrek aan ambitie. Dus ’t zou groots worden, voor minder ging hij niet. Alleen tot meerdere glorie van zijn stad of was er ook uitzicht op enig commercieel profijt? Ach, die schemerzone van alles waar Michel Van Maele zich, ook als burgemeester, mee inliet.
De charme van oude kranten blijkt alweer uit een knipsel van dertig zomers geleden. “In mei van volgend jaar gaat het Kunstcentrum Sint-Jan open”, staat er. Een enthousiaste Michel Van Maele wil er een onthaalcentrum voor al wie de stad bezoekt. En een ‘historisch museum’ waarin de politieke, culturele en economische geschiedenis van Brugge aan bod komt. Ook voor wisselende tentoonstellingen is plaats voorzien en ruimte voor congressen.  En als kers op de taart een ‘Imaginair museum van de Vlaamse Primitieven’, met fotografische reproducties op ware grootte van meesterwerken uit de gloriedagen van de middeleeuwse schilderkunst.

De site Sint-Jan is er nog, zonder de aanbouwsels van weleer. Op dat vlak haalde wijlen Michel Van Maele zijn slag thuis. Op dat vlak, want hier hoort een ‘maar’. U komt er misschien wel een keer langs. Voor het niet onaardige uitzicht vanop het terras bij de reie. Een handvol horecazaken brengt er, samen met de congresruimte achterin, wat leven in de brouwerij. Maar wat is geworden van wat zich ooit zou profileren als kunstcentrum? Hier liep toch ooit af en toe een tentoonstelling? Meerdere zelfs. Soms boeiend, soms minder. Maar vandaag?

… af en toe een tentoonstelling? Meerdere, zelfs. Soms boeiend, soms minder.

We gaan op verkenning. Langs de doorsteek bij de Onze-Lieve-Vrouwekerk komen we bij de hoofdtoegang van de voormalige kliniek, waar Picasso ons vanop de voorgevel nadrukkelijk uitnodigt voor een bezoek aan een expositie rond zijn werk. Dè Picasso, hier bij ons, komt dat zien! Maar de deur is gesloten. Navraag leert, dat ze dat al lange tijd is. Picasso is niet thuis. Niets vertelt over een heropening. Op de website van Sint-Jan lezen we ‘Wegens federale maatregelen tegen het corona virus, is Xpo Center Bruges gesloten tot nader bericht.
Een slapend kunstcentrum, het bestaat, in hartje Brugge.

Picasso is niet thuis …

De Spaanse groep die de erfpacht van het complex in handen heeft? Niemand kan er veel over vertellen. Alleen dat ze ook het Boudewijnpark beheren. Kunstcentrum Sint-Jan? Waren de vensters van het gebouw ogen, dan huilden ze.

We dwalen door de sombere, slordige gangen van de benedenverdieping. Tot bij het terras aan de reie. Verademing. ’t Is aangenaam nakaarten, hier aan het water. Over Michel Van Maele en Isidore Alleweireldt, allebei mannen van de wereld, allebei met omstreden ideeën omtrent hun stad. Goeie en minder goeie. En over dit voormalige hospitaal, hun bindende factor. Een plek die beter verdient.
Maar we laven ons aan de laatste stalen van de zon, die nog net boven de daken van de Oostmeers gluurt en knipoogt naar onze glazen.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Over gezondheid en ziekte, Over welzijn en gezondheid, Van Brugse politiek, Van schilderen en plaasteren | 6 Comments

De wijsheid van de marktkramer …

Voor alles is een markt, Eddy Wally wist het al in zijn tijd. Er is een markt voor sjakossen en een markt voor liedjes. Ook voor onnozele liedjes. Ge moet de mensen niet onderschatten, maar vooral ook niet overschatten. Eddy Wally, een slimme sloeber, wie zal het zeggen?
Waarom ik mij dat afvraag? Wel, hierom. Op zaterdagochtenden was wachten op de bus die ons naar Brugge bracht nèt iets minder saai dan op andere schooldagen. Ja, ’t is even geleden waarover we vertellen, er was nog school op zaterdagvoormiddag. Op zo’n ochtend keken we bij de bushalte uit tot ‘hij’ langs kwam. Neen, niet onze lijnbus, daar was niks bijzonder aan. Maar zo’n vijf minuten voor die bus ons oppikte was er altijd wel eentje die uitriep: ‘Ja, mannen, hij is daar!’ En dan dat moment van gespeelde blijdschap. Want langs kwam een buitenmaatse, witte bestelwagen. Een tweetal mensen voorin en achter het stuur … Eddy Wally! Dè Eddy Wally!
En ’t strafste van al, hij wist dat wij er stonden, elke week. En dat we naar hem zouden wuiven. En wij wisten dat Eddy ons geveinsde enthousiasme met een brede tandenborstelglimlach en pontificaal wuivend zou beantwoorden. Lichte hilariteit, ’t was ons weer gelukt om hem te laten geloven dat het troepje pubers aan die bushalte naar hem opkeek. Er was zo’n zekerheid, Eddy Wally, daar hoorde je mee te lachen! Of wist Eddy beter?

Stel je voor dat je je auto
niet op de Markt kan achterlaten!

Samen waren we op weg naar Brugge, wij naar school en Eddy en zijn wederhelft naar de zaterdagmarkt. Hij had er een liedje over, ‘Als marktkramer ben ik geboren’, het was één van zijn klassiekers.
Terloopse dienstmededeling
voor lezers die geboren zijn na de invoering van de Euro: Eddy Wally uit Ertvelde was één van ’s lands meest bekende charmezangers. Bestond het woord ‘smartlap’ niet, hoorde het alleen al voor Eddy’s repertoire bedacht te worden.
Maar Eddy Wally was dus ook marktkramer … –
Iedereen vond Eddy Wally wat belachelijk, lichtjes simpel van geest. Was hij dat? Of speelde hij gewoon dat spelletje mee? Was er immers niet een markt voor alles?
Eddy reed met zijn bestelwagen de Langestraat in, ’t was in de schaduw van het belfort dat hij zijn sjakossen verkocht. Op zaterdagochtend werd de Markt ingepalmd door de wekelijkse markt. En dus mocht je op die ochtend niet parkeren op het plein. Op alle andere dagen wel, ge ziet dat van hier! Stel je voor dat je je auto niet op de Markt kon achterlaten, ’t zou wat zijn!

En toch, tijden veranderen en ook de manier waarop we met verkeer omgaan. Laat ons de klok een keer een heel eind doordraaien. Van onze schooltijd naar ’t begin van de jaren negentig, dertig jaar geleden. Hou u vast, want Brugge bedenkt een nieuw verkeersplan. Een héél nieuw plan.
Want ineens kan je niet meer zomaar met je auto de stad doorkruisen, er komen verkeerslussen. Niemendal meer doorheen het centrum. Kom je bijvoorbeeld langs de Steenstraat naar de Markt, kan je niet meer over de Burg naar de Kruispoort. Je moèt de Wollestraat in. Meer zelfs, op de Markt geraak je vanuit de Steenstraat niet meer op de vertrouwde parkeerplekken aan de voet van het standbeeld! En de Langestraat? Die is ineens geen tweerichtingstraat meer! En in sommige straten mag je nu met de fiets wèl in beide richtingen.


Iedereen enthousiast? Bijlange niet!
’t Stad doet zijn best om zijn inwoners mee te krijgen in dat denkspelletje. Sommige van die inwoners hebben daar weinig zin in. Affiches voor en affiches tegen, maar het lussenplan blijft.
Maar wacht, we zijn er nog niet. Want vijf jaar later, zomer 1997, maken we iets nóg straffer mee! Schrappen ze toch wel alle parkeerplaatsen op de Markt, zeker! Het hele plein wordt heraangelegd. In de Bank Brussel Lambert loopt voor die gelegenheid een tentoonstelling over de geschiedenis van het marktplein.

1997, feestelijke heropening …

En bij de heropening van de autovrije Markt staat Raymond van het Groenewoud op het podium èn de immens populaire Helmut Lotti, ’t zijn de dagen van ‘Lotti goes classic’. Neen, Eddy Wally staat niet op de affiche.
Autoverkeer, na al die jaren zijn we er nog niet uit. Nog lang niet. We bakkeleien naarstig door. Maar kijken we achterom, zien we waar we vandaan komen. En waar sommigen zich ooit druk om maakten.
Want stel dat de klok die we daarnet doordraaiden ons terugbrengt naar de tijd vóór al die nieuwigheden. Weg met die lussen en de Markt weer lekker één grote parking. Reken maar op een forse affichecampagne van wie niet akkoord is. Dezelfde lieden van toen? Met een slogan in de zin van ‘Broodroof, winkelroof, jobroof!’.
Eddy had gelijk, er is een markt voor alles. Ook voor voortschrijdend inzicht is er één. Die van Brugge, bijvoorbeeld.

Posted in Het Brugge van toen, Van wielen en op weg zijn, Van zingen en spelen | 4 Comments

Toen het warm was in den Botanieken Hof

Ha, wie we daar hebben! Soms is een mens redelijk content om iemand terug te zien. En ’t helpt als dat weerzien wederzijds is èn een tijd geleden. Zoals Richard en ik mekaar op een dorstige middag treffen op een terras bij het Astridpark, ofte den Botanieken Hof. Of je dat met hoofdletters schrijft, de bijnaam van zo’n park, wil ik vernemen maar mijn terrasgenoot heeft er geen idee van. Dat ook Richard niet op alles een antwoord weet is een geruststelling, bemerk ik en om dat te vieren wenkt hij de garçon. Een glas inspiratie helpt om ons te herinneren, alsof we er zelf bij waren, hoe en waarom de stad lang geleden den Botanieken Hof aanlegde.

Kinders
Onze babbel brengt ons naar het midden van de jaren achttienhonderd. De gronden van het voormalige minderbroederklooster komen van pas voor een park waar de betere burger zich flanerend kan vertonen. Engelse landschapstuinen zijn hèt ding en er wonen nogal wat Engelse families met centen in Brugge, dus Engels zal het worden! Compleet met glooiende landschapslijnen, een waterpartij, een kiosk. Plek van rust en orde, ook, blijkt uit de zorgvuldig geformuleerde betrachtingen van stedelijke hogerhand.  ‘De kinders mogen er aan hun zelven niet worden overgelaten, nog zich overgeven aen enig spel dat de wandelinge zoude konnen belemmeren’. Da’s gesproken, zie!

Jaren komen, jaren gaan en den Botanieken Hof blijft bestaan, ook lang nadat het domein tot ‘Koningin Astridpark’ is herdoopt.
Ik vertel Richard dat ik mij in het park van mijn jonge jaren een zomers feest herinner. Hij weet wat ik bedoel, het was de Pandtfeeste. Eigenlijk, aldus Richard, was dat een kopie van wat al eerder in Assebroek doorging.  In de jaren zeventig was daar het ‘Zeven Torenfestival’ een zomers muziekweekend met veelal kleinkunst op de affiche. Dat florerend feest, waaraan de plaatselijke middenstand zijn batjesmarkt koppelde, hield het een heleboel jaargangen vol.

Maar toen in 1979 in het Astridpark de Pandtfeeste opstartte, was dat eigenlijk gewoon copy-paste de Zeven Torentjes. Muziek op een podium, gekoppeld aan enige inbreng van de lokale handelsgebuurtekring, zo vertelt de affiche. En die Pandtfeeste , weet Richard, intrigeerde op haar beurt burgemeester Frank Van Acker. En aldus contacteerde de burgervader de initiatiefnemer van de Pandtfeeste.  ‘Gij zijt de geschikte man om iets groots te organiseren voor de Brugse werkende mens, met veel uitstraling en een programma zoals alleen in grote casino’s te beleven valt!’, luidde de opdracht die de stedelijke voorman meegaf aan Piet Perneel.


Tiens’, merk ik op, ‘De Piet Perneel die jaren eerder als presentator de verkiezingsavonden van CVP-er Michel Van Maele aaneen babbelde?’ Die Perneel zette zijn schouders onder het idee van socialist Van Acker en zo kon je in de zomer van 1980 op de Burg naar de eerste editie van Showburg.
We laten de ober nog iets aanbrengen want ’t is echt tropisch warm aan het worden. Vama Veche komt nog ter sprake. Dat festival, hier in het park, leek op het Cactusfestival van toen dat in dat andere park nog gratis was.

Hoe dan ook, het doet den Botanieken  Hof goed dat het domein af en toe een keer ferm wordt wakker geschud, is de conclusie van ons zomers overleg dat we afronden met andermaal een glas.
We zien mekaar nog, spreken we af en ik wandel het park in, naar mijn fiets die aan de Magdalenakerk op mij wacht. Dit blijft toch echt wel een schilderachtige plek, bedenk ik en besef dat het gerstenat van daarnet mij een handje helpt bij ’t zien van zoveel schoonheid. Een mens wordt mild op zo’n keren. Ik groet twee jongelui die nonchalant achterover leunen op van die groene parkstoelen. De ene knaap knikt mij vriendelijk toe. Zijn makker merkt mij niet op, concentreert zich op het slordig gerolde sigaretje dat hij opsteekt. Neen, ’t is geen Belga die hij rookt, merk ik. ‘De kinders mogen er aan hun zelven niet worden overgelaten’ …

Sepia
Met lichte tred wandel ik verder, langs de vijver naar de kiosk toe. En ziet, die laatste Straffe Hendrik van daarnet smeedt een complot met de almaar zwoeler aanvoelende middag. En het park speelt het spel mee. Het trakteert mij op iets vreemds. De loden zon weegt zwaar op het voorjaarsgroen dat langzaam zijn kleuren inwisselt voor een oud sepia. In de verte hoor ik de beiaard. Zingt die zijn vertrouwde kwartierdeuntje achterstevoren?
Het is het moment waarop ik door heb dat het oude park mij meeneemt, heel even terug in de tijd, wel honderd en meer jaren ver.
Naar een zondagmiddag van toen. Op de kiosk speelt een strijkkwartet een aardig deuntje. Bij de waterpartij kuieren deftige lieden.
Arm in arm wandelen een jongeman en een meisje mij tegemoet. Een frêle dametje, haar kokette, bloemige kleed ritselt over de kiezels van de kasseien. Zij laat zich de belangstelling van haar gezel welgevallen. De jongeman, in strak maatpak, gunt haar

… het park dat langzaam zijn voorjaarskleuren inwisselt voor een oud sepia …

vanonder zijn vakkundig opkrullende moustache een innemende glimlach.
Maar wacht een keer, lijkt hij niet héél erg op Richard, mijn drinkgezel van daarnet? Hoewel, jonger van jaren en met meer allure. Een heer, kortom. Met, zoals het jongeheren van stand betaamt, enkel oog voor zijn charmante gezelschap. Bij de kiosk houden ze halt en achter haar parasol trakteert hij het giechelende meisje op een steelse zoen.
Verderop bemerk ik de pastoor van de Magdalenakerk. Terwijl hij zich ter kerke rept, richt hij een strenge, afkeurende blik naar de verliefde tortelduifjes. ‘De hedendaagsche jongelieden en hunne zedeloze verdorvenheid, waar gaat dat naartoe!’, zie ik hem denken.
Ik geef hem overschot van gelijk.

Posted in Het Brugge van toen, Van 't Cactusfestival, Van feesten en vieren, Van zingen en spelen | 11 Comments

Festivallen met z’n allen

De jaren zeventig waren jong en wij ook en in onze kamers rook je nog de patchouli van de flowerpower. Snotneuzen waren we, nieuwsgierig, ongeduldig en op ontdekking! Wat we zo allemaal ontdekten? Kom nou, waarde lezer, u bent ook jong geweest!
Al willen wij over één ding graag wat vertellen. Met plezier zelfs en een flinke scheut heimwee. Over onze ontdekking, namelijk, van muziek. Muziek die meer om het lijf had dan de dingedongdeuntjes op de radio van alledag. Ja, we keken naar TopPop op de Nederlandse televisie, Ad Visser in zwartwit, maar stilaan leerden we ook muziek kennen die ruimer ging, veel ruimer.

Dweepte je met ‘progressieve muziek’, dan scoorde je bij de vrienden. En, hoopte je stil, ook bij je vriendinnen. Wat er ‘progressief’ was aan die muziek kon niet één van ons echt uitleggen, maar wat er niet bij hoorde, dat wisten we wel.
Langspeelplaten lang luisterden we, schouder aan schouder rond de platendraaier van een vriend of rond die Philips-bandopnemer waarop van die handpalmgrote, bruine magneetbanden draaiden.
’s avonds zochten we op onze transistorradio gretig naar Radio Caroline, de Engelse piratenzender waarop je hoorde wat fraais er allemaal groeide en bloeide. En waar ze vertelden over festivals.
Er hing iets magisch, een beloftevolle sluier over dat woord ‘festival’. En op een keer konden we ‘Woodstock’ gaan zien! Woodstock, de film, stel je voor! Een jeugdbeweging, de KSA of de Chiro, had ‘m in huis gehaald.
Tot die avond waren onze helden enkel foto’s op platenhoezen of in ‘den Humo’. En ineens zagen we ze op het podium! The Who en Ten Years After, Jimi Hendrix en Crosby, Stills & Nash en nog een boel roergangers! Een adembenemende avond lang zat je niet in dat parochiezaaltje in Sint-Michiels maar op die iconische festivalweide, ergens in Amerika.

Met veel tijd en boterhammen groeiden we op in een almaar veranderende wereld. Een wereld waarin festivals stilaan iets van hier werden. We gingen naar ‘Rock Torhout’ en wat later in eigen stad naar het elk jaar groeiende ‘Cactusfestival’. En sindsdien komen en gaan grote en kleinere muziekfeesten, een hele resem. ‘RudrockenDudstock, ‘Redrock en

Thoprock‘, ‘Vama Veche‘ en ‘Campo Solar, ‘Elements en ‘Burgrock, ze lijken op mekaar en verschillen van mekaar gelijk een Cerclesupporter en een Clubzot. Maar allemaal noemen ze zichzelf festival.
En dan was en is er ook nog Zeebrugge. Door de jaren heen werd het strand daar ingepalmd door muziekdagen met vaak heel veel volk. Als we de hele muzikale reutemeteut van Zeebrugge op een rij zetten, komen we langs het ‘Belga Beach Festivaldat ‘Axion Beach Rock’ werd, langs ‘Polé Polé Beach, ‘We Can Dance en ‘Bomboclat. En hou u vast,

komend weekend gaat in Zeebrugge weer zoiets door! Het is nieuw en het heet ‘Live is Liveen je bent er drie dagen mee zoet. Met best wat klinkende namen en, met de weergoden in goeie doen, mogelijks weer heel veel toeloop.
Festivallen, het werkwoord, sinds lang doen jong èn oud daar vrolijk aan mee. Wie jong is, gewoon … omdat ie jong is. En wij, oudjes, omdat we ons jong zijn toch zo graag wat willen aanlengen.
Al is dat tegen beter weten in. Want wat onze jonge dagen ècht spannend maakte, dat komt nooit meer weer … die rusteloze nieuwsgierigheid en wat je er allemaal mee ontdekken mocht.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van 't Cactusfestival, Van feesten en vieren, Van film, Van gitaren en drums, Van zingen en spelen | 5 Comments

Het ‘kaboeterke’ en de drie affiches

Hoe het begint? Met een kale muur in een school. Een school in een stad. Kom je er op een stil uur over de speelplaats, hoor je de beiaard zingen, zó middenin de stadskern ligt die school. En daar begint, vele beiaarddeuntjes geleden, deze jongen aan zijn bescheiden loopbaan. Een loopbaan met als ’thuisbasis’ een lokaal dat ze in de school “de drukkerij” noemen. Dat heeft van doen met het allegaartje van spullen dat er staat. Kopieermachines, een toestel om in te binden, een papiersnijmachine, die dingen. Nogal wat leerlingen kennen die meneer van de drukkerij als “den drukker”, eerder dan bij zijn naam.
En de school wordt een plek waar hij zichzelf kan zijn, midden collega’s en leerlingen met wie het doorgaans goed opschieten is. Een dagtaak waarin een mens zichzelf kan vinden, dat soort dingen maken het bestaan draaglijk.
Maar ’t zijn ook nog de dagen waarin wie op een school rondloopt, veelal met een bijnaam door ’t leven gaat, een ‘lapnaam’ zoals dat in ’t Brugs heet. En ook onze protagonist valt die eer te beurt. Giechelend, zoals je dat van scholieren verwacht, noemen ze hem ’t kaboeterke. Daar kan hij mee leven, er circuleren in schoolmiddens minder vleiende namen. En hij kan er nu eenmaal weinig aan verhelpen dat zijn gestalte niet uitnodigt om als ‘de reus’ omschreven te worden.

Dat lokaal van hem is een eenvoudig oord, maar het is van hem en dat voelt goed. Een hoog raam zorgt voor daglicht. Muren, in beslag genomen door kasten en stapelrekken vol papier. En die ene hoge, kale muur. Jammer eigenlijk, zo’n lege muur, meent hij.

En dan, op een keer in een voorjaar. In de stadsbibliotheek loopt een tentoonstelling. De expositie heet ‘Middeleeuwse handschriften uit Ter Doest’, dus dat ze over middeleeuwse handschriften uit Ter Doest gaat ligt redelijk voor de hand. En ook dat de drukker uit die school een kijkje gaat nemen. Wie hem kent, weet dat hij iets heeft met zo’n oude verhalen . Terloops neemt hij een affiche van de tentoonstelling mee naar huis. ’t Is iets met een detail uit zo’n perkamenten boek. Hij zal er nooit iets mee aanvangen maar wat maakt het uit, zo zit hij nu eenmaal in mekaar, hij is goed in dingen opzij leggen.
Maar de volgende ochtend, de schooldag is nog vers, bedenkt hij, zo’n affiche over oude boeken, is dat niet iets voor in ‘zijn’ drukkerij? En heeft hij thuis niet nog zoiets liggen?

Wat hebben de meeste dingen die we op zolders bewaren gemeen? Dat er veelal geen enkele reden is om ze te bewaren, behalve … het bewaren zelf. En dus is het even zoeken tussen allerlei andere overbodigheden vooraleer in het vale licht van zo’n zolder de affiche tevoorschijn komt. Ze is van een handvol jaren geleden, ook van een tentoonstelling in de bib. Over incunabels, zo noemen ze boeken van de eerste generatie drukkers in de vijftiende eeuw.
Voilà, dat zijn er twee. Twee affiches over oude boeken. Goed voor twee kaders aan die muur in de drukkerij. Maar twee, is dat niet wat pover? Zou ’t niet een stuk fraaier presenteren met nog een derde bij?
Op zoek, dus. Naar de derde affiche … Liefst eentje dat ook naar boeken of drukkunst verwijst. Op rommelmarkten, soms in een tweedehandswinkel. Bij vrienden en kennissen. Maar je zoekt niet altijd wat je vindt. En zo groeit thuis stilaan een stapeltje affiches. Over tentoonstellingen. Over een stoet, een concert, eentje over een oude processie. Over alles en nog wat. Maar niemendal over boekdrukkunst.
Tot op een keer, een herfstige middag, ’t kan ook een avond geweest zijn. De zoeker zit dat stapeltje te doorbladeren, achteloos, zijn gedachten in ’t vage. Maar wacht een keer! De

Op zoek, dus, naar de derde affiche

meeste van die affiches hebben wèl iets gemeen! Bijna allemaal hebben ze iets met Brugge! En dan is er die ingeving, simpel zoals goeie ingevingen dat veelal zijn. “Is er eigenlijk wel iemand die affiches over Brugge verzamelt? Alle affiches omtrent Brugge, waarom niet?
En een zoektocht begint.

Het is alweer even geleden dat de drukker de schooldeur voorgoed achter zich dicht trok, maar hij gaat er nog graag langs. Voor vertrouwde babbels met vertrouwde collega’s, tussen leerlingen wiens naam hij niet meer kent en die hem niet meer kennen. Niet als ‘den drukker’ en al helemaal niet met die bijnaam van toen, scholieren doen vandaag niet meer aan bijnamen.
En weer thuis gekomen koestert hij Brugse affiches, dag na dag. Affiches in kaften, kokers en kaders, een kamer vol. Affiches over van alles, maar allemaal over Brugge. Van het meest prestigieuze kunstproject tot de fuif in de kroeg om de hoek. En van recente tot hele oude, vooroorlogse. Tienduizend stuks? We zeggen maar wat. Het kunnen er ook elfduizend zijn.
Affiches die hij toont op een website, op een tentoonstelling af en toe, een Facebookpagina en cursiefjes in een lokale krant, een blog ook. Een verzameling waaruit stilaan een portret groeit van onze stad … ‘Brugge in affiches’.
Wat het leven aardig invult? Een dagtaak waarin een mens zichzelf kan vinden, toch?

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Over affiches verzamelen, Van boeken en schrijven | 7 Comments

De bomen aan het Waggelwater …

’t Was een loopwedstrijd voor alle leerlingen van het college. Onze klasgenoten die thuis waren in Brugge wisten meteen waarheen, toen onze titularis voorstelde om met de hele klas mee te gaan, die woensdagnamiddag. Maar wij, jongens van een buitendorp, hadden nog nooit van het Waggelwater gehoord. Een steenworp van de binnenstad lag dromerig een ruime waterplas tussen uitbundig groen waar een koele wind doorheen waaide. Een onverstoorde plek, in die prille jaren zeventig was  in de velden erom heen nog lang geen sprake van de KMO-zone die we vandaag Waggelwater noemen. Het kanaal naar Oostende, vlakbij, was een trage lijn door stille landerijen,  pas veel later zou verderop een  luidruchtige snelwegbrug de vaart overspannen.
Zo’n loopnamiddag was voor de sportievelingen onder ons een buitenkansje om zich te meten met andere rappe knapen. Maar voor de meesten volstond één toer rond een vijver die een stuk uitgestrekter bleek dan we aanvankelijk inschatten. We hingen nog wat rond, keken naar de

Een steenworp van de binnenstad lag dromerig een ruime waterplas tussen uitbundig groen … afbeelding ‘Beeldbank Brugge’

boten die langs het kanaal op en af voeren.  Met vlakbij het clubhuis van de ‘Sport Nautique’, de roeiclub. Een buitenmaatse berghut, lang geleden vanuit de Alpen hierheen afgedwaald.

– afbeelding
‘Beeldbank Brugge’

Maar wat mij van die middag het meest zou bijblijven was de hoogst verrassende aanblik van wat aan de overkant van het kanaal opdoemde. Achter de bomen bij de dijk reikte torenhoog een immense nieuwbouw naar de grijze lucht. Huizenhoge kranen hielden zich tegen het bouwwerk overeind. Het platteland en die vaart, en dan ineens, middenin dat ongerepte landschap, zo’n betonnen reus. Groter kon je een contrast amper bedenken.

Eén van ons wist dat dit ’t nieuw hospitaal zou worden. ‘Nieuw hospitaal groeit steeds hoger’, meldde in die dagen het Brugsch Handelsblad, ‘Nu reeds indrukwekkend, wat wordt het wanneer het straks kant en klaar is?
Toen een handvol jaren later het nieuwe Sint-Jan werd ingehuldigd, was Brugge geïmponeerd door zijn nieuwe kliniek. Groter kon moeilijk, veel groter dan het een tiental jaren eerder geopende Sint-Lucasziekenhuis in Assebroek. Wel ontlokte de grootse inkomhall van Sint-Jan nogal wat commotie. Zo prestigieus, waar is dat goed voor? Wat heeft dat niet gekost, zeg! Maar de nieuwe kliniek was nodig, het uit zijn bakstenen voegen groeiende Sint-Janshospitaal in de binnenstad voldeed al lang niet meer, daarover was de hele stad het eens.

In de vijfenveertig jaren die sindsdien verstreken, passeerden op de vaart ontelbaar veel boten heen en weer tussen Brugge en Oostende. In de kliniek die destijds oprees midden de velden van Sint-Pieters werd een niet te tellen rij kinderen geboren, mochten talloze zieken genezen. En zijn, helaas, ook mensen overleden. Het leven, hé.

Het landschap in de omgeving van de kliniek is indringend veranderd en dat geldt ook voor het ziekenhuislandschap in het Brugse. Maar sommige dingen blijven. Want in dezelfde krant die zich destijds verbaasde over dat indrukwekkende bouwwerk dat ons nieuwe hospitaal zou worden, schrijft deze week een ook wat verbaasde verslaggever. Hij brengt verslag uit over de vraag van dokters van onze twee klinieken. De artsen wijzen, in het belang van de patiënt, op de nood aan meer samenwerking tussen de twee huizen. Maar er is, zo weet de man van de krant, terughoudendheid vanuit de raden van bestuur. Ideologische tegenstellingen, vooral? Of klinkt daar iets door omtrent redelijk begeerde en zodoende moeilijk te verdelen mandaten in die raden?
De tijd verandert vele dingen. Alleen de mens met zijn kleine kantjes, die blijft zijn eigenste zelve. Dat zingt de wind in de kruinen van de oude, levenswijze bomen aan het Waggelwater. Dat doet  hij net zo onverstoord als zovele zomers geleden.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Over welzijn en gezondheid | 5 Comments

De Meifoor? Meisjes aan de macht!

Ze komen precies op tijd langs op deze blog, de twee meisjes Janne en Xylona. Al even was ik er mij van bewust dat de vertellingen die ik de lezer voorschotel veelal mannenverhalen zijn. De voorbije weken? Vertelsels over Jacob van Maerlant en Arno, over een jarige archivaris en over Willem van Saeftinge. Namen van vrouwen laten zich enkel met een vergrootglas ontwaren. Maar deze week maken wij dus schoorvoetend een inhaalbeweging met een cursiefje waarin dames helemaal terecht de hoofdrol opeisen. Vrouwvolk aan het roer, Xylona, Janne, jullie verzetten de bakens van deze blog!

… kozen ze er toch wel die van Janne uit, zeker!

Wie kwam lang geleden op het even lumineuze als simpele idee om elk voorjaar twee kermisaffiches te sieren met een kindertekening? Mocht die creatieve ziel zich kenbaar maken, zit ondergetekende klaar op een Brugs terras om hem of haar te trakteren op een Brugse Zot of ander lekkers. De reden? Een map in mijn collectie, gevuld met Meifoor-affiches, zowat het meest guitige van mijn hele verzameling! Jaar na jaar laat die map zich aandikken met elke keer twee nieuwe affiches. Behalve de voorbije paar lentes, die moesten wij zonder Meifoor en zodoende zonder warmkleurige kindertekeningen doorkomen.

… ook haar klasgroep kon dankzij Xylona een hele middag de bloemetjes buiten zetten op het Zand!

Doch dit jaar is het weer volop kermisleute op het Zand! Met op elk van de twee affiches weer zo’n sprankelend campagnebeeld. Tekeningen, door een ongetwijfeld vakkundige jury geselecteerd na een tekenwedstrijd in een heleboel Brugse basisscholen. In de Zonnetuin op Sint-Kruis, onder meer, waar onder meer de jongens en meisjes van het zesde leerjaar zich aan het werk zetten. De ene leerling al met meer enthousiasme dan de andere, ge ziet dat van hier. Maar Janne Engels is een meiske van de creatieve soort en dat bleef niet ongemerkt. Want uit de allicht honderden tekeningen die de jury binnenkreeg kozen ze er toch wel die van Janne uit, zeker!
Wie daarop het meeste trots is, Janne of haar mama Eveline die op dezelfde school les geeft, valt moeilijk uit te maken.  Maar ook Janne’s klasgenoten kunnen hun geluk niet op. Want wat dacht je van een hele klas, een middag lang gratis op alle attracties die je kan vinden op de Meifoor? En bovendien prijkt dat olijke kunstwerk van Janne op de affiche van de kermis! Op één van de affiches, want met eentje nemen ze bij de Meifoor dus geen genoegen.

En zo komt het dat ook in Lissewege groot nieuws de ronde deed. Ook in het altijd al artistiekerige polderdorp kreeg dankzij de Meifoor jong grafisch talent de kans om met schoon werk uit te pakken. Xylona Gevaert zit in het derde leerjaar van basisschool Ter Poorten en

toen we directeur Hilde Clemmens aan de telefoon kregen liet zij er geen twijfel over bestaan, de school is in de wolken met de prijs! En ja, hoor, ook haar klasgroep kon dankzij Xylona een hele middag de bloemetjes buiten zetten op het Zand!
En er zijn er wel meer die het jonge tweetal dankbaar mogen wezen. Heel Brugge mag content zijn met Xylona en Janne! Omdat zij ons vanop talloze affiches, overal doorheen de stad, laten meegenieten van hun frisse kijk op de Meifoor! Bedankt, jongedames, om onze lentedagen nóg bloemiger in te kleuren. En terloops ook om de vrouwelijke klemtoon waar deze blog echt wel aan toe was! Brugge oogt fraaier met jullie Meifoorkunst, meisjes aan de macht! En de Meifoor, de stad is wat blij dat ze terug is! Trouwens, die laatste zin wijst mij er ineens op … het woord ‘Meifoor’ is vrouwelijk!

Posted in Het Brugge van nu, Van feesten en vieren, Van schilderen en plaasteren | 7 Comments

Zeebrugge, de Muur en de jongens

Er waren drie muren met een bijna mythische reputatie. Op de speelplaats van onze lagere school praatten wij over de Muur van Geraardsbergen, imiteerden daarbij de bravoure waarmee onze vaders dat deden. Want van hen hoorden we van de coureurs die de Muur beklommen in de Omloop Het Volk. Herman Van Springel won die koers en ’t jaar daarop Roger De Vlaeminck, weet je nog? En Eddy Merckx!
En er was de Muur van Berlijn, die beklom je beter niet. Die kwam wel eens ter sprake in ’t avondnieuws op de televisie die we nog niet lang in huis hadden. En op school vertelde de meester erover. Telkens het over de oorlog ging en bij onze meester ging het vaak over de oorlog. Dat zijn vader had gevochten in de eerste, de Grote Oorlog, was daar niet vreemd aan.

En dan was er nog de Muur van Zeebrugge. Op de prentjes van Chocolade Jacques zag hij er al redelijk indrukwekkend uit. Maar onze meester was nogal van grote verhalen, toen hij vertelde over dat bouwwerk kwam het ons voor als het achtste wereldwonder. Die havenmuur loopt bijna drie kilometer ver in zee, jongens, drie kilometer! En toen ze hem bouwden, lang geleden, deden ze dat met de grootste kraan van de wereld! De kleine jongens die hij met zijn vertelling meenam, keken met grote ogen naar de prenten die de meester toonde.
Mag het verbazen dat één van onze schoolreizen ons daarheen bracht? En dat lichte

teleurstelling ons deel was, toen we dat summum van het menselijk kunnen met eigen ogen aanschouwden? De havenmuur wàs indrukwekkend, maar niet zo hoog als die uit de verhalen van de meester. En de vuurtoren op het verre uiteinde veel bescheidener. Maar we hadden gedroomd en dromen heeft ook zijn waarde.
Sinds zijn bouw kreeg de havenmuur van Zeebrugge veel meer te verduren dan alleen de ontelbare baren die dag en nacht hun hoofd braken tegen zijn weerbarstige trots. Met de feestelijke inhuldiging van Zeebrugge, in de zomer van 1907, zou het oude Brugge na eeuwen weer aansluiting vinden met een wereld vol economische mogelijkheden. Het liep anders. Heel anders.  De Muur van Zeebrugge kreeg amper de kans om te wennen aan zijn plek in de branding, toen de oorlog, die van de pa van onze schoolmeester, ontbrandde. De Duitse bezetter maakte ondankbaar misbruik van de pas gebouwde haveninfrastructuur. De akelige onderzeeërs waarmee ze de Engelse vloot aanvielen palmden de haven in. Bij het einde van de grote wereldbrand was er de legendarische poging van de geallieerde troepen om de havengeul te blokkeren met gezonken schepen. De naam van de oorlogsbodem die daarbij werd ingezet, de Vindictive, de meester sprak hem uit met de eerbied van de ware bewonderaar.

… de oorlogsbodem die daarbij
werd ingezet, de Vendictive

Aan de oorlog kwam een eind maar voor Zeebrugge braken moeilijke jaren aan. Jaren waarin bleek dat de haven wat verweesd lag te wezen, met te weinig ontsluiting naar het achterland. Met achter zijn rug een stad waar het woord ‘industrie’ niet met hoofdletter werd geschreven. En weer kwam een oorlog en weer zuchtte de haven. Het duurde tot de jaren zestig die wij sleten op de harde banken van onze lagere school, vooraleer Brugge stoute plannen durfde en mocht ontplooien. Ik herinner mij, we waren inmiddels op ’t college in de stad verzeild, een diavoorstelling over grootse nieuwe plannen. Een nieuwe wind zou over de haven waaien. Die wind kwam er, en nog een tweede keer veel uitbundiger in de jaren tachtig. Sindsdien eist Zeebrugge zijn plaats op.

En de oude Muur? Die kreeg het benauwd. Kijk waar we staan, vandaag. In de weids uitgebouwde haven, die zich als een nijptang vastbijt in de Noordzee, vind je met wat goede wil wat ooit door onze meester werd voorgesteld als een onovertroffen kunstwerk, het povere restant van de Muur. Met nog zijn vuurtorentje dat met de nodige heropbouw twee oorlogen overleefde, beschermd monument midden een haven waarin het met heimwee terugdenkt aan alle schepen die het de zeesluis in loodste. Met vandaag tegenover zich een gasterminal, het woord bestond nog niet toen het torentje werd gebouwd. Met cruiseschepen die af en aan varen en minachtend neerkijken op de verlegen vuurtoren. En

met discussies over snelwegen, spoorwegen, binnenvaart en hoogspanningslijnen. Met onlangs op de kade belangrijke meneren en madammen die aankondigden dat Zeebrugge met de haven van Antwerpen … nou ja, in zee gaat.

Terwijl ik dit hier schrijf ….

Terwijl ik dit schrijf, ligt hier naast mij een knuist van een boek, ‘Brugge en de zee’. Het hoorde bij een tentoonstelling, veertig jaar geleden, in de stadshallen. Brugge pakt wel vaker uit met zijn haven. Meerdere keren ook met een tentoonstelling. Je steekt nog altijd wat op bij zo’n gelegenheden. Alleen niet meer zoals destijds op de schoolbanken, toen geen van ons, kleine mannen, in vraag stelde wat de meester wist. Het leven leert je te veel om nog te kijken met de ogen van het jongetje van toen, te horen met zijn oortjes.
Maar laat vandaag een meester of juffrouw ergens te lande met de nodige panache verhalen vertellen over een haven of een andere bijzondere plek, en de avonturen die ermee verbonden zijn.  En laat klein grut dan maar met open mond luisteren en dat meenemen naar later.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Zeebrugge, de haven | 14 Comments

Jacob van Maerlant … of van Snellegem?

Nu het onlangs in het avondnieuws door de steevast  betrouwbare Goedele Wachters werd bevestigd, weten we zeker dat ons vermoeden klopt. Het nieuwsanker had het over de jonge generatie die niet meer omkijkt naar Facebook. Het jonge grut, zo meldde Goedele, vindt nieuwe wegen.  Er is Instagram en er is TikTok en wellicht nog vondsten waarvan ondergetekende het bestaan niet eens vermoedt. Uw dienaar, namelijk, is zelf niet meer van de meest jeugdigen. En dat is nu deel van het verhaal, zie. Want vandaag de dag komt iederéén langs op Facebook. En pa en ma, opa en oma die meelezen, zit je daar als jonge snaak op te wachten? Wegwezen, dus, van dat sociaal netwerk voor oudjes! Binnen afzienbare tijd legt de voorlaatste lezer van dat achterhaalde ding er het bijltje bij neer en dan is er voor de allerlaatste gebruiker ook niks meer aan. Waarna het lege Facebook zelfs geen plaats krijgt in de geschiedenisboeken, want tegen dan bestaan die ook niet meer.

In afwachting doet deze ouwe jongen zich geregeld tegoed aan diepzinnige wijsheden van zijn mede-Facebookbejaarden. Tot zijn niet geringe verbazing komt hij daar op een dag zelfs ene Jacob van Maerlant tegen. Echt waar, tik de naam van de ‘vader der Dietse dichtren algader’ in het zoekvakje en Facebook brengt u bij een pagina van de schrijver uit vervlogen tijden. Zelf werd hij voor die digitale dingen net iets te vroeg geboren, maar hij speelt hier wel de hoofdrol in een hoogst boeiende discussie. We vertellen daar zo meteen graag meer over, want het is ’t één en ’t ander.

… dan slaat een stenen Jacob u vanop zijn sokkel met zuinige blik gade.

Jacob van Maerlant, dus. Misschien is het lang geleden dat u in de lessen Nederlands leerde over de dertiende-eeuwse auteur die nogal wat mijlpalen op zijn naam heeft staan. ‘Der naturen bloeme‘, ‘Spieghel Historiael‘ en nog een boel klassieke werken. En al lezen wij die al lang niet meer, in onze contreien blijft hij prominent present. Een kwarteeuw geleden liep in Damme de redelijk indrukwekkende expositie ‘De middeleeuwse wereld op schrift‘, over van Maerlant en zijn immense oeuvre. En nuttigt u een glas op een terras in zomers Damme, dan slaat een stenen Jacob u vanop zijn sokkel met zuinige blik gade. Vlakbij is een straat naar hem genoemd, net als op andere plaatsen. Zo kreeg hij in Brugge, op Sint-Jozef, een zijstraat van de Dudzeelse Steenweg. We zien de schrijver aan het werk op één van de muurschilderingen in de gotische zaal van het stadhuis. En nog in Brugge werd zijn naam gegeven aan het ‘kamgebouw’, het gedrocht dat bij het station het plein aan de

balkonrotonde domineert. Architectuur waarmee ooit in stalinistische regimes prijzen werden gewonnen. Als ’t waar is dat van Maerlant onder de kerktoren van Damme begraven ligt, weten wij meteen waar hij zich omdraait in zijn graf.

En ja, dan is er dus dat hoogst boeiende twistpunt waarover wij net berichtten. Kenners zijn het namelijk sinds lang behoorlijk oneens over de levensloop van onze auteur. Over zijn twee levenslopen, eigenlijk, want wat de ene kenner stellig beweert wordt door de andere met nog meer stelligheid weerlegd. Een hoogst boeiend kluwen dat wij hier voor u graag op een heel kort rijtje zetten.

… op één van de muurschilderingen
in de gotische zaal …

Het laaiende enthousiasme dat het traditionele levensverhaal van Jacob van Maerlant een kwarteeuw geleden ten deel viel had van doen met ‘Maerlant’s wereld’, een vuistdik boek van Frits van Oostrom. Aan de bevindingen van Hollander Frits, historisch letterkundige van opleiding, viel niet te twijfelen.
Ingrediënten voor het schrijven van een bestseller? Een goed verhaal en dat vlot kunnen vertellen. Over hoe Jacob van Maerlant rond 1230 in het Brugse geboren werd en wellicht in de kapittelschool van Sint-Donaas zijn opleiding kreeg. Hoe hij op middelbare leeftijd helemaal naar het plaatsje Maerlant op het Hollandse eiland Oost-Voorne trok. Waar hij, meesterwerken schrijvend en onderwijzend, in dienst trad van Floris de vijfde, graaf van Holland en Zeeland. Frits van Oostrom windt er geen doekjes om: van Maerlant’s talent kwam tot bloei bij en dankzij onze noorderburen.
En ja, zijn laatste levensjaren bracht Jacob door in Damme, waar hij overleed.

Tot zover Jacob’s eerste levensverhaal. Zijn tweede staat daar behoorlijk diametraal tegenover. Dat iemand uit de buurt van Snellegem zich hier op Facebook opwerpt als pleitbezorger mag niet verbazen. Op de pagina waarop hij dat verhaal bepleit komt het oude dorp namelijk héél nadrukkelijk op de voorgrond. Snellegem en … het zo mogelijk nog meer bescheiden Zuienkerke, of all places. Jacob zou oorspronkelijk uit dat buitendorp afkomstig zijn. Want in heel oude handschriften wordt hij ‘Jacob van Merlant’ genoemd. En hoe heette een plek in de buurt van Zuienkerke? Merlant!
Uitgebreid wordt uitgelegd dat lang geleden Jozef Noterdaeme, pastoor van Snellegem en historicus, het bij het rechte eind had. De priester zag Jacob van Maerlant in Snellegem als klerk in dienst van de heren van Rode. ’t Was hier bij ons in Snellegem, misschien wel op het Oosthof, dat de grootmeester een flink deel van zijn geschriften bijeen pende. Op Oost-Voorne, een eilandje van twee keer niks, had de schrijver niks te zoeken.
Geschiedenisles op Facebook! Wie een andere mening is toegedaan, Frits van Oostrom voorop, krijgt op de ‘Jacob van Maerlant’-pagina de wind fors van voren, wat zo’n tweespalt voor de

… misschien wel op het Oosthof

geboeide lezer alleen maar meer de moeite waard maakt. Beide partijen staan weliswaar niet op z’n middeleeuws met getrokken zwaarden tegenover mekaar, met tegengestelde meningen des te meer. Wordt ongetwijfeld vervolgd.
Alleen dat van Maerlant in Damme zijn laatste verzen aan het perkament toevertrouwde, daar zijn beide stellingen het over eens.

We stellen ons voor hoe Jacob van Maerlant zelf gniffelend toekijkt op het geredetwist over zijn curriculum. Was de grote schrijver nog onder ons, dan nam hij ongetwijfeld de ganzenveer ter hand om orde op zaken te stellen. Of was hij mee met onze tijd en klom hij in zijn digitale pen? Op Facebook? Toch niet op Twitter, mogen wij hopen?

Posted in Het Brugge van toen, Van boeken en schrijven | 2 Comments

Van Arno geleerd

Mijn beste Arno,
sinds jij de tocht aanvatte naar je moeder hierboven, een pad waarvan je al een tijd vertelde dat het op jou wachtte, gaat het met de dagen zoals voorheen. Ze gaan voorbij. Maar elk van die dagen was er wel een moment waarop ik aan jou dacht. En laat mij het maar meteen bekennen, telkens sloop daar iets van spijt doorheen. Spijt, omdat ik in al die jaren het bestaan van een waardevol mens, van jou, als zo heel gewoon en vanzelfsprekend beschouwde.

1981 – TC Matic op Rock Torhout …
1995 – Arno op het Rudd-Rock festivalletje

En daarom ben ik gaan uitvissen wanneer het was, die ene keer dat ik jou op een podium bezig zag en hoorde. ’t Was een zomerse zaterdagmiddag in 1981. We gingen voor de derde keer op rij naar Rock Torhout. Op de affiche van het jaarlijkse festival lees ik zeven namen en in die lang vervlogen tijden gold zo’n aanbod zonder meer als een hoogdag. Jaar na jaar trok dan ook meer jong volk naar de weide. De affiche van die keer herinnert mij aan Dire Straits dat de festivaldag zou afsluiten. We hadden hen daar een paar zomers eerder leren kennen als verfijnde melodiemakers, dus dat zou leuk worden. Ook Robert Palmer was er en de wat somber ogende jongens van The Cure. En Elvis Costello. Vroeger op de dag was een reggaegroepje geboekt, maar dat kwam niet opdagen. De voormiddag was voor The Undertones maar eerst mocht een jonge Belgische groep aantreden. Het festivalpubliek opwarmen, dat was op zich al een benijdenswaardige eer voor jongens van bij ons.

1998 – in de Cactus Club-kelder in de St-Jacobsstraat

We waren doende met het uitkiezen van een goeie plek, ergens midden de weide, waar we ons neer vleiden. Met zicht op het podium waar dat groepje, TC Matic, al volop bezig was. Ze hadden net hun eerste album uit, het toen nog normbepalende Humo liep hoog op met TC Matic en we zongen allemaal mee met die ene radiohit van hen. Oh La La La, c’est magnifique!, ging het. We vonden dat de frontman, Arno Hintjens, dat goed deed en keken uit naar de echte, grote namen, later op die zomerdag. Dat ruim veertig jaar en een glorierijke carrière later jouw overlijden voor zo’n rilling doorheen

Vaak in de Magdalenazaal …
Soms in de stadsschouwburg …

het muzieklandschap zou zorgen, niet één van ons kon dat toen vermoeden.
Ik zou je nooit meer terug zien, Arno. Maar door al die jaren heen trok jij op tijd en stond mijn aandacht. Met muziekskes uit het hart, af en toe. Met een interview waarover wij het achteraf met enig plezier hadden aan de toog. Dien Arno, ’t is mij toch wel ene, hé! Jouw babbels met een woordenschat die alleen van jou kon zijn.

Op het Cactusfestival, in 2008 …

Zoals de songs die je bedacht ook alleen de jouwe waren. Met optredens ook, veel optredens. Ook hier bij ons in Brugge, leert mij mijn affichecollectie. Van het Rudd-Rock-festivalletje in ’t Boudewijnpark tot in de Cactus Club-kelder in de Sint-Jacobsstraat. Later vaak in de Magdalenazaal en soms in de stadsschouwburg.

Eén keer op het Cactusfestival, ook. Maar ik was nooit van de partij. En nu vind ik dat jammer, zo gaat dat.
Vrienden van ons vertellen over een concert van jou, onlangs in Oostende, je laatste keer op een podium. Zij vertelden over jou en hoe jij op jouw beurt vertelde over je moeder die op je wachtte.
En dan komt het nieuws dat je naar haar toe ging. En realiseert een mens zich, Arno is weg. Voor altijd. En ook dat vind ik nu jammer, zo gaat dat.

Enfin, Arno, laat me jou toch maar vooral dankbaar zijn. Ja, ik weet het, dat gaat hier even de sentimentele toer op. Je zou dat weglachen met zo’n welgemeende godverdomme die je leerde aan de vistrap in je thuishaven. Maar dit wou ik je nog meegeven. Met jouw weggaan leerde je mij, de aanwezigheid van ferme, authentieke mensen nooit meer vanzelfsprekend te vinden.
Merci voor wie je was, Arno.

Posted in Het Brugge van nu, Van 't Cactusfestival, Van gitaren en drums, Van zin, zen en zijn, Van zingen en spelen | 13 Comments

Van Frank Van Acker tot Juan Vives, een beeldverhaal

Jawel, ’t is al dertig jaar geleden dat het nieuws door de stad gonsde …

Sinds wanneer kijkt het borstbeeld van Frank Van Acker peinzend voor zich uit, daar aan de vismarkt? Wij hebben het voor u uitgezocht, nu we even stilstaan bij het overlijden van de burgemeester, in het voorjaar van 1992. Jawel, ’t is al dertig jaar geleden dat het nieuws door de stad gonsde … ‘De burgemeester is dood!’ Frank Van Acker werd amper 63.
Een jaar later werd het beeld onthuld. Op een plek waar het vooral toeristen nieuwsgierig maakt. Deze week nog zag ik een stel vrolijke jongelui zich rond Frank scharen voor een groepsfoto. Giechelend legde eentje haar arm om de hals van de bronzen burgemeester. Waarna zij de woorden op de sokkel, ‘Minister van Staat, burgemeester van Brugge’ probeerde te ontcijferen. De Bruggeling wandelt het beeld achteloos voorbij, weten dat het er staat volstaat.

Eén van onze
meest iconische Bruggelingen …

Haast nooit komt zo’n beeld in het nieuws. Wel die keer, het borstbeeld van Frank’s vader Achiel Van Acker, aan de Joseph Ryelandtzaal in de Ezelstraat. Eén van onze meest iconische Bruggelingen, een paar zomers geleden door één of andere sukkel beklad met een spuitbus.
Frank Van Acker’s hoofd bleef gespaard van zo’n bedenkelijke aandacht. Al kon hij er tijdens zijn leven van meespreken, van besmeurd worden. Toen met de nodige tamtam het Sint-Amandsstraatje als eerste autovrije straat werd ingehuldigd was niet elke neringdoener daar content mee. Eén van hen stond klaar met tomaten, bestemd voor de passerende burgervader. De aanslag werd op het nippertje door de arm der wet verijdeld.
Minder historisch correct is het toogverhaal over zijn borstbeeld aan de vismarkt. Waarom hij daar toch ietwat sip kijkt? Ha, da’s omdat de burgemeester, hoewel altijd te vinden voor culinair genot, niet van vis hield! Of dat waar is, vroegen wij hem graag zelf, maar borstbeelden zijn doorgaans eerder zwijgzaam.
En daarnaast vinden wij ook iets bizar aan zo’n sculpturen. Een borstbeeld is, zegt men, de sculpturale tegenhanger van  het portret. En toch. Ze kunnen het zelf niet helpen, maar is het u nooit opgevallen hoezeer borstbeelden lichaamstaal missen?

… Maurits Sabbe, zoon van …

Desondanks telt onze binnenstad meer van die bustes dan u zo voor de vuist zou opnoemen. Wie van aan het station de stad in wandelt langs de vesten, langs de Poertoren aan het Minnewater, komt één van de oudste tegen. Het stelt Hendrik Pickery voor en die was beeldhouwer. Da’s dus een beeld van een beeldhouwer. Het werd in 1901 gekapt door zijn zoon Gustaaf, ‘t beeldhouwen zat in de familie.
Nog bij het Minnewater vind je vlakbij het sashuis Maurits Sabbe, zoon van Julius met wie hij elders in de stad een straatnaam deelt. Op zijn boeken, die al lang niemand meer leest, was lang geleden de tv-reeks ‘De vorstinnen van Brugge‘ gebaseerd.
Enkele jaren geleden werd nog zo’n borstbeeld ingehuldigd op de site Oud Sint-Jan. De meneer die daar gewichtig staat te wezen heette Thomas Van den Berghe, maar in die zeventiende eeuw waarin hij leefde werd je naam verbasterd naar het Latijn. Toch als je lang naar school was geweest. En Thomas Montanus zat best lang op de schoolbanken, hij werd dokter. Pardon, medicus meldt zijn sokkel. En in het Sint-Janshospitaal zou hij een prominent figuur zijn geweest. Zijn torso staat er sinds de zomer van 2015.

… was één van de gangmakers van het daar nieuw te bouwen ziekenhuis.

Borstbeelden zijn inmiddels echt wel passé, dit wordt allicht het laatste in de rij, dachten wij. We dachten fout. Vorig jaar werd, schouder aan schouder met dokter Montanus, nóg eentje onthuld. Voor Isaac De Meyer, ook een arts, maar wel in de jaren achttienhonderd. Was één van de gangmakers van het daar toen nieuw te bouwen ziekenhuis. Stond ook aan de wieg van de opleiding van vroedvrouwen, wat je niet meteen verwacht van een voormalig legerarts in dienst van Napoleon.

Over vrouwen gesproken, de enige dame op onze lijst is koningin Astrid. In de volksmond steevast botanieken hof genoemd, heet het park na de tragische dood van de koningin in 1935 Koningin Astridpark. In haar park kreeg de vorstin een hoekje toegewezen dat in de loop der tijden zo schaduwrijk werd dat je er passeert zonder haar op te merken. Vorige zomer voelde ook een ander borstbeeld zich uit het zicht verdrongen. In de tuin van het geboortehuis van Guido Gezelle trekt de buste van de dichter meteen de aandacht. Maar met de Triënnale stond Guido’s beeld wat schuw verdoken onder de fameuze stelling die om de immense dennenboom heen was opgetrokken.

In de tuin van het geboortehuis
van Guido Gezelle …

Maar kom, Guido, ge moet niet klagen, ge hebt elders in de stad ook een ècht, volwaardig standbeeld. En al vertelde Pieter Aspe in ‘De Midasmoorden’ over een bomaanslag op dat beeld, in ’t echt blijft het tot nader order gewoon overeind.

Besluiten willen we met het borstbeeld dat ons het meest nauw aan het hart ligt. In de schaduw van de kerktoren van Onze Lieve Vrouw, waar horden toeristen het Bonifaciusbrugje versmachten. Juan Vives aanschouwt het tafereel met diepzinnige blik, vanonder het lommer van een donkere boomkruin. De grote Vives, filosoof met naar de normen van de vroege zestiende eeuw ongehoorde voorstellen. Hoe ver kan een mens zijn tijd vooruit zijn? Heel ver, wanneer je het geven van aalmoezen wil vervangen door het aanbieden van scholing voor wie arm is.  Wanneer je pleit voor onderwijs voor meisjes. Wanneer je als pacifist nadenkt over de waarde van een eensgezind Europa.
Verdient Juan Vives zo’n borstbeeld? Neen, naar onze altijd weer bescheiden mening moeten

we Juan, in plaats van zo’n bescheiden uithoek, de ultieme ereplaats gunnen. Hoort de grootste humanist die ooit in onze stad leefde, visionair buiten categorie, niet gewoon midden op de Brugse Markt?
En wat dan met dat standbeeld van die twee sloebers die er nu staan? Voorstellen zijn welkom.

Je vindt ze ruim verspreid doorheen de stad, maar op zoek naar borstbeelden zou je een aardige fietstocht kunnen bedenken. Een toer met aan elk beeld het bijhorend verhaal. En met een vertelsel over de beeldhouwer die het maakte. Nu nog een naam bedenken voor een thematocht langs borstbeelden en hun makers. Die makers, hoe noem je die? Hoe klinkt borstbeeldhouwers?

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van boeken en schrijven, Van schilderen en plaasteren, Van toeristen | 10 Comments

‘Brugge in affiches’ in … ’s Hertogenbosch

“Namens ‘Design Museum ’s Hertogenbosch’ wil ik informeren
naar drie bijzondere affiches in uw collectie.”

Het bericht dat zo’n jaar geleden in mijn mailbox belandde ging verder met
“Graag zouden wij deze affiches tentoonstellen in onze aankomende expositie ‘Goth, Designing Darkness’, van oktober 2021 tot april 2022.”

Er komt wel eens iets van ‘Brugge in affiches’ op een Brugse expositie terecht. En een paar maal kon ik met een ruimere selectie uitpakken. De verzamelaar grijpt graag elke kans om ‘zijn collectie te ontsluiten’, zoals dat in vaktermen heet. Al blijven die gelegenheden tot nu toe ‘thuismatchen’. Serieus aangepakt, keer op keer, maar toch met groot ‘ons kent ons’-gehalte, het mag er wat informeel aan toe gaan.
Maar die mail van dat museum in ’s Hertogenbosch, ‘Den Bosch’ zoals ze in Holland zeggen, was andere koek. Een vraag vanuit zowat het meest gereputeerde designmuseum van de Lage Landen! Mag deze bescheiden verzamelaar eventjes verbaasd opkijken?

Bovendien vroegen ze niet naar een paar doorsnee affiches. Neen, ze hadden hun deskundig oog laten vallen op enkele bijzonderheden die ik in huis heb. En al zijn die geen fortuinen waard, waardevol zijn ze wel. Waardevol en niet makkelijk te vinden. Vooroorlogs lithografisch vakmanschap, deskundig ingekaderd en in dit huis gekoesterd.
Ervaring met zo’n uitleenavontuur? Hebben we niet. Het leek ons tijd voor  een hulplijn. Uitkijken naar ervaringsdeskundigheid bracht mij bij onze voormalige stadsarchivaris. Noël Geirnaert, oude bekende.
Uiteraard, mijn beste Noël, ligt in het voorgaande de nadruk op ‘bekende’, ge ziet dat van hier. Wij kennen mekaar al van toen je in het begin van je loopbaan voor de schoolbanken stond waarop deze jongen zijn tijd doorbracht. En dus vroeg ik je graag om raad.
Dat ik dat met enig zelfvertrouwen mocht aanvatten, klonk je overduidelijke antwoord. ‘Jij bent de bruikleengever, Pol, de spelregels bepaal jij!’

Materiaal uitlenen voor een tentoonstelling brengt geen centen op, maar je leert er wel wat van. Dat je je als bruikleengever een paar praktische aardigheden kan permitteren. En dat een ‘verzekering van spijker tot spijker’ precies is wat je denkt dat het is. Je spullen worden door de ontlener verzekerd van ’t moment waarop hij ze in handen neemt tot wanneer ze weer bij jou thuis hun plaats innemen.

En dat ophalen en terugbrengen, ’t is me wat! Ons straatje schrok zich die ochtend een breuk toen het werd ingepalmd door een kanjer van een camion mèt aanhangwagen. Een gespecialiseerd team, op toer om waardevol materiaal naar Den Bosch te brengen. Ineens kregen de paar kaders in onze leefkamer het elan van delicaat te behandelen kunststukken,

deskundig ondergebracht in een vrachtwagen met constante temperatuur en luchtvochtigheid. Nou, moe!

Wij gingen langs in het telkens weer charmante Den Bosch. De recente architectuur van het Designmuseum eist er zijn plaats op, midden het oude stadscentrum. ‘Goth, Designing Darkness’, de tentoonstelling, vertelt over gothic. Ze gaat op zoek naar het verband tussen drie stromingen uit heel verschillende periodes van de westerse cultuur. Klinkt zwaar op de hand en dat is het ook. Vooreerst is er gotiek, de kunststroming die de middeleeuwen domineerde. Met neogotiek, de retrostijl die vanaf de negentiende eeuw opgang maakte, is de link makkelijk te leggen. Maar dan is er ook nog ‘gothic’.
Was u jong in de jaren tachtig van vorige eeuw? Wie weet, dweepte u met muziek van onder meer Siouxsie and the Banshees en vooral The Cure. En ging u in dat geval misschien als ‘gothic’ door uw toenmalig bestaan. Droeg u zwarte kleren en make-up en haartooi die verwezen naar donkerte en drama. Beter dan de cataloog van de tentoonstelling kunnen wij de subcultuur ‘gothic’ amper omschrijven. ‘Goth is een levensstijl vol onbestemd verlangen naar de donkere kant van het leven’, staat er te lezen.

Een Belgisch luik op de expositie? Enkele etsen uit het begin van vorige eeuw, van de Gentse Jules De Bruycker en … drie affiches van een Brugs verzamelaar. En die verzamelaar zag dat

het goed was. Dat zijn pronkstukken een eervolle plek toebedeeld kregen. Apetrots word je ervan, zeg dat ik het gezegd heb.
Alles koek en ei? Laat ons de cataloog noemen als lichte teleurstelling. Daarin wordt veel verteld over het thema van de tentoonstelling, maar een echte cataloog, waarin al het tentoongestelde stuk voor stuk wordt vermeld en getoond is het niet.  Maar kom, ‘selden is volmaect de feeste’ lang geleden schreef een Brugs rederijker het al.

De tentoonstelling in Den Bosch sluit dit weekend haar deuren. Binnenkort keren mijn koesteraffiches naar huis terug. Veilig en wel teruggebracht, na een verrassende trip ‘van spijker tot spijker’.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Over affiches verzamelen | 13 Comments

Bierfestivalgangers …

Het leek ons best wel een opwindend vooruitzicht. We waren benieuwd èn vijftien jaar jonger dan vandaag, toen we in dat najaar van 2007 achter het belfort gezwind de steile trap op gingen naar de hallenzalen. Voor het eerst kreeg het oude Brugge daar een bierfestival, een beurs met niks dan variaties op het geliefde gerstenat! En dan nog in dat imposante interieur van zo’n middeleeuws monument, zalig! Het werd de aanzet van een jaarlijkse culinaire traditie. Waarbij ook ondergetekende graag een plekje in zijn agenda vrij houdt voor het bijschaven van zijn bierkunde. Drinken om te leren, hé.

Al is de proeverij na al die jaren de stadshallen ontgroeid, helaas. Omdat almaar meer brouwers opdaagden die iets lekkers aanboden. De tol van het succes, zo je wil, want zo authentiek als daar ‘onder d’alletorre’,  onder dat stoere gebinte dat eeuwen geschiedenis ademt, wordt het nooit meer. Waren we van slechte wil, dan stuurden wij onze kat. Maar wij hebben geen kat, dus zijn we straks zelf weer van de partij. Nu voor de eerste keer in de nieuwe beurshal, of volgens het boekje het ‘Beurs-, Meeting- en Congrescentrum‘.

Trouwens, sinds die eerste editie kreeg het bierfeest al meer locaties toegewezen, het ging van hot naar her. Een toertje langs de plekken waar de bierslijters jaar na jaar neerstreken heeft iets van een kroegentocht. Die begint, zoals gemeld, in de hallen van ’t belfort, het is er aangenaam toeven. Je moet er weliswaar de trappen op, maar eenmaal boven wacht een ambiance van schuimend genot tussen die massieve muren die al eeuwen dat hoge balkenspel dragen, je waant je in de grootste bruine kroeg van ‘t stad. Het waren de eerste vijf jaargangen die daar doorgingen.
Eén keer werd daar trouwens een kalenderjaar overgeslagen. In zijn eerste levensjaren palmt het bierdrinkfestijn een weekend in ’t najaar in, tot het voorstel komt voor een datum vroeger in het jaar, in de voor Brugge kalme februarimaand. Dat vergt wat gedoe bij het overschakelen, want als zo’n beurs doorgaat in september en ’t jaar daarop al meteen weer in februari, liggen die twee wel héél dicht bijeen. Een minder goed idee en dus slaan we na september 2010 even een jaartje over. Om in februari 2012 met evenveel goesting de draad, of liever het glas, weer op te nemen.

En de belangstelling voor het bierweekend groeit, van bescheiden fles tot ferme magnum. Het keurslijf van de nochtans ruime stadshallen wordt te krap en de brouwers verhuizen naar de beurshal, de bunker aan de Hauwerstraat. Het contrast met de charme van het eerste onderkomen? We hoeven het u niet uit te leggen.
Maar kijk, bij zijn tiende verjaardag wordt het bierfeest ook daar de deur gewezen. De

beurshal speelt met zijn omgeving nog even decor voor ‘De dag’, die dramaserie op tv, waarna het lompe gebouw onder de sloophamer gaat.
Noodgedwongen kiest het bierfestijn dan maar vanaf 2017 voor een feesttent, jawel, op de Markt. Met, als was het een voetnoot, ook een paar brouwers in ’t Provinciaal Hof. En zowaar ook een handvol proefstanden, je gelooft het amper, in de bovenzalen van ’t belfort. Het volgende jaar komt een tent op de Markt èn een tweede op de Burg.

En dan, bij editie 2020, komt het nieuw aangelegde Zand vrij en wordt daar een kanjer van een tentencomplex opgetrokken. In februari, zoals gebruikelijk, en een paar weekends later komt een virusje langs en valt het doek over al wat leutig is. En ja, de winter daarna, vorig jaar, trekt datzelfde euvel gewoon een streep door het Bierfestival.

Maar dit jaar, dit weekend, is het feest terug van weggeweest! Ons bierfestival, in de vers gebouwde beurshal, dit keer. En of we content zijn! Al zal het wellicht altijd wat blijven smeulen, dat heimwee naar het geboortehuis van het bierfeest, het belfort en zijn hallen.
Doch niet getreurd, bierliefhebber, laat dat het ‘leren over bieren‘ niet in de weg staan. Want, lezer, laat daar geen twijfel over bestaan, ’t zijn altijd weer leerrijke dagen!
En vooral, onderschat zo’n leerproces niet! Wie er nooit bij was stelt zich amper voor hoe je na zo’n biercursus huiswaarts keert met een hoofd vol gewichtige bierwijsheid! Het komt voor, dat een cursist moeite heeft om zich met al die verworven kennis staande te houden.
We herinneren ons, uit de belfort-jaren, bij het buitenkomen van de beurs, die steile trap die je afdaalt, beladen met zoveel bierkunde. Dat vergde, toegegeven, soms enige voorzichtigheid.
Ze heeft alvast haar gelijkvloers mee, die nieuwe beurshal.
Mochten wij mekaar daar tegenkomen, waarde lezer, dan klinken we daarop!

Posted in Het Brugge van nu, Van feesten en vieren, Van proeven en smaken | 9 Comments

De weledele heer Pieter Bladelin en een Brugs café …

Ze staat in onze garage, mijn boekenkast. Met haar glazen aangezicht tegen de witgekalkte muur, ietwat beteuterd, mist ze de boeken die ze sinds jaar en dag voor mij bewaart. En die boeken missen hun vertrouwde onderkomen, waar ze schouder aan schouder kennis bewaren. Een paar weken geleden verhuisde ik al die papieren wijsheid, lukraak geborgen in van die lompe bananendozen, naar een hoek van onze slaapkamer.  Een veilige schuilplaats, nu onze woonst wordt ingepalmd door tegelleggers, loodgieters en andere  vaklui. Ze wachten er geduldig, mijn boeken. Dat zijn ze gewoon, met wachten brengen boeken hun levensjaren door, toch?

En zo kan het geschieden dat ik op een frisse ochtend naar de stadsbibliotheek fiets, om een boek waarvan ik weet dat ik het zelf in huis heb, maar niet in welk van die onhandig te doorzoeken kartonnen dozen. In de bib vind ik niet wat ik zoek, maar soms is vinden wat je niet zoekt ook leuk. En dus keer ik tevreden terug met in mijn fietstas ‘Karel de Stoute, pracht en praal in Bourgondië’, de cataloog van die tentoonstelling in Groeninge, alweer

‘… die tentoonstelling in Groeninge …’
’t Was in 2009, één tentoonstelling, goed voor drie affiches.

wat jaren geleden. Misschien lees ik daarin ook wel één en ander omtrent de ‘Schat van het Gulden Vlies’ en de plannen die er ooit waren om die kostbaarheden in een Brugs museum onder te brengen.

’t Was in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog, heel ongewone tijden. De ‘Spaanse griep’ sloeg wild om zich heen en op het schaakbord van de wereldpolitiek werden rekeningen vereffend.
Het begrip ‘herstelbetaling’ viel. Wie de oorlog verliest, betaalt het gelag. Die verliezers, dat waren uiteraard vooral onze oosterburen. Maar er waren nog stoute leerlingen. Ook Oostenrijk-Hongarije, dat bizarre ‘keizerrijkje’ dat na de oorlog werd opgedoekt, kreeg een slecht rapport. Het was de herstelbetaling van dat ‘land’ dat hier in Brugge een luide bel deed rinkelen. En wel hierom.
In Wenen bewaarden ze sinds lang de ‘Schat van het Gulden Vlies’. Het Gulden Vlies, die hoogst prestigieuze ridderorde, zat er blijkbaar warm in. Sinds haar stichting, in de vijftiende eeuw hier in Brugge, verzamelde het herenclubje allerlei kostbaars. Met edelstenen belegde, gouden halssnoeren en kruisen, gewaden in karmozijn fluweel en satijn, steevast met goud geborduurd. Exquise sieraden, gesierd met robijnen, saffieren en parels. Handschriften met beeldige miniaturen en wat al nog meer.
In het begin van de eeuw, bij de opening van de nieuwe haven van

‘… Hier bij ons hadden wij al een keer één en ander van die ‘schat’ kunnen bewonderen.’

Zeebrugge, hadden wij op een tentoonstelling al een keer één en ander van die ‘schat’ kunnen bewonderen, waarna alles weer naar Wenen verhuisde.
Welnu, misschien kon al dat schoons wel van pas komen als herstelbetaling aan ons kleine landje dat toch een flink deel van de oorlogsmiserie had doorstaan?
En toen kwam Brugge in beeld. Pieter Bladelin, in Bourgondische tijden thesaurier ofte schatbewaarder van de orde, die mens zijn stadspaleis staat hier nog altijd overeind. Een meer geschikt onderkomen was moeilijk denkbaar, toch? Die spullen komen gewoon weer thuis! Likkebaardend zag Brugge uit naar de komst van zoveel kostbaarheden. Tijd voor … een nieuw museum!

Deze stad is er vanouds eentje met bijdehandse middenstanders. Zodoende mag het niet verbazen dat vlakbij dat Hof van Bladelin in de Naaldenstraat, op de hoek van de Grauwwerkersstraat, een herbergier op een idee kwam. Een spraakmakend museum, hier vlak om de hoek? Dat worden fijne tijden, jongens! Laat ons de gouden koe bij de horens vatten, voortaan heet mijn café ‘In ’t Nieuw Museum’!

… voortaan heet mijn café
‘In ’t Nieuw Museum’!
– foto ‘Beeldbank Brugge’ –

’t Nieuw museum is er nooit gekomen. Althans niet het museum voor de schat,  die bleef goed en wel in Wenen. Maar ’t Nieuw Museum, het café, werd een klassieker in het Brugse caféwereldje.
Al bleef de kroeg niet op de plek waar het allemaal begon. Jaren geleden verhuisde de toenmalige patron zijn café en nam de naam mee. Weer naar een straathoek, weliswaar, maar wel een heel eind verderop, die van de Hooistraat en de Ganzenstraat. Waar de herberg zich het Bourgondisch verhaal achter zijn naam herinnert. Het zal de meeste gasten die er over de vloer komen een zorg wezen, zolang wat in hun glas komt of op hun bord maar bourgondisch oogt en smaakt.

Inmiddels zien mijn boeken, net als ik, uit naar het moment waarop ik ze weer in hun kast opberg, elk op hun vertrouwde schap. Al nam ik mij voor, nu ik dit caféverhaal hier neerschrijf, een plekje vrij te houden. In mijn kennissenkring weet ik iemand die een boek schreef. Over Brugse cafés en de historie achter al die gevels. Het boek wacht al even op een uitgever, heb ik begrepen. Dat komt goed, ooit. Boeken zijn goed in wachten, weet ik inmiddels.

Posted in Het Brugge van toen, Van schilderen en plaasteren | 8 Comments