Posted in Zonder categorie, voorlopig | Leave a comment

Het dorp Brugge

’t Is me wat met die cruisetoeristen, tegenwoordig. Nog even en stadsgidsen durven niet langer met opgestoken bordje met het nummer zes of elf erop door de Katelijnestraat passeren. Omdat geen van hen in de goot wil belanden door de venijnige tussenkomst van tweewielende stadsgenoten. Ik zeg u, in dat spijtige geval verdient de fietsende onverlaat enige bijsturing om tot inkeer te komen. Laat deze vertelling daar een poging toe wezen. Een poging ook, om de kritische Bruggeling wat nuance aan te reiken.

De Rozenhoedkaai …
als promotieplek …

Het is het verhaal van deze jongen, een erkende, op een kwarteeuw ervaring terugblikkende stadsgids. Dat wil zeggen dat hij één en ander, maar bijlange niet alles, weet over zijn stad. En dat het hem doorgaans vlotjes lukt om die kennis aan de man en vrouw te brengen. Naast wat centen – waarom zou dat onvermeld blijven? – houdt hij aan zo’n rondleiding vooral voldoening over. Zoals vorige week, met die groep van een riviercruise.
Klopt het, wat hierboven staat, dat de ene cruise de andere niet is? Wel, sinds een paar seizoenen laat ik de kans om cruisevaarders vanuit Zeebrugge met de bus naar de stad te vergezellen aan collega-gidsen. Soms nopen omstandigheden een mens tot keuzes.
Maar de bezoekers die ik enkele dagen geleden begeleidde van aan de busparking bij ’t Minnewaterpark waren dus op toer met een riviercruise. En zo’n bezoek krijgt doorgaans een andere invulling dan het haastige van veel dagjestoeristen. De rivierboten varen op de kanalen en rivieren van de Lage Landen en doen daarbij de geijkte bestemmingen aan. U kan ze raden, Amsterdam, Utrecht, de tulpenvelden en de molens bij Kinderdijk. Waarna wordt aangelegd in Antwerpen en Gent. En van daaruit is ‘t met de bus maar een boogscheut naar Brugge en voor dat bezoek wordt redelijk wat tijd uitgetrokken.

Als beslagen gids zoek je vooraf online één en ander over de reis die je gasten ondernemen. Kan van pas komen. En kijk, wat lees je op de site van de toeroperator omtrent ‘day five’ van de excursie?
Today we will have a full day excursion to the fantastic village of Bruges.
Het fantastische dorp Brugge, is dat niet enig? Veel schoner wordt het niet, toch?

… omdat de overrompelende drukte bij de  Rozenhoedkaai
haar verhindert, een rustig opgebouwde foto te nemen.

Al meteen bij het begin van de wandeling ontwaar ik bij mijn gezelschap oprechte belangstelling omtrent geschiedenis en cultuur. Van het begijnhof willen ze het fijne weten en over de restauratie van de godshuizen in de Nieuwe Gentweg. En in de Onze-Lieve-Vrouwekerk roepen de praalgraven en de Madonna van Michelangelo bewondering èn vragen op. Da’s geestig gidsen.
Vriendelijke lui, trouwens, en na enige tijd trekt één dame op leeftijd mijn aandacht. Ze houdt zich wat afzijdig maar is des te meer in de weer met het nemen van foto’s en dat doet ze niet met een nieuwerwetse smartphone. Ik ken weinig van fotografie maar ‘k vraag mij af wie de oudste is, de gedreven fotografe of haar imposante, analoge camera. Ze neemt zich onmiskenbaar voor om een schone reportage te maken.

Mijn opdracht zit erop wanneer ik mijn gasten tot bij een aanlegsteiger van de bootjes breng. Ik trakteer mezelf nog een koffie op het terras van de Hollandse Vismijn en wandel terug naar mijn fiets, maar bij het standbeeld van Gezelle wordt ik aangeklampt door mijn fotografe van daarnet. Ze bevestigt wat ik tijdens de rondleiding al kon vermoeden. Haar teleurstelling omdat de zotte drukte bij de Rozenhoedkaai haar verhindert, een rustig opgebouwde foto te nemen. En bij het Bonifaciusbrugje is ’t ook van dat.
Tja, mevrouw, ’t is soms gezellig druk in het dorp Brugge.

De oude apotheek …

Of ik haar als ‘local’ misschien nog bij een verborgen plekje brengen kan dat een verrassende foto oplevert? Even nadenken. Ja, natuurlijk wel. Komt u mee, mevrouw, ’t is hier vlakbij.
Aan de Onze-Lieve-Vrouwekerk, bij het Sint-Janshospitaal, leidt de overwelfde doorsteek ons naar de achterzijde van het middeleeuwse gebouw.
In de rust van die hoek, niet verder dan een gevel van het straatrumoer vandaan, wacht ons naar mijn sobere mening iets van amper opgemerkte schoonheid. Het dakenspel van de oude apotheek en zijn buren.
Het kleurenpalet dat zich daar ontvouwt in een polyfonie van bakstenen, dakpannen, hellende daken, het speelse zadeldak van een torentje tegenover de aanzet van de struise kerktoren. Niet mis, hé, voor een dorp?
Mijn fotovriendin is in de wolken, haar reportage is een onverhoopt sterke foto rijker. Op de terugweg waait mij een aangename gedachte tegemoet …

Posted in Het Brugge van nu, Van toeristen | 9 Comments

Anselm Adornes, de roadtrip naar Jeruzalem

Dat mijn passage vanmorgen, in de krantenwinkel waar ik buiten wandel met de jongste Humo onder de arm, aanvoelt als een trip down memory lane, vergt wat toelichting.
Daartoe neem ik de lezer graag mee naar vroeger tijden.
’t Is voorjaar en in de schuur van mijn kinderjaren kan je niet om een chaotisch gestapelde berg papier heen. ’t Is weer ‘papierslag’! In het dorp gaat een jeugdbeweging van deur tot deur om papier in te zamelen. Papier is goed voor wat centen en de bescheiden opbrengst is allicht van nut voor één of ander zomerkamp. En dus geeft iedereen graag wat mee. Inpakpapier, het vuistdikke telefoonboek van het voorbije jaar, gazetten, tijdschriften. Er is nog lang geen sprake van de ophaaldienst van de gemeente die om de week papierafval meeneemt. Papier belandt in de stoof of waar dan ook. Maar in de lente is er steevast ‘papierslag’ en de buit wordt bijeengebracht bij ons thuis.

En wij, nieuwsgierige knaapjes, spenderen onze woensdagmiddag bovenop die papierberg – die lijkt in onze kinderoogjes huizenhoog. We zoeken en vinden er van alles dat ons boeit. Weekbladen met stripverhalen erin. En, tussen vrouwenbladen, kranten en ander serieus leesvoer, ook een heleboel Humo’s. Die we nauwgezet doorbladeren.
Want midden in elke Humo vind je een twee pagina’s grote foto. En die spreekt niet zelden tot onze verbeelding. De zanger van ’t moment of een filmster, Natalie Wood in bikini of Brigitte Bardot … Waarom de piepjonge snotneuzen die we zijn daarvan opkijken? We hebben een blozend vermoeden.
En dan, ineens, kijk hier! Batman! Onze onkreukbare held van op televisie en zijn kompaan Robin! Mijn buurjongen en ik, allebei verzot op de kostbare kleurenprent. Maar wie neemt ze mee? In een vlaag van wijsheid laten we de beslissing aan mijn oudere zus. Die ons een cijfer laat raden dat ze in potlood neerschrijft op een krant. Ik raad het. Vastgepind met duimspijkers belanden Batman en Robin in mijn slaapkamer, boven mijn nachttafeltje.

In latere dagen zou Humo nog af en toe mijn pad kruisen. In de zomers van onze jeugdjaren, wanneer Rock Torhout er aan komt. Omdat alles over het festival in dat blad te lezen staat.
Maar de tijd doet wat hij altijd doet, we zien de jaren en onszelf voorbijglijden tot waar we vandaag staan. Humo ligt nog elke week in de krantenwinkel, maar inmiddels verdiept deze ouderling zich in andere papieren wijsheid.
Zo herbergt zijn boekenkast, weliswaar bescheiden in omvang, nogal wat leesvoer omtrent zijn stad. En kwam hij onlangs thuis met weer een boek over eigen heimat, ‘Een hemels Jeruzalem in Brugge’. Over de Jeruzalemkapel en de bouwmeester van dat gebedshuis, Anselm Adornes.
Twee Bruggelingen met kennis van zaken, Noël Geirnaert en Jan Dumolyn, beten zich vast in die historie, wat resulteerde in een kloek boek. Een ferme boterham, propvol doorwrochte wetenswaardigheden over de lotgevallen van een avontuurlijk man en zijn prominente aanwezigheid in het middeleeuwse Brugge. Met zijn harde kaft, waarmee het zich een tijdloos elan aanmeet, staat het boek ook in letterlijke zin voor een gewichtig werk.

Op het Adornesdomein, in de schaduw van de Jeruzalemkapel, loopt overigens een kleine tentoonstelling over de reislust van Anselm Adornes, die een flink stuk van de toen bekende wereld afdweilde. Met een bij wijlen tumultueuze bedevaart naar Jeruzalem als absoluut huzarenstuk.
De expositie biedt een verrassend brede kijk op die hachelijke onderneming. En er komt meer aan bod dan enkel devotionele of geopolitieke duiding. Zo lees je in het bewaard gebleven verslag van die bedevaart hoe Anselm en zijn reisgenoten een tijd blijven rondhangen in Venetië. Daar is sprake van ‘zakencontacten, bals èn carnaval’. Het Italiaans schiereiland valt overigens in de smaak, omtrent Napels vinden ze de aanwezigheid van ‘veel schone vrouwen’ het vermelden waard. Anselm reisde niet enkel de wereld rond, hij wàs ook een man van de wereld.
Wat niet weinig contrasteert met de godvruchtige ernst die uitgaat van zijn pas gerestaureerde grafmonument in de kapel. De handen gevouwen in gebed, in stenen stilte hemelwaarts starend, liggen Anselm en zijn eega er schouder aan schouder.

Roerloos, zoals op dit eigenste moment ook het pas verschenen boek en de jongste Humo hier zusterlijk bijeen liggen op mijn bureau. Of boek en blad iets met mekaar van doen hebben? Wel, ’t waren de centen die ik voor het boek neerlegde die mij op het idee brachten om ook de Humo aan te schaffen. Na wat ik voor mijn boekenaanwinst spendeerde, konden de vier en een halve euro voor het weekblad er nog net af.

Want bij thuiskomst van de boekhandel was er de bedenking, voor dat boekwerk van de heren Geirnaert en Dumolyn leg ik net geen zestig euro neer. Is dat niet ietwat aan de dure kant? Heeft deze jongen het bij ’t rechte eind? Een onpartijdige afweging dringt zich op. En zodoende haalde hij bij de krantenmadam de Humo van deze week. Kampend met de vraag wat het meest kost, het dikke boek of het blad dat in zijn jeugdjaren gold als toonaangevend. Het antwoord kwam uit volstrekt onpartijdige èn onverwachte hoek. De hoek van het aanrecht in onze keuken, waar een weegschaaltje staat. De prijs per kilo, kan het objectiever? Alle papier is papier, tenslotte.
Ziehier de resultaten, weliswaar niet bevestigd door een deurwaarder maar in alle ernst waargenomen. Mijn nieuwe boek weegt één kilogram en achthonderd gram. Goed voor 33 euro per kilo. De Humo – spannend! – weegt 270 gram. Eén kilo Humo kost 17 euro. Conclusie? Al is de kans gering dat het weekblad straks in mijn boekenkast pronkt tussen brede boekbanden … Jan, Noël, voor jullie boek spendeert de consument meer per kilo dan voor de nochtans in sommige middens nog altijd hoog aangeschreven periodiek, genaamd Humo. ’t Is maar dat ge ’t weet.

Anderzijds, vergeleken met wat Anselm Adornes destijds betaalde om zijn bibliotheek te vullen, is uw schrijfsel een koopje. Alleen wie het helemaal gemaakt had, kon zich een boek permitteren. Zo’n manuscript, verfraaid met miniaturen, een lederen band eromheen.
Maar wacht eens even … De boekdrukkunst, de opkomst van die vinding heeft Anselm toch ook nog meegemaakt? Gedrukte boeken, het nieuwste van ‘t nieuwste!
Ook tijdschriften? Dat Anselm in de krantenwinkel op de hoek, daar in Sint-Anna, de Humo ging halen? De kans lijkt mij eerder gering.
Trouwens, in zijn gloriedagen was Adornes zonder meer een Bekende Vlaming! Na zijn spectaculaire trip naar Jeruzalem had Humo hem ongetwijfeld gestrikt voor een exclusief interview. ‘k Zie het blad zo voor mij. Met op de cover de globetrotter die zijn belevenissen uit de doeken doet. Een vraaggesprek met – dat is het weekblad aan zichzelf verplicht – af en toe wat spitante wetenswaardigheden.
‘Deze week in Humo, alles over Anselm Adornes!‘ Wie van de huisschrijvers van het blad laten we dat interview afnemen? Doe maar iemand die het met breedvoerige appetijt kan verwoorden. Delphine Lecompte?

Over de tentoonstelling ‘600 jaar Anselm Adornes’ leest u hier: https://www.adornes.org/
Een hemels Jeruzalem in Brugge’, het boek, verscheen bij uitgeverij Hannibal.

Posted in Het Brugge van toen, Van boeken en schrijven, Van wielen en op weg zijn | 2 Comments

Verkiezingen … hoog tijd voor een ‘sterke man’?

Een sterke man!” roept hij, “We hebben een sterke man nodig!” Hij scandeert het zo hard hij kan, terwijl hij samen met zijn kompaan een buitenmaats lompe spaanderplaat uit de vrachtwagen tracht te tillen. Zelf is hij nochtans met voorsprong de kloekste van het team, een kop groter dan zijn werkmakker. En de benjamin van de drie, die gehaast toesnelt, is een tengere slungel, amper van de schoolbanken af. Het zijn de mannen van ’t stad, belast met het opbouwen van verkiezingsborden.
Richt de luidruchtige ploegbaas zich met zijn roep om een sterke man smalend tot zijn schichtige, jonge collega?

Misschien niet, misschien tref ik het drietal midden een gedachtewisseling over de komende verkiezingen. En meent de voorman met z’n grote mond dat ons land toe is aan een Grote Leider. Zo’n onwrikbare, rechttoe rechtaan, die niets moet hebben van kneuterige compromissen of ander oeverloos politiek gekrakeel.

Het zal mij niet duidelijk worden, ik fiets voorbij, ’t stad in. Wanneer ik later op de ochtend naar huis terugkeer, staat de houten muur overeind. Wachtend op zijn eerste verkiezingsaffiches. ’t Is op Sint-Andries, aan de Phare, waar de Torhoutse en de Gistelse Steenweg elk hun weg gaan, dat het plompverloren onding is neergepoot. Het pleintje is er niet mooier door geworden.
Er is iets met dat plein. Met de naam ervan. In ‘De straatnamen van Brugge’, het naslagwerk van Albert Schouteet van een halve eeuw geleden, heet het ‘Canada Square’. Die naam werd, aldus de auteur, kort na de Tweede Wereldoorlog door de schepenen van Sint-Andries toegekend als ode aan de Canadese troepen die de gemeente hadden bevrijd na vier sombere jaren Nazi-tereur. Vandaag vind je in lijsten van straatnamen de naam ‘Canadaplein’. De ‘Square’ is een ‘Plein’ geworden.

Veel volk passeert daar, dag in dag uit, te voet, fietsend, per auto. Maar niemand heeft oog voor het gedenkteken op het plantsoen. En het fonteintje dat er middenin staat, vergat al lang fontein te wezen. ‘In aandenken der Canadese helden, gevallen voor vrijheid en beschaving’ staat er in ’t Nederlands, Engels en Frans.
Het monumentje wordt mild overschaduwd door de kruin van een esdoorn, de boom waarvan een blad, ‘a maple leaf’, de Canadese vlag siert.
Dat de maple tree de houten verkiezingsborden deels aan het zicht onttrekt? Geen mens die erom maalt.
Het Canadaplein, dus.
Al omschrijven ze het op Sint-Andries doorgaans met een naam die veel verder teruggaat dan de verwijzing naar de Canadese Manitoba Dragoons.

Dat de maple tree de houten verkiezingsborden deels aan het zicht onttrekt? Geen mens die erom maalt.

In de jaren stillekes zou hier de allereerste gaslantaarn geplaatst zijn, daarom kreeg die hoek in de volksmond de naam ‘de Phare’. En je kon er een pint gaan pakken in … café Du Phare. Horeca-logica. Trouwens, de bushalte vlakbij staat op de website van De Lijn nog altijd aangegeven als … ‘Halte Sint-Andries Phare’.
De Phare, het plein, passeren wij op onze fietsroute naar de binnenstad. En aangezien wij om de haverklap naar ’t stad fietsen zie ik de spaanderplaten beetje bij beetje ingepalmd worden door portretten van al wie naar onze stem dingt.

Met wat goeie wil ontwaar je een paar piemels. Grappig, heel grappig.

Nu en dan plakt iemand een affiche over eentje van een andere partij heen. Traditie bij elke verkiezing, maar foei. Een andere keer hangen de resten van losgescheurde affiches troosteloos in de wind. Nog foeier. En zo mogelijk het foeist van al … op een dag zijn de panelen besmeurd met klungelige graffiti. Met wat goeie wil ontwaar je een paar piemels. Grappig, heel grappig.
Maar geen nood, elke dag wordt de houten puzzel aangevuld met weer nieuwe koppen van kandidaten. Al wie op een lijst staat, wil zijn of haar portret op zo’n plakbord. Alsof het iets uitmaakt voor ons, kiezers in het stemhokje.
Op wie u daar uw stem uitbrengt? Wie ben ik om dat te vragen, waarde lezer. Het is uw keuze.
Het recht om te kiezen wie straks aan de knoppen zit. En wat die ervan bakken, we kunnen er een potje over zeuren. Maar bedenk daarbij dat op onze aardbol veel mensen dromen van de dag waarop ze, zoals u en ik, mogen morren over hun machthebbers zonder achter tralies te verdwijnen. Hola, nu klink ik zowaar als onze leraar Geschiedenis van weleer.
Op wie ik straks mijn stem uitbreng? Wie bent u, lezer, om mij dat te vragen? Het is mijn keuze. Alleen dit geef ik u graag mee. Dat ik niet hoog oploop met ‘sterke mannen’. Het gedenkteken aan de Phare kwam er na een oorlog die we te danken hadden aan zo’n brulboei.
De sterke man, met zijn grootspraak, zijn vuist in het ijle. De peuter die krijsend zijn papfles door de kamer gooit. De snotaap die op de speelplaats niet tegen zijn verlies kan. En als opgeschoten kwajongen grote piemels tekent.

Doe mij maar een lijst met mensen als u en ik, die zich niemendalle stoer of sterk aandienen. Die hun eigen onzekerheid herkennen en erkennen. Om dan, samen twijfelend, een goed beleid te voeren. Wat groeit in de wind staat stevig geworteld. Zou ’t kunnen dat zoiets democratie heet?
En toch. Toch, bedacht ik net, hebben we nu en dan stoere mannen nodig. Straks, bijvoorbeeld, de knapen die ons pleintje in Sint-Andries komen bevrijden van die schreeuwerige plankenrij. Waarvoor dank.

Posted in Het Brugge van nu, Van Brugse politiek, Van zin, zen en zijn | 9 Comments

Het dossier Lustenhouwer

Verslag één
Toen wij er toekwamen, was het zaaltje al aardig gevuld. En rond de tijd waarop iedereen stilaan op het puntje van zijn stoel zat, ’t spektakel zou algauw beginnen, was bij de ingang een bordje ‘uitverkocht’ op zijn plaats geweest. Zo’n tweehonderd vrienden en collega’s van Joos waren opgedaagd en keken uit naar zijn conference.
Een conference, dus. Sinds we zijn uitnodiging in de bus kregen, passeerde een paar keer de vraag hoe je kon omschrijven wat Joos voor ons in petto had. Een vraag waarop hij ook zelf geen pasklaar antwoord wist te verzinnen. Het zou tenslotte de allereerste keer zijn dat Joos zich aan zoiets waagde. Eén ding stond buiten kijf. Dat in onze vriendenkring nooit eerder iemand op pensioen ging met zo’n afsluiter.

Maar onze vriend laat zich niet makkelijk afschrikken, daarvan moest niemand ons overtuigen. Gedreven in zijn vak binnen het wereldje van mensen met een beperking en hun entourage. En gezegend met een gezonde, geëngageerde kijk op wat zich afspeelt binnen die wereld èn daarbuiten.

Op pensioen gaan, daar hoort een collegiaal moment bij. En al helemaal wanneer de gelauwerde steevast op de bres stond om op allerlei echelons de belangen van zijn collega’s te verdedigen. Maar een avondje ‘comedy’ dat hij helemaal zelf voor zijn rekening zou nemen? Niemand van ons kon zoiets verwachten. Da’s durven, was een veelgehoorde reactie. Want Joos kan het dan wel goed uitleggen maar het leek ons toch ferm wat hooi op een vork. En plein public uitpakken met een ludieke vertelling omtrent je loopbaan en wat je samen met je collega’s al niet meemaakte, begin er maar aan.
Let wel, er was over nagedacht. Joos op zijn dooie eentje vooraan, maar er kwam ook een poppenkast aan te pas. En wandelde de verteller de zaal in, benoemde hij gevat een paar van zijn toehoorders met naam en toenaam. Bingo! Wie zijn pappenheimers kent, kan zich dat permitteren en de conferencier liet die kans niet liggen.
Daar in dat zaaltje in Oostkamp kwam Joos, hij zag en overwon. Zijn eigen zenuwen, ongetwijfeld, maar net zo goed zijn publiek. Een welwillend publiek, ge ziet dat van hier, iedereen gunde de ster van de avond zijn ‘moment de gloire’. Maar we waren het erover eens, ook na zijn werkuren bleek Joos een durver.

Verslag twee
’t Was een zondagavond in de Brugse stadsschouwburg. Stilaan vulde de zaal zich met benieuwde blijgezinden. Wat jong volk, nogal wat lieden van middelbare leeftijd en ook ‘ouden van dagen’. Was dat niet de omschrijving waarmee we lang geleden mensen op leeftijd benoemden, ‘ouden van dagen’? Na die avond betrapte ik mezelf nog wel een keer op het opdiepen van vergeten woorden. De schuld daarvoor zocht en vond ik bij Kevin Rombaux. Doet de naam bij de lezer geen belletje rinkelen, geen nood. Er is ook nog ‘de Mugge van Brugge’, en wie weet, hoorde u dat begrip wel al een keer ronken. Kevin koos jaren geleden die ‘artiestennaam’ die vlotter blijft hangen dan wat op zijn paspoort staat. De Mugge van Brugge, dus.

foto Michel De Pourcq –

Comedyvoorstellingen zitten in de lift en al zijn wij zelf lang niet de meest fervente aanhangers, toch pikten zelfs wij er de voorbije maanden een paar mee. Met uiteraard onze kameraad Joos als jongste ‘ontdekking’.

’t is deze zomer ook vijftig jaar geleden dat Gerard Vermeersch overleed.

En vorig weekend dus de Mugge van Brugge in de schouwburg, met een gelegenheidsprogramma rond Willy Lustenhouwer, zijn grote voorbeeld. Lustenhouwer, ‘vader van de Brugse kluchtigaards’, overleed dertig jaar geleden, vandaar. Zelf zag ik de legendarische Brugse cabaretier – zo werd wie met comedy doende was vroeger omschreven – nooit aan het werk. En in alle eerlijkheid, in onze jongensjaren vonden wij dat soort regionaal entertainment vooral heel oubollig. We waren jong en wisten ’t beter, ge kent dat. Dweepten met Bram Vermeulen en Freek De Jonghe, Hollanders die lekker alternatief tegen gevestigde schenen schopten. Robert Long en Herman Van Veen konden er ook nog mee door. Maar Willy Lustenhouwer was van hier bij ons, dat kon niet veel soeps wezen. ‘Zie je van Brugge, zet je vanachter’ en dat soort geestigheden liet je met de nodige minachting aan je voorbijgaan.

Maar er zijn de levensjaren die voor mildheid zorgen, hé. Voor nieuwsgierigheid, ook. En zodoende wilden we ‘de Mugge van Brugge’ met zijn Lustenhouwer-programma een kans geven.  De Mugge, Kevin Rombaux dus, is naar eigen zeggen grootgebracht met platen en videobanden met daarop de shows van Willy Lustenhouwer. De gevolgen zijn niet te miskennen. En ze zijn genietbaar. Belegen humor? Bij momenten wel, ja. Maar toch weet de Mugge de ouwe Lustenhouwer te verkopen aan een publiek van vandaag.

Een welwillend publiek, weliswaar, dat de ster van de avond zijn ‘moment de gloire’ gunt, waar hoorden we dat eerder? Maar zoals de Mugge van Brugge op dat podium staat, met die schijnbaar nonchalante flair van hem, voert hij je ook als sceptisch toeschouwer mee in zijn vertellingen. In grappen, de ene meer verrassend dan de andere, maar vooral de onnozele typetjes die hij leent van Willy Lustenhouwer. Leent? Zoals hij ze brengt lijken ze van hemzelf. Om meteen daarna de zaal het zwijgen op te leggen met een levenslied-met-boodschap. Zo’n programma staat of valt met evenwicht en de Mugge weet daar weg mee. En de zaal, die is in de wolken. En wie zal ’t zeggen, of ergens ver boven die wolken een tevreden Willy Lustenhouwer welgemutst knikt. Een traantje heimwee wegpinkt, misschien.

Verslag drie
Ze zijn maar met een handjevol, de Bruggelingen die in de loop der tijden hun publiek konden verrassen met lach en leute. Met de avondvullende show van De Mugge staan we stil bij de dertigste verjaardag van Willy Lustenhouwers afsterven. Maar ’t is deze zomer ook vijftig jaar geleden dat Gerard Vermeersch overleed. Weliswaar van Ieperse komaf, was Gerard in onze stad waar hij woonde zo nadrukkelijk geïntegreerd dat we hem gerust als Bruggeling mogen aanwijzen.

En in een recenter verleden verliet ook Guido Depraetere ons. Veel te jong, zoals jaren eerder Gerard Vermeersch. Guido was van vele markten thuis, maar laten we hem hier vooral herinneren als de man die met de avonturen van Baziel al wie goedlachs was een uurtje plezier bezorgde.
Een lijstje dat we vervolledigen met Jacqueline Compernolle. Ze was een Oostkampse, maar de laatste  jaren van haar leven woonde ze in een huisje in de Oostmeers. Al van kindsbeen af speelde zij toneel maar waagde zich pas rond haar zestigste aan avondvullende soloprogramma’s. De negentig gepasseerd, overleed Jacqueline vijf jaar geleden. Op het podium zocht zij naar een balans tussen geestigheid en sterke verhalen. Diezelfde balans die ook vorig weekend gevonden werd door de Mugge van Brugge.

Evaluatievergadering
Deze stad heeft met de Mugge van Brugge weer een knaap met verstand van het bouwen van leutige avonden, zeg dat ondergetekende het gezegd heeft. Wanneer de Mugge komende winter uitpakt met zijn eindejaarconference omtrent het Brugse

reilen en zeilen, staat die avond vast en zeker vetjes aangestipt in de agenda van uw dienaar.
Uw dienaar, die zich dus laatst ook nog liet verrassen door een conferencier in eigen entourage. Al laat onze kameraad het graag bij die ene voorstelling, menen we te begrijpen. Zo kennen wij hem, één keer goeie keer. Zo’n naambordje bij een plein of straat, die eer laat Joos graag aan echte stielmannen.

De Willy Lustenhouwer-hommage van de Mugge van Brugge kan u nog meemaken op zondag 9 juni in de Brugse stadsschouwburg. https://www.ccbrugge.be/agenda/4377/de-mugge-van-brugge/willy-lustenhouwer-hommage

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Over toneel | 5 Comments

Een mens, een burgemeester

“Wil je ’t ècht goed doen, doe dan enkel datgene waar je goed in bent…”
Wat hierboven staat, klinkt als weggeknipt uit een boek van Phil Bosmans. Maar ’t is gewoon wat mij voor de geest komt, nu ik mij afvraag wat ik zeggen zou als iemand mij vroeg om Patrick Moenaert en de keuzes die hij maakte te omschrijven in een handvol woorden. ’t Had Patrick’s levensmotto kunnen wezen, niet?

Je ontwaakt, die ochtend, en zittend op de rand van je bedstee neem je je gsm vanop het nachttafeltje, ontkoppelt hem van het oplaadsnoer. En nu je dat kleinood toch bij de hand hebt, sla je terloops een blik op een boodschap die je kreeg, eerder die morgen. Je dag aanvangen met schermtijd, het soort gewoonte waarop je je keer op keer laat betrappen … Geen gewoonte waarmee te pronken valt, maar soit.

Een vriend stuurde een berichtje. “Patrick Moenaert is overleden” staat er. Meer niet.
In de badkamer herhaalt de slaapkop in de spiegel die woorden. “Patrick Moenaert … overleden.” Hij zucht, de slaapkop, beseffend dat het nog niet helemaal tot je doordringt.
De burgemeester van Brugge, of toch de man die dat ambt tot voor enkele jaren drie legislaturen lang bekleedde, is niet meer.
De man die als geen ander koos voor zijn stad. Nooit met minder genoegen nam.
Maar ook nimmer hoger op de ladder wou, wat menig medemens die zich bekwaamt in het spel van de politiek nochtans ambieert.

Iets later, aan de ontbijttafel, wacht een gewoonte waarmee een welopgevoed mens wèl kan uitpakken. Of wat dacht u van thee en yoghurt met fruit en noten? Ze wekken mijn dromerige zelf en laten me beseffen dat het verhaal waarmee ik deze week mijn blog zou aanvullen maar best opzij geschoven wordt. Want het overlijden van een burgervader die zo nadrukkelijk en enthousiast zijn stempel drukte op zijn stad, onze stad, dat vraagt om een terugblik. Een terugblik en, wat verwacht je van jezelf als verzamelaar? Juist, ja, affiches.

Ik weet in mappen en archiefdozen vast wel één ander te vinden. Maar wat ga je daarbij vertellen op die blog van jou, vraag ik mij af. In de dagen die volgen wordt het levensverhaal van de ereburgemeester in kranten, op radio en schermen allerlei, oeverloos belicht, geduid, uitgesponnen, uitgevlooid. Wat deze jongen ook vertelt, hij zal herhalen wat gezegd werd en wordt.
En dus besluit hij, toch maar veilig binnen eigen domein te blijven. Het domein van de Brugse affiche. Om daar vast te stellen dat hij van de betreurde Patrick Moenaert meer in huis heeft dan van welke andere Brugse politicus ook. En neen, ’t zijn niet allemaal verkiezingsaffiches.

Alle verkiezingspapier van Patrick Moenaert naast mekaar, ’t zou een lang plakkaat vergen. Behoorlijk saai, ook. Laten we er een of twee uit pikken. En een paar andere ook, minder voorspelbare. Ja, Moenaert was ‘van de politiek’ en nam zijn burgemeesterschap, zijn vak, heel serieus. Hier en daar lees je het woord ‘koppig’. Spaar ons van heilige boontjes. Maar wie hem gekend heeft, weet dat Patrick Moenaert evengoed oog en oor had voor de lichtheid der dagen. Voor een dosis klucht of een vat stevige muziek, ‘k noem maar wat. Je leest het zo af van een paar van de affiches hierboven.
Dus neen, we maken ’t ons niet nodeloos moeilijk, deze week. We brengen gewoon wat affiches bij mekaar. We gaan voor de dingen waar we goed in zijn.
Want wil je iets ècht goed doen, dan …

Posted in Het Brugge van nu, Van Brugse politiek, Van gitaren en drums | 11 Comments

Brugge, zijn monumenten, zijn dierentuin

Een handvol gestrekte vingers houdt ze fier in de lucht wanneer ik haar vraag hoeveel jaar ze is. Haar mama verduidelijkt “Laura is almost five. It’s her birthday next week!” Ik kom het jonge koppel en hun kleine meid ophalen in het soort hotel waar een nachtje slapen mij redelijk wat gidsbeurten zou kosten. Maar ’t zijn vriendelijke lui waarmee ik straks op stap ga, da’s een aardig begin. En ze verwachten een rondleiding van drie uur, dan mag je aannemen dat hun interesse verder reikt dan pralines en kant, dus ook dat zit allicht redelijk goed. Alleen is er dat klein prutske. Drie uren achter een stadsgids aan slenteren, doorheen een drukke stad?
She’s fond of animals!” geeft haar pa nog mee, dankbare tip voor een gids die zich in gedachten heel even in de haren krabt. Ze is dol op beestjes? Goed, dan vermengen we een duidende wandeling voor grote mensen met een dierentoer voor de jongedame. Benieuwd naar wat het wordt.
Beesten in Brugge? Op elke toeristische hoek kom je wel een paard met koets tegen. En bij ’t Minnewater de zwanen, die rond deze tijd trouwens hun nesten bouwen.
We komen langs de Groenerei, waar ik wel moèt vertellen over Fidèle. Spijtig, de goedmoedige labrador is niet meer. Zoals hij steevast flegmatiek lag te suffen op zijn kussen in dat open raam aan de overkant van de reie werd hij een soort mascotte van de stad. Geen toerist kwam er bootjesgewijs langs zonder hem op de foto te nemen. Maar enkele zomers geleden trok het brave beest voor goed naar de eeuwige hondenjachtvelden. Was hij er nog, dan had hij vast en zeker Laura’s hartje gestolen.

En dan zijn er natuurlijk ook nog afbeeldingen bij de vleet, al ogen die doorgaans minder vrolijk. Zo is er een ware inteelt aan klauwende leeuwen. Geen echte, weliswaar, wel op gele vlaggen hier en daar, en de stad zelf heeft een blauwe leeuw in zijn wapenschild. Op de Eiermarkt wordt dat wapen trouwens omklemd door een leeuw en een beer. Je weet wel, op die hoge pomp midden het pleintje. Dat monument verdient meer dan een opfrissing, menen mijn gasten en ik kan ze bezwaarlijk ongelijk geven. Vergelijk dat maar een keer met hetzelfde tafereel op de Burg, op de gevel van de Civiele Griffie.

Er waren wel al eerder een paar tentoonstellingen
over huisdieren

En zoals het een fervent stadsgids betaamt, wijs ik af en toe ook op een gevelsteen waarop een beest prijkt. Bij het Huidenvettersplein, ik zeg maar wat, twee vissen boven een deuropening. En, echt waar, boven de deur van de Duc de Bourgogne melkt een boer zijn koe. En zo valt hier en daar nog wat verrassende fauna aan te wijzen.
Het koppel kwam helemaal uit Amerika, alleen maar om Brugge te verkennen. Ze komen ogen tekort maar verrassen mij met een onverhoopt ruime kijk op onze geschiedenis èn die van de wereld. Niet elke Amerikaan die er warmpjes in zit is opgetrokken uit hamburgers en Trumpisme.
En Laura? Die vindt het allemaal fijn. Marcheert blijmoedig en onvermoeibaar met ons mee terwijl we diervriendelijk verder wandelen, langs nog een paar pompmonumenten. De dolfijn in de binnentuin van het Groeningemuseum. Ze poseert als een volleerd model, goed voor een foto die laat uitschijnen dat het zeebeest haar zal opvreten. En in het straatje dat ook Groeninge heet, zie je een zwaanpomp. Daar wijst mijn welgemutste volgeling op het winkeltje vlakbij, waar in de deuropening sinds jaar en dag een manshoge, harige beer staat te pronken. Even aarzelt de kleine. “Is it a real bear?” Neen, meiske, gewoon een buitenmaatse knuffel! Ze kan haar pret niet op in het winkeltje propvol pluchen dieren. Daar wordt iets gekozen, geen ontkomen aan.

… sommige mochten er wezen.

Verder wandelend denk ik ineens aan die ene expositie die momenteel loopt. Aarzel even om ze ter sprake te brengen. Je komt niet helemaal uit Florida overgevlogen voor een bescheiden tentoonstellingske in een plaatselijk stadsarchief. Maar er resten mijn gasten nog drie volle dagen om de stad te verkennen, dus misschien kan zo’n expositie nog wel in hun programma.

In het Engels is “East or west, home is best” vanouds een geijkte uitdrukking, het equivalent van ons aloude ‘Oost, west, thuis best’. En zodoende lukt het mij om hen te vertellen over de kleine maar aardige tentoonstelling ‘Oost, west, poot best!’. De lui van’t stadsarchief hebben een reeks verrassende, en bij momenten best aandoenlijke foto’s met huisdieren opgediept.
Je bent er in een half uurtje doorheen, maar ’t is het soort kleinoden dat een mens zijn dag goed maakt. En al helemaal als die mens open staat voor dierentoestanden.
Er waren wel al eerder een paar tentoonstellingen over huisdieren, sommige mochten er wezen. Andere zetten gewoon veel levende beestjes te pronk. Maar deze kreeg een ongewone invalshoek. Want de collectie waaruit voor dit initiatief werd geput is ‘Mendop’. Dat staat voor ‘Mens en dier op papier’.  Kort nadat Mendop een tweetal jaren geleden al eens aan bod kwam in een ‘Brugge in affiches’- cursiefje is de man wiens levenswerk het was, ons helaas veel te vroeg ontvallen. Jan Desmet is zijn naam. Een naam die bij al wie begaan is met huisdieren en de verhalen eromheen herinneringen oproept aan een minzaam mens.

Andere zetten gewoon veel levende beestjes te pronk.

Zijn project, het zorgvuldig archiveren en ontsluiten van documenten, foto’s en wat al nog omtrent huisdieren doorheen de tijd gaat ook vandaag nog door als vzw. En het Brugse stadsarchief draagt zorg voor de integrale, verrassend uitgebreide verzameling die Jan tijdens zijn korte leven opbouwde.
Je struint op de tentoonstelling langs een veelheid aan foto’s uit de oude, soms zeer oude doos. Met hier en daar een bedenking erbij, geselecteerd uit verschillende publicaties van Jan.Uw dienaar laat zich graag op sleeptouw nemen door elke beestenprent, elke dierenhistorie. Dat bij hem thuis een hond op hem wacht, is daar uiteraard niet vreemd aan.
Het verrast mij dan ook, dat ik uit één van de tekstjes opmaak dat de stichter van Mendop zelf … niet één dier in huis had. Hoe klonk ook alweer die forse bedenking die ik ooit hoorde? ’t Was ergens tussen pot en pint, maar desondanks een doordenkertje. “Wie echt van beesten houdt, neemt er geen in huis!”, dat was het. Louter rationeel beschouwt, valt daar iets voor te zeggen. Wat bewijst dat ondergetekende in het rationeel beschouwen der dingen niet zo bedreven is.
Laat het u dus niet verbazen dat hij zich amuseerde, op stap met die kleine madam die genoot van al wat beestjes betrof. En met haar ma en pa die ook nog het fijne wilden weten over onze stad en haar geschiedenis.
Op de terugweg willen mijn toehoorders graag nog even langs het Jan van Eyckplein. Omdat ze ergens lazen dat de oude havenstad Brugge zich daar toont zoals weleer. Dat vraagt wat bijsturing, maar ik ga er graag op in.

Trouwens, ’t kan niet op, voor het dierenmeisje heb ik daar zowaar nog twee beesten. De Brugse beer aan de Poortersloge kennen we allemaal, maar er torent nog eentje hoog op een geveltop bij het Tolhuis, als speelse inval van een bouwheer van lang geleden. Je vindt ze enkel wanneer je weet dat ze er zit, roerloos en in natuursteen gehouwen, die waakzame, grijze kat. Het vergt haviksogen om te merken dat ze een muis in haar muil houdt.
Op de arm van haar pa – je zou van minder moe worden – glunderen Laura’s oogjes nog een laatste keer. In de lobby van hun hotel drinken we nog iets. In een fluwelen zetel knikkebolt een meisje van vijf. Straks, in haar luxueuze bed, onder strak gestreken zijden lakens, droomt zij een hele dierentuin bij mekaar.

“Oost, west, poot best!”, de tentoonstelling, loopt nog tot eind mei in het stadsarchief op de Burg.
De toegang is gratis. https://www.brugge.be/nieuws/expo-oost-west-poot-best-het-stadsarchief

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van beesten, planten | 8 Comments

Een iconische Triënnale?

Bij de Sleutelbrug zegt ze dat ze de roerloze, bronzen laarzen op het wateroppervlak best wel schoon vindt. Schoon en poëtisch. Maar anderzijds, ’t is braaf brons en de stad staat daar al vol van. “Die Triënnale moet veel stouter!” meent ze.
Mijn nichtje dat ik mee op sleeptouw neem, zit niet om een portie kritiek verlegen, dat is mij bekend. Maar kan ik haar ongelijk geven? Een vlotte gids leidt ons langs het gros van de kunstwerken en met zijn deskundige duiding kom je een heel eind. Maar of elk van die creaties mij raakt?
Een halve eeuw geleden”, zeg ik, “toen de stadsdiensten zich haastten om op de reien de houten zwanen weg te halen waarmee Roger Raveel onze toen heel onfrisse stadswateren in vraag stelde, zo’n Triënnale deed stof opwaaien! Nationaal nieuws was het!” Mijn relaas laat haar glunderen.

Zo’n Triënnale deed tenminste
stof opwaaien!

Tussen ’t Zand en het station, waar het VTI plaats ruimde voor een chaotisch bouwkluwen, komen we bij een volgend kunstwerk. De houten toren waarop een klok wacht op het moment waarop we haar luiden.
Het eindwerk van een laatstejaars van de kunsthumaniora?” grijnst ze. Ik knipoog naar onze gids, die intussen door heeft dat mijn gezelschap zich doorgaans moeilijk laat overtuigen. Op een infobord lezen we over het idee achter het bouwwerk. Ik zie hoe ze geërgerd met de ogen draait.
Wat zit je dwars?” “Het modewoord!”, zegt ze, “Het alomtegenwoordige woord, het staat hier! Iconisch, ineens is alles iconisch!
Hoezo?” “Er is geen ontkomen aan! Kijk, ‘k heb hier nog de folder bij over de heropening van ’t Provincaal Hof. Da’s een iconisch gebouw, lees ik. Laatst was er in de schouwburg een avond rond het repertoire van Burt Bacharach. In een stadsmagazine heet die mens de iconische Burt Bacharach!

“Het alomtegenwoordige woord,
het staat hier!

En zoek je ’t verder van huis, dan hoorde je ongetwijfeld in ’t nieuws hoe in Parijs de wieken naar beneden donderden van de iconische Moulin Rouge! Vandaag is al wat langer dan veertien dagen meegaat iconisch!

De volgende middag. Ik neem haar mee naar de Poortersloge. Omdat daar een handvol plaatselijke kunstenaars naar aanleiding van de Triënnale hun ding mogen doen. En wat blijkt? Wat we daar treffen, daar gaat ze helemaal in mee! Het zijn niet de makkelijkste verhalen die de kunstwerken vertellen. Maar ze maken haar nieuwsgierig. En mij ook, geef ik toe. Het wat rommelig opgemaakte informatieblad dat je bij de aanvang van de tentoonstelling meekrijgt mocht wat overzichtelijker. Maar dat kan de pret niet bederven. Nou ja, veel pret hangt hier niet in de lucht, maar wel word je bij je nekvel gegrepen door verrassend origineel materiaal. Dat de stilte in de Poortersloge – veel volk is er niet – bijna gewijd aanvoelt, helpt uiteraard. Neen, ’t is hier geen stormloop. Wat mij herinnert aan de commotie rond de intussen opgeborgen stedelijke plannen om het historische pand te verkopen. En die medewerker van het Cultuurcentrum die al wie het oneens was met dat voornemen, uitnodigde om massaal langs te komen in de Poortersloge om er de tijdelijke exposities te bezoeken. Om de nodige druk op de ketel te houden. Met als extra troef meer belangstelling voor de kunst in dat huis.
De verontrustende sculpturen van Pierre Goetinck, de contrasterende fotoreeks die Ria Verhaeghe brengt en de eigenzinnigheid van een paar anderen … Jasper Rigole toont in een heus cinemazaaltje niet zomaar een filmpje. Terug op straat beseffen we welke merkwaardige dingen we hier aantroffen.
Op een terras op het Jan van Eyckplein profiteren we nog van een onverwacht zomers aanvoelende middagzon. Mijn nichtje hoort mij uit over de Poortersloge. Ik vertel haar over de lobby-plek voor de happy few in de late middeleeuwen. En het was ooit de wieg van de kunstacademie, de straat hier vlakbij heet niet voor niets Academiestraat. Het rijksarchief dat vele jaren het gebouw inpalmde maar inmiddels verhuisde naar een nieuwe stek aan de Coupure. En sinds enkele jaren vind je hier dus van tijd tot tijd tentoonstellingen van het Cultuurcentrum.

… de opvolger van De Bond aan de Smedenpoort?

Of dit dan de opvolger is van De Bond aan de Smedenpoort, waar het Cultuurcentrum lang uitpakte met exposities? In zekere zin wel, ja. Al gaat daar op dit moment ook iets door dat met de Triënnale verband houdt. “Ach, die Triënnale!”, zucht ze met gespeelde ergernis.

Al kijkt vanop zijn sokkel Jan van Eyck in sombere gedachten verzonken op ons neer.

’t Is aangenaam toeven op dit voorjaars plein. Al kijkt vanop zijn sokkel Jan van Eyck in sombere gedachten verzonken op ons neer. We bestellen er nog eentje. Zij diept haar e-reader op uit haar handtas. Ze is helemaal mee met haar tijd, zo ken ik haar. Zelf blader ik, een echte opa, door de jongste editie van de papieren EXit. Er staat iets in over ‘Mirage’, dat zich straks presenteert als opvolger van het Airbag-festivalletje. Net als zijn voorganger gaat dat feest door aan de molens, lees ik, in dezelfde … iconische spiegeltent. Zwijgzaam blader ik door, rep met geen woord over het adjectief dat ik net las.
Maar amper een bladzijde verder ziet ze mij heimelijk grinniken. “Waarmee lach je?” wil ze weten. “Hier staat een artikeltje over de expositie die we net bezochten”, zeg ik. “Ze hebben het over de vele mogelijkheden van dit iconische bouwwerk.
Heel even doet het nichtje alsof ze haar e-reader naar mijn hoofd wil keilen. “’t Zou zonde zijn‘, zeg ik, “Zo’n iconische machine!

Posted in Het Brugge van nu, Van schilderen en plaasteren | 11 Comments

No de wuppe

Over jeugd … en andere bewegingen
’t Is enkele weken geleden dat hij mij opbelde. Achteraf drong het tot mij door, het nieuws waarmee Ignace die ochtend kwam aanzetten mocht minder verbazen dan ik eerst dacht. Maar ’t was toch wennen aan de gedachte. Want ginder in dat dorp van hem is Ignace al sinds lang voorzitter van zijn vereniging. En hoe vaak heb ik de leden daarvan niet meegenomen op een voorjaarse verkenning van onze stad? Elk jaar een ander parcours. Het Gezellekwartier, West-Brugge, de omgeving van de Botanieken Hof en de Coupure en nog wat buurten, allemaal kwamen ze aan bod. Aangename middagen, keer op keer.

… één van de sleutels van de arbeidersbeweging.

Op stap gaan met mensen van hier verloopt gegarandeerd anders dan een gidsbeurt voor toeristen van elders. Brugge verkennen met lieden uit verre uithoeken van de aardbol is veelal boeiend, ze schotelen je de meest onverwachte vragen voor.
Maar met toehoorders van bij ons kan je je een meer lokale invulling permitteren. Je vertelt verhalen die een ‘Weet je nog?‘ oproepen. Verhalen met een lokale weerklank. Breng je Achille Van Acker ter sprake? Wereldberoemd in Brugge maar de kans dat zijn naam bij de doorsnee Australiër een belletje doet rinkelen is eerder gering. En “’k En Brugge in m’n Erte’ klinkt u en mij, lokaal volk, als muziek in de oren, maar het stond nooit in de Billboard Top 100. Brugge tonen aan streekgenoten, ’t is een genoegen.
En dus was het even bekomen van de melding van mijn vriend Ignace, dat hij een punt zet achter zijn voorzitterschap. Waarmee in zijn woonplek de lokale afdeling meteen ook ophoudt te bestaan. De KWB, één van de sleutels van de arbeidersbeweging. Zomaar.
Geen vergaderingen meer, geen feest af en toe. Gedaan met activiteiten en zodoende ook met de jaarlijkse wandeling langs onbekende hoekjes van Brugge. Jammer. Spijtig.
Een teken van de tijd? Ledenwerving, aflossing van de wacht bij het bestuur, elk van ons kent wel een organisatie die ermee kampt.

Ooit waren zo’n middengroepen, van werknemers, gepensioneerden, middenstanders, de wielen die een halve maatschappij draaiende hielden. Gemeenschapsvorming, schoon woord, het had iets stichtends. Om de jeugdbewegingen niet te vergeten.
Hoewel. Ik liet mij vertellen dat jeugdbewegingen vandaag wèl de wind in de zeilen hebben. Merkwaardig, toch? We herinneren ons de dagen, pakweg de jaren zeventig van vorige eeuw, toen het bon ton was om scherts en spot boven te halen als de jeugdbeweging ter sprake kwamen. Die nerds met hun uniformen, hoe flauw!
’t Kan verkeren. De jongelui die vandaag trots in uniform de deur uitgaan zijn niet zelden de kinderen van papa’s en mama’s die in hun eigen jonge jaren grinnikend neerkeken op KSA, Scouts of Chiro. Eén keer in ’t jaar, de Dag van de Jeugdbeweging, zie je die knapen en freules zelfs gezwind en trots in uniform naar school stappen. Padvinder spelen, het mag weer. Terwijl zoveel organisaties kampen met afnemende belangstelling, ben je gewoon mee met je tijd als lid van een jeugdgroep. Markante evolutie.

Lang geleden was zowat iedereen in elke parochie, elke buurt, lid of bestuurslid van ’t één of ’t ander. Waar is den schonen tijd waarin stoetenbouwers rekenden op al zo’n verenigingen voor de invulling van figurantenrollen. Elke organisatie, elke school stond klaar om volk te leveren. Dat is vandaag wel even anders, meneer, de vorige editie van de Gouden Boomstoet pakte noodgedwongen uit met affiches om volk te werven.

Maar ach, de eenentwintigste eeuw is al even gaande, andere tijden andere noden. Hebben we mekaar niet meer nodig, dan? Zoals we de supermarkt uit wandelen zonder babbeltje met de kassière. Brood uit de muur halen of centen. Pizza, kledij en andere spullen door een haastige koerier laten neerzetten bij onze voordeur.

Voilà, daar heb je ‘t, de voordeurbel rinkelt. Ze moeten even wachten, de weinig opbeurende woorden die zich op mijn avondlijk pc-scherm opmaken voor wat een weinig opbeurend cursiefje lijkt te worden. Verwachten we nog een pakje? Even kijken.

Op de stoep aan mijn voordeur, in de schemer van de vroege avond, drie giechelende meisjes. In uniform. Of meneer koekjes wil kopen, ’t is voor ons zomerkamp.
Ja, dus.
De volgende ochtend fiets ik naar ’t stad. Op weg voor een gidsbeurt. Ignace belde. Of ik toch nog een wandeling kon verzinnen. Hoezo, die vereniging van jou is niet meer, toch? Neen, maar niemand verbiedt voormalige leden van een ontbonden organisatie om samen op stap te gaan. Kameraden blijven kameraden, hé. En of hij gelijk heeft. Zo nu en dan kijk je als gids met plezier uit naar een rondleiding.

Onderweg, langs de Torhoutse Steenweg. Een gevel helemaal in stellingen. Bouwvakkers maken zich op voor hun werkdag. Hun werfradio, zo’n robuust ding dat tegen meer dan één stootje kan, staat veel te luid, dat hoort zo op bouwwerven. De dag is nog fris en jong, onder hun veiligheidshelmen zingen de stoere binken mee … “ ’t Is nog al nie naar de wuppe!
Fietsend door de Smedenpoort weet ik dat het deuntje mij volgt voor de rest van de dag … ” Gelijk wat da j’an ’t doen waart, doe maar voort!

Vorige week werd ‘Naar de wuppe’ van ’t Zesde Metaal door de lezers van KW verkozen tot beste West-Vlaamse lied van de voorbije tien jaar … https://www.youtube.com/watch?v=eZIC55v4fSs

Posted in Het Brugge van nu, Van gitaren en drums, Van stoeten en processies, Van zin, zen en zijn, Van zingen en spelen | 9 Comments

Marieke en de boot van Brel

Alles is onmogelijk, als je het maar wil’ … Wijlen Johan Anthierens zat zelden verlegen om een gevat aforisme, dat is u wellicht bekend, maar deze mag u tot zijn betere rekenen. Wellicht was het de ondersteboven gehouden logica waarop hij hier alludeert die hem ertoe bracht om te pleiten voor een bronzen Marieke van Jacques Brel bij de Coupure. Tegenwind was zijn deel, ook in de Brugse gemeenteraad. Het was in die dagen al tien jaar geleden dat Brel overleed, maar toch vonden sommige raadsleden het nog altijd niet kunnen dat de grootste chansonnier die ons land heeft gekend hier een standbeeld kreeg. De tijd gaf hen ongelijk.
Al kon je hun bezwaar moeilijk helemaal ongegrond noemen. Want Brel vertolkte dan wel het meest iconische repertoire dat ooit over Vlaanderen werden gezongen, hij geneerde zich niet om bijvoorbeeld in ‘Les Flamandes’ ronduit denigrerend uit te halen naar wat hij zag als de bekrompenheid van de Vlaamse vrouw. Al duidde hij dat veel later als kritiek op de katholieke kerk die de Vlaamse volksvrouw onder de knoet hield.

Zomer 1988 … een bericht in de krant – bron: erfgoedbrugge.be

En dan zwijgen we nog over ‘Les Flamingants’, dat ene dwaalmoment op zijn laatste langspeelplaat, waarmee hij het zelfs verkorven had bij wie de meest matige Vlaams gezindheid aan de dag legde. Doch verdeeldheid of niet, Johan Anthierens zette rustig door en in de zomer van ’88 zag beeldhouwer Jef Claerhout zijn Marieke aan de Coupure ingehuldigd worden.

Dat we het doorzettingsvermogen van onze medemens wel eens onderschatten, daar kan ondergetekende van meespreken. De voorbije jaren las hij af en toe in kranten iets over de broers Wittevrongel. Waar die zich mee inlieten, dat vond hij te zot voor woorden.
Staf en Piet, zo heten de broers, kwamen lang geleden aanzetten met het geflipte idee om iets aan te vangen met de ‘Askoy II’. De twee uit Blankenberge wisten van het bestaan van het wrak van wat ooit de zeilboot was van Jacques Brel. En namen zich voor om wat van die boot overbleef naar hier te halen om hem te restaureren. Meer tegendraads kan het niet worden, wie ooit een foto zag van die povere resten kon zich amper een gerestaureerde boot voorstellen. En dus dacht uw dienaar, dat lukt die gasten nooit.

Brel kocht de ‘Askoy II’ in de jaren zeventig, verwachtte er veel van en wou de zeven zeeën bevaren. Op die laatste plaat van hem noemt Brel zijn boot ‘La cathédrale’. En hij ging de zee op, samen met de vrouw die hem volgde in wat later zijn laatste levensjaren bleken. Midden de Stille Zuidzee, op de paradijselijk afgelegen Markiezen-eilanden die ook op die afscheidsplaat bezongen worden, vond het stel een nieuwe thuis. De boot werd verkocht. Om later roemloos te zinken bij een strand in Nieuw-Zeeland.

En de Blankenbergse broers, bij wie Brel ooit de zeilen voor zijn boot liet maken, haalden wat ervan over was naar hier. De eerste voornemens van de Wittevrongels liggen ver in het verleden. Maar begin deze maand was het zover. Als de stralende boot die hij ooit was, werd in Zeebrugge ‘Askoy II’ weer aan het water toevertrouwd. ‘Rêver un impossible rêve’, zo citeert met onverholen trots één van de broers hun grote inspirator.

Net als ik bewondert u wellicht Jacques Brel, de meester van het chanson. En toch. De prestigieuze doos, een handvol schijven met daarop het sterkste van de zanger, waar is die hier ergens in dit huis beland? Ligt ze op zolder stof te vergaren?

Zoals Brel zijn er geen twee. Maar kies je zijn muziek bij een gezapig aperitiefje? Jacques Brel zingt niet alleen, hij acteert en dat doet hij met passie. Dat leer je uit oude filmopnames die je vindt op het net. En je hoort het op zijn platen. Ja, ‘Mijn vlakke land’ of ‘Ne me quitte pas’, de zachtmoedige Brel, daar droom je mee weg. Maar zelfs bij ‘Amsterdam’, met die melancholische aanzet, zetten de slotakkoorden je op het puntje van je stoel. Brel eist je op.

Er waren en zijn veel zangstemmen die zich wagen aan het oeuvre van Jacques Brel. Bij ons nam Johan Verminnen iets van hem op en ook ooit Will Ferdy. En verderop zelfs David Bowie, echt waar. Of Terry Jacks, weet je nog, ‘Seasons in the sun’, het klonk als was ‘Jacques’ een merk van suikerwafels.
Sta mij toe, Liesbeth List deed wel iets indringends met de muziek van Brel.
Verbaast het dat nog met de regelmaat van een klok iemand een podium op stapt om Jacques Brel te zingen? Te imiteren zelfs, je moet durven. Er zijn er die volle zalen lokken met, ik neem aan, verdienstelijke versies van ‘La valse à mille temps’. Laten ze ‘Les Flamingants’ wijselijk achterwege? Ik vermoed zoiets.

Die keer ook om de gebroeders uit Blankenberge
een hart onder de riem te steken.

Intussen ligt de ‘Askoy II’ rustig te wachten in Zeebrugge. Wachten tot zaterdag 4 mei, de dag van zijn officiële wedergeboorte. Feest zal het worden, verzekeren de terecht tevreden Wittevrongels. Eén van de internationaal hoogst aangeschreven Brel-imitators zal er aantreden. In Parijs liet hij zelfs het legendarische l’Olympia vol lopen. Die mens, met de hoogst merkwaardige artiestennaam Arnaud Askoy, kwam al eerder hier bij ons zijn ding doen. Die keer ook om de gebroeders uit Blankenberge een hart onder de riem te steken.
Die broers nemen zich voor om binnen enkele weken met hun herboren boot naar Blankenberge te varen voor de Havenfeesten. En naar ‘Oostende voor anker’. En stillekes fantaseren ze over een vaartocht naar de Markiezen-eilanden.
Zou dat kunnen met een ommetje langs de jachthaven aan de Coupure? Eerst nog een keer goeiedag komen zeggen aan Marieke. Of zit de diepgang van de zeilboot daarvoor in de weg? Of de masten, aan de Coupure moet je onder de Conzett-brug door geraken, hé. Ach kom, ‘Rêver un impossible rêve’.
Of Marieke dan meegaat, het zeegat in? “Neen hoor” zegt ze, “ik blijf liever hier, entre les tours de Bruges et Gand“.

Posted in Het Brugge van nu, Van zingen en spelen, Zeebrugge, de haven | 4 Comments

Over maskers … en Wim Opbrouck

Beste Wim,
op de Markt is de gevel van het Provinciaal Hof al even van zijn stellingen verlost, tijd om het pand weer open te stellen voor het publiek. Op zoek naar een West-Vlaming om het feestrumoer bij die heropening in min of meer goede banen te leiden, kwamen ze bij jou terecht. En dat lijkt ons … terecht.

Het was de affiche die ‘Over morgen’, dat feest, aankondigt die mij ertoe bracht om je te schrijven. Er is de indringende blik waarmee je ons aankijkt door die buitenmaatse bril. En de vraag ‘Hoe leven we in 2050?’. Maar het ontwerp vindt zijn dynamiek in die ragfijne, witte driehoekjes waarachter je karakterkop schuilt. Wie aandachtig toekijkt, merkt in die lijnen het silhouet van een hoofd. En dat silhouet is niet het jouwe. Het is een masker.
Toen ik dat ontwaarde, wist ik meteen, Wim Opbrouck is de man die mij vooruit kan helpen! Want al een tijdje zit ik met een vraag opgescheept. Een voorstel, eigenlijk, we komen er zo op terug.
Het openingsfeest heet ‘Over morgen, festival van de toekomst’. Dat strakke lijnenmasker verwijst naar dat idee, neem ik aan? Het masker van de mens die ooit één wordt met de robot? Of het masker dat we altijd al dragen en in een verre toekomst zullen afwerpen?

Maskerades zijn van alle tijden. Je bent acteur, Wim, ‘k hoef je niet te vertellen over Shakespeare en al die maskers die opduiken in zijn dramastukken. Ook bij ons kom je ze tegen, er is elk jaar, kort na nieuwjaar, een weekend waarin Venetiaanse carnavalsmaskers door de straten flaneren.
En heeft iemand het dezer dagen over het masker, kan je er donder op zeggen dat het over Ensor gaat, omdat die mens vijfenzeventig jaar geleden overleed. De Oostendenaar bedacht maskers in alle maten en kleuren. Hij schilderde ze vrolijk, grimmig of triest. Maar de meest bevreemdende, Wim, zijn nietszeggende maskers. En met één zo’n masker zit ik momenteel verlegen. Je hoeft het niet ver te zoeken, ’t is bij je buren, vlak naast het Provinciaal Hof.

De gevel van het provinciegebouw, dat weet elke Bruggeling, wordt geflankeerd door twee hoekpanden. Bij de Breidelstraat is er het voormalig postgebouw. En aan de andere kant is er sinds jaar en dag ‘Historium’. Kwam je daar al een keer over de vloer, Wim? Ze maken zich sterk dat je er eeuwen teruggaat in de tijd, al gaat het er behoorlijk hedendaags aan toe, met virtual reality en zo.

Mag het mij verbazen, dat zo’n plek vol nieuwerwetse snufjes de bezoekers verwelkomt met … een stramme ledenpop? Het ding bij de ingang moet een middeleeuwse ‘belleman’ voorstellen, in zijn hand houdt hij een bel waarmee hij af en toe stijfjes rinkelt. En dan roept hij, in een taal of drie, dat je welkom bent en nog een paar dingen. En dat gaat luid, zoals je dat van zo’n omroeper verwacht. Maar ondanks al dat kabaal verroert zijn mond voor geen millimeter. ’t Is een masker, kortom. Een pop die een masker draagt. Beetje zielig.

Zo’n hulpeloos ding, het zou mij niets mogen uitmaken. Ware ’t niet dat wie op de Markt het toeristisch infopunt zoekt, doorverwezen wordt naar … Historium. Dat kantoor zit daar, ergens in een hoekje. Stel je voor, je komt er langs zoals heel veel geïnteresseerde toeristen. Nog voor iemand van de toeristische dienst de kans krijgt om je te verwelkomen, klampt die maffe kerel je aan met zijn roepstem.
We hebben Historium geen lessen te spellen omtrent de wijze waarop ze volk lokken. Maar ik ken niet één zichzelf respecterend toerismekantoor waar je wordt ontvangen door een pop die zo van haar oren maakt.
Zoals wel meer stadsgidsen, wordt ondergetekende door de toeristische dienst nu en dan opgeroepen om daar, op de binnenkoer van Historium, mensen te ontmoeten die de stad willen verkennen. Krijgen mijn collega-gidsen van zo’n gezelschap ook soms de vraag, waarom we bij ons infokantoor zo’n nodeloze luidroeper bij de ingang neerzetten? Leg dat maar een keer uit aan wie voor ’t eerst kennis maakt met onze stad. Enfin, ‘k wil maar zeggen, leve Historium, maar mocht het aan deze jongen liggen, dan huisde het informatiekantoor elders.
Ergens hoorde ik over plannen om op termijn de toerist te informeren in één van de hallenzalen onder ’t belfort. En weet je wat, Wim? In de loop der jaren verhuisde dat infokantoor al meer dan een keer. In 1973, bijvoorbeeld. Weet je waar ze toen terecht kwamen? In die stadshallen!  En waar kwamen ze vandaan? Eén keer raden … van het gebouw dat vandaag Historium heet!

Een concert, een lezing …

De geschiedenis herhaalt zich en soms doet ze daar goed aan, maar ze vraagt geduld.
En hier ben ik nu met mijn pleidooi, zie. Want na het opblinken van ‘jouw’ Provinciaal Hof komt de restauratie van het belfort en de stadshallen in ’t vizier. Een verhaal van lange adem, ge ziet dat van hier. Dus de verhuis van het informatiekantoor is nog lang niet voor morgen.
Mijn voorstel? Wel, Wim, je kan moeilijk ontkennen dat het Provinciaal Hof een bouwwerk is met veel, héél veel ruimte. En het stelde zich in ’t verleden wel vaker open voor allerlei initiatieven. Een concert, een lezing. Soms een tentoonstelling … Dus … Ergens in dat pand moet toch wel wat ademruimte te vinden zijn voor het toeristisch infokantoor van de stad? In zo’n schoon, neogotisch monument, dat zou tot de verbeelding spreken!

’t Is een bescheiden voorstel van een bescheiden stadsgids. Eentje met een niet eens bijzonder dragende stem, laat staan een roepstem zoals die van dat ventje in Historium. Maar daarom kom ik bij jou, Wim, aankloppen. Bij de roerganger van het Provinciaal Hof. Als iemand als Wim Opbrouck een keer zijn stembanden roert, hoop ik, wie weet, komt er dan wat van. Van een ruim bemeten informatiepost, in een pand dat iets van de glorie van de stad in zich draagt.
En zonder belabberde poppenkast bij de toegang.
Slagen we daarin, Wim, dan heb je er eentje van mij tegoed. Zoals ik je Bourgondische natuur ietwat meen in te schatten, sla je een verkenning van een paar dorstlessende adressen niet in de wind. Je bent van Bavikhove, hé? Dus kwam je hier in je jonge jaren

… soms een tentoonstelling.

ongetwijfeld wel een keer de bloemen buiten zetten, wed ik. Waar ging je dan langs? Je muzikale achtergrond indachtig, zie ik je aan de toog in de Kelk in zijn glorietijd of in De Kroon van lang geleden. Of in de Versteende Nacht, waar je met patron Daniël een boompje kon opzetten over jazz. Er is veel veranderd, sindsdien, Wim. De Kroon is prooi van de sloophamer en de Versteende al lang geen café meer.
Maar Daniël, over hem moet ik je nog wat vertellen. Iets dat, nu ik eraan denk, verrassend wil aansluiten bij dat discours van mij. Er zijn, daarvan hoef ik je niet te overtuigen, van die mensen die zichzelf blijven heruitvinden. Daniël van de Versteende

… in het voormalig klooster van de Rode Nonnen … foto Fran Osteux

Nacht is er zo eentje. Is al jaren in de weer met schilderen en andere plastische creativiteit. Dus mocht je, in alle drukte omtrent ’t Provinciaal Hof, nog even vrij hebben, je vindt Daniël in het voormalig klooster van de Rode Nonnen in de Katelijnestraat. Daar is ie nog tot eind dit weekend present met zijn jongste kunstwerken. Je gelooft het amper … het is iets met maskers.

Daniël Dehulster, ’50 shades of me’ … https://www.visitbruges.be/nl/agenda/evenementenkalender/50-shades-me-rode-nonnen-brugge

Posted in Het Brugge van nu, Van Brugse politiek, Van feesten en vieren, Van schilderen en plaasteren, Van toeristen | 7 Comments

Taalstrijd 2.0

Op het terras bij de Coupure missen we de zon, de kopjes warme troost waarmee de vriendelijke ober komt aanzetten zijn welkom. Met een zwierige beweging, vergezeld van een zuiders woordje dat ik niet begrijp, zet hij ze neer op ons tafeltje. “¿Eres Espagnol?” vraagt mijn tafelgenoot en de korte babbel die volgt ontgaat mij helemaal.
De jongeman vertelde dat hij afkomstig is van Galicië, verduidelijkt mijn metgezel en terwijl hij van zijn koffie geniet, brengt hij mij één en ander bij over die Spaanse regio, de streek en vooral over haar taal. Want ook een pas gepensioneerd romanist blijft een romanist. En eenmaal docent, altijd docent.
Niks mis mee, met boeiende duiding kunnen ze mij doorgaans plezieren. En dus ben ik heel even één van zijn studenten in de aula van Vives waar hij tot voor kort vooraan stond. En leer ik over de niet geringe nuance tussen Spaans en de taal van Galicië. Want het is een officiële, eigen taal, dat Galicisch. Ha, wacht eens even, ‘Un canto a Galicia‘ op de radio van onze jeugdjaren, we zongen het uitbundig mee. Of deden ons best, want Julio Iglesias zong in ’t Spaans. Toch? Neen, zijn vader was van Galicië. Het is in ’t Galicisch.

Ach, taal, het is me wat. Met wat moet doorgaan voor mijn Frans of Duits val ik u liever niet lastig. Maar ik kom behoorlijk weg met dè wereldtaal, het Engels. Wereldtaal? Dat valt te relativeren, de aardbol zit vol talen.  Ik herinner mij een pleidooi van Jean Paul Van Bendegem waarbij de filosoof het Engels fijntjes op zijn plaats zette als één van de duizenden talen waarvan de mensheid zich vandaag bedient.
En het Galicisch is daar dus één van. Of in dat lijstje ook ons Brugs meetelt, dat kwam niet ter sprake.  Zullen we bij deze een boompje opzetten over hoe ons eigen Brugge omgaat met taal? Kom, we wagen ons op het gladde ijs waarop de laatste dagen wordt geschaatst, van in de gazet tot in onze gemeenteraad.
Iemand bond de kat de bel aan en we waren vertrokken. Want hoe verwelkomt het pas heropende Sint-Janshospitaal zijn bezoekers? Met, in koeien van letters op zijn glazen toegangsdeur, ‘Welcome’. Schande, menen sommigen, dat hoort daar in ons Nederlands te staan!

Dat buitenlandse bezoekers zich net zo welkom zouden voelen met ons eigen ‘Welkom’, daar valt weinig aan te twijfelen. Maar de kous is nog niet af. Die slogan waarmee het museum uitpakt, ‘Feel the heartbeat’, wat als je die in onze moedertaal afficheert? En staat daar nu bij de toegang ook niet een bord met daarop ‘Rebel Garden‘? Daarover ging het, de voorbije week.

Over de plek van ons Nederlands in onze samenleving. Ons Vlaams, zo je wil. ’t Is waar, voor de status van onze moedertaal werd ooit gestreden. Niet met de zwaarden en goedendags van 1302, weliswaar, wel in latere tijden waarin je alleen in het Frans hoger op de maatschappelijke ladder klom. Zetten we daarover aan de toog een boompje op, gaat het algauw over fier zijn op je taal. Over ‘houden van’.

Onze bevlogen leraar Nederlands, weet ik nog, drukte het ons op het hart. Onze taal was om van te houden! Daar was iets voor te zeggen. Zo’n gedicht waarbij je wegsmelt, u kent er vast eentje. En die grootse roman waarin je helemaal wegzonk. Maar in diezelfde taal van ons hoor ik mensen, niet zelden invloedrijke lieden, ook de meest verwerpelijke nonsens uitkramen. Ook dát is onze taal.
’t Is wat je ermee aanvangt, met taal. Zoals schilderstalent aan de slag gaat met verf, muzikanten met muzieknoten.
Elke taal heeft haar rijkdom, hoor ik u denken en wie ben ik om u tegen te spreken. Taal kan uitdagen. Verrassen, ook. Soms met meesterwerken, soms met de eenvoudigste dingen. De straatnaambordjes die in het Frans Vlaanderen van vandaag, naast het Frans, ook weer de oude benamingen in de streektaal vermelden. Je verwondering wanneer je iemand uit Zuid-Afrika in zijn of haar Afrikaans bezig hoort. Zalig, toch?
Wat niets afdoet van die kleine ergernis om het Engels dat sluiks in onze eigen woordenschat binnensijpelt. Al sinds ’t eind van de Tweede Wereldoorlog zien we dat land van over de oceaan als roerganger van alles en nog wat. En Engels als een soort eenheidsmunt.

Mijn platenkast? Het Engels druipt ervan af. En geen hogeschool waar de taal van Shakespeare zich niet in de cursussen nestelde. English is the new French?
Voor de lezingen waarvoor het Brugse stadsarchief ons uitnodigt halen ze weliswaar nog het belegen woord ‘causerieën‘ van stal, maar er is ook hoop. Want op de komende Erfgoeddag kan je in Brugge hier en daar terecht voor een paar ‘talks’. Ziet, onze opgang in de vaart der volkeren!

Na onze afspraak op het terras aan de Coupure fiets ik huiswaarts. Langs het standbeeld van Gezelle, bij de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Onze onovertroffen poëet, uit zijn pen vloeiden de meest waardevolle gedichten. Maar in de kranten van zijn tijd haalde de priester kwetsend en vaak allerminst respectvol uit naar al wie de samenleving anders zag dan hij door zijn katholieke bril. Taal, nogmaals, en wat je ermee aanvangt.
Guido Gezelle en zijn Vlaams dat hij liefst zijn eigen, regionale gang liet gaan. Maar ook de Gezelle die met plezier ‘The song of Haiwatha’ van Longfellow vertaalde naar ‘zijn’ moederspraak. De dichter op zijn sokkel, hoe zou hij ons taaltje van vandaag aanhoren? Met heimwee? Mededogen?
Ik herinner mij twee jonge mensen die lang geleden een flatje deelden onder een mansardedak in de Dweersstraat. Bij de koekoekvensters die uitkeken op de torens van de binnenstad hing in onze leefkamer een poster. Daarop las je, verzonken in een foto met wuivende haverknoppen, woorden van Gezelle. Er stond “Als de ziele luistert, spreekt het al een taal dat leeft.

Posted in Het Brugge van nu, Van boeken en schrijven | 8 Comments

Twee meisjes op d’alletorre

Dat het een zwoele zomeravond was, daar in Damme, dat weet ik nog. We kwamen er met wat vrienden naar een optreden onder de kerktoren. Dat laatste mocht je overigens gewoon letterlijk nemen.
Wie Damme en de kerk daar kent, weet van de vervallen muren tussen de toren en het schip van de kerk. Heel lang geleden bleek die kerk gewoon te groot voor het stilaan leeglopende stadje dat zijn rol als voorhaven van Brugge was kwijtgespeeld. En dus sloopten ze een deel van het gebedshuis. Tussen toren en kerk vertellen alleen nog die brokkelige muurresten over wat ooit was.

… een zekere Raymond,
zijn familienaam hadden we niet verstaan.

Die keer, ’t zal ergens in ’t begin van de jaren zeventig geweest zijn, was in die ongewone tussenruimte een klein podium opgetimmerd. Muziek onder een bakstenen bouwwerk dat roerloos luisterde. Zaten we op banken? Stoelen? Weet ik niet meer. Wat wel in mijn herinnering bleef, weliswaar vaag, was dat Johan Verminnen er zong. Verminnen was nog jong en dat waren wij ook. Jong en enthousiast over alles wat muziek betrof. Let wel, ’t moest ‘de betere muziek’ zijn, hé, graag met een beetje inhoud en zo. Zo’n optreden van Johan Verminnen, dat kon ermee door, daar pakte je achteraf mee uit bij je vrienden. Je klasseerde Verminnen min of meer onder de noemer ‘kleinkunst’, wat betekende dat hij alvast geen onnozele liedjes bracht.
Hoewel, ‘kleinkunst’ was veelal iets met akoestische gitaar en ingetogen stem. Johan Verminnen, daarentegen, gaf er liever een redelijke lap op. Ook die avond, hij liet zich begeleiden door iets wat op een rockgroep leek.
Achteraf dronken we nog iets in een café, neem ik aan. Keuvelden nog wat na over het concertje. Over wat Verminnen zong en zo. Over zijn begeleidingsgroepje? Naar het eind van zijn optreden had hij zijn muzikanten voorgesteld. We kenden ze niet, maar applaudisseerden enthousiast voor elk van hen. Ook voor de pianist, een zekere Raymond, zijn familienaam hadden we niet verstaan. Ik zie de knaap nog blij buigen bij het handgeklap dat hem te beurt viel.

Enkele zomers later. Iedereen te lande kent Raymond van het Groenewoud. Hij heeft een langspeelplaat of twee op zijn naam en een handvol van zijn liedjes maakt indruk. Om de woorden waarmee Raymond de dingen van ’t leven noemt en erover zingt. Elk van ons kent wel een ‘Bleke Lena’ en alleen Raymond kan Vlaanderen benoemen zoals hij dat doet in ‘Vlaanderen boven’. En ‘Meisjes’, ach ja, meisjes. Dat was er helemaal bovenop.

Raymond van het Groenewoud kwam en bleef. In Brugge, inmiddels woont hij al jaren aan de Sint-Annarei. Je komt hem wel een keer tegen, dwalend door de stad en die stad beschouwt hem als ‘één van ons’. Aan de schouwburg verwijzen sinds een paar jaar enkele tegels naar ‘bekende Bruggelingen’. Er ligt er ook eentje met ‘Raymond van het Groenewoud’ erop. Al heeft elkeen aan Raymonds voornaam genoeg om te weten over wie we ’t hebben. Dat heeft ie met Arno gemeen.
Is er in onze landstreek één plek waar Raymond niet langs kwam? “‘k Heb gezongen in Aalst, Peutie, Zwevezele, Genoelselderen”, u kent het deuntje. Doe daar Brugge ook maar bij. Hoe vaak en waar in Brugge Raymond van het Groenewoud allemaal optrad, geen mens kan het nog uitzoeken. Ook deze afficheverzamelaar niet, al kan hij met Brugse ‘Raymond’-affiches al een redelijke muur behangen.
En wie er alsnog mocht aan twijfelen of de stad opgezet is met Raymond als Bruggeling kan de komende dagen maar beter de oren spitsen.
Want hoog in het belfort zijn ze druk doende met het ‘programmeren’ van een nieuwe wekkering voor de beiaard. Dat is een hels karwei waar de beiaardier en een handvol medewerkers zich om het jaar mee inlaten. De manshoge trommel die de

klokken aanstuurt, krijgt nieuwe deuntjes op zijn menu. De voorbije dagen bleef het stil, ginder boven, maar op paaszondag zijn de klokken terug uit Rome en dat zullen we geweten hebben. Hou u gereed voor vier nieuwe melodieën. Bekende en minder bekende. Waarom we dat hier uit de doeken doen? Wel, één van die refreinen gaat over … ‘twee meisjes’. Raymond maakte al van alles mee, maar elke dag zijn eigen lied als klokkengelui dat verdwaalt over de stad?
Het verleden en het nu, kijk, de cirkel lijkt rond. Althans voor wie Raymond lang geleden in Damme aan het werk zag en hoorde. Aan de voet van een oude, overweldigende kerktoren, een onooglijk, schriel pianistje. En straks, het lied van een grote meneer, van hoog op een toren, d’alletorre in Brugge. Mijn Brugge en het zijne.

Posted in Het Brugge van nu, Van gitaren en drums, Van zingen en spelen | 5 Comments

The Saint-Walburga Blues

Vanuit zijn nis, hoog in het fronton van de imposante voorgevel van de Sint-Walburgakerk, kijkt het beeld van Franciscus Xaverius uit over het plein. Heel vriendelijk oogt de heilige niet. Misschien omdat alweer bijna vier jaar verstreek sinds ik de trappen van dit bordes op ging? Dat realiseer ik mij wanneer ik thuis op mijn pc de foto’s van die keer opzoekt.

… stilzwijgend wachten op een volgende gelegenheid om voluit te gaan.

’t Was beiaardier Frank Deleu die ik toen mocht vergezellen naar boven, de klokkentoren in. Een behoorlijke klim, want al is die toren een flink stuk minder hoog gebouwd dan oorspronkelijk in de zeventiende eeuw voorzien, toch verrast de route naar boven. Een comfortabele trap, denk je aanvankelijk, tot je jezelf een paar wankele ladders ziet op klauteren, helemaal tot bij de vier klokken die stilzwijgend wachten op een volgende gelegenheid om voluit te gaan.
Maar vanavond hoeft dat klimwerk niet, samen met een groep geïnteresseerden word ik in de kerk ontvangen door de burgemeester, een handvol mensen van de plaatselijke kerkfabriek en nog wat betrokkenen. De toekomst van de Sint-Walburgakerk, daarover zou het gaan, vanavond. Iemand die beroepshalve begaan is met dat soort projecten neemt het woord en geeft dat door aan de burgemeester. Die meteen het honderdtal opgedaagde belangstellenden geruststelt. De kerk wordt nièt ontwijd, verzekert hij.

Blijkbaar is er een vzw Sint-Walburga die zich daar druk om maakte. Even wordt het grappig wanneer Andries Van den Abeele, hoogbejaard maar nog immer strijdvaardig, de micro zowat uit de handen van onze burgervader ontfutselt om nog een keer de felle standpunten van die stichting op een rijtje te zetten.

Dan is het tijd voor een avondje inspraak-volgens-de-regels. Het publiek laat zich gehoorzaam in groepjes verdelen en het vervolg lijkt op de bezinningsdagen uit onze schooltijd. Een tijd toen ik met enige gretigheid meeging in dat soort ernst. Maar naar mijn aanvoelen gaan we hier en nu de al te schoolse toer op. Ligt het aan de belerende toon waarop de man vooraan één en ander aanstuurt? Ik blijk niet de enige die er zo over denkt. Sommigen gaan gewoon naar huis. Uw dienaar blijft nog, misschien steken we nog wat op.

Zo’n kerk, waar al een tijd geen zondagsviering meer doorgaat, alleen heel af en toe nog een doop, een huwelijk of een afscheidsviering, wat voor invullingen kunnen hier nog? En wat niet?
Zomaar een voorstel van ondergetekende. Misschien kunnen in dit huis zo’n formele momenten ook voor mensen die daar een seculiere invulling aan geven? Iets als een lentefeest of een vrijzinnig afscheidsmoment? Een brug te ver, menen mijn gespreksgenoten.
Maar dat Sint-Walburga een geschikte plek is voor concerten, daarover zijn we het roerend eens. Alle concerten? Hola, ineens is iedereen bij de les! ’t Moet wel hoogstaand zijn, hé! Volgt een afweging. Beethoven, Händel, laat maar komen!
Maar wacht, laten we een keer op verkenning gaan in ’t verleden. Dan blijkt dat dit gebedshuis al door meer en ruimere muzikale wateren zwom dan je zou vermoeden.

Vorig najaar. Op een avond zit in deze kerk aan de piano Craig Taborn. Het AMOK-festival brengt de man hierheen. Hedendaagse improvisatie, wie de dingen graag in vakjes wil zal het jazz noemen. Stemmige jazz. Meditatieve jazz, zo je wil. Maar wel jazz!

… in deze kerk aan zijn piano, Craig Taborn. – foto Tom Leentjens

En van jazz gesproken, draaien we de wijzers van het belfort nog een eind verder terug, zo’n veertig jaar. Fernand Tamsin organiseert nogal wat muziekavonden in ’t Boudewijnpark. Will Tura is bij hem zowat kind aan huis. Maar dit keer strikt Fernand een wel heel grote vis! Op de vrijdagavond voor kerstmis wordt een bomvolle Sint-Walburgakerk ingepalmd door de stemmen van het legendarische Golden Gate Quartet! Afro-Amerikaanse meerstemmigheid van grote klasse!

In een bejaarde map vinden we een frommelig krantenknipsel. We lezen over een gedreven groep die een uitgelaten publiek meeneemt met zijn ‘negrospirituals’ – zo omschrijft men dat in die dagen. Er wordt uitbundig mee geklapt, gezongen dat het een lieve lust is.
Maar toch oppert de verslaggever een bedenking. “Wel vonden wij de inzet van het Trio Vanhaverbeke, dat overigens het Golden Gate Quartet professioneel begeleidde, allerminst aangepast aan de kerstsfeer.” Ja, de affiche heeft het over een ‘kerstconcert’, maar wat had de brave mens verwacht van de band van Roger Vanhaverbeke, één van de meest gerenommeerde bassisten die ons land heeft gekend? Een kerstpotpourri?
En we stoffen nog meer jaren af, die van ’t begin van de jaren zeventig van vorige eeuw. Een stel jongelui, prille twintiger Rolle De Bruyne is één van hun roergangers, pakken uit met een rebels plan dat het befaamde en beruchte Cactus Café zou worden. En omdat in die hippiedagen alles wat bij de tijdsgeest hoort uit Amsterdam komt, halen ze ginder een stel muzikanten op om in Brugge een sitarconcert te brengen. Het is de pastoor van Sint-Walburga, blijkbaar een mens met eigentijdse voelhoorns, bij wie die gasten terecht kunnen in zijn kerk met hun in Indië opgesnoven klanken.
Heus, beminde gelovigen en minder gelovigen, dit vrome huis wil niets liever dan open staan voor muziek. Muziek van vroeger èn van vandaag. En wat mij betreft, ook muziek van morgen. Heb ik het bij het rechte eind?
Ik sta weer buiten, de inspraakbabbel loopt op zijn eind en het wordt kil in zo’n avondlijke kerk. Voor wie het intussen lang genoeg duurt, is dat weinig inspirerend. Nog even kijk ik achterom naar de barokke gevel. Nu weet ik het zeker, ’t is met minachting dat Franciscus van in zijn nis op mij neerkijkt. Op die tegendraadse bezoeker en zijn toch maar weinig katholieke voorstellen.

Posted in Het Brugge van nu, Van gitaren en drums, Van zin, zen en zijn, Van zingen en spelen | 8 Comments

Naar Brugge-aan-Zee, de frigobox mee!

Een tocht door de polders …

Ronald heeft een wijngaard. Een wijngaard in de Biezenpolder. Vanuit Brugge is dat een half uurtje rijden, een boogscheut over de Zeeuwse grens, naar de boerderij die zijn grootvader daar ooit bouwde. Een dikke twintig jaar geleden plantte mijn neef Ronald er de eerste wijnstokken.
Dat daar nu wijnranken opschieten, ’t Biezenhof kijkt er amper verbaasd van op. Die buurt beleefde in de loop van de geschiedenis wel vaker ongewone avonturen. Werd het buurtschap de Biezen op ’t eind van de zestiende eeuw niet vakkundig onder water gezet tijdens de Tachtigjarige Oorlog, alleen maar om Alexander Farnese, die moeial, te beletten om met zijn troepen naar het noorden op te rukken? ’t Waren de dagen van versterkte forten en ander onheil. Dagen waarin Zeeuws-Vlaanderen trouwens voorgoed aan de Nederlanders ‘verloren ging’. Om maar te zeggen, een veld, gevuld met wijnranken is echt niet het meest bizarre dat die streek ooit meemaakte.
Weer op weg naar Brugge wil mijn wederhelft graag nog even halt houden in Sluis. Ha, daarom moest de frigobox in de wagen! Ze heeft een idee omtrent een visschotel en in het Zeeuwse stadje weet ze een plek waar we vast en zeker het nodige vinden.
Het is aangenaam toeven in Sluis. Ik neem haar mee op een wandeling op de wallen omheen de stad, da’s lang geleden. En die vestingen zijn nog van veel langer geleden, daar heb je die nodeloze krijgshaftigheden weer.
Trouwens, gaan we nog wat verder terug in het verleden van onze kuststreek, dan is Sluis, net als Damme en nog wat plaatsen aan het Zwin, met wat goeie wil een voorstad van Brugge, toch?

De kanalen, de Stinker en de Blinker …

Een wandeltoertje, een dampende koffie op een fris terras, onze visaankoop en huiswaarts zijn wij. In het landschap van onze terugweg snijdt de A11 als een betonnen mes de bomenrijen langs het Schipdonkkanaal en het Leopoldkanaal genadeloos middendoor. Heel even hapt de horizon naar adem.

Huizenhoge boten, roerloos aan een kade, containers en vrachtwagens, een roestige buurt.

Die kanalen, de Stinker en de Blinker, vertrouwde tweeling die gemoedelijk zijn weg zoekt naar zee. Een verhaal dat lang in vraag werd gesteld, u herinnert zich het vermetele plan. Het voornemen om de bedding van die vaarten te benutten voor een breed kanaal waarlangs de binnenvaart Zeebrugge zou bereiken. De commotie daaromtrent, denken we er nog een keer aan wanneer we straks in ons aloude Brugge met tegenzin de sluis bij de Dampoort meer ruimte geven?

Net wanneer we de  middendoor gesneden bomenrijen naderen, komt mijn eega aanzetten met nog een aardig voorstel. Zeg, nu we hier toch in de buurt passeren, in Zeebrugge openden ze onlangs een nieuwe kringwinkel! Laten we daar nog een keer een kijkje nemen!
Een wegwijzer meldt heel zakelijk ‘afrit 19, kaaien 400 tot 999‘.

Ook die aan de oude vissershaven …

De vertrouwde weg die Lissewege rakelings passeert, die nemen we gewoonlijk als ’t naar Zeebrugge gaat. Maar hier leidt de gps ons dwars doorheen de bevreemdende omgeving van de haven. Huizenhoge boten, roerloos aan een kade. Stapels containers, luidruchtige vrachtwagens. Een roestige buurt. Hoe je ook in eigen omgeving ver van huis kan zijn.
Maar wij hebben iets met het soort blij makende verrassingen waar kringwinkels in uitblinken. Ook die aan de oude vissershaven in Zeebrugge speelt die rol voortreffelijk.
In de koffer een handvol flessen wijn, de belofte van een lekkere visschotel en een paar tweedehands spullen, meer hoeft niet voor een geslaagde uitstap.

Alleen onze frigobox is teleurgesteld. Op weg naar Zeebrugge, Brugge aan Zee, keek hij uit naar zijn middagje frigoboxtoerisme. In Zeebrugge mag dat, maar ‘t zal voor een andere keer zijn.

Een Zeebrugge-tip … nog tot zondag 21 april loopt daar in de Sint-Donaaskerk een tentoonstelling
‘Honderd jaar Ferry Boats’, een project van verzamelaar Chris Vantorre.

Posted in Het Brugge van nu, Over oorlog, Van proeven en smaken, Zeebrugge, de haven | 5 Comments

Van vaderland en moedertaal

Zo’n vooravond waarop ze in ‘t avondnieuws geen noemenswaardige hoofdpunten kunnen verzinnen, zo’n dag is het in die woonst van ons. En dus kan ik mijn bezigheid van de voorbije dag, het eindelijk opruimen van de zolder, karwei waar mijn wederhelft al zo lang om vraagt, aankondigen als betreft het wereldnieuws. Daar onder de pannen heerst voortaan orde in de chaos! Dankzij ondergetekende!
Bij het aanhoren van mijn trotse tijding verslikt zij zich net niet in het ijsje dat ze zich veroorlooft, na een middag van tuinieren, veranda schuren en avondeten bereiden. Soms legt deze jongen omtrent eigen bezigheden toch maar beter wat bescheidenheid aan de dag.

Bij zo’n ingrijpende reorganisatie als het ordenen van zolders diep je wel een keer dingen op waarvan je wist dat je ze in huis hebt, maar waar je in geen tijden nog aandacht aan besteedde. Zoals die koker waaruit ik een opgerolde strook vergeeld papier opdiep … een stamboom. De stamboom van haar familie.

Die is opgemaakt in verre dagen, toen informatica alleen bestond als moeilijk woord. Toen je alleen met het handmatig uitpluizen van archieven van steden, gemeenten en andere overheden je familieverhaal kon reconstrueren. Een verre naamgenoot van mijn huisgenote zette dat zoekwerk op zijn palmares.
Het uitrollen van het ellenlange blad leert mij dat hij de familielijn van mijn eega tot behoorlijk ver op de tijdslijn wist te achterhalen. In één riedel gaat het helemaal tot het einde van de zestiende eeuw. Dat is de tijd waarin voor het eerst parochieregisters werden aangelegd, die zijn daar misschien niet vreemd aan. En is de felle godsdienstherrie de schuld van het ontbreken van oudere, voor goed uitgewiste sporen?
Imposant oogt het wel, zo’n sliert van lijnen langs allerlei voorvaderen. Met keer op keer een wederhelft, een moeder die heel even een andere familienaam ter sprake brengt, waarna ze weer verdwijnt in de nevelen van de tijd.  Zo gaat het met stambomen. Zolang het lukt om de dragers van de vaderlijke familienaam op te lijsten, maalt niemand om de moeders die kinderen op de wereld zetten. En niet zelden ook grootbrachten.

Want naast de traditionele stamboom
bestaat er ook zoiets als de ‘kwartierstaat’.

Maar kijk, het kan ook anders. Want naast de traditionele stamboom bestaat er ook zoiets als de ‘kwartierstaat’, da’s een heel andere manier van kijken naar ons verleden.
Ha, deze jongen zal het u een keer deskundig expliceren? Welnee, hij is helemaal niet van familiekunde en dat soort expertises. Maar dat van die kwartierstaat, dat charmeert hem wel.
En misschien u ook. Want de aloude stamboom vertelt graag en uitsluitend over vaders en hun nakomelingen. Maar een kwartierstaat vertrekt vanuit één individu, uzelf, bijvoorbeeld. En gaat op zoek naar de vaders èn moeders van zowel uw eigen vader als uw moeder. En zo voort en zo verder, generatie na generatie. Een uitwaaierende kruin van mannen en vrouwen. Dat oogt pas ècht als een boom!

Maar goed ook, weet mijn huisgenote, dat de vrouwen langs die weg hun plek opeisen! Want allemaal goed en wel, mannekes, als ’t erop aan komt gaat het over het ‘vader’-land … maar we doen dat wel in onze ‘moeder’-taal!

Enigszins geruststellend ook, zo’n kwartierstaat, merk ik op. Want omtrent onze moeders bestaat doorgaans wel zekerheid. Maar of al die vaders altijd zijn wie ze denken te zijn, vader van hun kroost?
Onze babbel herinnert mij aan wat ooit werd verteld omtrent de parochieregisters waarover ik het net had. Het verhaal gaat, dat in sommige dorpen de pastoor niet enkel plichtsbewust elke doop, huwelijk of overlijden noteerde. Wist de parochieherder, biechtstoelgewijs, van een buitenechtelijk kind, dan werd ook dat nauwgezet bijgehouden. Want stel, op een schone lentedag had Mietje een oogje op Jantje. Wisten die jongelui veel dat ze dezelfde vader deelden … Hoe de pastoor dat aanpakte, willen we het weten? Geloof me, ’t waren sloebers, onze voorvaderen!

Weet je, zegt ineens mijn vrouw, ’t is vandaag de achtste maart! Mijn verbaasde blik. Wel ja, Wereld Vrouwendag! Ergens voor de Eerste Wereldoorlog legden op een achtste maart in Amerika voor het eerst meisjes en vrouwen het werk neer in de fabrieken!
Trouwens, hoe vrouwelijk is die afficheverzameling van jou eigenlijk, wil ze nog weten. Na wat zoeken diep ik enkele exemplaren op. Niet van zó lang geleden, maar toch met een redelijk gezegende leeftijd. Die hebben het over meisjes en het toch behoorlijk stereotype perspectief dat hen op school werd geboden.
Die avond ontkurken we een flesje.
Zegt zij, we klinken op Vrouwendag! Op al onze voormoeders, vul ik aan.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van zin, zen en zijn | 6 Comments

Plagiaat, kameraad!

Zondagochtend op weg naar de binnenstad ga ik ze goeiedag zeggen, de narcissen in het begijnhof. Dit jaar ontwaakten ze verrassend vroeg, vonden het welletjes met dat slappe wintertje dat we doormaakten. Met het bloeien van die paaslelies lijkt ons begijnhof een plek waar de aardbol zich even van zijn jongste kant laat zien.
’t Is dan ook met ochtendlijke tevredenheid dat ik verder fiets naar het Groeningemuseum, daar is een lezing in de Vriendenzaal. Het gaat over muziek. Over, hou u vast aan uw stembanden, gregoriaanse koorzang. Hendrik Vanden Abeele, geboren Bruggeling, is daar helemaal in thuis. Hij wijst ons die ochtend min of meer de weg door een labyrint van muzieknotaties. Hendrik is ook nog dirigent van een befaamd koor waarmee hij die soms wat slome melodieën verkent.

En dus ga ik de volgende dag in de bib op zoek naar muziek van ‘Psallentes‘, zo heet zijn vrouwenkoor dat al redelijk wat opnames op zijn palmares heeft. Tussen een handvol platenhoesjes treft mij eentje met een naïef, fijn getekend tafereel. Witgekalkte gevels achter hoge boomstammen … ons begijnhof! Een groepje begijnen volgt het pad naar de kerk, ’t is tijd voor het gebed. En in het gras bloeien narcissen.
Gregoriaanse zang en de paaslelies van het begijnhof, soms gooien toevalligheden het op een akkoordje om ons te verrassen.

De rust van mijn affichekamer ruimt graag plaats voor milde, lang vergeten gezangen. Hoe fris en ongedwongen kan oude muziek zich tooien?
Als Psallentes klinkt zoals in vroeger tijden de begijnen, dan is het jammer dat er geen meer huizen in onze begijnhoven.
Gezang uit eeuwen waarin muziek keer op keer nieuw klonk. Of zichzelf recycleerde, dat kwam ook voor. Componisten geneerden zich niet om rond bestaande deuntjes iets nieuws te verzinnen.
Plagiaat? Ach kom, muziek was niemands eigendom, wat ooit door wie bedacht was, wat deed het ertoe?
Ik verlies mij moeiteloos in de deugddoende luchtigheid van die meisjesstemmen. Droom even weg in mijn stoel en wanneer ik mijn ogen open, kijkt vanop een ingekaderde affiche een jonge vrouw op mij neer. Ontwaar ik een verholen glimlach op het gezicht van gravin Johanna? ’t Zal wel zijn, gezang uit haar tijd, dat klinkt vertrouwd.
De jonge gravin prijkt op een afficheontwerp van Flori Van Acker, uit een zomer van bijna honderd jaar geleden. Een affiche omtrent een groots feest in ’t begijnhof. Groots feest? Zat het Brugse begijnhof rond die tijd niet in slechte papieren? De begijntjes waren nog amper met genoeg om te kaarten. En dus gingen stemmen op om de site een andere bestemming te geven. Een verpleegstersschool? Een tuinwijk, waarom niet?

Maar dat was naast Rodolphe Hoornaert gerekend. De rector, zo’n beetje de parochiepriester van het begijnhof, zag het anders. Het hof moest en zou zijn religieuze invulling behouden. Een broodnodige renovatie van het vervallen geheel zou twijfelaars over de streep helpen. Maar voor zo’n plan waren centen nodig. En dus kwam er, die zomer van 1925, een feestelijke, historische evocatie. Dat zou de gegoede burgerij warm maken voor zijn project.

Met het afficheontwerp bevestigt Flori Van Acker zijn gedegen reputatie. De begijnhofkerk achter kale bomen. Een Latijnse tekst, een druiventros, een Vlaamse leeuw. Dat schema wordt prominent doorbroken door de figuur van gravin Johanna. Net als haar opvolgster, haar zus Margaretha, was zij ‘beschermvrouwe’ van het hof. Het gewaad van de statige vrouwenfiguur drapeert zich in zware plooien tot op de grond. In haar rechterhand een bezegelde keure, in haar linker een scepter. En haar doordringende blik van onder haar sluier en grafelijke kroon.
En dan is er nog de Latijnse tekst. In een gotisch lettertype, met afkortingen. Niet simpel, wij kennen geen Latijn. Maar wij kennen iemand die Latijn kent, wat helpt. “Beghinis Brugensibus Vinram” verwijst naar de naam van het begijnhof, ‘Ten Wijngaarde’, waarvan Johanna en Margaretha worden vermeld als grondleggers.

En ja, hoe geloofwaardig staat onze Johanna hier niet afgebeeld. Da’s markant, want er is niet één bron die ons een betrouwbaar beeld nalaat van de middeleeuwse gravin. En dus ging ik er van uit, sinds die affiche bij mij thuis een plaats kreeg, dat Flori zijn Johanna gewoon had verzonnen. Niks mis mee, natuurlijk.
Tot op een keer. Eén of andere feestelijkheid bracht ons naar ’t stadhuis. En wie kwam ik daar tegen? Toch wel Johanna van op de affiche van Van Acker, zeker! Tussen al de figuren op de muurschilderingen van de gotische zaal kijkt de jonge vrouw op ons neer. Zelfde blik, zelfde kledij, zelfde attributen. Wat is hier gaande?

Welnu, die imposante muurdecoratie is werk van Albrecht De Vriendt, een Antwerps kunstenaar, zijn broer Juliaan en de Brugse schilder Omer Rammelaere.

Dat was op ’t eind van de jaren achttienhonderd, zowat een kwarteeuw voor Flori Van Acker zijn affiche tekende.
Ach zo, die sloeber van een Van Acker ging aan de haal met het ontwerp van een ander! Meer zelfs, iedereen kan dat daar op ’t stadhuis aanwijzen. Plagiaat, kameraad!

Momentje, dat vergt enige bijsturing! Flori beroept zich namelijk op een traditie uit vroeger tijden. Want zoals in de middeleeuwen muzikanten vrijelijk melodieën van mekaar leenden, zo namen ook onze Vlaamse Primitieven op hun panelen schaamteloos thema’s van kompanen over.
Geen groter eerbetoon dan het gebruik van andermans ontwerp, dat was de middeleeuwse regel.

Ga je ervan uit dat Flori die oude denkwijze volgde, dan is zijn Johanna een ultiem eresaluut aan de muurschilders van ’t stadhuis!

Wat zou het geven, mochten we de bladzijde omtrent ‘plagiaat’ uit onze regelboeken scheuren? Terug naar de tijd waarin alles van iedereen was, waarheen zou dat leiden? Alleen maar nadelen?
Gisteren passeerde ik weer langs het begijnhof. Nog trotser en nog jeugdiger geel glunderden de paaslelies. En niet eentje vroeg zich af, of ooit de allereerste narcis zich druk maakte, toen zich naast haar een identieke bloem ontvouwde …

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van beesten, planten, Van zingen en spelen | 6 Comments

Een wereldreisje bij de koffie

Met de zilte zeewind in haar haren staat ze die ochtend in Zeebrugge aan de kade. Ze kijkt op naar het immense flatgebouw dat hier vannacht voor anker ging. Samen met een handvol andere gidsen wacht ze tot de cruisetoeristen aan wal komen. Een stel bussen brengt hen naar Brugge en één van die groepen neemt zij voor haar rekening. Neemt hen op sleeptouw doorheen de stad. Timing en parcours dienen strikt gevolgd. Op het voorziene tijdstip maken haar volgelingen een rondvaart op de reien en zij maakt van dat half uurtje dankbaar gebruik om zich te warmen aan een kopje dampende troost in een koffiehuisje vlakbij. ’t Is daar dat zij en ik mekaar treffen.

Ze is tevreden met haar toehoorders, vertelt ze, een geïnteresseerd gezelschap. Zoals bij elke rondleiding, cruise of andere, maakt dat voor de gids het verschil, dat weten we allebei. Zo kreeg ze tot haar verwondering heel kritische vragen toen ze op de Burg vertelde hoe het Heilig Bloed naar Brugge werd meegebracht uit de door kruisvaarders geplunderde, nochtans christelijke stad Constantinopel. Neen, van hun reizen konden die kruisridders maar weinig jolige foto’s op hun facebookpagina posten.

Misschien lukte dat wel voor Anselm Adornes die veel later, in de vijftiende eeuw, vanuit Brugge op bedevaart trok naar het verre Jeruzalem. Daarover kon ik gisteren een heleboel kwijt, vertel ik mijn collega-gids. Engelse studenten die zich met astronomie inlaten, ze logeerden een paar nachten in de Snuffel, wilden een alternatieve verkenning van de stad. Ik nam ze mee naar het ‘stille Brugge’, de buurt van de Jeruzalemkerk.

Wanneer ik daar de trip van Anselm Adornes naar Jeruzalem ter sprake bracht, herinnerde zich één van de jonge sterrenkundigen een astroloog uit de lage landen die in de zeventiende eeuw helemaal naar China trok om er in opdracht van de keizer naar de sterrenhemel te turen. Of dat ook geen Bruggeling was, wou hij weten. Niet dus, al was jezuïet Ferdinand Verbiest wel van onze contreien.
Geboren in Pittem, overleden in Peking, dat klinkt, hé.

En natuurlijk kwam in de buurt van ’t Jan van Eyckplein ook de middeleeuwse havenstad Brugge aan bod. Hoe vanuit Scandinavië en zelfs vanuit het Russische Novogord koopmannen naar onze stad reisden.
Waar ze in onze badstoven, zij aan zij met uit Firenze of Toledo overgekomen handelaars, genoten van wat daar te genieten viel.

Mijn Engelse toehoorders verrasten mij overigens met een nuchtere kijk op de toeloop van toeristen in onze stad, vandaag. Over het welles en nietes omtrent veel of te veel. En dat het elders ook van dat is, wisten ze hun gids te troosten, dagtoerisme is overal een blijver. Maar zelf bleven ze nog een paar dagen in de Brugge, verzekerden ze.

Een half uurtje babbelen is zo om en een koffie zo gedronken, mijn collega-gids haast zich, met onder de arm haar witte bordje met het nummer zeven erop, richting de aanlegsteiger om de hoek. Ik wens haar een goeie rondleiding toe. Ze kijkt lachend om en geeft mij nog een nadenkertje mee … ‘Wie zijn wij, dat we dagjesmensen met de vinger wijzen, alsof Bruggelingen op andere plekken nooit de vluchtige toerist uithangen!’

Ik reken af en wandel de Katelijnestraat in. Waar ik zowaar mijn stel Britse sterrenkundigen tegen ’t lijf loop. Ik neem ze mee naar ’t Walpleintje. Daar is een pand, vertel ik, waarvan de naam jullie zal boeien. Een huisnaam die verwijst naar astronomie! Zij nieuwsgierig! Wat volgt is een gezapige middag in De Halve Maan.

Op zondag 25 februari kan je als aspirant-reiziger in de stadshallen en het Hof van Watervliet terecht op de Reismarkt, georganiseerd door Wegwijzer. Je krijgt er allerlei informatie omtrent alternatieve reisformules.
Meer omtrent de beurs vind je hier … https://www.reismarkt-brugge.be/

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van wielen en op weg zijn | 2 Comments

Scherven delven op de speelplaats … de Jozefienen

’t School, dat is een apekot, parlez vous!
Weet je nog, dat stoute lied van Vuile Mong en zijn Vieze Gasten? Dat olijke deuntje waarop Mong het leven bezong. Dat begon in de crèche en dan ging het langs de school, ’t leger en de fabriek. En alles in het bestaan bleek een ‘apekot‘.
Het apekot’, op de speelplaats van die school van ons zongen wij het graag en uitbundig. ’t Waren andere tijden. Ja, de spellingsregels waren anders – vandaag schrijf je ‘apeNkot’ met zo’n verplichte letter ‘n’ ertussen. Maar ook de wereld om ons heen draaide anders dan vandaag. En wij, we waren jong en zot. Tegendraads genoeg om op de zenuwen te werken van die ene, norse studiemeester. Was die lastige bende niet stiekem een stelletje aanhangers van Amada? Waakzaamheid is geboden, ongezien infiltreert het Maoïsme op onze school! Dat soort dagen waren het.

… een invasie van archeologen

Maar wij groeiden op en leerden over ’t leven. Op straat, maar ook op school. Kregen les van kenners – sommige noemden we vakidioten, we waren niet sterk in genuanceerd oordelen – die hun best deden om ons een stiel bij te brengen. Maar er was ook die leraar Frans die begeesterd vertelde over Jacques Brel. En die andere, die met zijn dromerige blik, die ons leerde over Herman de Coninck en Harry Mulisch.
En natuurlijk dweepten we met muziek, zoals dat hoort bij jongelui. Met onze helden dweepten we, Neil Young en Bob Dylan en al wat tegendraads klonk.
Terwijl onze zussen vielen voor softie John Denver. Of voor Abba, stel je voor!

Eén van mijn schoolmaten had zo’n zus. Ze mocht er zijn, dat ontging niet één van ons. Maar die zus liep hoog op met Barbra Streisand, een ware zeurkous vonden we dat. Jammer, want ook in die ‘meisjesliedjes’ van Streisand ging het soms over wijze dingen. Zong ze in ‘The way we were‘ niet over hoe we ons later onze jeugdjaren zouden herinneren?
“Can it be that it was all so simple then?
Or has time rewritten every line?”

Maar zeuren over vroeger, dat was voor vaders en moeders. Wij waren druk doende met morgen en de grootse daden die de wereld van ons verwachtte.

Die school van weleer en van ons, daar op ’t einde van de Boeveriestraat, ze hebben ze weggehaald. Al die klaslokalen, traphallen, werkplaatsen en speelplaatsen, de klanken en geuren, de kleuren en het licht van die school ruimen straks plaats voor een heel nieuwe woonwijk. Met bulldozers en kranen werden alle herinneringen op vrachtwagens geladen en weggevoerd, niemand weet waarheen.
En het VTI is sinds kort een gloednieuw, afgestoft gebouwencomplex dat aanleunt tegen de Brugeiose.

Scholen die wegtrekken uit het stadscentrum, het is me wat. En het is niet nieuw. Het begon in de jaren zeventig. Terwijl wij luidkeels van ‘Het apekot’ aan ’t zingen waren, ruilde het Sint-Lodewijkscollege, monument in de Brugse binnenstad, zijn aloude huisvesting voor een stek op de rand. Wat vrijkwam heet sindsdien Zilverpand.
En in een recent verleden versaste niet enkel het VTI. Ook Stamina, school met lichtjes alternatief imago, ging weg uit de Jeruzalemstraat, helemaal naar Assebroek.
Maar niet getreurd, Brugge, sommige onderwijsbomen blijven geworteld in jouw binnenstad. Houden voet bij stuk. Zoals die ene school waar ondergetekende, inmiddels al even van de schoolbanken in ’t VTI, zijn beroepsloopbaan begon en ze vele schooljaren later als aanzienlijk minder jonge knaap ook afsloot. De Jozefienen in de Zilverstraat, ze zijn er en ze blijven er.

Al wordt deze al-even-gepensioneerde jongen nu en dan deugddoend verrast door de vernieuwende wind die door de oude behuizing van ‘zijn’ Zilverstraat waait. Zoals deze week, toen hij er getuige was van een invasie van archeologen. In een ouwe stad als Brugge brengen bouwplannen onvermijdelijk zo’n volk aan. Op de twee speelplaatsen in de Zilverstraat groeven die gasten zich enkele dagen in. Op zoek naar wat? Wel, dat is hèt boeiende bij archeologie . Je zoekt maar weet nooit wat je vinden zal.

Of met die opgraving in de Jozefienen geschiedenis werd geschreven? Wel, de proefputten brachten alleszins, letterlijk, een glimp van het verleden van de site aan het licht. Waterputten, funderingen en bouwresten die ons terugvoeren naar een waaier aan eeuwen. Bouwsporen uit de negentiende eeuw met een doodleuk hergebruik van middeleeuwse bakstenen, van die buitenmaatse moefen. Recyclage van toen recyclage nog geen modewoord was.

Een fors, behoorlijk macho ogend,
stalen harnas …

Keramiek en ander aardewerk ook, beenderen van beesten en kleinoden die onze verbeelding meenemen, soms tot helemaal in de dertiende eeuw. Het raadselachtige van zo’n vondsten? Dat onder het Brugge dat we kennen nog een ander, vergeten Brugge schuilt.
Een stad die heel even aan de oppervlakte kwam, daar op de speelplaats van de Jozefienen.
Een stad die ons waarschuwt ook. Laat niet alles verdwijnen, klinkt het. En het komt voor dat wie bouwt, luistert. Ook de Jozefienen die niet alleen op de speelplaats doende zijn met bouwputten. Aan de overkant van de Noordzandstraat vervangen ze een oud bouwwerk door nieuwbouw. Een fors, behoorlijk macho ogend, stalen harnas houdt er de oorspronkelijke, neogotische gevel overeind. Maar goed ook, want een straat is meer dan alleen maar straat. Ze is ook straatbeeld.

Stil hoofdschuddend sta ik een eind verderop, in de Boeveriestraat. Kijk toe, hoe ze ook die vaalgeel gekalkte voorgevel van het VTI stutten. Een bakstenen heimwee naar mijn

eigen verleden, het blijkt mij alsnog gegund. En ik bedenk, terwijl een huizenhoge kraanarm in een vervaarlijke vaart over mijn herinneringen heen zwiert …
We werden wie we zijn, door de dagen die we hier doormaakten. Boeiender tijden dan nu? Zou het?
Or has time rewritten every line?

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen | 12 Comments

Cercleclub Brugge

De bal ligt erover! Pol, de bal ligt erover!”. Drie schrille jongensstemmen vanachter de haag. Een wel vaker gehoorde kreet, in onze tuin goed voor twee perfect voorspelbare reacties. Vanuit zijn garage, waar hij in de weer is met één of ander karwei, komt de genoemde Pol naar buiten. Binnensmonds sakkerend. En vanuit de veranda bij het huis stormt, met aanzienlijk groter enthousiasme, een jonge boxer over het gazon. Om het eerst bij het voetballetje dat zonet met een wijde boog van over de haag ergens tussen onze struiken is beland. Ben ik er als eerste bij, dan is niemand overboord. Dan kieper ik de bal terug naar de buurjongens, waarna een kort “Merci!” aangeeft dat mijn taak erop zit.
Maar is de hond mij te vlug af, kent het verhaal een minder verheugend verloop. Zo’n rond, plastiek ding leent zich perfect om er je tanden in te zetten.

… naast een handvol voetbalpleinen
voor lokale sporters …

Wat volgt is een soort ‘blijde intrede‘ van een triomfantelijk door het groen huppelende boxer, met in zijn kielzog zijn baas die hem luidkeels opdraagt om het onding los te laten. Tevergeefs. Jammer voor de bal die in de kortste keren sissend de geest geeft. En voor de buurjongens.

Voetballers als buren, het overkwam ons lang geleden, toen die van hiernaast nog klein volk in huis hadden. En ’t had zijn charmes, de geestdrift en het enthousiasme van klein grut dat zichzelf de wereldbeker gunt. Het hond-met-bal-moment moesten zij èn wij er af en toe bijnemen. Maar de buurjongens van toen groeiden uit tot forse kerels, trokken al wat jaren geleden de deur van pa en ma achter zich dicht en lieten elders hun eigen kroost op de wereld los.

Al hoort bij de buurt waar wij thuis zijn nog altijd een ander, onlosmakelijk voetbalverhaal. Want we wonen op Sint-Andries en daar heb je, naast een handvol voetbalpleinen voor lokale sporters, een stadion. Dat is u bekend, lezer, dat stadion en het feuilleton dat erbij hoort. Een soap met stilaan meer herhalingen dan FC De Kampioenen. Vreest niet, o lezer, wij besparen u graag een dossier vol ‘voors’ en ‘tegens’.

Maar het allereerste voornemen voor een nieuw voetbalstadion, weet u nog? Iets nabij het klaverblad van de E40 en de Expresweg. Met de ‘Witte Pion’, drukkingsgroep uit het Loppemse, die daar niet content mee was. Naast het voetbalplein werd ook een soort monster-winkelcentrum overwogen, voorwaar geen detail. En ook andere tegenargumenten kwamen op tafel.
Al is het ‘Blankenbergse Steenweg‘-epos zo mogelijk nóg complexer. Heb ik het goed, dat op dit moment sprake is van een stek voor Cercle in die hoek van Brugge en een nieuw stadion voor Club, hier op Sint-Andries?
Een uitgesproken mening? Voor een zwart-wit-kijk op de dingen verwijzen wij u graag naar andere bronnen, ze zijn u bekend. Neemt u vrede met een afgewogen opinie, lees dan rustig verder.
Want wij en ons straatje hier in Sint-Andries, net ver genoeg van het ‘jubelpark’ om enkel het gejubel te horen bij een doelpunt of het gejouw bij een foute fase, waarom zouden wij ons druk maken over voetbal? Enkel nu en dan, wanneer één van onze twee voetbalteams, het blauwzwarte, een min of meer serieuze tegenspeler op bezoek krijgt, zuchten bij ons de anders zo bedaarde huizen. Want dan wurmen zich tussen de bomen in onze straat meer auto’s dan je mogelijk acht. Maar eenmaal het rumoer gedoofd en iedereen terug huiswaarts, is ’t weer peis en vree in onze buurt. Dus wie zijn wij om een bruusk standpunt in te nemen?

Toch even dit. Stel, op Sint-Andries werd nooit een stadion gebouwd. Op die plek wandel je sinds jaar en dag door een lommerrijk stadpark. Op een goeie keer komt één of andere voetbalgoeroe met meer centen dan verstand aanzetten met het voorstel om dat park op te offeren voor een gigantische voetbaltempel. Zou één Bruggeling, op straat of op ’t stadhuis, dat een wijs voorstel noemen?

Blauwgroen Cercleclub Brugge …

En Cercle? Een stadion aan de Blankenbergse Steenweg? Vorige week was er het ‘Brugs Uurtje’, een maandelijkse babbel in de Balsemboom. Dit keer met dokter William De Groote, een meneer die je gerust kan omschrijven als prominent voetbalmens. Ook wie zijn opinies niet deelde, genoot die ochtend van zijn bevlogen maar daarom niet minder speelse vertellingen. Waarbij hij onder meer één van zijn stokpaardjes op het publiek losliet.
Lag het aan de gastspreker van ’t Brugs Uurtje, dan waren Groenzwart en Blauwzwart lang geleden al gefuseerd tot één Brugse voetbalploeg.
Moet kunnen, bedenk je dan, ‘Cercleclub Brugge‘, één team. En er hoeft maar één stadion gebouwd.
Maar waar? Toch niet in ons straatje? Met om de haverklap vanachter de haag de roep van Simon Mignolet of Hans Vanaken, “De bal ligt erover! Pol, de bal ligt erover!
Al kennen wij daarvoor hier ten huize één voorstander. Eentje op vier poten.

Posted in Het Brugge van nu, Van Brugs voetbal, Van sport in 't algemeen | 10 Comments

Ken je ’t verschil tussen een kerk en een café?

Vanmorgen belandt een vriendelijk maar kordaat geformuleerd bericht in mijn mailbox. Het is van een vriend van ons. Zijn naam doet er hier weinig toe, laten we hem N noemen. Het is een verzoek aan mijn huisgenote en mij. Of we toch vooral onze stem willen uitbrengen op die website waar dezer dagen zoveel om te doen is. Website? Veel te doen?
De link die N erbij voegt, klaart één en ander op. Brengt ons bij een landelijk project ‘Erfgoedschatten’. Kort door de bocht komt het hierop neer. Het restaureren van kunstvoorwerpen kost centen. Er zijn meer wachtenden dan centen en dus worden tien op te frissen kunstwerken ‘genomineerd’ en het grote publiek kiest welk stuk met het geld en zodoende met de restauratie gaat lopen.

Niet over Sint-Jacob,
zoals je in die kerk zou verwachten …

En één van die op te kalefateren schoonheden hebben we hier in onze eigenste Sint-Jacobskerk. Dat N zoiets weet, mag niet verbazen. Als ’t om kerken en kunst gaat, hoef je hem niks te leren.
Het schilderij in kwestie is niet van een Memling of een andere wereldnaam, maar ’t is wel een specialleke. Lanceloot Blondeel, de man die het uit zijn penselen schudde, zette er de datum ‘1523’ op. Het vierde dus net zijn vijfhonderdste verjaardag. Een feestje in mineur, want in die vijf eeuwen verzamelde het een boel stof en onfris vuil. Je kan alleen gissen naar de wellicht glorievolle kleuren die Blondeel bedacht. Daarom verdient zijn schilderwerk dringend een deskundige poetsbeurt.

En daarvoor wil N ons dus warm maken, voor het stemmen op dat te restaureren doek. Want dat is het, een doek. Terwijl ze in die vroege jaren vijftienhonderd nog volop op paneel schilderden, kwam Lanceloot Blondeel aanzetten met een doek. Wellicht verbaasde hij daarmee zijn opdrachtgevers, het genootschap van chirurgijns ofte geneesheren van onze stad. Die kregen een kunstwerk dat een heel oud verhaal vertelt. Niet over Sint-Jacob, zoals je in die kerk zou verwachten, maar over Cosmas en Damianus, Cos en Dam voor de vrienden.

’t Is een historie uit de beginjaren van de christenheid. In die dagen liepen Cos en Dam, tweelingbroers, in de kijker. Want ze waren geneesheren en als goeie kristenen hielpen ze armen en behoeftigen. Vrome voorlopers van ‘Geneesheren voor het Volk’. Maar al dat gelovig zijn, dat moest in ’t geniep gebeuren. Kwam aan ’t licht dat je kristen was, bekocht je dat met je leven. En lap, da’s wat ook Cos en Dam overkwam. Eind goed, niet al goed. Maar wel goed voor twee heiligen in één verhaal.

Het schilderij in de Sint-Jacobskerk toont, behoorlijk plastisch weergegeven, de terechtstelling van onze twee broers. Gelukkig voor ons, koos Lanceloot Blondeel ervoor om dat redelijk pijnlijke gebeuren uitbundig te omkaderen. De toeschouwer ontwaart nog amper het centrale tafereel. Later zou de schilder van dat soort omkadering zijn handelsmerk maken.
Enfin, dat kunstwerk verdient, meent N, een restauratie. En daarvoor moet dus gestemd worden. ’t Is maar dat u het weet, onderaan dit cursiefje vindt u de link die N ons bezorgde.
Een wellicht verbazend fris schilderij zou ons zo’n restauratie opleveren. Ons en een kerk die overigens al behoorlijk wat kunst te bieden heeft.
’t Is eigenlijk best wel een aanrader, op verkenning gaan in de Sint-Jacobskerk. En in die buurt waar u, mocht het u iets uitmaken, eerder weinig toeristen tegen ’t lijf loopt. Bruggelingen des te meer.

Tot voor een paar weken had ik daar graag aan toegevoegd, ga vooral een keer langs in café Sint-Jacobs, een paar huizen daar vandaan. Daar opende patron Tom een jaar of zeven geleden een heel nieuw café dat vooral heel oud wou zijn. De terugkeer van het volkscafé had Tom voor ogen. In Café Sint-Jacobs trof je de lokale pintenproever naast de van nostalgie smullende muziekliefhebber. Want de platenhoezen aan de muren vertelden wat je verwachten kon. Vicky Leandros na de Shadows na Adamo en meer van dat.

Dat had ik dus graag verteld. Maar Sint-Jacobs, het cafeetje, is niet meer. Sinds kort sieren van die schreeuwlelijke ‘te koop’- plakkaten de oude trapgevel. Een volkscafé, al die jaren, een buurtcafé. Er is er eentje minder en we hebben er al geen op overschot.

Kwam N hier wel eens over de vloer? In de schaduw van de Sint-Jacobskerk, waar hij zowat thuis is, lijkt mij dat best wel aannemelijk. Wie weet, bleef hij wel een keer plakken. Want hij is vandaag dan wel van kerkfabrieken en confrérieën, ooit zette de jonge student N met genoegen menig bloemetje buiten, toch?
Wie met hem aan de babbel ging in café Sint-Jacobs, leerde een boel bij over onze stad. Toogpraat van een doctor in de geschiedenis, met een rits publicaties omtrent Brugge op zijn naam. De oorkonde ‘Ere-stadsarchivaris’, zou die ingekaderd boven zijn dressoir prijken?
En dan is er dus ook nog zijn vanouds innige band met die kerk, vlakbij. Dat brengt ons bij het raadsel boven dit cursiefje. Of iemand het verschil kent tussen een café en een kerk?
De lezer verwacht hier een pointe van het soort moppen dat aan de toog wordt verteld. Maar die mop, over café en kerk, ik weet niet eens of die bestaat. Maar als dat zo is, kent N hem ongetwijfeld. Dat is hij aan zijn studentikoze verleden verplicht. En aan zijn band met kroegen èn kerken. En anders verzint hij hem wel.
Sluiten we een deal? N verzint de mop en ik inviteer alle lezers om een stem uit te brengen op dat kunstwerk van Lanceloot Blondeel. En halen we de restauratie binnen, dan trakteert N ons een pint, zo kennen we hem.
Kon die drink nog doorgaan in café Sint-Jacob, dan was de cirkel helemaal rond. Dan vertelde ik aan Tom, de barman, “‘Voor de rekening moet ge bij die mens daar zijn!”
“Ha”, klonk dan het antwoord, “bij Noël Geirnaert!”

Dit is ‘m, de link naar het ‘stemhokje’ … www.kikirpa.be/nl/erfgoedschatten-2023

Posted in Het Brugge van nu, Van schilderen en plaasteren, Van zingen en spelen | 4 Comments