Posted in Zonder categorie, voorlopig | Leave a comment

Plagiaat, kameraad!

Zondagochtend op weg naar de binnenstad ga ik ze goeiedag zeggen, de narcissen in het begijnhof. Dit jaar ontwaakten ze verrassend vroeg, vonden het welletjes met dat slappe wintertje dat we doormaakten. Met het bloeien van die paaslelies lijkt ons begijnhof een plek waar de aardbol zich even van zijn jongste kant laat zien.
’t Is dan ook met ochtendlijke tevredenheid dat ik verder fiets naar het Groeningemuseum, daar is een lezing in de Vriendenzaal. Het gaat over muziek. Over, hou u vast aan uw stembanden, gregoriaanse koorzang. Hendrik Vanden Abeele, geboren Bruggeling, is daar helemaal in thuis. Hij wijst ons die ochtend min of meer de weg door een labyrint van muzieknotaties. Hendrik is ook nog dirigent van een befaamd koor waarmee hij die soms wat slome melodieën verkent.

En dus ga ik de volgende dag in de bib op zoek naar muziek van ‘Psallentes‘, zo heet zijn vrouwenkoor dat al redelijk wat opnames op zijn palmares heeft. Tussen een handvol platenhoesjes treft mij eentje met een naïef, fijn getekend tafereel. Witgekalkte gevels achter hoge boomstammen … ons begijnhof! Een groepje begijnen volgt het pad naar de kerk, ’t is tijd voor het gebed. En in het gras bloeien narcissen.
Gregoriaanse zang en de paaslelies van het begijnhof, soms gooien toevalligheden het op een akkoordje om ons te verrassen.

De rust van mijn affichekamer ruimt graag plaats voor milde, lang vergeten gezangen. Hoe fris en ongedwongen kan oude muziek zich tooien?
Als Psallentes klinkt zoals in vroeger tijden de begijnen, dan is het jammer dat er geen meer huizen in onze begijnhoven.
Gezang uit eeuwen waarin muziek keer op keer nieuw klonk. Of zichzelf recycleerde, dat kwam ook voor. Componisten geneerden zich niet om rond bestaande deuntjes iets nieuws te verzinnen.
Plagiaat? Ach kom, muziek was niemands eigendom, wat ooit door wie bedacht was, wat deed het ertoe?
Ik verlies mij moeiteloos in de deugddoende luchtigheid van die meisjesstemmen. Droom even weg in mijn stoel en wanneer ik mijn ogen open, kijkt vanop een ingekaderde affiche een jonge vrouw op mij neer. Ontwaar ik een verholen glimlach op het gezicht van gravin Johanna? ’t Zal wel zijn, gezang uit haar tijd, dat klinkt vertrouwd.
De jonge gravin prijkt op een afficheontwerp van Flori Van Acker, uit een zomer van bijna honderd jaar geleden. Een affiche omtrent een groots feest in ’t begijnhof. Groots feest? Zat het Brugse begijnhof rond die tijd niet in slechte papieren? De begijntjes waren nog amper met genoeg om te kaarten. En dus gingen stemmen op om de site een andere bestemming te geven. Een verpleegstersschool? Een tuinwijk, waarom niet?

Maar dat was naast Rodolphe Hoornaert gerekend. De rector, zo’n beetje de parochiepriester van het begijnhof, zag het anders. Het hof moest en zou zijn religieuze invulling behouden. Een broodnodige renovatie van het vervallen geheel zou twijfelaars over de streep helpen. Maar voor zo’n plan waren centen nodig. En dus kwam er, die zomer van 1925, een feestelijke, historische evocatie. Dat zou de gegoede burgerij warm maken voor zijn project.

Met het afficheontwerp bevestigt Flori Van Acker zijn gedegen reputatie. De begijnhofkerk achter kale bomen. Een Latijnse tekst, een druiventros, een Vlaamse leeuw. Dat schema wordt prominent doorbroken door de figuur van gravin Johanna. Net als haar opvolgster, haar zus Margaretha, was zij ‘beschermvrouwe’ van het hof. Het gewaad van de statige vrouwenfiguur drapeert zich in zware plooien tot op de grond. In haar rechterhand een bezegelde keure, in haar linker een scepter. En haar doordringende blik van onder haar sluier en grafelijke kroon.
En dan is er nog de Latijnse tekst. In een gotisch lettertype, met afkortingen. Niet simpel, wij kennen geen Latijn. Maar wij kennen iemand die Latijn kent, wat helpt. “Beghinis Brugensibus Vinram” verwijst naar de naam van het begijnhof, ‘Ten Wijngaarde’, waarvan Johanna en Margaretha worden vermeld als grondleggers.

En ja, hoe geloofwaardig staat onze Johanna hier niet afgebeeld. Da’s markant, want er is niet één bron die ons een betrouwbaar beeld nalaat van de middeleeuwse gravin. En dus ging ik er van uit, sinds die affiche bij mij thuis een plaats kreeg, dat Flori zijn Johanna gewoon had verzonnen. Niks mis mee, natuurlijk.
Tot op een keer. Eén of andere feestelijkheid bracht ons naar ’t stadhuis. En wie kwam ik daar tegen? Toch wel Johanna van op de affiche van Van Acker, zeker! Tussen al de figuren op de muurschilderingen van de gotische zaal kijkt de jonge vrouw op ons neer. Zelfde blik, zelfde kledij, zelfde attributen. Wat is hier gaande?

Welnu, die imposante muurdecoratie is werk van Albrecht De Vriendt, een Antwerps kunstenaar, zijn broer Juliaan en de Brugse schilder Omer Rammelaere.

Dat was op ’t eind van de jaren achttienhonderd, zowat een kwarteeuw voor Flori Van Acker zijn affiche tekende.
Ach zo, die sloeber van een Van Acker ging aan de haal met het ontwerp van een ander! Meer zelfs, iedereen kan dat daar op ’t stadhuis aanwijzen. Plagiaat, kameraad!

Momentje, dat vergt enige bijsturing! Flori beroept zich namelijk op een traditie uit vroeger tijden. Want zoals in de middeleeuwen muzikanten vrijelijk melodieën van mekaar leenden, zo namen ook onze Vlaamse Primitieven op hun panelen schaamteloos thema’s van kompanen over.
Geen groter eerbetoon dan het gebruik van andermans ontwerp, dat was de middeleeuwse regel.

Ga je ervan uit dat Flori die oude denkwijze volgde, dan is zijn Johanna een ultiem eresaluut aan de muurschilders van ’t stadhuis!

Wat zou het geven, mochten we de bladzijde omtrent ‘plagiaat’ uit onze regelboeken scheuren? Terug naar de tijd waarin alles van iedereen was, waarheen zou dat leiden? Alleen maar nadelen?
Gisteren passeerde ik weer langs het begijnhof. Nog trotser en nog jeugdiger geel glunderden de paaslelies. En niet eentje vroeg zich af, of ooit de allereerste narcis zich druk maakte, toen zich naast haar een identieke bloem ontvouwde …

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van beesten, planten, Van zingen en spelen | 5 Comments

Een wereldreisje bij de koffie

Met de zilte zeewind in haar haren staat ze die ochtend in Zeebrugge aan de kade. Ze kijkt op naar het immense flatgebouw dat hier vannacht voor anker ging. Samen met een handvol andere gidsen wacht ze tot de cruisetoeristen aan wal komen. Een stel bussen brengt hen naar Brugge en één van die groepen neemt zij voor haar rekening. Neemt hen op sleeptouw doorheen de stad. Timing en parcours dienen strikt gevolgd. Op het voorziene tijdstip maken haar volgelingen een rondvaart op de reien en zij maakt van dat half uurtje dankbaar gebruik om zich te warmen aan een kopje dampende troost in een koffiehuisje vlakbij. ’t Is daar dat zij en ik mekaar treffen.

Ze is tevreden met haar toehoorders, vertelt ze, een geïnteresseerd gezelschap. Zoals bij elke rondleiding, cruise of andere, maakt dat voor de gids het verschil, dat weten we allebei. Zo kreeg ze tot haar verwondering heel kritische vragen toen ze op de Burg vertelde hoe het Heilig Bloed naar Brugge werd meegebracht uit de door kruisvaarders geplunderde, nochtans christelijke stad Constantinopel. Neen, van hun reizen konden die kruisridders maar weinig jolige foto’s op hun facebookpagina posten.

Misschien lukte dat wel voor Anselm Adornes die veel later, in de vijftiende eeuw, vanuit Brugge op bedevaart trok naar het verre Jeruzalem. Daarover kon ik gisteren een heleboel kwijt, vertel ik mijn collega-gids. Engelse studenten die zich met astronomie inlaten, ze logeerden een paar nachten in de Snuffel, wilden een alternatieve verkenning van de stad. Ik nam ze mee naar het ‘stille Brugge’, de buurt van de Jeruzalemkerk.

Wanneer ik daar de trip van Anselm Adornes naar Jeruzalem ter sprake bracht, herinnerde zich één van de jonge sterrenkundigen een astroloog uit de lage landen die in de zeventiende eeuw helemaal naar China trok om er in opdracht van de keizer naar de sterrenhemel te turen. Of dat ook geen Bruggeling was, wou hij weten. Niet dus, al was jezuïet Ferdinand Verbiest wel van onze contreien.
Geboren in Pittem, overleden in Peking, dat klinkt, hé.

En natuurlijk kwam in de buurt van ’t Jan van Eyckplein ook de middeleeuwse havenstad Brugge aan bod. Hoe vanuit Scandinavië en zelfs vanuit het Russische Novogord koopmannen naar onze stad reisden.
Waar ze in onze badstoven, zij aan zij met uit Firenze of Toledo overgekomen handelaars, genoten van wat daar te genieten viel.

Mijn Engelse toehoorders verrasten mij overigens met een nuchtere kijk op de toeloop van toeristen in onze stad, vandaag. Over het welles en nietes omtrent veel of te veel. En dat het elders ook van dat is, wisten ze hun gids te troosten, dagtoerisme is overal een blijver. Maar zelf bleven ze nog een paar dagen in de Brugge, verzekerden ze.

Een half uurtje babbelen is zo om en een koffie zo gedronken, mijn collega-gids haast zich, met onder de arm haar witte bordje met het nummer zeven erop, richting de aanlegsteiger om de hoek. Ik wens haar een goeie rondleiding toe. Ze kijkt lachend om en geeft mij nog een nadenkertje mee … ‘Wie zijn wij, dat we dagjesmensen met de vinger wijzen, alsof Bruggelingen op andere plekken nooit de vluchtige toerist uithangen!’

Ik reken af en wandel de Katelijnestraat in. Waar ik zowaar mijn stel Britse sterrenkundigen tegen ’t lijf loop. Ik neem ze mee naar ’t Walpleintje. Daar is een pand, vertel ik, waarvan de naam jullie zal boeien. Een huisnaam die verwijst naar astronomie! Zij nieuwsgierig! Wat volgt is een gezapige middag in De Halve Maan.

Op zondag 25 februari kan je als aspirant-reiziger in de stadshallen en het Hof van Watervliet terecht op de Reismarkt, georganiseerd door Wegwijzer. Je krijgt er allerlei informatie omtrent alternatieve reisformules.
Meer omtrent de beurs vind je hier … https://www.reismarkt-brugge.be/

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van wielen en op weg zijn | 2 Comments

Scherven delven op de speelplaats … de Jozefienen

’t School, dat is een apekot, parlez vous!
Weet je nog, dat stoute lied van Vuile Mong en zijn Vieze Gasten? Dat olijke deuntje waarop Mong het leven bezong. Dat begon in de crèche en dan ging het langs de school, ’t leger en de fabriek. En alles in het bestaan bleek een ‘apekot‘.
Het apekot’, op de speelplaats van die school van ons zongen wij het graag en uitbundig. ’t Waren andere tijden. Ja, de spellingsregels waren anders – vandaag schrijf je ‘apeNkot’ met zo’n verplichte letter ‘n’ ertussen. Maar ook de wereld om ons heen draaide anders dan vandaag. En wij, we waren jong en zot. Tegendraads genoeg om op de zenuwen te werken van die ene, norse studiemeester. Was die lastige bende niet stiekem een stelletje aanhangers van Amada? Waakzaamheid is geboden, ongezien infiltreert het Maoïsme op onze school! Dat soort dagen waren het.

… een invasie van archeologen

Maar wij groeiden op en leerden over ’t leven. Op straat, maar ook op school. Kregen les van kenners – sommige noemden we vakidioten, we waren niet sterk in genuanceerd oordelen – die hun best deden om ons een stiel bij te brengen. Maar er was ook die leraar Frans die begeesterd vertelde over Jacques Brel. En die andere, die met zijn dromerige blik, die ons leerde over Herman de Coninck en Harry Mulisch.
En natuurlijk dweepten we met muziek, zoals dat hoort bij jongelui. Met onze helden dweepten we, Neil Young en Bob Dylan en al wat tegendraads klonk.
Terwijl onze zussen vielen voor softie John Denver. Of voor Abba, stel je voor!

Eén van mijn schoolmaten had zo’n zus. Ze mocht er zijn, dat ontging niet één van ons. Maar die zus liep hoog op met Barbra Streisand, een ware zeurkous vonden we dat. Jammer, want ook in die ‘meisjesliedjes’ van Streisand ging het soms over wijze dingen. Zong ze in ‘The way we were‘ niet over hoe we ons later onze jeugdjaren zouden herinneren?
“Can it be that it was all so simple then?
Or has time rewritten every line?”

Maar zeuren over vroeger, dat was voor vaders en moeders. Wij waren druk doende met morgen en de grootse daden die de wereld van ons verwachtte.

Die school van weleer en van ons, daar op ’t einde van de Boeveriestraat, ze hebben ze weggehaald. Al die klaslokalen, traphallen, werkplaatsen en speelplaatsen, de klanken en geuren, de kleuren en het licht van die school ruimen straks plaats voor een heel nieuwe woonwijk. Met bulldozers en kranen werden alle herinneringen op vrachtwagens geladen en weggevoerd, niemand weet waarheen.
En het VTI is sinds kort een gloednieuw, afgestoft gebouwencomplex dat aanleunt tegen de Brugeiose.

Scholen die wegtrekken uit het stadscentrum, het is me wat. En het is niet nieuw. Het begon in de jaren zeventig. Terwijl wij luidkeels van ‘Het apekot’ aan ’t zingen waren, ruilde het Sint-Lodewijkscollege, monument in de Brugse binnenstad, zijn aloude huisvesting voor een stek op de rand. Wat vrijkwam heet sindsdien Zilverpand.
En in een recent verleden versaste niet enkel het VTI. Ook Stamina, school met lichtjes alternatief imago, ging weg uit de Jeruzalemstraat, helemaal naar Assebroek.
Maar niet getreurd, Brugge, sommige onderwijsbomen blijven geworteld in jouw binnenstad. Houden voet bij stuk. Zoals die ene school waar ondergetekende, inmiddels al even van de schoolbanken in ’t VTI, zijn beroepsloopbaan begon en ze vele schooljaren later als aanzienlijk minder jonge knaap ook afsloot. De Jozefienen in de Zilverstraat, ze zijn er en ze blijven er.

Al wordt deze al-even-gepensioneerde jongen nu en dan deugddoend verrast door de vernieuwende wind die door de oude behuizing van ‘zijn’ Zilverstraat waait. Zoals deze week, toen hij er getuige was van een invasie van archeologen. In een ouwe stad als Brugge brengen bouwplannen onvermijdelijk zo’n volk aan. Op de twee speelplaatsen in de Zilverstraat groeven die gasten zich enkele dagen in. Op zoek naar wat? Wel, dat is hèt boeiende bij archeologie . Je zoekt maar weet nooit wat je vinden zal.

Of met die opgraving in de Jozefienen geschiedenis werd geschreven? Wel, de proefputten brachten alleszins, letterlijk, een glimp van het verleden van de site aan het licht. Waterputten, funderingen en bouwresten die ons terugvoeren naar een waaier aan eeuwen. Bouwsporen uit de negentiende eeuw met een doodleuk hergebruik van middeleeuwse bakstenen, van die buitenmaatse moefen. Recyclage van toen recyclage nog geen modewoord was.

Een fors, behoorlijk macho ogend,
stalen harnas …

Keramiek en ander aardewerk ook, beenderen van beesten en kleinoden die onze verbeelding meenemen, soms tot helemaal in de dertiende eeuw. Het raadselachtige van zo’n vondsten? Dat onder het Brugge dat we kennen nog een ander, vergeten Brugge schuilt.
Een stad die heel even aan de oppervlakte kwam, daar op de speelplaats van de Jozefienen.
Een stad die ons waarschuwt ook. Laat niet alles verdwijnen, klinkt het. En het komt voor dat wie bouwt, luistert. Ook de Jozefienen die niet alleen op de speelplaats doende zijn met bouwputten. Aan de overkant van de Noordzandstraat vervangen ze een oud bouwwerk door nieuwbouw. Een fors, behoorlijk macho ogend, stalen harnas houdt er de oorspronkelijke, neogotische gevel overeind. Maar goed ook, want een straat is meer dan alleen maar straat. Ze is ook straatbeeld.

Stil hoofdschuddend sta ik een eind verderop, in de Boeveriestraat. Kijk toe, hoe ze ook die vaalgeel gekalkte voorgevel van het VTI stutten. Een bakstenen heimwee naar mijn

eigen verleden, het blijkt mij alsnog gegund. En ik bedenk, terwijl een huizenhoge kraanarm in een vervaarlijke vaart over mijn herinneringen heen zwiert …
We werden wie we zijn, door de dagen die we hier doormaakten. Boeiender tijden dan nu? Zou het?
Or has time rewritten every line?

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen | 12 Comments

Cercleclub Brugge

De bal ligt erover! Pol, de bal ligt erover!”. Drie schrille jongensstemmen vanachter de haag. Een wel vaker gehoorde kreet, in onze tuin goed voor twee perfect voorspelbare reacties. Vanuit zijn garage, waar hij in de weer is met één of ander karwei, komt de genoemde Pol naar buiten. Binnensmonds sakkerend. En vanuit de veranda bij het huis stormt, met aanzienlijk groter enthousiasme, een jonge boxer over het gazon. Om het eerst bij het voetballetje dat zonet met een wijde boog van over de haag ergens tussen onze struiken is beland. Ben ik er als eerste bij, dan is niemand overboord. Dan kieper ik de bal terug naar de buurjongens, waarna een kort “Merci!” aangeeft dat mijn taak erop zit.
Maar is de hond mij te vlug af, kent het verhaal een minder verheugend verloop. Zo’n rond, plastiek ding leent zich perfect om er je tanden in te zetten.

… naast een handvol voetbalpleinen
voor lokale sporters …

Wat volgt is een soort ‘blijde intrede‘ van een triomfantelijk door het groen huppelende boxer, met in zijn kielzog zijn baas die hem luidkeels opdraagt om het onding los te laten. Tevergeefs. Jammer voor de bal die in de kortste keren sissend de geest geeft. En voor de buurjongens.

Voetballers als buren, het overkwam ons lang geleden, toen die van hiernaast nog klein volk in huis hadden. En ’t had zijn charmes, de geestdrift en het enthousiasme van klein grut dat zichzelf de wereldbeker gunt. Het hond-met-bal-moment moesten zij èn wij er af en toe bijnemen. Maar de buurjongens van toen groeiden uit tot forse kerels, trokken al wat jaren geleden de deur van pa en ma achter zich dicht en lieten elders hun eigen kroost op de wereld los.

Al hoort bij de buurt waar wij thuis zijn nog altijd een ander, onlosmakelijk voetbalverhaal. Want we wonen op Sint-Andries en daar heb je, naast een handvol voetbalpleinen voor lokale sporters, een stadion. Dat is u bekend, lezer, dat stadion en het feuilleton dat erbij hoort. Een soap met stilaan meer herhalingen dan FC De Kampioenen. Vreest niet, o lezer, wij besparen u graag een dossier vol ‘voors’ en ‘tegens’.

Maar het allereerste voornemen voor een nieuw voetbalstadion, weet u nog? Iets nabij het klaverblad van de E40 en de Expresweg. Met de ‘Witte Pion’, drukkingsgroep uit het Loppemse, die daar niet content mee was. Naast het voetbalplein werd ook een soort monster-winkelcentrum overwogen, voorwaar geen detail. En ook andere tegenargumenten kwamen op tafel.
Al is het ‘Blankenbergse Steenweg‘-epos zo mogelijk nóg complexer. Heb ik het goed, dat op dit moment sprake is van een stek voor Cercle in die hoek van Brugge en een nieuw stadion voor Club, hier op Sint-Andries?
Een uitgesproken mening? Voor een zwart-wit-kijk op de dingen verwijzen wij u graag naar andere bronnen, ze zijn u bekend. Neemt u vrede met een afgewogen opinie, lees dan rustig verder.
Want wij en ons straatje hier in Sint-Andries, net ver genoeg van het ‘jubelpark’ om enkel het gejubel te horen bij een doelpunt of het gejouw bij een foute fase, waarom zouden wij ons druk maken over voetbal? Enkel nu en dan, wanneer één van onze twee voetbalteams, het blauwzwarte, een min of meer serieuze tegenspeler op bezoek krijgt, zuchten bij ons de anders zo bedaarde huizen. Want dan wurmen zich tussen de bomen in onze straat meer auto’s dan je mogelijk acht. Maar eenmaal het rumoer gedoofd en iedereen terug huiswaarts, is ’t weer peis en vree in onze buurt. Dus wie zijn wij om een bruusk standpunt in te nemen?

Toch even dit. Stel, op Sint-Andries werd nooit een stadion gebouwd. Op die plek wandel je sinds jaar en dag door een lommerrijk stadpark. Op een goeie keer komt één of andere voetbalgoeroe met meer centen dan verstand aanzetten met het voorstel om dat park op te offeren voor een gigantische voetbaltempel. Zou één Bruggeling, op straat of op ’t stadhuis, dat een wijs voorstel noemen?

Blauwgroen Cercleclub Brugge …

En Cercle? Een stadion aan de Blankenbergse Steenweg? Vorige week was er het ‘Brugs Uurtje’, een maandelijkse babbel in de Balsemboom. Dit keer met dokter William De Groote, een meneer die je gerust kan omschrijven als prominent voetbalmens. Ook wie zijn opinies niet deelde, genoot die ochtend van zijn bevlogen maar daarom niet minder speelse vertellingen. Waarbij hij onder meer één van zijn stokpaardjes op het publiek losliet.
Lag het aan de gastspreker van ’t Brugs Uurtje, dan waren Groenzwart en Blauwzwart lang geleden al gefuseerd tot één Brugse voetbalploeg.
Moet kunnen, bedenk je dan, ‘Cercleclub Brugge‘, één team. En er hoeft maar één stadion gebouwd.
Maar waar? Toch niet in ons straatje? Met om de haverklap vanachter de haag de roep van Simon Mignolet of Hans Vanaken, “De bal ligt erover! Pol, de bal ligt erover!
Al kennen wij daarvoor hier ten huize één voorstander. Eentje op vier poten.

Posted in Het Brugge van nu, Van Brugs voetbal, Van sport in 't algemeen | 10 Comments

Ken je ’t verschil tussen een kerk en een café?

Vanmorgen belandt een vriendelijk maar kordaat geformuleerd bericht in mijn mailbox. Het is van een vriend van ons. Zijn naam doet er hier weinig toe, laten we hem N noemen. Het is een verzoek aan mijn huisgenote en mij. Of we toch vooral onze stem willen uitbrengen op die website waar dezer dagen zoveel om te doen is. Website? Veel te doen?
De link die N erbij voegt, klaart één en ander op. Brengt ons bij een landelijk project ‘Erfgoedschatten’. Kort door de bocht komt het hierop neer. Het restaureren van kunstvoorwerpen kost centen. Er zijn meer wachtenden dan centen en dus worden tien op te frissen kunstwerken ‘genomineerd’ en het grote publiek kiest welk stuk met het geld en zodoende met de restauratie gaat lopen.

Niet over Sint-Jacob,
zoals je in die kerk zou verwachten …

En één van die op te kalefateren schoonheden hebben we hier in onze eigenste Sint-Jacobskerk. Dat N zoiets weet, mag niet verbazen. Als ’t om kerken en kunst gaat, hoef je hem niks te leren.
Het schilderij in kwestie is niet van een Memling of een andere wereldnaam, maar ’t is wel een specialleke. Lanceloot Blondeel, de man die het uit zijn penselen schudde, zette er de datum ‘1523’ op. Het vierde dus net zijn vijfhonderdste verjaardag. Een feestje in mineur, want in die vijf eeuwen verzamelde het een boel stof en onfris vuil. Je kan alleen gissen naar de wellicht glorievolle kleuren die Blondeel bedacht. Daarom verdient zijn schilderwerk dringend een deskundige poetsbeurt.

En daarvoor wil N ons dus warm maken, voor het stemmen op dat te restaureren doek. Want dat is het, een doek. Terwijl ze in die vroege jaren vijftienhonderd nog volop op paneel schilderden, kwam Lanceloot Blondeel aanzetten met een doek. Wellicht verbaasde hij daarmee zijn opdrachtgevers, het genootschap van chirurgijns ofte geneesheren van onze stad. Die kregen een kunstwerk dat een heel oud verhaal vertelt. Niet over Sint-Jacob, zoals je in die kerk zou verwachten, maar over Cosmas en Damianus, Cos en Dam voor de vrienden.

’t Is een historie uit de beginjaren van de christenheid. In die dagen liepen Cos en Dam, tweelingbroers, in de kijker. Want ze waren geneesheren en als goeie kristenen hielpen ze armen en behoeftigen. Vrome voorlopers van ‘Geneesheren voor het Volk’. Maar al dat gelovig zijn, dat moest in ’t geniep gebeuren. Kwam aan ’t licht dat je kristen was, bekocht je dat met je leven. En lap, da’s wat ook Cos en Dam overkwam. Eind goed, niet al goed. Maar wel goed voor twee heiligen in één verhaal.

Het schilderij in de Sint-Jacobskerk toont, behoorlijk plastisch weergegeven, de terechtstelling van onze twee broers. Gelukkig voor ons, koos Lanceloot Blondeel ervoor om dat redelijk pijnlijke gebeuren uitbundig te omkaderen. De toeschouwer ontwaart nog amper het centrale tafereel. Later zou de schilder van dat soort omkadering zijn handelsmerk maken.
Enfin, dat kunstwerk verdient, meent N, een restauratie. En daarvoor moet dus gestemd worden. ’t Is maar dat u het weet, onderaan dit cursiefje vindt u de link die N ons bezorgde.
Een wellicht verbazend fris schilderij zou ons zo’n restauratie opleveren. Ons en een kerk die overigens al behoorlijk wat kunst te bieden heeft.
’t Is eigenlijk best wel een aanrader, op verkenning gaan in de Sint-Jacobskerk. En in die buurt waar u, mocht het u iets uitmaken, eerder weinig toeristen tegen ’t lijf loopt. Bruggelingen des te meer.

Tot voor een paar weken had ik daar graag aan toegevoegd, ga vooral een keer langs in café Sint-Jacobs, een paar huizen daar vandaan. Daar opende patron Tom een jaar of zeven geleden een heel nieuw café dat vooral heel oud wou zijn. De terugkeer van het volkscafé had Tom voor ogen. In Café Sint-Jacobs trof je de lokale pintenproever naast de van nostalgie smullende muziekliefhebber. Want de platenhoezen aan de muren vertelden wat je verwachten kon. Vicky Leandros na de Shadows na Adamo en meer van dat.

Dat had ik dus graag verteld. Maar Sint-Jacobs, het cafeetje, is niet meer. Sinds kort sieren van die schreeuwlelijke ‘te koop’- plakkaten de oude trapgevel. Een volkscafé, al die jaren, een buurtcafé. Er is er eentje minder en we hebben er al geen op overschot.

Kwam N hier wel eens over de vloer? In de schaduw van de Sint-Jacobskerk, waar hij zowat thuis is, lijkt mij dat best wel aannemelijk. Wie weet, bleef hij wel een keer plakken. Want hij is vandaag dan wel van kerkfabrieken en confrérieën, ooit zette de jonge student N met genoegen menig bloemetje buiten, toch?
Wie met hem aan de babbel ging in café Sint-Jacobs, leerde een boel bij over onze stad. Toogpraat van een doctor in de geschiedenis, met een rits publicaties omtrent Brugge op zijn naam. De oorkonde ‘Ere-stadsarchivaris’, zou die ingekaderd boven zijn dressoir prijken?
En dan is er dus ook nog zijn vanouds innige band met die kerk, vlakbij. Dat brengt ons bij het raadsel boven dit cursiefje. Of iemand het verschil kent tussen een café en een kerk?
De lezer verwacht hier een pointe van het soort moppen dat aan de toog wordt verteld. Maar die mop, over café en kerk, ik weet niet eens of die bestaat. Maar als dat zo is, kent N hem ongetwijfeld. Dat is hij aan zijn studentikoze verleden verplicht. En aan zijn band met kroegen èn kerken. En anders verzint hij hem wel.
Sluiten we een deal? N verzint de mop en ik inviteer alle lezers om een stem uit te brengen op dat kunstwerk van Lanceloot Blondeel. En halen we de restauratie binnen, dan trakteert N ons een pint, zo kennen we hem.
Kon die drink nog doorgaan in café Sint-Jacob, dan was de cirkel helemaal rond. Dan vertelde ik aan Tom, de barman, “‘Voor de rekening moet ge bij die mens daar zijn!”
“Ha”, klonk dan het antwoord, “bij Noël Geirnaert!”

Dit is ‘m, de link naar het ‘stemhokje’ … www.kikirpa.be/nl/erfgoedschatten-2023

Posted in Het Brugge van nu, Van schilderen en plaasteren, Van zingen en spelen | 4 Comments

Autokeuring

We zijn op weg voor een dagje Doornik, zij en ik. Doornik is zo’n stad die ze bouwden om er op schoolreis te gaan. Met een cathedrale Notre-Dame als steen geworden geschiedenisles en een eeuwenoude reputatie omtrent wandtapijten kon geen school om Doornik heen. Al is dat wat wij sindsdien deden, er omheen rijden. Verderop in Henegouwen is een vakantiehuis dat ons zowat elk jaar op bezoek krijgt en de weg daarheen leidt ons elke keer in een wijde boog om Doornik. In de verte ontwaar je de torens van de kathedraal en dat is het zowat.
Maar vandaag maken mijn wederhelft en ik die verwaarlozing goed. Al blijken de weergoden ons op de ochtendlijke heenweg weinig gunstig gezind. Lang leve onze auto, zijn dak, zijn ruitenwissers! En bovendien, ik hoef niet zelf te rijden, die partner van mij zit wat graag achter ’t stuur. Het is haar ding, autorijden. Mocht het niet bestaan, ze zou het uitvinden.

Ondergetekende deelt allerminst dat enthousiasme, is een auto niet gewoon een ding om van ’t een naar het ander te komen? En dus loodst zij ook vanmorgen onze vierwieler naar onze bestemming. Van Brugge naar Doornik is een vlotte route. Al hebben ze het op de radio over files en wat die doen met mensen onderweg. Gisteren, zo vernemen we, waren op een ochtendlijk moment alle auto’s die in ons landje bumper aan bumper stonden, goed voor een file van … tweehonderdnegentig kilometer. We hoorden het goed, tweehonderdnegentig. Da’s, hou u vast aan uw veiligheidsgordel, van bij ’t belfort van Brugge, helemaal naar de markt van Arlon. Stilstaan van hier tot Gent, één roerloze ring om Brussel heen, langs Namen dwars door de Ardennen, tot de meest zuidelijke hoek van ons Belgenland.
‘Gelieve even te wachten,
er zijn nog twintigduizend wachtenden voor u.’

Ik wijs mijn vrouw erop dat de mensen zot zijn, dat ze de blikken doos die auto heet, altijd weer onmisbaar achten. En dan, ineens, kijken zij en ik mekaar aan. En weet ik dat ze hetzelfde denkt als ik. Wat doen wij hier in onze auto? Op mijn smartphone zoek ik het op en ja, hoor. In Brugge hebben we een vlotte treinverbinding, rechtstreeks naar Doornik. En wij, oudjes, sporen ook nog aan een belachelijk voordeeltarief. Wie is hier de zot?

We hadden gewoon de trein kunnen nemen, mijmer ik verder. Of neen, we kunnen ook onze auto van de hand doen en af en toe een deelauto huren!
Naast mij zucht iemand.
Op onze bestemming vinden we probleemloos een parkeerplek. Een betalende, wat had je verwacht. Tel dat bij je brandstof en voor die centen spoor je tien keer heen en weer van thuis naar hier.
Maar goed, Doornik, hier zijn we eindelijk nog een keer. Op de Markt knikt het belfort instemmend.

De vriendelijke jongedame die in een proper etablissement onze koffie serveert is trots op het moeizame Nederlands waarmee ze ons te woord staat. Aardige mensen maken je dag goed, en al helemaal als ze goeie koffie schenken.
We verkennen de stad, de kathedraal en een paar plaatselijke klassiekers. Het verrassend ruime toeristisch infopunt toont in een heus bioscoopzaaltje een ludieke animatieprent over de geschiedenis van Doornik. Verderop, bij de Scheldekaai, verrast ons een etalage vol charmante, oude spulletjes. Kijk, een kastje vol Matchbox-autootjes! Mijn verbazing verbaast mijn vrouw. Jij, enthousiast over auto’s, wat hebben we nu?
Wel ja, jeugdsentiment, hé. Ik zie ze zo voor mij, de grote kartonnen doos, ‘mijnen boel’ zoals mijn vader ze noemde. Een hele grote doos was het, toch in de kleine oogjes van het manneke dat ik was. En in die doos, tussen allerlei speelspullen, Matchbox-autootjes. Allerlei modellen hadden ze bij Matchbox en daarvan had ik er een paar tientallen in mijn doos. Auto’s uit een ver verleden en moderne. Enfin, moderne in die dagen, de verre jaren zestig. Wat is er later geworden van ‘mijnen boel’?

Wat is er geworden van ‘mijnen boel’?

Best wel markant, realiseer ik mij nu. Hoe die modelautootjes mijn kinderverbeelding prikkelden, terwijl later de ‘echte’ auto mij volstrekt koud liet. Te opdringerig, te dominant in ons dagelijks bestaan, geldverslindend ook.
Herbouwen we ooit onze maatschappij, dan is als ’t aan mij ligt van de auto geen spoor meer te bekennen.

Of zullen we hem, in een milde bui, nog een plek toekennen als oudheidkundig curiosum? Zoals ze er dit weekend in Brugge mee uitpakken in de nieuwe beurshal. Daar gaat een feest rond oldtimers door. Voor het eerst sinds jaren. Ooit begonnen in ’t Boudewijnpark, een paar intermezzo-edities in de ondergrondse parking van ’t Zand, en dan vele keren in de vroegere beurshal. En nu, na een tussenstop in Roeselare, komen de oudjes terug naar Brugge.
En, met lichte tegenzin toegegeven, met alle nostalgie die ervan af druipt weten zo’n ouwe knarren mij toch enigszins te bekoren. Ze wijzen ons erop dat in vroeger tijden, veel meer dan nu, elk automerk zijn kenmerkende lijnen koesterde. Dus ja, deze jongen die geen bal geeft om motorkracht of fancy snufjes, laat zich soms toch betrappen bij het bewonderend omzien naar vergane ‘autocharme’. Maar daar blijft het bij, laat daar geen twijfel over bestaan.

Onze frisse stadsverkenning zit erop, we warmen ons nog even op in het koffiehuis op de Markt. Het charmante meisje van deze morgen heeft wellicht vrij. Maar ook haar madam is van de gulle glimlach. En de koffie lekker. Even lekker als in Brugge, maar minder duur.
À propos, hoe zou ’t hier lopen met parkeergeld? Zoals bij ons? Ach, volgende keer toch maar de trein, nemen we ons voor. En ik pak uit met zo’n doortastend voorstel waarbij ik weet dat mijn partner gegarandeerd haar vetorecht opdiept. Wat als we nu een keer onze auto hier achterlieten? We wuiven hem uit op die parking, vaarwel Peugeotje, en wandelen naar ’t station. Weg, auto? Vetorecht.
Wanneer we Doornik uit rijden, wordt onverhoopt het donkere wolkendek open gescheurd door een strijdvaardige avondzon. Van hoog op een brug naar de oprit zien we hoe ze het glooiende landschap onderdompelt in een hartverwarmende, okeren gloed. Beneden op de autoweg blinkt een veelheid van kleuren, een sliert vierwielers. Mathbox-autootjes in de etalage van een speelgoedwinkel.

Posted in Het Brugge van nu, Van wielen en op weg zijn | 3 Comments

Vlaamse Primitieven … Primitieve Vlamingen?

’t Is dat ze, wanneer ik voorbijfiets, naar mij knipoogt. Dat kunt ge moeilijk geloven, maar toch.
Langs de Dijver, naast de toegangspoort van het Groeningemuseum, prijkt een muurhoge afbeelding van Margaretha van Eyck. Eeuwen geleden deed haar echtgenoot Jan, grootmeester onder de Vlaamse Primitieven, haar dit portret cadeau. Vandaag lokt het stadsmuseum de voorbijganger met die buitenmaatse voorstelling van dat paneeltje, in ’t echt niet groter dan een krant.
Welnu, wanneer ik die avond langs de Dijver fiets, volgt Margaretha van Eyck mij met haar blik.
Heel even, ’t valt amper op. En als ik vlakbij kom, trakteert ze mij op een ondeugend knipoogje.

Heb je thuis in je collectie niet een ludieke affiche waarop diezelfde figuur nadrukkelijk knipoogt?

Even uitleggen wat gaande is. Ik ben laat op de avond op de terugweg van café De Garre in ’t Breidelstraatje. En ‘k zal het maar toegeven, na een paar huisbiertjes in dat etablissement observeer je de dingen net iets minder scherp. En neemt verbeelding het wel een keer over van helder denken. En bovendien, deze jongen herinnert zich een affiche uit zijn collectie waarop diezelfde Margaretha nadrukkelijk knipoogt. Een glaasje te veel op? Of te veel verbeelding?
En toch, ik zag zonet Margaretha van Eyck knipogen, ‘k zweer het op mijn plechtige-communie-zieltje!
Dus trek ik mijn remmen dicht, stap van mijn tweewieler en kijk achterom.
Op de stoep bij de toegangspoort van het museum staat een vrouw. Ze is klein van gestalte, maar dat doet niets af van haar kokette voorkomen. Nu ben ik allerminst de meest attente om dames te complementeren omtrent kledij en dergelijke, maar haar warmrode, wollen gewaad met de pelsen kraag maakt indruk. En haar hoofdtooi, het hoornkapsel en de wijd gedrapeerde hoofddoek laten er geen twijfel over bestaan. Vanavond word ik lachend begroet door de eega van Jan van Eyck.
We belanden in ’t Brugs Beertje, zij en ik. Ze zet graag een stapje in de wereld, zegt ze. En wat doet een mens op zo’n plek? We proeven er een paar Brugse biertjes. Ik vertel over de affiche waarop ze knipoogt. Heeft zij daar moeite mee, dat we grappen uithalen met zo’n eerbiedwaardig kunstwerk van haar man? Niet, dus. Laat komen, die maffe affiches, lang leve de leute!
Margaretha vertelt. Vertelt honderduit en bij veel van wat ze zegt zou menig historicus de wenkbrauwen fronsen. Maar als iemand weet hoe het er in haar tijd aan toe ging, is zij het wel.

Heeft zij daar moeite mee, zo’n eerbiedwaardig meesterwerk waarmee we grappen uithalen?

Jan van Eyck was getrouwd met een levenslustig madammeke. Eentje dat het gezin draaiende hield èn de zakelijke kant van Jans carrière behartigde, zelf had hij daar geen kaas van gegeten. Maar Margaretha was ook een frivool meiske van de wereld. Vond het spijtig dat haar man geen lid was van het Schildersambacht, zijn status als hoveling van de Bourgondiërs liet dat niet toe. Bij die Brugse gilde zetten ze graag de bloemetjes buiten en Margaretha miste dat wel. Maar in de Speelmanskapel aan de Beenhouwersstraat, bij de stadsmuzikanten, kwam ze graag over de vloer. Altijd ambiance, daar!
En Jan’s klanten, hoe zat het daarmee, wil ik graag weten. Ach, die lui! De ene nog meer verwaand dan de andere, verzekert ze. Die kanunnik Joris van der Paele, ge weet wel, van dat schilderij in Groeninge. Een pilaarbijter, maar kon zijn van ouderdom verkrampte poten niet thuishouden! En dan die hertog, Filips de Goede! Pretentie in geschenkverpakking! Hoe meer centen, hoe meer pluimen op je hoed!
Ja, maar jouw Jan zat er ook warmpjes in, toch? Da’s waar, maar Jan, dat was een brave vent. Te braaf voor deze wereld, te braaf en veel te serieus! ‘k Heb het hem zo dikwijls gezegd, ge moet een keer meer de bloemetjes buitenzetten, gij!
Maar hij was de ernst in persoon, mijne Jan!

Laat komen, die maffe affiches,
lang leve de leute!

Of ze weet dat we haar levensgezel en de andere schilders van haar tijd ‘Vlaamse Primitieven’ noemen? ’t Zal wel zijn, is haar antwoord. Maar Jan kwam uit Maaseik, een stad ver buiten het Vlaanderen van toen! Mijn Jan was helemaal geen Vlaming! Trouwens, nu je ’t zegt, hertog Filips liep niet hoog op met de Vlamingen. Met deze stad al helemaal niet, ’t zat er meer dan een keer bovenarms op met Brugge. Tegen mijn man had de hertog het over ‘primitieve Vlamingen’. Dat leest ge nergens in uw geschiedenisboeken, hé!
Ik kijk haar verbaasd aan, maar zij lacht breeduit. Kom, ’t leven is te kort en te schoon om ons daar druk over te maken! Ze heeft het gelijk op haar kant en dus vraag ik aan de toog nog een afsluitertje. En sla nog even een praatje met de patron terwijl hij mijn bestelling tapt.
Ik keer mij om. Zoals ik me eerder die avond omkeerde aan de Dijver. Margaretha is weg. Zomaar. Ineens. Ik vraag bij de tafel naast die van ons of ze haar zagen vertrekken. Vertrekken? Haar? U zat hier de hele avond alleen, meneer!
Er waait een koude wind door het Kemelstraatje. Ik fiets naar huis. Maak toch nog een ommetje langs de Dijver. Tegen de grijze gevel van ’t Groeningemuseum hangt een uitvergroting van een schilderij. De wat koel ogende dame op het portret kijkt schijnbaar onverschillig voor zich uit. Zoals ze dat sinds eeuwen doet.

Posted in Het Brugge van toen, Van schilderen en plaasteren | 4 Comments

Boudewijn, de oude dolfijn

In het nachtelijke dolfinarium, bij het vaalgroene licht van de nooduitgang-lampjes, oogt het rimpelloze water zo vredig als maar kan. Maar straks, als de dag begint, begint ook weer de dagtaak van Boudewijn, de oude dolfijn.
Boudewijn woont hier al vele jaren, hij is de nestor van het handvol soortgenoten waarmee hij zijn kunstjes opvoert. Die kijken op naar Boudewijn, de dorpsoudste, een vat vol levenswijsheid.

Mag het verbazen dat Boudewijn zich de voorbije dagen minder opwond dan zijn vrienden? Al is er best wel reden tot onrust, menen de andere dolfijnen. Want uit de gesprekken van hun begeleiders begrijpen ze dat er nieuws in de lucht hangt. Nieuws dat het hele dolfinarium aanbelangt, de begeleiders die er hun brood verdienen èn de waterbewoners. Maar ach, Boudewijn laat zich amper meedrijven met de waan van de dag. Al vraagt hij zich stilzwijgend af wat hij moet met die geruchten.

Dat dolfijnen denken, dat hoeven wij niet te vertellen, het kleinste kind weet dat. Meer zelfs, de oude Boudewijn neemt doorgaans rustig de tijd om zich een genuanceerde mening te vormen. Zijn dolfijnvrienden kunnen nog van hem leren. Nogal wat mensen ook, trouwens.
’t Zijn dit keer geen futiliteiten waarover de begeleiders van gedachten wisselen, weet Boudewijn.  Al hoort hij, sinds hij hier zijn kunstjes opvoert, wel vaker over lieden die hem en zijn soortgenoten weg willen uit het dolfinarium. Eerst dacht hij dat zo’n mensen iets hadden tegen dolfijnen. Maar neen, het gaat hen precies om het welzijn van zeezoogdieren.

Volgens die pleitbezorgers leiden waterdieren in zo’n dolfinarium een lastig bestaan. Wat eigenlijk nog meevalt, meent de oude tuimelaar. Al mist hij de zwerftochten in het zonneklare zeewater van zijn kindertijd, dat ontkent hij niet. En hij verveelt zich wel een keer.

Dan kijkt hij uit naar de stunts die hij met zijn soortgenoten mag opvoeren. Nou ja, mag. Pas als je doet wat ze vragen, krijg je lekkere happen. Maar daar maalt hij niet om. Kan je tenminste je energie kwijt. Sinds kort brengen hij en zijn makkers een nieuwe show, de afwisseling is welkom.
Wat Boudewijn dan weer niet begrijpt, is dat keer op keer mensen komen kijken. Mensen die om de haverklap luid met hun vinnen klappen, waarom is hem een raadsel.

Mensen, ze zijn ervan overtuigd dat ze zich kunnen inleven in het leven van dolfijnen. Was dat maar zo, bedenkt de bedaarde ouderling. Al heeft hij begrepen dat de mensensoort zich ook zorgen maakt om het leven in en om het water. Vertelden zijn begeleiders enkele jaren geleden niet over wat een kunstenaar in Brugge bouwde? Een buitenmaatse walvis die zich bij een plein dreigend oprichtte uit het water. Een blauwe vinvis, integraal opgetrokken uit plastiek afval, rommel zoals je er almaar meer vindt in zeeën en oceanen. Daar stonden de mensen bij stil, heel even, en dat was goed.

Een blauwe vinvis, integraal opgetrokken uit plastiek afval …
– foto Matthias Desmet –

En dan is er ook nog de onrustwekkend stijgende zeespiegel. ’t Schijnt dat daar moeilijkheden van komen. ‘Al zijn dat nu een keer ècht mensenproblemen’, glimlacht Boudewijn heimelijk, ‘Als je ’t ons vraagt, hoe meer zee, hoe liever!’ Maar dan, welopgevoed als hij is, corrigeert hij zich, ‘Leedvermaak, foei, tuimelaar!

Waarna hij bedenkt, ‘Toch maar eerst het nieuws dat vandaag de kop opsteekt!‘ Nieuws, maar tegelijk een oud verhaal.
Over het overbrengen van dolfijnen naar een ver oord, met veel meer levensruimte dan in deze behuizing. Boudewijn beseft als geen ander dat het dolfinarium zich niet kan meten met de zee. Vooral de jongelui onder de dolfijnen hebben het daar moeilijk mee.
En nochtans, aan het leven in zo’n bad zitten ook voordelen vast. Je krijgt op tijd je natje en je droogje, al is dat een uitdrukking die waterdieren niet gebruiken. En mankeer je iets, een griepje of zo, komt de dierenarts langs en die kent er wat van. Dat bestaan van hem en van zijn vrienden? Kon beter, kon slechter. Zoals ’t leven van mensen?

De plek waar ze over spreken, waar hij en zijn vrienden en vriendinnen heen zouden gaan, is een eiland in Griekenland. Het heet Lispi of zo. Daar, in een schilderachtige, afgedamde baai kunnen ze wennen aan het vrije leven in de zee. Zou het? Boudewijn twijfelt.
De zeeën van zijn jeugd, die zijn er niet meer, weet hij. Tonnen zwalpende kunststof,

Het heet Lispi of zo …
– foto Maria Theofanopoulou –

hij mag er niet aan denken. Dus misschien hebben wij het hier nog zo slecht niet in ons dolfinarium, meent de tuimelaar, en zwemt nog een min of meer tevreden rondje.
Maar in de nacht, sluimerend onder het roerloze watervlak, droomt hij zich de stralend blauwe vrijheid van zijn jonge jaren. Een wassende zee waarin de stad verzinkt, straten, huizen, torens. En uit het ondergelopen dolfinarium zwemt een school dolfijnen weg, een verre, zonovergoten einder tegemoet.

Posted in Het Brugge van nu, Van beesten, planten | 5 Comments

Ode aan de speed-pedelec

Is het een vliegtuig? Is het een vogel? Neen, dat is het niet, het is een kerel op een speed-pedelec.  Langs de Torhoutse Steenweg, waar je het fietspad deelt met je tegenliggers, stormt hij mijn richting uit. Slalomt rakelings langs een bakfietsmama die verschrikt opkijkt. Hij zoeft mij voorbij en zijn blik-op-oneindig laat er geen twijfel over bestaan, waar ze hem verwachten is hij onmisbaar en elke seconde telt. Zijn gehandschoende vuisten klemt hij om het stuur met een air van ‘Prijs u gelukkig  dat ik deze mustang in bedwang hou!
De voorbije jaren werd onze mobiliteit verrijkt met een rits nieuwerwetse spullen. De elektrische fiets, vooral. De bakfiets, de step en de elektrische brommer en sporadisch passeert een waaghals op zo’n mono-wheel. In de binnenstad kom je heel af en toe een zwerm segways tegen, elk beladen met een toerist.

kwam Cactus met een voor onze stad
ongezien idee op de proppen

En dan is er dus ook de glorierijke opkomst van de speed-pedelec.  Ook daar zijn we stilaan mee vertrouwd. Nou ja, vertrouwd.  Met het begrip alvast wel, al is het met voorsprong het lelijkste woord dat de voorbije jaren aan onze woordenschat werd toegevoegd. Maar of het voertuig zelf ons hart veroverde, daarover kunnen we nog een aardig boompje opzetten.
Laten wij het er intussen over eens zijn, sinds de komst van die nieuwigheden is het op weg zijn er alleszins spannender op geworden. Veiliger?

De speed-pedelec, stel je voor dat ze die al in onze kindertijd hadden bedacht. Zo’n futuristische vinding, we hadden er op de speelplaats de mond van vol! Een superfiets voor supermensen! Voor het soort lieden dat we kenden van op tv, Zorro of Batman.
Maar zo’n fiets was er nog niet, onze jaloezie betrof de knallende sportbrommers waar de iets oudere knapen in het dorp mee door de straten scheurden. En wie groot genoeg was, ging in ’t weekend uit met de auto van pa en ma!

… een opeenvolgende reeks ‘fietselingen’ waren daar niet vreemd aan.

Want de auto, dàt was vrijheid! Ook voor onze vaders en moeders was de vierwieler synoniem van een geslaagd bestaan. Daar hadden ze voor gewerkt en dat mocht gezien worden. Moèst gezien worden.
En zodoende hoorde het openbare domein zich te schikken naar dat statussymbool. Voorbeeldje? Laten we dat gemakshalve hier in Brugge zoeken. Waar de gemeenteraad in de jaren zestig serieus overwoog om de Coupure te dempen. Die nutteloze waterweg zou plaats ruimen voor een parking. Wees welkom, Koning Auto, in het hart van onze stad! Niet dat er geen parkeergelegenheid was in Brugge. Op de Markt, het Zand of de Burg liet je ongegeneerd je vehikel achter. Of in een winkelstraat, waarom niet?

Maar dan gingen we de jaren zeventig in. En die zouden voor een kentering zorgen. Een trage wending, weliswaar, maar toch. Vooreerst was er de oliecrisis die tot autoloze zondagen leidde. Je hoorde je vierwieler op stal te laten en dat was niet van willen, ’t was van moeten. Voor het eerst werd de auto niet langer enkel als oplossing gezien, maar ook als probleem.
En dus kwamen er andere tijden. Met hier bij ons de Lastige Bruggeling, stadskrant met slecht karakter en stoute tong. Met de alternatievelingen van Cactus, het lekker linkse cafeetje aan ’t Sint-Amandsplein. Kinderen van de seventies die, naast allerlei andere wereldverbetering, de fietser in het verkeer voorop stelden. In die ambiance kwam Cactus met een voor onze stad ongezien idee op de proppen, het verhuren van fietsen waarmee de bezoeker onze stad kon verkennen. Hadden ze ’t geleerd van de provo’s in Amsterdam, dè gidsstad van die dagen?
Al vergde de opwaardering van het fietsen geduld, veel geduld. Want al eind jaren

zeventig werd in onze binnenstad eenrichtingsverkeer de norm, maar ’t was nog ruim tien jaar wachten vooraleer we in sommige straten opnieuw in beide richtingen mochten fietsen. Sensibiliseringsacties  zoals een opeenvolgende reeks ‘fietselingen’ waren daar niet vreemd aan.

Er zijn veel fietsbanden versleten sinds die dagen. En fietsvriendelijke projecten opgezet, op veel plekken in de stad.  Maar we zijn er nog lang niet, dat ervaart al wie met de tweewieler op pad gaat. Ook deze knaap, die langs het tweerichtingsfietspad van de Torhoutse Steenweg op zijn hoede is voor elke auto die een zijstraat in of uit rijdt. En tegelijk uitkijkt voor overhaastige speed-pedelecs. Terwijl hij zich afvraagt, hoe het er aan toe zal gaan wanneer we binnen afzienbare tijd allemaal met zo’n snelfiets de weg op gaan. Veiliger?

Oeps, de titel van dit cursiefje! Met al dat heen en weer fietsen verloor ik die helemaal uit het oog. Maar niet getreurd, ik praat wel even met het knaapje dat ik lang geleden was. U weet wel, het ventje dat naar school fietst op zijn wat lompe jongensfiets zonder versnellingen. Die droomt van een rijwiel dat nog niet bestaat. Een raket op twee wielen waarmee hij heldhaftige streken uithaalt, zoals zijn helden van op televisie.
Op school schrijft hij er straks een opstel over, dat doet hij graag. Over een fiets, zo snel en wendbaar als de auto van Batman of het paard van Zorro. Een ode aan de speed-pedelec, kortom. Al bedenkt hij voor dat zelf verzonnen wondertuig vast wel een fraaier benaming.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van wielen en op weg zijn | 4 Comments

Kaartlezen met nieuwjaar

Vent? Welke vent?” De vraag en de guitige ogen van ons nichtje glimmen van geveinsde onwetendheid. Mijn wederhelft en ik schudden het hoofd. “De advent, meiske, de advent!”, repliceer ik met gespeelde verontwaardiging, ‘Dat zijn de weken voor kerstmis!
Voor uw oom is dat een gewichtige tijd.”, vult mijn huisgenote aan op hoogst ernstige toon, “Dagen waarin hij zich afzondert om zijn nieuwjaarsgedicht te schrijven. En dat juweeltje van woordkunst wil hij dan op zo’n overjaarse, papieren wenskaart.” Ik hoor de knipoog in haar stem.
Bij elk jaareinde is onze woonst getuige van telkens weer dezelfde gedachtewissel. En dus zet mijn levenspartner ook vandaag haar argumenten nog een keer op een rij. Want wie weet, kan in dit dispuut ons nichtje haar nonkel overtuigen van ’t gelijk van haar tante.
Nieuwjaarsgroeten, of je die nu langs digitale weg bezorgt, dan wel in een envelop met een postzegel erop, wat maakt het uit? Een wens is een wens, toch? Maar die malle oom van jou, die wil elke keer weer alles op papier!

Oudejaar in het Brugge van tien jaar geleden …

Van haar tante naar haar nonkel kijkt het lieve kind, zich bewust van de verantwoordelijkheid die op haar prille schouders rust.
Nonkel hult zich in stilzwijgen. Heel even. En dan vertelt hij over de charme van een wenskaart. Want jaarwensen horen op papier, zo hebben wij het altijd gekend en dat wil hij het liefst zo houden.
Zo’n kaart, geschreven voor wie je na aan ’t hart ligt, in de postbus deponeren? Het heeft wat en het geeft wat. Want de ene wens brengt de andere aan. En zo is er straks weer de feestelijke frisheid van nieuwjaarskaarten die, rijen dik, van boven op de boekenkast onze huiskamer opvrolijken.
Mensen groeten mekaar, dag in, dag uit. Tot ziens, salut, prettige dag verder. Daar blijft het doorgaans bij en daar is niks mis mee. Maar hoe dikwijls geven we aan, dat we mekaar ook ècht een schone tijd toewensen? Eén enkele keer, met nieuwjaar.

… het Brugge van een kwarteeuw geleden …

Meer niet. Meer hoeft ook niet. Maar als het dan toch maar zo sporadisch voorvalt, laten we het dan ook maar op papier zetten. Als een contract, eigenlijk.
En ’t is waar, het kost wat. Kaartje, postzegel, envelop. En ja, ’t leven van alledag is duur. Maar ook kostbaar. En het meest kostbare, dat is wat we voor mekaar zijn, toch? Dus laten we dat boekhoudkundig invullen als ‘investering in het meest waardevolle’.
De halve wereld zo’n kaart toesturen? Ach kom, ook een digitale groet is vele keren waardevoller dan niks. Maar wie je echt in ‘t hart draagt, die stuur je dat ene, tastbare kleinood.

Wenskaarten, het zijn geuren en tinten. Het spitsvondig ontworpen kunstwerkje met oogstrelende kalligrafie, ons toegestuurd door hartsvrienden. Een groottante die met moeizame vulpen ‘zalig en voorspoedig nieuwjaar’ krabbelt op haar klassieke kaartje met winterlandschap. De jaarwissel, dat is kaartlezen.

… en dat van een halve eeuw geleden.

Vriendschap, kameraadschap, verbondenheid en ja, misschien ook die enkele verplichte connectie, kleurrijk schouder aan schouder op een boekenkast. Geen computerscherm of smartphone kan daaraan tippen.
Was deze verzamelaar niet zo verknocht aan zijn affiches, hield hij het misschien bij nieuwjaarskaarten.

Het nichtje heeft aandachtig geluisterd naar het pleidooi van haar oom. Haar tante niet, zij kent de speech van haar huisgenoot inmiddels min of meer uit het hoofd. Trouwens, zij is meer van aanpakken dan van woorden. Dus terwijl manlief pleit, leegt ze maar alvast de brievenbus. Komt weer binnen met een krant en een weekblad. En twee enveloppen. Neen, drie. Eén ervan draagt een Hollandse postzegel. Familie van haar stuurt ons, helemaal uit Rotterdam, een nieuwjaarsgroet.
Het nichtje zucht. Wat nonkel laat besluiten dat ie toch minstens een klein beetje het gelijk aan zijn kant heeft.

Posted in Het Brugge van nu, Over affiches verzamelen, Over welzijn en gezondheid, Van feesten en vieren, Van zin, zen en zijn | 9 Comments

Van Bethlehem en de Wulgenbroeken

De Zuidzandstraat vult zich met de fluwelen stem van Mariah Carey wanneer ik van bij het Zand ’t stad in wandel. Je kan er niet om heen, Mariah vat haar ‘All I want for Christmas’ aan als een volleerde gospelzangeres. Wat na een handvol maten volgt, het swingende popdeuntje met dat olijke koor, zal het mij weer de rest van de dag achtervolgen? ’t Is een geestig lied van een aardig meiske, ik kon het erger treffen. Al duurt ook dit, zoals alle schone liedjes, niet lang. Bij de kathedraal gekomen, bedenk ik nog even dat Mariah mij zonet toezong dat ze voor haar kerst alleen maar mij wil. ‘All I want for Christmas is you’, ‘t zijn haar woorden! Maar ach, in ’t leven moet ge niet alles persoonlijk opvatten.
Trouwens, het contrast met wat volgt kan amper groter. Want langs de hoge winkelgevels klinkt het aloude ‘Maria die soude naer Bethlehem gaen’, lied uit onze meest vrome kinderdagen.
Later die middag, weer thuis, ga ik op zolder mijn cd-collectie opdiepen. De meeste van onze platen van weleer zijn daar al sinds een paar jaar beland. Al kom ik af en toe met een handjevol weer de trap af. Veelal wanneer, zoals nu, enige nostalgie mij treft.
Ik zoek en vind Jan De Wilde. Jaren geleden vulde hij een plaat met kerstliedjes. Toegegeven, de kleinkunstzanger is Mariah Carey niet. Zijn stem is van meer bescheiden komaf en bij nader toezien valt ook qua fysiek enig onderscheid te melden.

Maria die soude naer Bethlehem gaen’,
lied uit onze meest vrome kinderdagen.

Maar Jan is hier in goed gezelschap. Currende, het oude-muziek-gezelschap van Erik Van Nevel, giet een warme, barokke saus over de liederen en er is een kinderkoor. Dat maakt veel goed. Een enkele keer houdt Jan De Wilde zelfs zijn mond en laat woord en zang aan het koor met de muzikanten. Zo ook bij ‘Maria die soude naer Bethelehem gaen’. Zonder de zeurende zang van Jan krijgt het lied overigens een verrassend danstempo.
Onze met veel goesting opwarmende kachel zoemt mee en ik neem de tijd om acht te slaan op wat het eeuwenoude lied vertelt.
‘Maria die soude naer Bethlehem gaen,
kerstavond voor de noene.
Sint-Jozef die soude met haar gaen,
om haar de weg te toene.’

Die beginstrofe laat mij toe om vlotjes mee te murmelen, weliswaar niet beter dan Jan, maar bij het vervolg van ’t verhaal moet ik passen. En leert het lied ons hoe het Maria en Josef verder verging.
Zij kwamen een weinig verder gegaen,
tot aan een boerescheure.
’t Is daar dat Heer Jezus geboren werd,
daar sloten noch venster noch deure.
De stal waar het koor van Jan De Wilde het over heeft, oogt niet als een bijzonder aangename plek voor de nacht. En al helemaal niet voor een moeder om er te bevallen.

“… Wat in de eeuwen die volgden, volstond om het decor aan te vullen
met een stal, een os en een ezel.”

Dat het traditionele kerstverhaal ons nog behoorlijk bekend is, daar heeft onze leeftijd alles mee te maken. En aan onze braaf-katholieke opvoeding, natuurlijk. En niets werd in vraag gesteld, zoals we het op school hadden geleerd, zo was het geschied.
Al betrap ik er mezelf vandaag soms op, nog één en ander te willen opzoeken. Zo ook, echt waar, over wat in de bijbel staat over kerstmis. Blijkt dat van de vier evangelisten er maar twee stil staan bij de geboorte van Jezus. En geen van hen heeft het over een stal. Wel over een kribbe, een voederbak waarin het kind werd gelegd. In de eeuwen die volgden, volstond dat om het decor aan te vullen met een stal, een os en een ezel.
En zodoende stond bij ons thuis elke kerst weer hetzelfde stalletje onder de kerstboom. Met fijn ingekleurde, magere beeldjes, de traditionele figuren. Eigenlijk leek het mij daar onder die boom een gezellig onderonsje, weet ik nog.

Maar de wereld wentelt verder en later op de avond brengt het nieuws ons, heel even, naar Gaza. Naar tunnels en scherpschutters. Naar drones en gebombardeerde ziekenhuizen. Naar mensen op de dool, zoals lang geleden een man en een hoogzwangere vrouw op de dool waren. Het avondnieuws toont tochtige voddententen waarin kinderen, mannen, vrouwen schuilen. Zwangere vrouwen, ongetwijfeld ook. En weer denk ik aan dat voorvaderlijke kerstlied. Werd het kind waarover we zingen, geboren in Bethlehem? Of in Gaza? Oekraïne?

De volgende, nevelige ochtend fiets ik van onze kant van Brugge naar Oostkamp. Door de kille mist bij de Wulgenbroeken, maar de weg is mij bekend. Waar verderop, voorbij het

– foto @ Jean D’heedene –

viaduct onder de spoorweg, het boerderijtje uit de mist opdoemt, weet ik, het is niet ver meer. Maar dan treft mij hetgeen me anders zo vertrouwd voorkomt. In het ontwakend ochtendlicht houdt het zich moeizaam staande, in de weide naast de stallen, het stilaan onder zijn eigen ouderdom bezwijkende schuurtje.
‘… daar sloten noch venster noch deure …’ Waar Jezus geboren werd? Hier, bij de Wulgenbroeken?
De Wulgenbroeken, het charmante Amerikaantje met haar opgeblonken kerstdeuntje heeft er geen weet van. Dus doe mij toch maar ‘Maria die soude er naar Bethlehem gaen’.

‘Maria die soude naer Bethlehem gaen’ hoort u hier: https://www.youtube.com/watch?v=LHsC9ZHR9X4

Posted in Het Brugge van nu, Van feesten en vieren, Van zin, zen en zijn, Van zingen en spelen | 11 Comments

(OP) WEG MET DE COMPUTER !

Hoe zou het nog zijn met meneer Wille? In het korte lijstje van leerkrachten die mijn kijk op het leven hielpen uittekenen, ontbreekt zijn naam. En toch was hij het, onze leraar Wetenschappen, die mij deze week voor de geest kwam.
Dat was toen in ’t avondnieuws onze minister van Onderwijs zijn zegje deed over de ‘digisprong’ in de onderwijswereld. Zoals wel vaker, ging het over centen. Over wie die centen zal opdiepen, om elke scholier vanaf ’t vijfde leerjaar de klas te laten binnenwandelen met een laptop onder de arm. De minister had een mening, iemand van ’t onderwijs had er ook een. En zoals wel vaker, was de kous daarmee af. Over naar het volgende item.


De toekomst was een donkerkleurig doosje, een sandwich groot …

Of miste ik het vervolg omdat mijn gedachten afdwaalden naar een avond, héél lang geleden, bij ons op school? Naar die verre tijd, ergens midden de jaren zeventig van vorige eeuw. De tijd van gestencilde cursussen, opgemaakt op mechanische typmachines.
Er was een informatieavond voor ouders. En wij, een handvol leerlingen van de hogere jaren, waren ook present. We boden de aanwezigen een natje en een droogje, voor een prikje. Wellicht voor één of ander goed doel, dat herinner ik mij niet meer.
Wat ik mij wel herinner, is het onderwerp dat die keer aan bod kwam. Dat bleek goed voor een onverwacht hevige gedachtewissel. Wij, leerlingen, werden niet bij het debat betrokken, maar we luisterden aandachtiger dan tijdens de meeste van onze lessen. Want de directie kondigde aan dat wij op school de kans zouden krijgen om … een rekentoestel aan te kopen.
Wel ja, waarde ouders, uw school gaat mee met haar tijd! En zo’n rekenmachine, dat is waarlijk dé toekomst!
De toekomst was een wat raadselachtig doosje, een sandwich groot, met drukknoppen en een schermpje waarop rode, hoekige cijfers verschenen wanneer je die knoppen indrukte. Zo’n nieuwerwets ding kon in een handomdraai optellen en aftrekken, vermenigvuldigen en delen. Maar het was ook capabel om procenten, vierkantswortels en andere vernuftigheden te berekenen.
De commotie, die avond! De verontwaardiging op de gezichten van nogal wat verontruste vaders en moeders! Straks kan onze jeugd niet meer hoofdrekenen, meneer! Gemakzucht loert om de hoek, en luiheid! Een moeder verzekerde dat haar zoon onder geen beding zo’n verwerpelijk spul in handen zou krijgen. Rumoer, kortom!
En toen stond, midden het gekijf, meneer Wille op. Rustig en zelfzeker, zoals we hem kenden, met in zijn hand zijn rekentoestel en in zijn pleidooi een paar weloverwogen argumenten.

Met dit toestel, verzekerde hij, staan we weliswaar aan het einde van een oud, maar vooral aan het begin van een heel nieuw tijdperk! Een tijdperk waarin alles anders zal worden dan voorheen. Binnen enkele jaren voeren wij hier met z’n allen deze zelfde discussie over de computer!
Voor ons, jongelui, kon de dag niet meer stuk. Weer buiten, in de winterkou van de Boeveriestraat, waren we het roerend eens, ‘onze’ meneer Wille verdiende een staande ovatie. Die hij, voor alle duidelijkheid, die keer niet kreeg. Maar later die avond klonken in De Goezeput scholieren op het heil van hun leraar Wetenschappen.

Om vast te stellen dat hij het bij het rechte eind had, hoefden we niet eens zo lang te wachten. ‘Bestuurt iedereen morgen een computer’, een jaar later kwam op een decemberavond een Gentse prof met die vraag langs in ’t Leerhuys bij Groeninge. De titel van zijn lezing afsluiten met een vraagteken, dat vond de professor overbodig, hij was zeker van het antwoord. Al lag dat antwoord nog ver weg, ergens achter de horizon van de tijd.

Achter die horizon, in het jaar 1995, bracht in de Werf een vernieuwend toneelgezelschap ‘2012, now I am nationwide’, een experimenteel en futuristisch verhaal over een jongen die zijn brein verliest in een computer. Er zit iets aan te komen, leek het absurde verhaal ons te waarschuwen.
Maar ’t ging vooruit.
Want enkele jaren verder, bij de aanvang van het nieuwe millennium, trok een sensibiliseringscampagne van de overheid van stad naar stad onder de naam ‘Allen op het netro@dshow 2000

Al klonk hier en daar ook een tegenstem. Zo publiceerden rond diezelfde tijd een paar vooraanstaande lieden uit de omgeving van het Steiner-onderwijs een artikel ‘Hype, hype, hoer@?, kritische noten bij de invoering van computers in het onderwijs’.

Een breedvoerig pleidooi waarin je zinnen las als ‘De computerindustrie heeft een duidelijk belang bij het stimuleren van het computergebruik in de scholen’.
Of wat dacht u van ‘Computervaardigheid voorstellen als een nieuwe vorm van geletterdheid is een misleidende overschatting.
Verder luidde het ‘Mijn kinderen krijgen bijvoorbeeld ook les informatica op school. Wat leren zij? Microsoft Works.
Alsof de les is verworden tot een verkoopinstrument van Bill Gates.
Er wordt besloten dat ‘de nieuwe media alleen datapuin en splinters te bieden hebben’.

Maar onze stad toont in het Culturele Hoofdstad-jaar 2002 met het apenstaartje in de titel van de expositie ‘Hanse@Medici’ dat we helemaal mee zijn met het digitale verhaal. Op de affiche ontwaar je, bij de historische stadskraan, zowaar een koopman met in zijn tekstballonnetje ‘Ik mail je morgen mijn offerte’. Middeleeuws grapje.

Eens temeer blijkt hoe elk afficheontwerp vertelt over de dagen waarin het wordt uitgedacht. Zo fungeert vijf jaar geleden, bij de ‘digitale week’ van de stadsbibliotheek, iemand met een 3D-bril als bij-de-tijds campagnebeeld.

Wie beweert dat het snel gaat en almaar sneller, trapt open deuren in. Binnen pakweg twee jaar is dit al lang achterhaalde cursiefje goed voor een glimlach. Hopelijk met enig begrip voor wie het schreef.
Want je zal vandaag maar iets vertellen over, bijvoorbeeld, artificial intelligence. Bij het afronden van je laatste zin kan je alweer één en ander bijsturen. Of waarom dacht u, lezer, dat de schrijver van dit stukje hier de aftocht blaast?
En ja, enig wantrouwen omtrent de digitale snelweg is geboden. Al zijn hier de woorden van een leraar van lang geleden op hun plaats. Want al staan we onmiskenbaar aan het einde van een oud, we staan vooral aan het begin van een compleet nieuw tijdperk.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen | 7 Comments

Het ‘Woord van het Jaar’ … in 1907

Je bent jong en je wilt wat. Op de dingen vooruitlopen, bijvoorbeeld. Dat mag ons, boomers, niet verbazen. In ons eigen verre verleden waren we daar net zo sterk in. En dus keken we nu ook niet verwonderd op, wanneer enkele weken geleden al het ‘Tienerwoord van het Jaar’ werd bekendgemaakt. Het jaar loopt nog een eind, denk je dan, er kunnen zich nog nieuwe modewoorden aandienen. Maar laat knallen die champagne! Of neen, doe de jongelui maar een gin-tonic, zij verkozen tenslotte het ‘Tienerwoord van het Jaar’!
De ongetwijfeld benijdenswaardige eretitel werd dit keer toegekend aan het aloude ‘heftig’. Eerder banaal, jawel, maar ‘heftig’ promoveerde recent tot ‘alomtegenwoordig woord’. Wanneer iets indruk maakt, positief of negatief, dan is dat ‘heftig’. Let wel, boomers, laat dat over aan het jonge volkje, ’t is goed dat ge uw plaats kent in de geschiedenis.
Al weten boomers beter. Omtrent woorden en hun houdbaarheidsdatum, bijvoorbeeld. Eenmaal die gepasseerd, raken ze in de vergetelheid. Misschien zijn de gedateerde woorden die wij, oudjes, achter ons lieten talrijker dan alle woorden die het jonge grut ooit aanleerde. En dat ligt geenszins aan ons stilaan aftandse geheugen. Neem nu bijvoorbeeld de benaming van veel nuttigs uit onze jonge tijd. Van de typmachine tot het rekentoestel. En, weet u nog, de videobanden die we ontleenden in de videotheek?

Trouwens, sommige spullen die we nu nog dagdagelijks gebruiken, werden in hun verre begintijd benoemd met een ander woord dan vandaag. Zo noemde men wat in onze garage staat een automobiel en waar we ons in ons salon elke avond aan vergapen heette kleurentelevisie. En op het aanrecht in de keuken zingt een transistorradio.

Al verzinnen wij, boomers, in recenter tijden ook wel een keer een heel nieuw woord of een nooit eerder geformuleerd begrip. Hier bij ons in Brugge, bijvoorbeeld, hebben we het over het ‘levend archief’. Toegegeven, ‘levend archief’ klinkt net zo absurd als ‘vierkant wiel’ of ‘vliegende tuinslang’, maar toch. Levend Archief – het dient geschreven met hoofdletter! – is de vereniging van sympathisanten van het stadsarchief.
Dat gezelschap, dat zichzelf bijzonder serieus neemt, viert dit jaar trouwens zijn dertigste verjaardag. Dat feest kwam hier onlangs al even ter sprake, maar wij vonden een grondige reden om er nog een keer op terug te komen.

Een soort gestileerd archiefdoosje was het …

Na grondig onderzoek der archieven kwamen wij namelijk tot de conclusie dat de stichting die vandaag dertig jaar bestaat, twintig jaar geleden haar tienjarig bestaan vierde. Verrassingen zijn van alle tijden! En ook bij die verjaardag werd uitgepakt met schone initiatieven. Of wat dacht u van een tentoonstelling en … een doos?

Topstukken uit het Stadsarchief Brugge’ stond op de affiche èn op een sjiek doosje. Een soort gestileerd archiefdoosje was het, met daarin losse dossiertjes over elk van de tien stukken op de expositie. Wie zo’n souvenir meenam, kon thuis nog nagenieten van wat er te zien was.
Ondergetekende koestert tot vandaag nog altijd dat kleinood. Niet elke dag, een mens heeft meer te doen, maar het blijft een bijzonderheid in zijn collectie Brugge-spullen.

Dat komt door één van de blikvangers op de tentoonstelling. Een affiche, wat had u verwacht? En nog wel eentje van Flori Van Acker, de godfather van de Brugse affichekunst. Nou ja, eentje, een buitenmaats ding, ze is net niet zo hoog als de verzamelaar die ze sinds een tijd in huis heeft. Al is het niet dat formaat dat haar tot pronkstuk van zijn collectie maakt. Wel haar artistieke kwaliteit, de verrassend goede staat waarin ze meer dan een eeuw doorstond èn haar zeldzaamheid. En om wat ze aankondigt, natuurlijk.

… de tentoonstelling rond de Orde van het Gulden Vlies als uitschieter.
– foto Beeldbank Brugge –

De affiche verscheen in het straatbeeld in de zomer van 1907. In de annalen van Brugge blijft dat jaar voor altijd geblokletterd als hèt moment waarop onze stad zich opmaakte voor de grootste remonte sinds de neergang van haar haven in de late middeleeuwen. De lang verwachte inhuldiging van de nieuwe haven, die we vandaag kennen als Zeebrugge, was een feit. Daar kwamen een heleboel feestelijkheden bij kijken, met de tentoonstelling rond de Orde van het Gulden Vlies als uitschieter.
In zijn atelier in de Korte Vuldersstraat ontwierp Flori Van Acker voor die expositie twee verschillende affiches. Dit is er één van, de andere is gedrukt in het handiger standaardformaat en om die reden vandaag net ièts minder zeldzaam.

Wat Van Acker toont op die buitenmaatse affiche? Wel, we hadden het hier net nog over hoe tijdsgebonden woordenschat kan wezen. Daarom laat ik de beschrijving van de affiche graag over aan Maurits Van Coppenolle. In de jaren dertig schreef de heemkundige een boekje over Flori Van Acker. En zoals hij over de affiche vertelt, dat wil ik de lezer niet onthouden.
Gaat u er rustig bij zitten. Ziehier, compleet mèt oude spelling, de charme van een vergeten woordenrijkdom.

De hertog,
in zijn scharlaken mantel gehuld …

“Nog schitterender is dit plakkaat van de Gulden Vlies-expositie, waarop Filips de Goede de orde van het Gulden Vlies stichtende, is uitgebeeld.
De monarch legt zijn eed af op het open evangelieboek, gehouden door de bisschop.
De hertog, in zijn scharlaken mantel gehuld, is waarlijk majestatisch. Dit figuur maakt zich glansrijk los van het geheel, wijl den bisschop, met waardeering, maar gezag-bewust, naar den hertog buigt.
Voor een brandvenster en een muur waarop de blazoenen van Filip’s staten worden weergegeven, groepeert de flink samengestelde achtergrond de geestelijkheid,
de vaandeldragers, de herauten. Twee schildknapen, de wapens van Bourgondië dragende.
En een prelaat, die een kussen met reliek houdt.
Als men van een meesterwerk in dezen trant spreken wil, is de Gulden Vlies-plakbrief er zeker één van oorspronkelijkheid, samenstelling en uitvoering.”

Voilà, zo hoort u het ook een keer van een ander.
Hoe zeldzaam zo’n affiche is? Wel, ’t vergde toch een heleboel jaren vooraleer ik er eentje kon toevoegen aan mijn verzameling. Op de tentoonstelling in het archief, die van twintig jaar geleden dus, werd ze getoond als een samengevouwen document, ingeplakt in een album dat in de dagen van de inhuldiging van de haven met veel zorg werd samengesteld door Edmond Gilleman, een gedreven stadsambtenaar.

… samen met een andere affiche van Van Acker … in herdruk.

En tot mijn niet geringe verbazing is ze in het Gruuthusemuseum, in de zaal waar neogotiek aan bod komt, te zien samen met een andere affiche van Van Acker … in herdruk. Namaak, jawel, en dat zie je van meters ver. Het hele Gruuthusepaleis ademt neogotiek, die zaal nog meer dan andere. En midden al die kostbare stukken valt je oog op twee reproducties, glimmend als een prent in een kleuterklas. Klopt het, wat navraag ons leert, dat één en ander verband houdt met de gevoeligheid van het originele werk voor daglicht? Of heeft zo’n dubieuze keuze van doen met het simpele feit dat Musea Brugge geen origineel in huis heeft? Pakt een museum dat zichzelf respecteert uit met namaakstukken?
Flori Van Acker’s affiche verwijst naar ijkpunten in de geschiedenis van deze stad. De inhuldiging van haar nieuwe haven, één van haar spraakmakende tentoonstellingen èn de stichting van de Orde van het Gulden Vlies.  Brugge verdient beter. Flori Van Acker, ook jij verdient beter.
Zoiets vaststellen in één van onze gerenommeerde musea … Mijn beste Flori, dat was heftig!

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Over affiches verzamelen, Van feesten en vieren, Van schilderen en plaasteren, Zeebrugge, de haven | 8 Comments

Het bijna oudste beroep ter wereld

Hoewel het kleine manneke de albums van de Rode Ridder eerder onder ogen kreeg, had hij al vrij snel een boontje voor die andere gewapende stripheld, Lucky Luke. De middeleeuwse ridder, even onverschrokken als onbaatzuchtig, maakte weliswaar indruk op dit striplezertje. Album na album stond de strijder tegen onrecht paraat in de meest penibele situaties. Stoer en gespierd, maar van lachspieren had zijn striptekenaar nog nooit gehoord. Dus doe mij maar tekenaar Morris met zijn laconieke cowboy, de man die sneller schiet dan zijn schaduw.
Een week of twee geleden kwam ik ze na lange tijd weer tegen, de ridder en Lucky Luke. Bladerend door die albums op het stripfestival in ’t Sint-Lodewijkscollege, realiseerde ik mij hoezeer ik vandaag met andere ogen naar zo’n verhaal kijk. Vroeger zonder en nu mèt bril, dat ook, ja. Maar vooral hoe een mens na al die jaren zo’n avontuur anders gaat lezen! Want nu pas merk ik hoe het er bij die gasten aan toe gaat. Dag in, dag uit wordt in Lucky Luke’s Wilde Westen gejongleerd met pistolen. En bij de Rode Ridder staan ze mekaar om het minste met zwaarden en ander vervaarlijk gereedschap naar het leven. Maar in zo’n verhaal valt nergens ook maar één druppel bloed. Faut le faire!

Maar nergens valt ook maar één druppel bloed.
Faut le faire!

Ach, de eigen wetmatigheden van strips. Dat de cowboy niet één keer een baaldag kent en de ridder nooit toe is aan een sanitaire stop, daar valt mee te leven. Maar deze striplezer zit opgescheept met nog een andere bedenking. Ook zo eentje dat komt ‘met de jaren van verstand’. Hoe zit het, vraag ik mij af, met de wapens van mijn striphelden? Waar komt de revolver van Lucky Luke vandaan en wie hielp de middeleeuwer aan zijn slagzwaard? Lucky Luke’s bedenker, Morris, en Willy Vandersteen, geestelijke vader van de Rode Ridder, allebei laten ze ons daaromtrent in het ongewisse.

Vraagt u zich af of dat ertoe doet? Weet dan, dat zelfs de meest gerenommeerde archeologen mij in deze bijtreden. Want zelfs bij de holbewoners in de prehistorie waren er al lieden bij wie ‘wapenmaker’ boven de voordeur van hun grot stond te lezen. Om maar te zeggen, het gaat hier om één der oudste beroepen ter wereld.
De redelijke consensus omtrent het oudste beroep willen wij hier geenszins in twijfel trekken. Maar geloof ons, de stiel van wapenmaker komt daar meteen achteraan.
Laten we het er alvast over eens zijn, zonder die beroepsbezigheid zag de wereld er behoorlijk anders uit. Zonder het oudste beroep ook, maar laat dat onze aandacht niet afleiden van het gewichtige discours dat wij hier aanvatten.

Wie alsnog meent dat het aanzien van vaklieden die wapens in mekaar knutselen iets is van recentere tijden, vergezellen we graag op een toertje door onze eigenste binnenstad. Zoals ik laatst met een vriendengroep op pad ging. Bij een zijstraat van de Philipstockstraat lachte één van hen ‘Dit lijkt mij een fijne stad om te wonen, maar toch liever niet in deze straat!’ en hij wees naar het naambordje met daarop ‘Wapenmakersstraat’.

… hun zwaarden en goedendags
die ze meezeulden
naar de Groeningekouter.

En dan is het aan de stadsgids om te duiden dat we hier al in de jaren 1300 zo’n straatnaam kenden. Dus wie weet, haalden Pieter de Coninck en zijn kompanen in de zomer van 1302 hier hun zwaarden en goedendags die ze meezeulden naar de Groeningekouter.

Al was ook in recenter tijden niet altijd alles peis en vree in onze stede. De twee wereldoorlogen die hier in de voorbije eeuw passeerden lieten hun littekens na. En zelfs in mijn eigen herinnering sluimeren beelden die ook de lezer misschien herkent. Zoals die middag in de jaren zeventig van onze jeugd, een boel jongelui die door het stadscentrum trekken, de politie nadrukkelijk en wantrouwig in hun kielzog. Spandoeken en slogans die het wapentransport aanklagen waar de haven van Zeebrugge zich toe leent. Kordaat en luidruchtig stappen ze in de Steenstraat langs het Simon Stevinplein, waar in de etalage van wapenhandel Priem wolfijzers en schietgeweren blinken in de middagzon.

Maar laten we onszelf niets wijs maken. Er passeert weliswaar, voor zover wij weten, geen oorlogstuig meer in Zeebrugge – maakte onze optocht destijds zoveel indruk? Maar dat het wereldwijd nog altijd knettert, dat hoeven wij u niet te vertellen. En alom wordt geïnvesteerd in èn verdiend aan het aanmaken van wapens, het verhandelen ervan. ‘Beleg in de defensiesector!‘, aldus de ‘wijze‘ raad die de investeerder onlangs kreeg. Van Testaankoop, echt waar! Wonen we uiteindelijk toch met z’n allen in de Wapenmakersstraat?

‘De twee wereldoorlogen die hier
in de voorbije eeuw passeerden
lieten hun littekens na.’

Even terug naar de hoek van die straat. We zetten onze weg verder en na de aanmerking omtrent de straatnaam, merkt de grapjas van het gezelschap op ‘Dan woon ik liever in ’t Stoofstraatje!’ Mijn gezelschap herinnert zich wat ik eerder op onze toer over de Stoofstraat vertelde. Over die naam die naar een ‘badstoof’ verwijst.
Badstoven, in het middeleeuwse Brugge kon je er tegen betaling een warm bad nemen, waren aanvankelijk gescheiden instellingen, mannen hier en vrouwen daar. Maar in havenstad Brugge hadden al die zeelui die hier aanlegden – het zoute water meer dan moe – ook wel een keer zin in een lekker bad. Zo kwam het dat badhuizen stilaan een iets andere, meer frivole invulling kregen. Het ene verhaal van de gids onthouden bezoekers al makkelijker dan het andere.
Zelfs het oudste beroep kreeg in deze stad een straatnaam!’, merkt nog iemand op.

Er is de Rode Ridder, die wel een keer
een rondborstige tegenspeelster ontmoet …

Terwijl de schrijver van dit stukje bovenstaande conversatie noteert, bedenkt hij dat zijn striphelden ook dàt aspect van ’t leven aan zich voorbij laten gaan. Kruist een rondborstige schone het pad van de Rode Ridder? Wacht een in gevaar verkerende jonkvrouw, hulpeloos smachtend, op haar heldhaftige bevrijder? Haar redder blijft trouw aan zijn opdracht, zoals het van ridders in de boeken staat. Hoofse liefde en de teleurstelling van het strips lezende knaapje!

Middeleeuws hoofs

En Lucky Luke? Ach, al laat zijn tekenaar een olijke madam postvatten bij de klapdeuren van een saloon, ook de cowboy blijkt niet uit te blinken als ’t op testosteron aankomt. Tekenaar Morris laat zijn stripheld als coole bink de andere kant opkijken, het nonchalante sigaretje in de mondhoek.
Al kan ook dat verkeren. Wanneer de revolverheld na een aantal albums ook voet aan de grond krijgt in Frankrijk, krijgt Morris van zijn uitgever een lijstje met ‘gewenste aanpassingen’.
Halfblote dames? Inacceptabe!
En wanneer ook Amerika, land van cowboys en indianen, voor de strip overstag gaat is het hek helemaal van de dam. Een rokende Lucky Luke? No way! In het land waar je op elke straathoek een dodelijk wapen koopt, vindt men een stripfiguur met sigarettenpeuk levensgevaarlijk.

Maar wat lees ik hier over tekenaar Morris? Eén keer verzint hij, om al dat moraliserende gedoe van zich af te tekenen, een kortverhaal waarin een rokende Lucky Luke zich menig glas whiskey laat inschenken, nog wat stoute fratsen uithaalt en tenslotte tussen de lakens belandt met een cancan-danseres.
De Rode Ridder? De gedachte alleen al brengt hem het schaamrood op de wangen.
Zie je wel, ik heb het altijd geweten, Lucky Luke heeft meer in zijn mars! Tekent lekker buiten de lijntjes als het hem uitkomt.
En schiet bovendien sneller dan zijn schaduw. En da’s maar goed ook. Trager zou belachelijk zijn.

Honderd jaar geleden werd Morris, geestelijke vader van Lucky Luke, geboren in Kortrijk. Tot zondag 17 december loopt een retrospectieve tentoonstelling in het stadhuis van zijn geboortestad … Meer info vindt u hier.
En tot eind januari kan je in Brussel terecht voor een expo met origineel werk van de tekenaar. Dat leest u hier.

Posted in Het Brugge van toen, Over oorlog, Van boeken en schrijven | 4 Comments

Jeugd en Muziek

Versleten muziek,
die kon alleen maar sufferig klinken.

‘Jullie zijn de zestig voorbij? Zo jong nog!’ Met de glimlach waarmee ze het zegt, ontwaakt in haar blik heel even het meisje dat ze lang geleden was. Meer dan negentig levensjaren leerden haar dat elke dag zijn waarde heeft. En dat al ons rusteloos streven en alle haast van vandaag niemendal aan die waarde toevoegt. ‘Ik was nooit erg streverig. Soms naïef, dat wel.’, besluit ze, ‘Maar dat stond mijn geluk nooit in de weg, integendeel.
’t Is een herfstige, lome zondagmiddag, zo’n dag waarop een houtkachel ronkt alsof hij content is en een paar glaasjes porto doen wat ze horen te doen. Op de radio zingt een dromerige cello, iets van Bach. Wat volstaat om ons bejaarde gezelschap tot nog een filosofische overweging te verleiden. ‘Muziek verzacht de zeden’, zucht ze.

Muziek verzacht de zeden’ … Hoe omschrijf je zo’n dooddoener ook alweer? Dat noemen ze ‘een gezegde’, toch? Woorden waarmee je doorgaans alle kanten op kan. En al helemaal als de zeden verzachtende eigenschap van muziek aan bod komt.
Lang geleden, toen ik zelf nog jong was en naïef, kwam het mij voor als kreeg muziek met die wijsvingerige woorden een slaapverwekkende eigenschap toebedeeld. En omdat ik niet beter wist, bracht mij dat als vanzelf bij wat we doorgaans omschreven als ‘klassieke muziek’. Versleten muziek, die kon alleen maar sufferig klinken.

Keren wij even terug naar dat ‘lang geleden’ van mij.
In die dagen ben ik een muziekkenner, of tenminste, zo schat ik mezelf graag in. Bijna elke week ga ik langs in de stadsbibliotheek op het Jan van Eyckplein. En daar in het Tolhuis neem ik keer op keer een handvol langspeelplaten mee, die kan je daar ontlenen. Bob Dylan, The Band, Boudewijn de Groot, dat soort namen, daarover wil ik kunnen meepraten. En ’t moet gezegd, dat lukt me aardig.

… in de stadsbibliotheek op het Jan van Eyckplein.
– foto Beeldbank Brugge –

Maar op een keer heb ik – misschien, of wellicht, per vergissing – tussen dat stapeltje platen eentje mee met muziek van … Johann Sebastian Bach. ‘Brandenburg Concertos’, het is zo’n dubbel-elpee, een hoes die je openvouwt met in elke vleugel een plaat. Ik leg toch maar een keer één van die schijven op mijn draaitafel.

Wat is me dat? Werd ik ooit zo van mijn sokkel geblazen als door de fijnmazige muziek van dit selecte talentenclubje dat ene Gustav Leonhardt rond zich verzamelde? Het ene moment jubelen houtblazers alsof we zonet in ’t aards paradijs zijn aangeland. Iets verderop buigen zich strijkers in trage, melancholische lijnen, warm kippenvel. Waarna het hele gezelschap uitpakt met de ambiance van een volksdans.

Weinig later breng ik uit de bib een langspeler mee van Duke Ellington, de jazzpianist. Af en toe iets van jazz in huis halen, dat maakt indruk op je kameraden. Achterop de hoes lees ik een kort interview met de grote jazzman.
Hij vertelt … ‘There is not such a thing like old music. There is only good music and the other thing’.
Muziek wordt nooit oud, er is alleen goeie muziek en andere. Ik heb Bach gehoord, ik weet wat Duke Ellington bedoelt …

Komen we terug naar recenter dagen.
Naar een vooravond, vooreerst, een paar weken geleden. Naar het Psychiatrisch Ziekenhuis Onze-Lieve-Vrouw, bij ’t station op Sint-Michiels. Middenin dat bakstenen complex, in de neogotische kapel, wachten drie muzikanten ons op, mensen van bij ons. Marcel Ponseele, de man met de hobo, aan het klavecimbel Bart Naessens en zijn wederhelft, de innemende sopraan Amaryllis Dieltiens.
Johann Sebastian Bach staat op het programma, en Händel en tijdgenoten.
En een week of wat later naar de Ezelstraat, de Ryelandtzaal. Een ensemble van vijf musici, vijf keer viola-da-gamba. Tijd voor Henry Purcell en John Dowland en nog wat namen die je minder vertrouwd klinken.
Twee concerten, twee keer de ervaring dat muziek nimmer oud wordt. En dat muziek tot meer in staat is dan je zou vermoeden. Muziek die je meeneemt naar toen. Naar dagen waarin je jong was en naïef.
En dan, het slotakkoord. En weer in het hier en nu bedenk je, jong zijn we al lang niet meer. Naïef? Ach, herinner je de raad van iemand die het weten kan … ‘Dat stond mijn geluk nooit in de weg, integendeel.’

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van zin, zen en zijn, Van zingen en spelen | 10 Comments

Brugge neemt een selfie

In de kunstacademie, zomer 1843
– Joseph Buffa –
“Ge kent Joseph Buffa, den duivel-doet-al uit de Philipstockstraat?”
“Ha ja, die heeft van alles in huis! Ik kocht er destijds mijn sterrenkijker en laatst nog een paar gravures.”
“Ewel, nu pakt hij uit met iets héél bijzonders. Hij krijgt permissie om in de Kunstacademie in de Poortersloge een tentoonstelling te houden, iets met portretten.”
“Dat doen ze toch af en toe in de academie?”

“Hola, maar ’t zijn niet zomaar tekeningen of schilderijtjes. Buffa zegt dat het gaat om een heel nieuw procedé, een echte uitvinding. In Parijs, zo beweert hij, bedachten ze een manier om iemand die gewoon voor je staat, af te beelden op een zilveren plaat. Zonder dat er schilderen, tekenen of graveren aan te pas komt. ’t Is iets met scheikunde, met het licht dat een hele tijd op zo’n plaat terecht komt of zo. Geen kunstenaar die het kan, je ziet de persoon alsof hij of zij er echt ís!”
“Best wel bizar. Hoe noemen ze dat?”
“’t Is een raar woord, ik ben ’t vergeten, maar het is ècht ongezien, in meer dan één betekenis. ‘k Ga alleszins een keer langs, zo’n bijzonderheden interesseren mij. En iets zegt mij dat we daar nog van horen. Of zien, zo je wil.”

Ergens in Kortrijk, voorjaar 1891
– Guido Gezelle –
Gezelle heeft het er moeilijk mee, met de vooruitgang. Zoals in elk tijdsgewricht, maakt ook in zijn dagen een ‘nieuwe tijd’ zijn opwachting. En omtrent nieuwerwetse dingen staat ook nu het enthousiasme van de ene in schril contrast met de terughoudendheid van de andere.

Een ‘lichtdrukmaal‘ van Gezelle …

Dat Guido Gezelle geen nieuwlichter is, mag een understatement genoemd worden. Ronduit vooruitstrevend als dichter, blijft Gezelle op maatschappelijk gebied, zoals de meeste geestelijken van zijn tijd, de behoudgezindheid in persoon. Hij heeft het niet begrepen op al die progressie, niet op de fabriek met haar ‘dom, dwaas wiel’. De trein noemt hij ‘dat ijselijkst serpentenhoofd’. Kan fotografie op wat genade rekenen?
Hier in een lade bewaart hij een recent gedicht, ‘Moederken’. Het vers ligt hem na aan het hart, hij mist haar, de bescheiden huisvrouw die in dat huis in de Brugse Rolweg haar kroost grootbracht. Is het gedicht hem zo dierbaar, dat hij er nooit toe komt om het op te nemen in een bundel?
In het sobere vers betreurt hij dat van zijn moeder ‘geen beeltenis, geen beeld’ bewaard bleef. En Guido zou Gezelle niet zijn, mocht hij voor het begrip ‘foto’ niet een eigen woord bedenken. Een foto, voor Gezelle is dat een lichtdrukmaal.

’t En is van u hiernederwaard,
geschilderd of geschreven,
mij, moederken, geen beeltenis,
geen beeld van u gebleven.
Geen teekening, geen lichtdrukmaal,
geen beitelwerk van steene,
’t en zij dat beeld in mij,
dat gij gelaten hebt, alleene.”

In het stadsarchief, najaar 1985
– Jaak A. Rau –
Jaak is in zijn nopjes. Al zijn halve Brugse leven is hij de verwoede verzamelaar van foto’s over zijn geboortestad. Al gaat het hem minder om het tastbare, papieren document dan om het verhaal dat zo’n foto vertelt. Hoe ouder zijn vondst, met hoe meer geestdrift hij op zoek gaat naar het wat en hoe op de foto.

Maar een mens heeft ook nood aan brood op de plank. In de aanvang van zijn loopbaan bracht hem dat als bouwkundig tekenaar in het atelier van architect Wilfried Van Oyen. Later ook bij de Groep Planning in de Sint-Jacobsstraat.

Maar zie hem hier zitten, in de fleur van zijn leven als prille vijftiger, glunderend aan een bureau in ’t stadsarchief. En voor dat glunderen heeft hij zo zijn redenen. Want de ene job is de andere niet. Zeg nu zelf, voortaan kan hij op die nieuwe werkplek van hem, zijn passie als verzamelaar combineren met zijn dagdagelijkse beroepsbezigheden. Komt ervan, als je je immense collectie aan het archief schenkt en in één adem ook kan bekomen dat je dat enorme bestand aan foto’s zelf mag beheren.

Een boek met oude, Brugse foto’s, lang geleden deed Guillaume Michiels hem dat al voor met zijn magnum opus ‘Uit de wereld der Brugse mensen‘. En een paar keer kwam Jaak ook zelf al met een Brugs fotoboek in het nieuws, met ‘Het Brugge van toen’ en ‘Memoires van een stad’. En hier en nu maakt hij zich op om nog veel meer fotomateriaal te boek te stellen. Over de parochies van de binnenstad, over de Brugse rand ook. En keer op keer met een overvloed aan foto’s. En bij elke prent, niet onbelangrijk, zijn eigen, soms wat eigenwijze commentaar.
Het blijft voor altijd een moeilijk te beantwoorden vraag, wie van dit avontuur het meeste geniet, Jaak of zijn stad.

Ergens in Brugge, voorjaar 2020
– Jan Darthet –
Er is niemand op straat, de stad is leeg. Het avondnieuws ging erover, alweer. Over dat virus en hoe het ons allemaal in huis houdt, elk in zijn hoek.
Er is niemand op straat, de stad is leeg. Op een eenzame wandelaar na. Een wandelaar met een fototoestel. De fotograaf die zijn kans grijpt, en die kans is uniek. Jan Darthet beseft dat dit momentum zich maar één keer in zijn leven voordoet. Stilte, het ontbreken van geluid, in beeld vastleggen, is wat hij betracht. Ontelbaar veel roerloos Brugge, dat wil hij bewaren voor later. Op de ene plaats is de stad stil, op een andere zo mogelijk nóg stiller. Stilzwijgend, maar zelden zo veelzeggend.

Hij droomt van een boek, ‘Stilleven’, het stilste dat ooit over Brugge verscheen. Daarin wordt, terloops, verwezen naar ‘Bruges, la morte’ van Georges Rodenbach, dat andere boek over een stad vol stilte. Een boek dat, o tegenspraak, de aanzet was voor een toeloop van bezoekers.
En mocht tussen al die zwijgzame foto’s een gedicht van Peter Verhelst prijken, stel je voor. Hij ziet het al voor zich, sobere letters op sober wit, zoals de sobere stad op de foto’s in zijn boek.
Maar dat is voor later. Want de wandelaar stapt door, houdt halt, hier en daar. Neemt een foto. Want er is niemand op straat. De stad is leeg.

Aan de Rozenhoedkaai, zomer 2022
– een handvol toeristen –
‘Morgenochtend vroeg uit de veren, da’s de boodschap! En kom dan meteen hierlangs, aan de Rozenhoedkaai. Dan wacht hier, in alle rust en het meest broze ochtendlicht, het schoonste kiekje uit jullie vakantiealbum!’

Ze lachen wat onzeker, mijn gasten, wanneer ik hen op het Huidenvetterspleintje vertel over het panorama dat zich zo meteen, hier om de hoek, voor hun ogen zal ontvouwen. Om dan, een paar stappen verder, vast te stellen dat ik geenszins overdrijf. Het uitzicht op ons belfort en hoe het zich verheft boven die middeleeuws ogende, houten gevels. Aan de overkant, de imposante treurbeuk, als een Narcissus en zijn spiegelbeeld in het water van de reie. En voorbij de brug de trotse eigendunk waarmee de toren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk zich naar de hemel richt.

En begrijpen ze wat ik zonet bedoelde met dat vroeg opstaan? Want er is geen twijfel mogelijk, de duizenden toeristen in Brugge, die nemen ons te grazen. Ze staan hier met z’n allen op ’t moment waarop wij passeren. En allemaal met camera, gsm of ander beeldmachien in aanslag, klaar voor een foto, een selfie, een groepskiekje. Opzij, opzij, ik wil een foto! Ik ook! Ja maar, ik ook! En ikke! Allez, ’t is goed, maar vlug een beetje!
Brugge, een paradijs voor fotografen? ’t Zal wel zijn, maar een foto van een schone plek en een schone foto, ’t zijn twee verschillende dingen.

Bij de Peerdenbrug, zomer 2023
– Selina De Maeyer –
Ziet een Brugs ‘inboorling’ een ander Brugge dan een ‘aangespoelde’? Niemand kan het natrekken, want je bent altijd één van de twee, nooit ben je Bruggeling èn nieuwkomer.
Maar wat maakt het uit? Geen van ons ziet hetzelfde, al kijken we met dezelfde ogen. Hoewel. Is er ook zoiets als het oog van de fotograaf?
Je zou het gaan geloven, bij het doorbladeren van ‘Beeldschoon Brugge’, het pas verschenen fotoboek van Selina De Maeyer. Voor haar publicatie had Selina – een aangespoelde, trouwens – wat ons betreft, een iets origineler naam mogen verzinnen. Want je kijkt naar foto’s in zo’n boek en wat je overvalt is verbazing. ‘Verbazend Brugge’?
Het is niet eerlijk dat onze straten, pleinen en gevels zich alleen aan Selina presenteren zoals ze dat toont in haar boek. Ik wil ook zo kijken, bedenk je, ook zo zien!
Maar ach, als een boek troost kan bieden, dan zeker ook een goed fotoboek.

‘Beeldschoon Brugge’, het boek van Selina De Maeyer,
is een uitgave van Stichting Kunstboek.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van boeken en schrijven, Van schilderen en plaasteren | 5 Comments

Heb je ’t al gehoord van de Smedenpoort?

Op een dag is hij er niet meer, de buiten eigen proporties uitgegroeide treurwilg bij de Smedenpoort. En achteraf, zo gaat het altijd, realiseren wij ons het beeldbepalende van wat altijd is geweest. Beeldbepalend voor een alledaagse plek waar je ontelbare keren voorbijkwam. “You don’t know what you’ve got till it’s gone”, Joni Mitchell wist het lang geleden al.
Dag in dag uit fietste je, een loopbaan lang, door de Smedenpoort ’t stad in. Vroeger door de smalle doorgang, tussen haastige auto’s. Maar sinds lang leiden twee slanke voetgangersbruggen de wandelaar om de poort heen en rij je als fietser door de zijdoorgang, onder de laag hangende takken van de prompte boomkruin.

Misschien wou hij gewoon de poort aaien met zijn weelderige kruin.

De bejaarde treurwilg en de Smedenpoort, ze leken onafscheidelijk. Dat de wilg zo nadrukkelijk naar het poortgebouw toe leunde, was dat van ouderdom? Misschien wou hij gewoon de poort aaien met zijn weelderige kruin.
Weet je nog, hoe je op winderige ochtenden al fietsend het hoofd afwendde, om de natte blaren van een laag zwiepende tak te ontwijken? Wie weet, wilde de boom ook jou een bemoedigend schouderklopje geven.

Da’s iets van ‘t verleden, de treurwilg is weg. In een helse stormnacht scheurde zijn oude stam. Met zijn laatste krachten wist hij zijn eigen fatale val nog te breken, bang om zijn trouwe metgezel, de stadspoort, te bezeren. De poort kon hij sparen, maar zelf was de boom verloren voor goed.
Maar de Smedenpoort houdt onverschrokken stand, ook zonder de nabijheid van haar vertrouwde boom. Meer dan voorheen lijkt haar bakstenen vacht zich te koesteren aan het licht van een gulle herfstzon. Alsof ze zeggen wil, ik kom hier wel doorheen, ‘k heb al meer meegemaakt.

Daar valt wat voor te zeggen. De Smedenpoort staat hier al meer dan zes eeuwen en dan komt veel geschiedenis langs. Het rijke Brugge van weleer, havenstad waar de halve wereld over de vloer kwam, bouwde stadspoorten als burchten. In een uithoek van een schilderij van één van onze Vlaamse Primitieven ontwaar je de poort zoals ze was in haar gloriejaren.

En op zijn befaamde panoramische kaart tekent ook Marcus Gerards de Smedenpoort zoals de bouwmeesters haar ontwierpen. Maar het verhaal van stadspoorten is er een van verbouwingen. Van aanpassingen waarbij deze poort veel van haar oorspronkelijke uitstraling moest prijsgeven.
Met het klokhuisje dat sinds lang op de nok van haar dak prijkt als doekje voor het bloeden. En ja, het verhaal is bekend van dat bronzen doodshoofd op de gevel. Over de belegering van de stad door Franse troepen, waarbij een gewiekste collaborateur de vijand een handje wou helpen door hem stiekem binnen te laten. Zijn plan werd verijdeld en hij verloor er het hoofd bij. Dat we nog altijd over hem praten is zijn enige, magere troost.

En de poort? Ze blijft haar onverstoorde zelf.

Al zijn er ook vrolijker histories omtrent onze poort. Zoals het soort visitekaartje dat ik hier laatst terugvond tussen papierspullen. Het zou dateren van voor de Eerste Wereldoorlog en heeft het over … een kantwinkel in ‘la vieille Porte Maréchale’!

En nu we ’t over wereldoorlogen hebben, de Tweede viel de poort bijzonder zwaar. Toen de Nazitroepen het naar ’t einde toe afdropen, vonden ze ’t leuk om de Smedenpoort half in puin achter te laten. Ein schönes Andenken, danke!

Hoe vreemd, een half leven lang rijd je naar ’t stad en weer huiswaarts, vaak met je gedachten ver weg. Zelden bedenk je dat weinig gebouwen je zo nabij zijn als de Smedenpoort, terwijl je nooit de kans kreeg om haar binnenruimten te verkennen.

Tot een Open Monumentendag, een tijd geleden. Dus ja, ik was erbij, die keer. Naar boven langs de wenteltrap, naar de kelders ook. De bescheiden ruimten voldoen aan je verwachting, een geruststellende gedachte. Een verrassend uitzicht op de Smedenstraat krijg je er cadeau.

Maar ben je verlekkerd op oude verhalen, dan koester je het aangename weten dat je er ooit binnenkwam.
En de poort? Ze blijft haar onverstoorde zelf. Ze mist haar vriend, de ouwe, stille treurwilg, maar geeft geen krimp. Hoewel. Gisteren, in die somber druipende herfstavond, kwam je er langs. Het vaalgeel van haar kletsnatte gevel glom in het licht van de straatlantaarns … Waren het regendruppels?

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen | 12 Comments

‘Het verhaal van Brugge’, een nieuwe strip

Er is iets met zolders. Ben je op zoek naar een woonst, ga je in elk huis waar je langs komt zorgvuldig elke kamer, elke hoek inschatten. Hoeveel, hoe ruim, hoe comfortabel? De zolder? Ach, is die vakkundig geïsoleerd, dan is ’t al lang goed. Welnu, onderschat nooit het voor en tegen van een ruime zolder. Ik kan het weten, die van ons leerde het mij.
Jaren geleden namen wij onze dakisolatie onder handen. De verbazing wanneer je op zo’n keer je zolder ontruimt! Wat een vergeten overvloed daar in de loop der jaren is aangeland! En uiteraard, zo neem je je voor, wordt voortaan nog amper iets naar boven gesjouwd. Ach, voornemens, ze zijn er niet om waar te maken. Die zolder van ons? Was nooit zo vol als vandaag.

Maar waar je woont is elke zorgvuldig ingedeelde ruimte een meerwaarde. En dus benutte ik een paar jaar geleden de ‘blijf in uw kot’-weken om die volgestouwde kruin van ons huis te ordenen. Alle dozen, het zijn er veel, alle mappen en kokers vol papieren van allerlei slag, het zijn er nog meer, leeggemaakt. De zoldervloer, een doolhof van onoverzichtelijke stapels. En nu gaan we streng selecteren en sorteren, ge gaat een keer wat zien! Tenminste, dat was het voornemen. Maar na een tijd konden we weer de straat op en de stad in. De zolderladder werd omhoog geschoven. Voornemens, u weet wel. Die zolder van ons? Was nooit zo’n zootje als vandaag.

Dat aanschouwde ik met eigen lede ogen, toen ik er vandaag een kijkje ging nemen. Op zoek naar mijn strips. Tijdens het komende 11-november-weekend gaat het vierde Brugse stripfestival door in ’t Sint-Lodewijkscollege en dat bracht mij op het idee. Een fervent stripliefhebber ben ik allerminst, maar toch prikkelt een goed album nog altijd mijn jongensverbeelding.

Strips? Ooit werden ze door gecultiveerde lieden beschouwd als het minste van het minste. Strips ontnamen onze jeugd de kans om hoogstaande literatuur tot zich te nemen! De reputatie van de betere ‘graphic novel’ van vandaag zet hun stelling van weleer op de helling. En er is meer. Van Jean Paul Van Bendegem verschijnt dezer dagen een in boekvorm gegoten, warm pleidooi. De filosoof laaft zich met genoegen aan de filosofische rijkdom in stripverhalen. Zelfs de albums van Kiekeboe en Urbanus neemt hij onder de loep.

’t Is maar dat u ’t weet, gaat u straks langs op die stripbeurs in Sint-Lodewijks, dan zien we mekaar. Dat ik daar misschien met lege handen buiten kom, mag de pret niet bederven. Maar vind ik toch iets dat mij boeit, dan wil ik weten of het al niet in mijn collectie steekt. Nou ja, collectie. Een stapel strips waarin Brugge een rol speelt, niet eens zo uitgebreid en lang niet compleet, kan je dat een collectie noemen? Hoe dan ook, daarom ging ik op zolder die paar dozen met albums opzoeken. Want ja, daar zijn ze ooit beland, je kan niet alles binnen handbereik houden.
Dat bijeenzoeken van strips begon volkomen toevallig, pakweg een kwarteeuw geleden. Een appel en een ei betaalde ik op een rommelmarkt in ’t Boudewijnpark voor ‘Les Mystères de Bruges’. Het is een album in een reeks ‘Klaxon et Mycroft’, begin jaren zeventig verschenen als jeugdbijlage bij Le Soir.

Een appel en een ei betaalde ik op een rommelmarkt
in ’t Boudewijnpark voor ‘Les Mystères de Bruges’.

En zo was de trein vertrokken en haalde ik sindsdien nogal wat, enkele tientallen, Brugge-strips in huis. Op zolder, want de zin om albums aan te kopen stond sinds een tijd op een laag pitje. En dus leek het aangewezen om toch een keer mijn stapel naar beneden te halen. Om vast te stellen dat ik van een paar van die strips … twee keer een exemplaar aanschafte. Orde op zolder, daar zegt u zoiets …

Het middeleeuwse Brugge werd ontelbare keren in stripverhalen gegoten

Maar wie weet, wordt daar straks toch nog iets aan toegevoegd. Wat mij boeit? Een stripreeks die momenteel in aanbouw is, ‘Het Verhaal van Vlaanderen’. Gebaseerd op de tv-reeks, maar nu zonder presentator die bij al die historische gebeurtenissen in de weg loopt.
En wie weet, tref ik toch nog iets dat naar Brugge verwijst. Hier bij ons werken echt wel een paar gedegen cartoonisten en striptekenaars. En ook elders was altijd al stripbelangstelling voor de stad en zijn wedervaren.

Op de beurs in Sint-Lodewijks vind ik zeker ook ‘Diktator Dirk’, de reeks in ’t Brugsch Handelsblad. Die verscheen in albumvorm, toch? Of ze in mijn collectie hoort? Ik zie mijn inmiddels verzamelde strips, doorgaans van deftige komaf, verbaasd opkijken. ’t Mag iets minder grof, hoor ik ze denken.
Doch wacht eens even, bedacht ooit al iemand een stripreeks over de hele geschiedenis van onze stad? Het middeleeuwse Brugge werd ontelbare keren in stripverhalen gegoten, goeie en minder goeie.
Maar de hele Brugse historie, van in den beginne tot vandaag, van Boudewijn met de IJzeren Arm tot Dirk De fauw? Een stripalbum of een relaas in cartoons, ‘Het verhaal van Brugge’, ik haal het met veel plezier in huis. En ik berg het, beloofd, niet op zolder.
Iemand met talent èn zin om aan het tekenen te slaan?
Hallo, Marec?

Posted in Het Brugge van nu, Van boeken en schrijven | 9 Comments

Goede raad van Heidi Deneweth … en Willy Dixon

Het is in De Brug te doen, vanavond.” Terwijl ik mijn jas dichtknoopte en haar met een vluchtige zoen goeiedag zei, vertelde ik waar ik naartoe ging. Dat ze verrast opkeek, mocht mij eigenlijk niet verbazen. “De brug? Op de Burg, bedoel je, in ‘t stadsarchief?”
Informeer bij een Bruggeling naar De Brug en verbazing zal uw deel zijn. In Brugge vragen waar de brug is, da’s in een krantenwinkel vragen waar de krant ligt. En toch, er is in deze stad maar één plek die ‘De Brug’ heet. In de Hauwerstraat, de straat waarlangs u vanop ’t Zand naar de nieuwe beurshal wandelt of fietst. Sinds dat nieuwe bouwwerk zich daar met nogal wat flair ‘Beurs- Meeting en Congrescentrum‘ laat noemen, mag je niet langer met de auto vanop ’t Zand die straat in. Wel, daar in de Hauwerstraat is De Brug.
Iedereen kende daar ooit het ‘flikkenkot’, waar is de tijd. De arm der wet is er al lang weg en ’t is u ongetwijfeld niet ontgaan, dat de smakeloze jaren-zestig-betongevel een ingrijpende, bakstenen facelift onderging. En op een zijgevel is er ook de metershoge muurschildering, waarop Maria van Bourgondië zich minzaam over de stad lijkt te ontfermen. Welnu, in dat voormalig politiepand huizen vandaag een handvol stichtingen die samen De Brug vormen. Het heeft allemaal op één of andere manier van doen met vrijzinnigheid. Iets dat ‘Huis van de Mens’ heet, een Studentencentrum ook, en achterin een zaal die zich voor van alles aandient.

… een boek dat ze helemaal vol schreef.

Zo kwam daar die avond ‘Levend Archief’ bijeen. De vriendenkring van het stadsarchief bestaat dertig jaar, dat vraagt om een viering met academische allure. En daarop aansluitend, minstens zo essentieel, de informele drinkbabbel. Kers op de feesttaart was de Levend Archiefprijs, die wordt maar één keer in vijf jaar toegekend.

En dat was het moment waarop Heidi Deneweth in beeld kwam. Ik kende haar nog niet, zij is historica en bedacht een zin die luidt ‘Goede muren maken goede buren’. Dat is nuttig bouwadvies, weliswaar, maar voor een prestigieuze prijs een beetje mager en dus zette zij die zin op de kaft van een boek dat ze helemaal vol schreef. Achter op die kaft lees je dat het gaat over verbouwingen van panden in het Brugge van lang geleden en hoe het buurtleven daarmee omging.
Na de obligate lofbetuigingen kwam Heidi zelf aan ’t woord. De schrijfster had het over haar boek, natuurlijk, over mensen die haar daarbij bijstonden. De oprechte ontroering waarmee ze haar prijs opdroeg aan onze onlangs overleden archeologe Bieke Hillewaert, leerde mij dat Heidi Deneweth een mens op haar plaats is.

Bij het glas achteraf vertelde ze mij dat ze van haar inmiddels uitverkochte boek geen tweede druk verwacht. Jammer. Maar vandaag vond ik ‘Goede muren maken goede buren’ in de bib. Een prestigieuze publicatie, dat liet die plechtige bekroning van ’t archief al vermoeden. Tweehonderd bladzijden tekst in een klein letterkorps, grondplannen, grafieken, tabellen. Serieuze kost, maar desondanks charmeerde het boek mij. Dat lag aan zijn kaft.

Over Brugse schilders en grafici weet ik niet meer dan de modale Bruggeling, maar ik herken een Jules Fonteyne wanneer ik er een zie. Deze jongen zal het maar toegeven, hij heeft een zwak voor het volkse wereldje dat Jules Fonteyne schiep. Voor de eigenzinnigheid waarmee hij zich als graficus van zijn generatiegenoten wist te onderscheiden. De schilders van wat de ‘Brugse School’ wordt genoemd, bedachten een verbloemd, veredeld Brugge. Hun oogstrelende doeken toonden een stad die er nooit is geweest.

Niet zo de tekeningen en etsen van Jules Fonteyne. Jules volgde zijn eigenzinnige pad en vond inspiratie bij de armzalige maar levendige stad zoals hij die in zijn kindertijd had gekend.

Neem nu de kaft van Heidi Deneweth’s boek. Het rommelige huisje waarop we neerkijken brengt ons naar een bescheiden volksbuurt. Maar onze aandacht wordt vooral getrokken door de rafelige gewaden van twee schimmige figuren in de hoek van het beeld. Ze keren ons de rug toe. Zijn ze nieuwsgierig naar wat zich afspeelt achter het openstaande poortje?
Een tafereel uit het Brugge uit Fonteyne’s kinderjaren.
Hij groeide op in de Boeveriestraat, dus de buurt van de Hauwerstraat kende hij als geen ander. Het West-Brugge dat zich van de rest van de binnenstad afgescheiden voelde door de oude ‘statie’ op het Zand.
Maar West-Brugge was ook de Vrijdagmarkt, waar elke week de koeien en beestenmarchands voor drukte en kabaal zorgden. En ook, waar vandaag de nieuwe beurshal alle ruimte inpalmt, het pand waar de koebeesten na verkoop werden naartoe geleid, het slachthuis. Met vlakbij, in de Hauwerstraat, ‘De Vetten Os’, hoe toepasselijk kan een cafénaam zijn.

En in de rechterbenedenhoek van zijn ets doemen ze op …

De omgeving waar de kleine Jules opgroeide was één van de meest verpauperde hoeken van de binnenstad. Al ondernam die buurt af en toe één en ander om zijn somberheid van alledag op te fleuren. En ook dat ontging Jules niet. Er is zijn ets waarop hij de optocht van een processie breed uitsmeert. Witgekalkte, maar armtierige huizen. Op de voorgrond heft een pluizige hond zijn poot tegen een ook al witgekalkte muur, waartegen een knaap op een ladder een glimp tracht op te vangen van de processie die door de straat trekt. Jules Fonteyne ten voeten uit.
En in de rechterbenedenhoek van zijn ets doemen ze op, het huisje en de twee donkere figuren.

Zijn ets op Heidi Deneweth’s boek, het zou Jules plezieren. Al liet de ontwerper van de kaft de groezelige straat zorgvuldig achterwege. Jules had meewarig het hoofd geschud, als we hem uitlegden hoe dat vandaag zit met Photoshop. Zoals hij ook berustend zou zuchten bij wat wij aanvingen met het West-Brugge van zijn jeugdjaren.
Maar intussen is er de goesting om Heidi’s boek te lezen, gewoon door die prent van hem op de kaft.

Gisteren hoor ik toevallig Willy Dixon op de radio. Willy herinner ik mij als een grote naam in de wereld van de blues. En zoals onze Heidi Deneweth met dat ene zinnetje van haar, zo verzon Willy Dixon lang geleden ‘You can’t judge a book by looking at the cover‘. Heidi schreef, vertrekkend van haar idee, een boek. Dixon’s goede raad werd één van zijn bekendste songs. Laat je niet misleiden door uiterlijkheden, was zijn boodschap. Ik geloof Willy Dixon graag, ik heb vanouds een boontje voor hem. Voor hem ook, ja.
Maar voor één keer sla ik zijn advies in de wind. Is dat eigenzinnigheid? Leerde ik van Jules Fonteyne.

Over ‘Levend Archief’, vriendenkring van het stadsarchief, hier meer informatie: https://www.brugge.be/vriendenkring-levend-archief-2

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van boeken en schrijven, Van schilderen en plaasteren | 8 Comments

In Sint-Andries, een kasteel verder dan het onze

Zij wonen, net als wij, in Sint-Andries. Op ’t Peereboomveld, een kasteel verder dan dat van ons. Al is het ene kasteel het andere niet. Het hunne staat al sinds mensenheugenis te pronken midden een soort Engelse landschapstuin, zeg maar een park. De ligging van onze woonst is ook schoon, maar bescheidener. En minder oud. ’t Is te zeggen, de plek waar wij thuis zijn, daar viel tot eind jaren vijftig geen bouwwerk te bespeuren. In malse weiden, verscholen tussen dichte kanthagen en kronkelende beekjes, deden nog onbespoten koebeesten zich tegoed aan nog onbespoten gras. Maar dan kwam de nieuwe tijd. Ongevraagd werd het arcadische boerenlandschap opgedeeld met rechte straten. Er werd gebouwd dat het een lieve lust was. Van die dagen dateert dus ons kasteel. Hoe het eruit ziet? Wel, het heeft een voortuin en een voordeur. En achter die voordeur een inkomhal, een living, een keuken en warempel een toilet. Boven zijn er, naast een badkamer, een paar kamers. In één daarvan delen mijn huisgenote en ik het nachtelijke bed, een andere is volgestouwd met een verzameling, iets met affiches.

Omdat hun kasteel op de kaft prijkte
van ’t boekje van het Monumentenweekend …

Achter ons huis, een weelderig uitgegroeide zilverberk midden de onvermijdelijke pelouse en net plaats genoeg voor een ren waar hennen plichtsbewust de rol van scharrelkip op zich nemen. En aansluitend op die tuin, het ultieme sixties-statussymbool, de garage.
’t Is hier goed wonen, al geniet je op zomerdagen ongevraagd van de radio op ’t terras van onze overigens vriendelijke buurman. En al houdt ’s nachts die blaffende boxer van ons de buren wel een keer uit hun slaap. In dat opzicht woon je meer ongestoord op ’t Peereboomveld. Dus neen, het ene kasteel is het andere niet.

’t Was tijdens ’t Open Monumentenweekend dat we besloten om langs te gaan in het kasteel van onze verre buren, een paar kilometer verderop. Omdat het kasteel op de kaft prijkte van ‘t boekje van het Monumentenweekend, maar meer nog omdat zijn bewoners ons niet onbekend zijn. Da’s iets met de loopbaan van mijn wederhelft, een schoon maar te lang verhaal om hier aan te halen.
We waren er welkom, de ‘vrouwe des huizes‘ leidde ons doorheen het imponerende interieur en vertelde honderduit over hun woonplek, het wel en wee ervan. ’t Is groot en groots, dat moet gezegd, al zal je maar leven in zo’n monument. En het onderhouden.

… een behoorlijk deel van al ’t groen in ’t Brugse
is te linken aan kastelen en hun bewoners.

‘t Peereboomveld is een relatief recent gebouwd kasteel. Zo vind je er in ’t Brugse wel meer. Op Sint-Kruis is er ‘Lodewijk van Maele’, het preutse maar nog jonge gebouw dat tevergeefs zijn best doet om kasteel te zijn en oud te lijken. Al ligt ook achter dat pand een uitgestrekt en tot de verbeelding sprekend park. Dat merkten we laatst, toen we er in zo’n stijlvolle, open tent, met uitzicht op de ruime vijver, een vriendenfeest mochten meemaken. En eerstdaags worden we verwacht in het ook niet middeleeuwse maar trotse kasteel Rijkevelde, waar vrienden van ons hun huwelijk vieren.

Maar die ruim uitgevallen huizen hebben niet de pedigree van pakweg het slot van Male, dat zowat het verleden van Vlaanderen op zijn stoere schouders torst. En al boogt dat van Loppem ook lang niet op een middeleeuwse stamboom, aan het aandeel van dat kasteel in de meer recente geschiedenis van ons land werden we recent herinnerd tijdens een weekend ‘wandeltoneel’. Je werd er van woonruimte naar bureau en van keuken naar salon geleid en op elke plek brachten acteurs een sleutelmoment uit het verleden van het neogotische monument. Over de bouw ervan en over de koning die er in de Eerste Wereldoorlog, samen met prominente figuren uit die dagen, historische knopen doorhakte. Maar ook rond de beslommeringen van het keukenpersoneel. En omtrent het idee van één van de zonen des huizes, om in het kasteelpark een doolhof aan te leggen. Die doolhof, zowat iedereen in Brugge en ruime omgeving probeerde er ooit wel een keer tot bij de boom in ’t midden te geraken, toch?

… het slot van Male, dat het verleden
van Vlaanderen op zijn stoere schouders torst.

Verrassend verzonnen paden en wegen in en om hun parken en tuinen, soms lijkt het wel een stokpaardje van kasteelbewoners.
Een voorbeeld? Ik neem u mee naar Sint-Kruis. Op een boogscheut van de kerk fiets je daar door de best wel schilderachtige Bisschopsdreef. Die straatnaam verwijst naar Henricus Josephus van Susteren. Die woonde aan ’t eind van die dreef, in kasteel Rooigem. Henricus was niet de meest bescheiden bisschop van Brugge. Niet alleen ligt hij vandaag nog altijd zelfgenoegzaam te pronken op zijn marmeren praalgraf in Sint-Salvator. De dubbel opgaande eikendreef die naar zijn kasteel leidt, liet hij heel doordacht aanleggen op een verrassende as. In het buitendorp Sint-Kruis stonden alleen simpele, laag gebouwde huisjes. Die boden monseigneur van in zijn kaarsrechte dreef ongehinderd uitzicht op het Brugse belfort aan de horizon. De kerkelijke macht die zich zelfzeker meet met een wereldlijk statussymbool, zoiets.

De zorgvuldig georiënteerde dreef van bisschop van Susteren kreeg overigens navolging, hier bij ons op Sint-Andries. Wie de buurt hier kent, is vertrouwd met het Coppietersbosje. En ja, ook midden dàt bos stond ooit een kasteeltje, Zevenbergen. Een pittoresk optrekje, vertelt men.
Je hebt gelijk, lezer, straks gaat dit verhaal hier nog helemaal de sprookjesachtige toer op. Maar laat u niets wijsmaken, lieden in kastelen en hun bijhorende domeinen hadden niet zelden hun prestigieuze luxeleventje verworven op de rug van wie het veel minder breed had. Het fameuze ‘Noblesse oblige‘, de hoogstaande attitude die de bourgeoisie zichzelf steevast toedichtte, is u ongetwijfeld bekend. Aan de cafétoog werd dat schamper afgedaan met ‘Arbeid adelt, maar de adel arbeidt niet!‘. Elk cliché zijn waarheidsgehalte.
Maar anderzijds heeft het Brugse ommeland een deel van zijn uitgestrekte groen te danken aan die niet altijd frisse gang van adellijke zaken.
Vandaag is een behoorlijk deel van het Coppietersbos privédomein. Maar een ander deel is van ’t stad en zodoende vrij toegankelijk, de scholen in de buurt laten er hun

jongelui regelmatig ravotten en ondergetekende en zijn boxer komen er talloze keren langs.
Welnu, sta je daar midden de kathedraalhoge beukenstammen, dan herken je er nog altijd wat ooit een dreef was, de weg van bij het sinds lang verdwenen kasteeltje naar de stad. Ook die weg is toen nauwkeurig in een bepaalde as aangelegd. Want als in winterdagen het struikgewas er kaal is, merk je dat de verderop gelegen straat het verlengde is van de bosdreef. En ware het niet dat sinds een tijd die sombere geluidsschermen van de Expresweg het uitzicht belemmeren, dan keek je in de verte … je mag één keer raden op wat.
Kastelen, hun bewoners en hun fratsen, je kan er boeken over schrijven, ware ’t niet dat iemand ze al schreef. Maar hier, in zijn bescheiden woonst in Sint-Andries, verzint een knaap over die herenhuizen een ook al bescheiden cursiefje, een voetnoot bij die gewichtige publicaties. Terwijl in de tuin achterin zijn boxer zich opwindt om de kat van de buren die smalend op hem neerkijkt vanop een schutting. Sorry, buur, voor ‘t kabaal. Had je maar in kasteel ‘t Peereboomveld moeten wonen.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van beesten, planten | 8 Comments