Gepost in Zonder categorie, voorlopig | Plaats een reactie

Brugge aan Dominique Berten

Beste Dominique,
we horen je al denken, ‘Ha, nu ik binnen een paar weken als theatertechnicus bij ’t cultuurcentrum met pensioen ga, sturen ze van op ’t stadhuis een bedankingsbriefke, da’s sympathiek!

Dominique in de regisseursstoel …

En ja, ’t is best mogelijk dat  de burgemeester en zijn schepen van Cultuur al doende zijn met het schrijven van hun gelegenheidsspeech. Want er zijn dingen die maar één keer voorkomen en Dominique Berten die met pensioen gaat is daar één van.
Maar dit hier komt niet van ’t stadhuis. Deze brief krijg je van  Brugge, de stad. De stad met zijn torens en poorten, zijn reien, straten en pleinen. Zijn stadsschouwburg, niet in de laatste plaats. Het was de schouwburg, die kokette madame, die met het voorstel voor deze brief kwam aanzetten. De schouwburg, Dominique, al die jaren je maîtresse, is de tel van het aantal avonden die je bij haar doorbracht al lang kwijt. Decors bouwen, lichten richten, micro’s testen, keer op keer.
Toch er was niet alleen de Dominique van achter de schermen. Er was ook Dominique, de regisseur. Met theatergezelschap De Valk als je tweede thuis. Al trokken ze ook elders aan je mouw. Voor de Reiefeesten om maar iets te noemen, maar je liet je evengoed verleiden tot regiewerk voor het lichte genre in theaterland.
Maar klopt het hart van elk theatermens niet vooral òp de bühne? Ergens in een boekje over de Korrekelder steekt nog een foto, jij in je jongensjaren, op dat krappe podium van het vestzaktheatertje aan het Kraanplein. En laatst vertelde je, bij het overlijden van theatermonument Jaak Vissenaken, hoe hij jou op sleeptouw nam, door ons land en Nederland, van voorstelling naar voorstelling. Het ware acteursleven, tot je vijfendertig jaar geleden in de schouwburg van je thuisstad aan de slag ging.
Al bleef de goesting in het acteren wel kriebelen, wat dacht je. Op tv leek de cafébaas met wie inspecteur Van In in de Vlissinghe wel eens een babbel sloeg dan ook heel erg op Dominique Berten.

De Korrekelder, voorjaar 1978 … een toneelaffiche, een jonge acteur …

En dan is er deze zomer ‘De schouwburg vertelt‘, net iets meer dan een tentoonstelling. Een zwerftocht langs gangen, trappen en zalen, waarbij onderweg verrassend ruim het hele levensverhaal van het gebouw wordt getoond. Het initiatief is niet zo bedoeld, maar laat het toch maar een afscheidstoer heten. Een zomer waarmee de schouwburg één van zijn meest trouwe schildknapen uit wuift. Een schildknaap die we in de jaren die volgen ongetwijfeld nog zien opduiken. Want hij heeft, om het op z’n Benny Scotts te zeggen, ‘theater in z’n herte‘. Het Brugse toneelleven is de vijver waarin jij je vis in het water voelt, Dominique, en in die vijver blijf je zwemmen.
Dominique, achter de bib is het Biekorfzaaltje waar je ook beroepshalve thuis was. En daar is ook dat pleintje dat ze om de twee jaar de naam geven van een lokale culturele sleutelfiguur. Mochten ze zich afvragen aan wie ze het nog kunnen toewijzen, mogen ze ons om een voorstel vragen.
Het ga je goed, we komen je binnenkort ongetwijfeld nog wel een keer tegen. Hier of daar in een zaal, tussen de toeschouwers, ik zeg maar wat.

En voor de tijden die volgen, Dominique … break a leg!
Brugge, je stad
PS … en een zoen van de stadsschouwburg …

Gepost in Het Brugge van nu, Over toneel, Van feesten en vieren, Van stoeten en processies | 5 reacties

Rik Slabbinck, zijn huis en zijn straat

Een bescheiden streepje op de wegenkaart zal het worden, het straatje dat straks de naam van Rik Slabbinck draagt. Een straatnaam, het heeft wel iets, maar ’t had ook een huis kunnen zijn dat naar hem genoemd werd.
Van bovenaf gezien is de omgeving van Brugge een lappendeken. Dat merkte u ongetwijfeld al een keer toen u op uw computerscherm het satellietbeeld van ons Brugs Ommeland opvroeg. Google Maps is daar goed in, dat weet u.
Een kleurrijk lappendeken is het met daar middenin, de Brugse binnenstad, als een knoop die iemand lang geleden in het strakke laken legde. Aan weerszijden van die knoop tekenen zich donkere, warmgroene vlekken af. Brugge in het groen, het bos van Ryckevelde aan de ene kant, aan de andere zijde het aaneen genaaide bossenlint van Tillegem en Beisbroek. In het noorden, boven de stad, is van bossen geen sprake. De kleuren, de weidse velden, zijn er lichter. En als was het een ritssluiting, deelt daar het kanaal dat Brugge met Zeebrugge en de zee verbindt, het laken in twee. Wie goed toekijkt, ontwaart links van die ritssluiting een lichtblauwe, grillige vlek. Het is de Sint-Pietersplas in de randgemeente met die naam. Vanuit de lucht lijkt het alsof die waterplas de bebouwing van Sint-Pieters belette om verder de open velden in te palmen.
Wij vertellen u graag over een bijzondere speldenprik die tot voor enkele jaren daar in de buurt op het Brugse landschapslaken prijkte. Over dat huis langs de Sint-Pietersmolenstraat, een huis met een verhaal.

Aanvankelijk, in de jaren dertig, was het zijn schildersatelier. Na de oorlog liet Rik Slabbinck het pand ombouwen tot het huis waar hij ging wonen met zijn vrouw en hun twee kinderen. Je had er ongeremd uitzicht op de weiden en velden, het licht dat door de hoge ramen zijn atelier binnenstroomde vatte hij in zijn schilderwerk.

’t Is deze week dertig jaar geleden dat Rik Slabbinck overleed. Hij maakte het nog mee dat het uitzicht tot aan de horizon, waar de verre duinen het land behoeden voor het zot geweld van de zee, werd doorsneden door dat genadeloze lint, de expresweg. De vooruitgang, geen ontkomen aan. Maar de sloop van zijn kubistische kunstenaarswoning is hem bespaard gebleven. Het huis van Rik Slabbinck stond een tijdlang op een lijst van te beschermen gebouwen. Dus toen het een jaar of vijf geleden tegen de vlakte ging, was daar nogal wat om te doen.
Het was architect Jozef Lantsoght die het destijds in opdracht van de schilder ontwierp. Lantsoght mag dan lang niet de grootste architect zijn die onze regio heeft gekend, hij tekende wel een handvol bouwwerken die nog altijd een stempel drukken op hun omgeving. Nogal wat kerkgebouwen zoals ‘Onze Lieve Vrouw ter Duinen’ in Koksijde. En hier bij ons onder meer het voormalig gemeentehuis van Zedelgem en de watertoren van Sint-Kruis, qua stijl helemaal kinderen van hun tijd.

Was het huis van de schilder van iconische waarde? Het was naar verluidt de stichting Onroerend Erfgoed, een redelijk gezaghebbende stem in die materie, die vaststelde dat het betonnen bouwwerk door de loop der jaren behoorlijk wat tekortkomingen verzamelde. Het aanpassen aan de eisen van vandaag, niet in de laatste plaats aan de huidige energievoorwaarden, bleek amper haalbaar. Waar trek je grenzen?
En al wensen wij wie daar vandaag woont een warme thuis toe, de huizenrij die werd neergepoot waar ooit Rik Slabbinck’s schildersezel stond maakt weinig indruk. Doch ziet, het verslag van een gemeenteraad van een tijd geleden leert ons dat daar in de buurt in een nieuwe verkaveling plaats is voor een Rik Slabbinckstraat. Niet meer dan een onooglijk zijdedraadje in het laken dat Brugs Ommeland heet, maar toch, zoals op een schilderij heeft ook op zo’n lappendeken het fijnste lijntje zijn betekenis.

Gepost in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van schilderen en plaasteren | 3 reacties

Stiene en Stance en de boze vos

Stiene en Stance waren twee madammen die de actualiteit op de rooster legden, veelal met een voorkeur voor Brugse wetenswaardigheden. Aanvankelijk alleen maar als intermezzo tijdens de variétéavonden van revuegezelschap Willen is Kunnen. De twee kletskousen werden vertolkt door mannelijke acteurs die zich voor de gelegenheid in volkse damestenue wrongen. Een travestieshow, maar dan niet van het aangebrande soort gelijk in Parijs.  Wel leutig en braaf zoals het hoorde in een zaal met katholieke allure, de Volksschouwburg ofte de grote zaal van de Gilde aan de Oude Burg. Bij het publiek in die zaal vielen de twee roddelwijven zo in de smaak dat ze elk seizoen opnieuw kakelend van de partij mochten zijn.
Hip, hip hoera voor de koetsiers’ was de titel van de revue van Willen is Kunnen in 1950.

Waarover dat ging, daarvoor laat de ondertitel ‘opdat de stad van Brugge zoe maggen proper zin!’ weinig aan de verbeelding over. Het dwergbestelwagentje dat in onze dagen het parcours van de koetsen volgt om één en ander op te kuisen hadden ze toen nog niet, zodus.

Mochten Stiene en Stance vandaag weer zo’n sketch in mekaar steken, hadden ze het ongetwijfeld eerder over het welzijn van de paarden die dag in, dag uit over de Brugse kasseien trappelen. Voor dierenliefhebbers blijft het een gevoelig punt. Het mag verbazen dat niet meer commotie volgde toen laatst tijdens zo’n ritje één van die brave beesten pardoes dood viel op de Burg.

’t Is daar op de Burg dat al wie geboeid is door de dierenwereld terecht kan voor een kleine expositie met een wel heel bijzonder uitgangspunt. In het stadsarchief hebben ze voor de gelegenheid Mendop losgelaten en dat archiefgezelschap staat garant voor een merkwaardig project. Het letterwoord ‘Mendop’ staat voor ‘Mens en dier op papier’, hoe verzinnen ze het! Die gasten vergaren nu al vele jaren alles wat verband houdt met de relatie tussen het wezen dat mens heet en de rest van de dierenwereld. En daarover hebben ze inmiddels veel, héél veel papieren documenten verzameld. De tentoonstelling die ze voor deze gelegenheid bouwden gaat over wolven, ‘Mendopje en de wolf’. Woordgrapje, jawel.

De voorbije maanden kwam de wolf, zowat het archetype van het dreigende boze beest, heel regelmatig langs in het nieuws. Er zijn na lange tijd weer wolven in ons land, vooral in ’t Limburgse. Hier aan onze kant van dit landje kom je ze voorlopig dus alleen tegen op prenten en documenten in ’t stadsarchief. Uitgestrekte bossen of andere natuurgebieden zijn in onze contreien niet zo talrijk, dus de kans dat je er ineens eentje aantreft in Tillegem of Rijkevelde is minder groot.

Wat niet betekent dat hier enkel konijnen, hazen en eekhoorns de bossen bevolken. Ook bij ons vind je beestjes van het roofzuchtige soort.
Onze thuis is een buurt in Sint-Andries met weliswaar wat groen langs de weg en een paar straten van onze tuin vandaan kom je aan de rand van een bescheiden bos. Maar toch was het schrikken, die frisse voormiddag in ’t voorjaar.
Met een kom met wat groentenresten stap ik achterin de tuin ons kippenparkje in. Met die keukenoverschotjes van mijn kant en dagelijkse eieren van hun kant zetten mijn twee kippen en ik sinds jaar en dag een ruilhandeltje op. Dat ik die keer niet één ei in hun nest vind verbaast mij, maar wanneer ik opkijk, op zoek naar mijn twee vriendinnen, stokt heel even mijn adem. Eén van onze beesten ligt, de keel vakkundig open gereten, levenloos midden het perk. Van haar medekip vind ik geen spoor meer terug.
In de dagen die volgen horen we verderop in de wijk een paar gelijkaardige verhalen. ’t Is het voorjaar, vossen hebben jongen en die jongen hebben honger, luidt het.

Het is stil, sindsdien, in die tuin van ons. Je mist het, telkens één van onze madammen een ei in het nest heeft gedeponeerd, dat uitbundige gekakel, als van volleerde roddeltantes.
Hoef ik je te vertellen hoe wij ze noemden, onze twee kakeldames?

Mendopje en de wolf’,
een tentoonstelling over wolven, uiteraard,
in het Brugse stadsarchief op de Burg,
tot zondag 22 augustus.

Gepost in Het Brugge van nu, Van beesten, planten, Van zingen en spelen | 5 reacties

Ann Soete, Jasper Pillen en een burgemeesterssjerp

Er is goede raad en er is gemeenteraad …

Zo, we kunnen weer op café! Miste de waardin haar klanten of was het eerder andersom? Misschien is het wel de toog, debattafel van elke treffelijke staminee, die het meeste uitkeek naar zijn tooghangers. Maar zelfs dat meubel wist, ooit keert alles terug. Ook, en vooral, de diepzinnige gesprekken waarop herbergen sinds mensenheugenis een patent hebben. Eindelijk kunnen we weer de groten der aarde op hun plaats zetten en al wie in ’t nieuws komt tegen ’t licht houden.
Neem nu onze plaatselijke bestuurders, onze burgemeester en zijn schepenen voorop.

“Wat denk je, Omer, ik burgemeester van Brugge, voor een keertje?”
“Burgemeester nog wel, Stella!”
“Zeker weten, ‘k zou ’t heel anders doen dan die politiekers van ons! Dat ze er een potje van maken, tot daar aan toe. Dat doen wij in ons eigen ménage ook wel een keer, maar we komen er tenminste niet mee in de gazet. Neem nu die Jasper Pillen. Die heeft een nieuwe job gevonden en hij had er al één! In Brussel zit hij in ’t parlement en nu wordt hij hier bij ons ook nog schepen!”
“Ja, Stella, da’s waar, meiske, maar hij heeft nu de plek ingenomen van Ann Soete. Dat waren ze na de verkiezingen overeen gekomen.”
“Politiekers die overeen komen, ’t is een keer wat anders!”
“Allez, Stellatje, ge moet niet overdrijven, die mensen doen ook maar hun werk! Ge kunt veel zeggen, maar probeer maar een keer een stad gelijk Brugge draaiende te houden zonder politiekers! Als gij burgemeester wordt, ge zult nogal verschieten!”
“Ewel, ‘k zou dat helemaal zien zitten! Zolang ze mij niet lastig vallen met één of andere pandemie. En ook niet met al die bouwwerken, een berushal hier en een museum daar en wat nog allemaal. En over voetbalstadions moeten ze al helemaal niet beginnen! Enfin, als ze mij met al zo’n futiliteiten gerust laten lijkt mij dat best wel een aangename stiel, burgemeester zijn. Trouwens, Omer, wat gaat Ann Soete nu doen?”
“Weer muziekskes verkopen in haar winkel aan de Mallebergplaats, zeker? Niks meer in de politiek, alleszins. Ze heeft van den anderen kant wel al een boel ervaring op dat vlak! Er zijn er weinig die kunnen zeggen dat er drie politieke plakaatjes op hun affiches hebben gestaan!
“Drie?”
“Ewel, ze begon indertijd bij de N-VA, dat was toen die partij samen met die van de CD&V op één lijst ging staan, weet ge nog? En achteraf is ze bij de Liberalen beland. Ervaring zat, dus. ‘k Zie ’t al gebeuren dat ze nu haar memoires schrijft!
“Een vrouw minder in de politiek, da’s spijtig!”
“Voilà, Stella, nòg een reden om voor die burgemeesterssjerp te gaan! En onthou mijn goeie raad, dat elke politieker begint bij de ècht belangrijke dingen.”
“Hoe dadde?”
“Met op café alleman te trakteren!

Voilà, de cafés zijn weer open. ’t Was de hoogste tijd, want wie zal de wereld verbeteren als wij het aan de toog niet doen?

Gepost in Het Brugge van nu, Van Brugse politiek, Van feesten en vieren | 3 reacties

Tony Willems, Simon Bening en een nieuwe kraan op het Kraanplein

Weet u nog, de stadskraan die de leerlingen van het VTI bouwden? De reconstructie van het houten monument was een blikvanger in ons straatbeeld, toen in 2002 Brugge Culturele Hoofdstad van Europa mocht spelen.
’t Was een jaar dat herinneringen opriep aan de èchte gloriejaren, de middeleeuwen, toen de stad handelsvolk uit de vier windstreken over de vloer kreeg. Toen het Zwin de oprijlaan was waarlangs zeeschepen tot in Damme en Sluis zeilden. De vracht die ze aanbrachten werden langs een verre voorloper van de Damse Vaart tot in Brugge gebracht. En voor het lossen van die spullen diende dus die kraan. Simon Bening was toen een befaamd miniaturist, zo’n knaap die dure boeken verfraaide met piepkleine schilderijtjes. Op één van zijn minutieuze prentjes zie je de stadskraan in volle glorie en werking.

Dat miniatuur werd het campagnebeeld van een tentoonstelling waarmee Brugge terugblikte op zijn florissante handelsverleden, een expositie met de naam ‘Hanze@Medici’. Dat was in dat Brugse pronkjaar 2002. Zo’n titel met een apenstaartje erin oogde lekker trendy, in dagen waarin het internet zich aandiende als hèt nieuwe ding. En op de affiche lieten ze één van de figuurtjes zeggen ‘Ik mail je morgen mijn offerte’. Zo van, kijk eens, we zijn dan wel een oude stad, maar wel mee met onze tijd!
Vandaag hebben we nog altijd een straatje dat Kraanrei heet. Stiekem onder de grond loopt daarlangs nog een waterloop. En wij, we hebben een goeie reden om hier ons aller Tony Willems ter sprake te brengen. Tony, in zijn gloriedagen gekend als regisseur van stoeten en processies, heeft een boontje voor die ondergrondse reie en wil de stad over de streep halen om dat waterloopje deels weer open te leggen.

Komt daar iets van terecht, dan hoort u het van ons, maar in afwachting stroomt dat stille water braaf onder het huidige Kraanpleintje door. Op de miniatuur van Simon Bening zie je hoe de stadskraan daar vlakbij dient voor het lossen van wijnvaten. En terwijl de ‘kraankinderen’ zich in het kraanwiel in ’t zweet werken, wordt lustig wijn geproefd.

Dorst? ’t Was in de buurt van het Kraanplein dat je moest zijn! En kijk, sindsdien is dat pleintje altijd dorstig gebleven. Weten we van diezelfde Tony Willems, die daar in zijn jonge jaren in de befaamde Korrekelder, het miniatuurtheatertje, in de weer was. Toneelmens, wat wil je. Laatst vertelde hij ons hoe toeschouwers èn acteurs in dat krappe keldertheatertje noodgedwongen langs de enige toegang binnen en buiten wandelden … voorbij de bar. Hoe je als acteur, eenmaal de schmink  van je snoet gewassen, geen andere keuze had dan met je toeschouwers aan de toog te blijven hangen. Dorstige buurt, het Kraanplein.



En dan vermelden we nog de Vuurmolen niet. Vele jaren lang dè stek waar je als Bruggeling ging feesten, doorzakken, een lief versieren of dat lief de bons geven en een ander lief binnendoen. En pinten drinken, dus. Tot een handvol jaren geleden, toen in de Vuurmolen het laatste lege vat werd buiten gedragen. Het Kraanplein bleef achter, verweesd en dorstig.
Maar ziet, de voorbije maanden werd dat stukje Brugge heraangelegd. En vandaag doet die hoek zijn reputatie opnieuw alle eer aan, kan je er weer terecht voor leute, vertier en bier. Ook weer in de Vuurmolen, hèt voormalige ankerpunt, dat zopas een nieuwe naam kreeg èn een heel nieuw elan. Het is, als vanouds, weer een plek waar je je dorst laven kan.
Dus ja, er is een gloednieuwe kraan op het Kraanplein.
Een tapkraan is ook een kraan. Toch?

Gepost in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Over toneel, Van feesten en vieren, Van stoeten en processies | 8 reacties

Wachters aan de Gentpoort

Tot eind juni blijft wie naar Brugge komt veelal gespaard van ‘bruggenmiserie’. Wegens werken bij de Dampoort komen geen vrachtboten langs. Even zijn er minder ‘wachters aan de poort‘ …

Fiets je wel eens vanuit Assebroek naar de binnenstad, ben je af en toe wachter aan de Gentpoort. Da’s niet om mee te lachen en dat doe je dan ook niet. Dan zucht je, samen met alle anderen die je lot delen, en hou je je klaar.  Een legertje fietsers, schouder aan schouder. De blik, stuurs over het stuur, stadwaarts gericht. Het heeft iets van een troep strijders, uitziend naar een teken van de hoofdman om de poort te bestormen.
De Gentpoort kan ervan meespreken, van zo’n dreiging. Al is het lang geleden, ze herinnert het zich nog.  Er waren nog geen fietsen, wie naar de stad kwam deed dat te voet, te paard of met paard en kar. Maar soms kwamen ze ook met kwade bedoelingen. Dan waren ze daar ineens met velen tegelijk, met man en macht, met zwaard en pijl en boog in de aanslag.
De stadspoorten hadden allemaal iets van een versterkte burcht. Zo had de Gentpoort een zogenaamde ‘voorpoort’, letterlijk voor het hoofdgebouw.  En stadswachten die

paraat stonden bij het hierboven omschreven onheil. Wachters aan de Gentpoort, ’t was niet om mee te lachen en dat deed je dan ook niet.
De voorpoort werd in de jaren zeventienhonderd gesloopt. Ze maakte plaats voor een draaibrug, zodat boten vanuit Gent langs de ringvaart de coupure konden bereiken. Het hoofdgebouw bleef gespaard, niet zelden kreeg zo’n poort een nieuwe invulling als kantoor voor het innen van belastingen op ingevoerde goederen, het werk van een soort stedelijke douane. Wachters aan de Gentpoort en daar viel niet mee te lachen. Wie spullen invoerde deed dat dan ook niet.
Maar ook die tijd ging voorbij en in de vele jaren erna vroeg de Gentpoort zich soms af waartoe ze nog diende. Tot iemand op het idee kwam om er een museum in onder te brengen over de geschiedenis van de stadswallen. Het museum kwam er, bezoekers amper. Het museum ging weer dicht.
Maar kijk, sinds enkele weken is weer leven in de poort. De gidsen van de Gidsenbond hebben ze ingepalmd. Met vreedzame bedoelingen, wat had u van stadsgidsen verwacht?
En hoewel niet meer het glorieuze bouwwerk van in haar gloriedagen, is de Gentpoort nog altijd een imposant ding, van buiten èn binnenin. Wanneer je langs de eeuwenoude wenteltrap

naar boven klautert, wacht je een verrassende uitkijk over de stad en zijn wijde omgeving. Vanuit een gedroomd nest waar onze stadsgidsen reikhalzend uitkijken naar de terugkeer van wie Brugge wil bezoeken. Nooit eerder was het zo’n beloftevolle job , wachter aan de Gentpoort.

Een verkenning langs Brugse trekpleisters, een geleid bezoek aan de Triënnale, een fietstocht in het Brugse, een originele themawandeling, daar hebben we stadsgidsen voor: https://www.bruges-guides.com/

Gepost in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van toeristen | 8 reacties

Van zeven burgemeesters

De klasfoto kwam onverwachts aan het licht, zat al die jaren verstopt, achter in een lade. Een twintigtal knapen, de ene is al meer opgeschoten dan de ander, de ene sukkelt allicht meer met acné dan de ander. En bij enkelen mag van thuis hun haardos wat langer. Maar allemaal met zo’n onmogelijke olifantenpijpen-broek en veelal met houthakkershemd. Schooljongens in een Brugse school in de jaren zeventig. Er is wat te doen in ’t stad, in die tijden. We horen geroezemoes, hier en daar. Brugge heeft een burgemeester en daar zijn nogal wat mensen niet content mee.

Hij heet Michel Van Maele en binnen zijn partij, de in het nieuwe Groot Brugge redelijk oppermachtige CVP, is hij dè sterke man. Ambitieuze mens en als je sommigen mag geloven is hij het vlees geworden eigenbelang. Althans, dat lezen we met graagte in een stadskrant met een naam die voor twijfel weinig ruimte laat: de Lastige Bruggeling. Dat gazetje ligt hier en daar. In de Cactus, onder meer, cafeetje waar ze tenminste goeie muziek draaien. Links oord, al vinden we dat eerder bijzaak. We volgen dat politiek gedoe graag, maar vanop de zijlijn. Hebben andere dingen aan het hoofd. Er zijn lessen en soms examens en tussendoor moet ge ook nog aan een lief zien te geraken. Het leven van een jonge gast, geen sinecure.

Maar toch, dat tot de verbeelding sprekende tumult, daar leer je veel van. Over Van Maele die amper een jaar of vijf eerder de burgemeesterssjerp heeft afgesnoept van zijn partijgenoot Pierre Vandamme. Dat geschiedde onder niet heel zachte dwang. Maar er komen verkiezingen, najaar 1976, waarbij Van Maele naar de oppositiebanken wordt verwezen. Frank Van Acker is nu burgemeester. Zijn vader Achille was een legendarisch eerste minister, maar een socialist als burgemeester? Neen, dat was in Brugge ongezien.



En je groeit op en blijft die lokale politiek volgen. Bij het plots overlijden van Frank Van Acker komt Fernand Bourdon in zijn plaats, een paar jaar. Om dan de fakkel over te dragen aan een jonge Patrick Moenaert en zo zijn we weer bij de ‘tsjeven‘. Moenaert houdt merkwaardig lang stand. Te lang, fluisteren sommigen, ook in zijn eigen rangen. Zijn gedoodverfde opvolger, Dirk De fauw, moet het in de spurt met een banddikte afleggen van Renaat Landuyt, weer een sos. Maar zes jaar later moet Renaat zijn rivaal Dirk De fauw toch laten voor gaan.
Dat vertel ik allemaal aan dat ene gastje op die klasfoto, op de eerste rij, derde van rechts, onmiskenbaar één van de kleinsten van de bende. Maar hij luistert niet echt, is meer geïnteresseerd in wat er van hemzelf worden gaat. Ik kan hem gerust stellen, hij zal zijn draai wel vinden. O ja, en een lief.
In het najaar van 2018 bouwden wij, tijdens het erfgoedweekend, in het Rijksarchief een tentoonstelling omtrent Brugse verkiezingsaffiches. Er kwam behoorlijk wat volk over de vloer. Ruime belangstelling ook vanwege plaatselijke politici, de toenmalige burgemeester incluis. Of dat iets van doen had met de gemeenteraadsverkiezingen van dat najaar?
Een kort filmpje over die tentoonstelling vindt u hier: https://www.youtube.com/watch?v=jjGU_IwMnYk

Gepost in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Over affiches verzamelen, Van Brugse politiek | 8 reacties

Horen, zien en … Spermalie

Wat wij ons uit onze prille levensjaren herinneren, is het vooral wat we zagen of eerder hetgeen we  hoorden? Of gaat het om geuren? Zintuigen laten mekaar zelden los, in onze memorie zal dat ook wel zo zijn.
Ergens in de verste uithoek van mijn herinneringen ben ik het ukkie dat liefst achter moeders rokken aan loopt. Mijn ma en ik staan op de koer bij de achterdeur van het huis. Ik, veilig dicht bij haar, de twee mannen die langs komen ken ik niet. Tussen ons in staat, op de grijze tegelvloer, iets wat op een buitenmaatse dokterstas lijkt. De tas staat open, ze steekt vol met allerlei flesjes en potjes. De ene meneer voert het woord, hij vertelt mijn moeder wat hij allemaal te koop aanbiedt, van alles voor madammen, parfum en van die dingen. Uit zo’n flesje laat hij mijn ma een zoete geur opsnuiven. Ik wil ook even ruiken maar de man ziet het knaapje aan zijn voeten over ’t hoofd, letterlijk.

Het ‘blindenbloempje’ …
meer ‘verbloemend’ kon het niet worden. Maar ’t was goed bedoeld … ‘ten bate van onze meest beproefde broeders, de blinden‘.

De andere meneer staat erbij, zegt amper iets. Daarom kijk ik ietwat schuw naar hem op. Maar vooral om de manier waarop hij ons vanachter zijn wel heel donkere bril niet lijkt aan te kijken. Heeft hij een witte wandelstok bij?
Het is de eerste keer dat ik met een blinde in contact kom. Een venter die van deur tot deur ging, met in zijn gezelschap een blinde man. Een zinnige tijdsinvulling voor iemand met een visuele beperking? Of had het, in plaats van met integratie en betrokkenheid, eerder iets van een stout trucje? Werd hier slim ingespeeld op de compassie van de klant?
Zoals ik mijn ma heb gekend, is dat die middag zonder twijfel gelukt. De vreemde mannen waren weer weg, mijn ma vertelde aan mijn vader dat ze, terwijl de verkoper in zijn auto wisselgeld haalde, even in de tas rommelde, kijkend of ze nog wat kon gebruiken. Ze had dat nadrukkelijk gezegd aan de blinde meneer.
Die mens hoorde mij bezig maar zag het niet, ‘k wou hem gerust stellen dat ik niet stiekem iets wegnam. ’t Zijn toch echt wel dutsen, hé, zo’n mensen!’
Da’s wat je bijblijft. Ik zie ze staan, die mannen. En ik hoor mijn moeder rammelen met doosjes en flesjes. Alleen de geur is mij, hoe kon het anders, ontgaan.

Een aankondiging van het Brugse Spermalie, een niet nader omschreven ‘tentoonstelling en revue‘, die doorging in het Instituut Heilige Familie in Ieper.

Vele levensjaren later komen mijn vrouw en ik en een kennis van ons langs in het Arentshuis. Er loopt een tentoonstelling over hulpmiddelen voor mensen met een visuele beperking, ‘De wereld binnen handbereik. In het deel van mijn leven dat zich afspeelde tussen die middag in mijn kindertijd en dit museumbezoek, is één en ander omtrent visuele beperkingen mij enigszins vertrouwd. Mijn wederhelft bracht haar hele beroepsloopbaan door in Spermalie, het instituut dat voor deze tentoonstelling een flink deel van zijn archief naar het Arentshuis overbracht.
Maar toch kom ik hier verrassende verhalen te weten over wat in ’t verleden allemaal aan hulpmiddelen werd bedacht voor en door blinden en slechtzienden. Didactische spullen waarbij horen, voelen en ruiken het zien compenseren of daar toch toe bijdragen. Wie weet, liep die meneer wiens zwijgzame blik me destijds verontrustte ooit school in Spermalie. Dan benutte hij misschien wel ’t één en ander van wat hier vandaag getoond wordt.
Terug buiten, houden we even halt op het bordes van het museum. Met forse tred komt een paard met koets door de poort van het hof van Arents. Mijn vrouw en ik zien en horen ze. De vriend die ons vergezelt, tikt even ritmisch met zijn blindenstok op de arduinen stoep en lacht: ‘Ik hoor ze en ruik ze!

De tentoonstelling ‘De wereld binnen handbereik‘,
loopt tot het laatste weekend van augustus in het Arentshuis.

Gepost in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen | 6 reacties

Bob Dylan in Brugge

Waarmee kon je, op die voorjaarsavond van het jaar 1984, het aftandse voetbalstadion in Schaarbeek het best vergelijken? Misschien met het toen al lang verlaten, maar nog overeind gebleven oud plein van Cercle Brugge langs de Torhoutse Steenweg? Onder de dreigende regenwolken oogden de schamele tribunes rond het bescheiden stadion, daar in Schaarbeek, niet als een uitnodigende plek voor het concert van één van de grootheden uit de muziekwereld. Hoewel … de charme van vervallen oorden.
’t Was voor Bob Dylan dat zo’n kleine twintigduizend muziekliefhebbers het Brusselse voetbalplein hadden ingepalmd. Ze hadden best wel uitgekeken naar die avond. Want al stond de singer-songwriter er misschien zelf niet bij stil, ’t was de allereerste keer dat hij optrad in ons land. Dat het zijn eerste concert was waarop mijn goeie vriend Patrick en ik present waren, wist hij allicht ook niet.
Carlos Santana, als gitarist ook geen kleintje, zorgde voor een voorspelbaar maar schoon voorprogramma, en in de begeleidingsgroep van Dylan speelde ex-Rolling Stone Mick Taylor. Om maar te zeggen, we vertoefden in goed gezelschap. Maar de meute muziekliefhebbers kwam voor de meester zelf. Voor hem en zijn iconische klassiekers.
En ergens op dat drassige voetbalveld vond je dus ondergetekende en zijn boezemvriend, dertigers maar puberaal content om erbij te zijn. Op de terugweg naar het nachtelijke Brugge, de ruitenwissers vochten verwoed met de slagregen, vroegen wij ons af waarom de organisator het concert liet doorgaan tussen overjaarse tribunes van een aftands voetbalstadion. Ja, ’t was echt wel het Brusselse equivalent van ons oud Cercle-plein.
Voor jongere lezers, dat bejaarde Brugse voetbalplein lag dus nabij de Torhoutse Steenweg, veel later bouwden ze daar de Magdalenazaal. Wie meer levensjaren verzamelde, herinnert zich misschien nog dat Edgard De Smet-stadion. Cercle was er thuis tot midden de jaren zeventig. Nadat ze met Club naar Olympia verhuisden, bleven de tribunes rond het stille plein nog jaren overeind.

Bob Dylan, live op ’t oud Cercleplein,
donderdag 7 juni ’84 …

Welaan dan, als het zo nodig op een verkommerd voetbalveld moest! Dan hadden ze Dylan, in plaats van ginder in Brussel, net zo goed een podium kunnen geven op ’t oud plein van ons eigen Cercle! Konden deze fan en zijn kameraad, gewoon met de velo naar Bob Dylan!
Met zijn tournee, waar die avond in Schaarbeek deel van uitmaakte,  was de grote liedjessmid blijkbaar content, want achteraf liet hij er de langspeler ‘Real Live’ mee vullen. Dus met wat geluk stond die plaat vol met Brugse opnamen. ‘Real Live at Edgard De Smet Stadium, Bruges’, zoiets. Toegegeven, op zo’n hoes valt het rock&roll-gehalte van dat ‘Edgard De Smet Stadium’ wat magertjes uit, maar toch.
Inmiddels is Dylan niet meer in de fleur van zijn jaren. De legendarische bard werd deze week tachtig. De kans dat hij ooit nog op een Brugs podium staat wordt er niet groter op. Hoewel. Hallo, Cactus? Maar weet je wat, Patrick Keirsebilck? Die Dylan is echt wel een taaie, hij gaat nog wel even mee. Dus wacht gerust nog vijf jaar, tot zijn vijfentachtigste. Dan zit een schone Brugse lijn in dit verhaal. Want tien jaar geleden, op Bob’s zeventigste, organiseerden fans hier in Brugge al een keer een ‘Birthdayparty‘. Bij zijn verjaardag vijf jaar later, speelde een feesttent vol Brugse muzikanten een avond lang Dylan-songs. Dit jaar kan dat niet, om de alom vermaledijde reden. Maar, Cactus, hebben jullie binnen vijf jaar nog een  plek over op jullie affiche, je weet wie naar hier gehaald! Hou alvast twee plekken vrij in ’t fietsenrek!

Brugse verjaardagsfeestjes voor Bob? Jawel, de ouwe mag niet klagen over zijn Brugse aanhang. Bij zijn zeventigste ging hier al een keer een feestavondje door. En vijf jaar later vierde zowat het hele Brugse muzikantenlegioen zijn verjaardag in een spiegeltent bij de molens.

Gepost in Van 't Cactusfestival, Van Brugs voetbal, Van feesten en vieren, Van gitaren en drums, Van zingen en spelen | 6 reacties

Over Benny Scott en … foute muziek

De filosofen!” laat mijn wederhelft weten vanuit het salon, en ik veer op van mijn bureaustoel. Mijn zoals altijd uitermate belangwekkende bezigheid op mijn pc moet even wachten. Want ‘De filosofen’ komen op tv!
De bijdrage van uw dienaar aan de landelijke kijkcijfers is bescheiden. Maar op maandagavond spendeert hij met graagte een korte tijdspanne voor de kijkdoos des huizes. Want Jean Paul Van Bendegem en Ignaas Devisch palmen weer het scherm in met het korte item ‘Doordenken’. De heer Van Bendegem is alom gekend als filosoof, zijn gesprekspartner Ignaas wordt dat stilaan ook. Want het praatje dat de mannen slaan is aangenaam kijk- en luistervoer. Een paar minuten ‘Filosofie voor Dummies’, bondig en met welkome kwinkslag. In het rustieke interieur dat als decor fungeert, badineren de geleerde mannen dit keer over de levensbelangrijke vraag ‘Bestaat er foute muziek?’ Aannemelijke overwegingen passeren de revue, min of meer zinnige besluiten volgen.

Terug bij mijn vertrouwde computer, merk ik dat iemand van de krant een mailtje stuurde. De redactie wil iets ondernemen omtrent een bekend Brugs lied, lees ik. Ze bedoelen “‘k En Brugge In m’n Herte!”, van de in Brugge wereldberoemde Benny Scott. Of ik misschien een affiche heb liggen over die mens?  Eén van de handige kanten van mijn collectie is dat alle affiches zijn ondergebracht in thematische, genummerde mappen. Muziek, bijvoorbeeld. Klassiek in een map, rock of jazz in weer andere. In één zo’n map, tussen affiches van Will Tura, een vergeelde plakbrief over Roger Danneels, schlagerfestivals in de beurshal, vind ik een paar affiches van Benny Scott. Op de map waarin ze steken, staat ‘Lichte genres’. Zou je, met wat daarnet op tv werd verteld, die reeks ook als ‘foute muziek’ kunnen omschrijven? Welnu, niet volgens de hogergenoemde wijsheren.

Benny Scott, 10 x 7 … ofte een optreden bij zijn zeventigste verjaardag.

Want wat bedachten zij omtrent ‘foute muziek’? Na enig telegeniek geredeneer merken de nadenkers fijntjes op dat ‘fout’ enkel zin heeft als in dezelfde context ook ‘juist’ van toepassing is. En er bestaat niet zoiets als ‘juiste muziek’. Dat is, nou ja, juist. Muziek, een symfonie of een lied, raakt je of doet dat niet. Punt.
In het verre verleden waarin ondergetekende zijn apenjaren beleefde, haalden hij en zijn vrienden muziek in huis van de Rolling Stones of Van Morrison. De Vlaamse hitparade was goed voor gegrinnik. Veel te commercieel, hé! De woorden ‘foute muziek’ waren nog niet in voege, maar we bedoelden hetzelfde.
Vandaag, vele muziekjes later, laat deze jongen zijn pc zoeken naar “’k En Brugge in m’n herte!”. En stelt vast dat verdorie zowat elk woord in dat simpele lied hem op het lijf geschreven lijkt. De volgende ochtend betrapt hij het refrein erop, dat het de hele dag door zijn hoofd blijft dansen. Het herinnert hem aan de tijd van toen, wanneer een veel te commercieel deuntje uit de Vlaamse Top Tien hem ook wel een keer een etmaal lang kon ‘ambeteren’. Toen vond ie dat gênant. Vandaag heeft hij met plezier en lichte trots “Brugge in z’n herte!” Met dank aan twee filosofen … èn Benny Scott!
De term ‘foute muziek’, zei u? Gewoon een foute term!

Een link naar het lied?
Hier komt ie … https://www.youtube.com/watch?v=Gn-XyQpGdLY

Gepost in Het Brugge van nu, Van zingen en spelen | 9 reacties

Jezus was een socialist!

Ook dit Brugse voorjaar gaat voorbij zonder Meifoor. En zonder Heilig Bloedprocessie. Het zet ons aan ’t mijmeren … over kermisleute en godsdienstlessen …

Laten we het een keer hebben over de bevrijdingstheologie … Pardon, de wat? Geen nood, hier volgt ter duiding een hapje godsdienstles. Van op de schoolbanken in de jaren zeventig herinner ik mij, eerlijk waar, niet bijster veel lesinhoud. Maar die van een jonge priester met een heel eigen kijk op de Leer van de Heer, die is me bijgebleven. ‘k Weet nog hoe in die slordig maar enthousiast gegeven godsdienstlessen van hem het evangelie klonk als de ultieme oproep tot bevrijding van alle verdrukking. Geldgewin? Dividenden? Zonde! Die van Nazareth, hij sprong in de bres voor de sukkelaars! Jezus was gewoon een rooie rakker! Nogal wat klasgenoten trokken de schouders op. Ondergetekende en zijn vrienden vergaapten zich aan zo’n denkpiste, die volgens onze leraar kwam overgewaaid vanuit het getormenteerde Latijns Amerika. En ja, die kleurrijke namen die bij dat discours hoorden, Camilo Torres, Ernesto Cardenal, ’t had wel iets.
Dat ik hier en nu aan dat pleidooi terugdenk, ’t is door de Heilig Bloedprocessie. Want wat vertelde dat jong pastoorke ook alweer? Jezus, een linkse jongen, da’s één ding. Maar dat ze dat voor het eerst in verre landen bedacht hebben, daar willen we wel nog een boompje over opzetten. Want dat Jezus een sos is, dat zeggen ze in Brugge namelijk al van in de tijd van onze grootouders.
Het zit namelijk zo. Het komt voor dat de Heilig Bloedprocessie uitgaat bij schoon weer. Geen gemopper, wat dacht je. Maar laat het een keer regenen op ‘Heiligbloeddag’, ge zult wat horen! Gegarandeerd herinnert iemand zich dan dat enkele dagen eerder, op de eerste mei, de optocht van de socialisten door de stad trok onder een stralende zon! En voilà, dan haalt altijd wel eentje de oude Brugse wijsheid van stal haalt: ‘Ziet ge wel, ons Heere is voe de sossen!

Het Volkskundemuseum toont in 2013, naast kermisaffiches uit onze collectie, foto’s van Nick Hannes. Nick, die ook de schapen hierboven vereeuwigde.

Al heeft de Heilig Bloedprocessie veelal toch ook de weergoden aan zijn kant. Oeps, de Zoon Gods en zoiets heidens als ‘weergoden‘, samen in één zin? Het hoort niet, ‘k weet het. Maar ach, onze plechtige hoogdag is wel meer tegenstrijdigheden gewoon. Zie de schapen die processiegewijs langs de Meifoor passeren.
De verwondering van de toeschouwers verbleekt bij de devote verbazing van de brave kudde. Want wat doemt op in de achtergrond? De lugubere gevel van ‘Devil’s Manor’! Een verderfelijk oord dat grijnzend wacht tot al dat plechtstatige voorbij is. Waarna het godvruchtige volk zich omdraait en zich gulzig in al het zondige van de kermis stort.
De foorkramers houden zich nog even stil. Om dan meteen hun kermisgejoel te hervatten, zoals ’t hoort. Jezus, die ’t volgens sommigen niet zo begrepen had op geldgewin, en zijn processie, ze zijn gepasseerd, laat rinkelen die kassa! Trouwens, als ’t waar is, dat ons Heere in zijnen tijd aan de kant stond van de kleine man, dan kwam je hem toch zeker ook een keer tegen op de kermis?

Gepost in Het Brugge van nu, Van feesten en vieren, Van stoeten en processies, Van zin, zen en zijn | 7 reacties

‘De ontdekking van de hemel’ door Pieter Aspe …

… een boekbespreking?

Hoe zal ik je aanspreken, als Pierre of als Pieter? ‘k Wou je hoe dan ook melden dat ik, bladerend door de honderden bladzijden van  het dikke boek, die ene alinea terugvond. Ik wou je erover vertellen. Het is geen sleutelmoment in ‘De ontdekking van de hemel’, het grootse verhaal van Harry Mulisch, maar toch zijn die paar woorden me bijgebleven. ’t Is wanneer het hoofdpersonage voor het eerst langs komt op de flat van een vriend …

‘Ontmaskerd’, een Aspe-marathon in 2002, in het gloednieuwe Concertgebouw, met verschillende Brugse toneelgroepen op het podium.

Het was er eerder vol, met boeken en mappen, ook op de grond en op de kleine vleugelpiano. Maar nooit lag een groter boek op een kleiner, of een map op een boek, niets leek ergens anders te kunnen liggen – als op een schilderij.’

‘Nooit lag een groter boek op een kleiner’ … dat één zo’n detail uit een lijvige roman me bijblijft. Omdat het, in dit ene geval, iets zegt over de lezer. Iets waarin hij zichzelf herkent.
’t Schijnt dat in elk van ons iets autistisch schuilt. Dat is, wat mij betreft, de amper te weerstane drang om, waar pakweg op een salontafel een klein boekje onder een groter ligt, dat op te lossen. Door, jawel, volstrekt belachelijk, de twee boeken van plaats te wisselen. Boeken, daar sol je niet mee. O ja, ze bestaan ook digitaal en da’s handig, ik weet het. Maar in mij denken roept ‘boek’ toch het beeld op van wat op papier is gedrukt. Je zal me bijtreden, Pieter, we zijn generatiegenoten. Dat wàren we, want jij bent er niet meer.

Wij hebben elkaar nooit gesproken. Al kwamen we mekaar wel een keer tegen op straat of ergens in de nabijheid van een toog. In het boek-en-koffiehuis in de Sint-Jacobsstraat, dat je een tijdlang deelde met Marec, kwam ik één keer langs, maar je was er niet. Misschien hadden we ’t anders wel over de eerste keer dat onze paden mekaar kruisten. ’t Waren de laatste maanden die ik doorbracht in de Brugse school waar ik aan ’t worden was wie ik ben. Op de speelplaats stapte een jongeman het bordes op naar één van de oude gebouwen. ‘Da’s dien Aspeslag, die nieuwen van ’t secretariaat!
Er gingen jaren voorbij, tot ‘Het vierkant van de wraak’. Het boek ging over de tong in Brugge, het speelde zich hier af. En de auteur was van hier. Hij begon te schrijven na twaalf stielen en zo. Was zelfs ooit even ‘studiemeester’. Ha, diè Aspeslag dus!

ASPEcten … in de zomer van 2003 pikt Brugge met een themawandeling een Aspe-graantje mee …

Er zijn veel boeken geschreven en gelezen, sindsdien. Dat doe ik hier niet uit de doeken, dat doen anderen wel op andere plekken. Maar in de toekomst breng ik je nog wel ter sprake, wanneer ik weer met bezoekers door Brugge wandel. In de winkelpassage tussen de Burg en de Wollestraat wijs ik dan op de achtergevel van de Heiligbloedkapel. Waar de jonge Pierre Aspeslag zich als conciërge verveelde en dan maar begon te schrijven.
Je stad zorgt verder voor zichzelf, wees maar gerust, Pieter. En de manier waarop hij dat doet, daar zal jij je verder blijven aan ergeren. Ergens ginder, wie weet waar. Misschien, Harry Mulisch indachtig, ontdek je de hemel. Je was geen heilige, maar als hij bestaat, die hemel, dan hoop ik toch dat je er komt. Omdat ik in dat geval ook nog een kansje maak. We vinden mekaar dan wel.
In afwachting lees ik vast nog wel een keer een boek van jou, beloofd.

Gepost in Het Brugge van nu, Over toneel, Van boeken en schrijven | 2 reacties

Boudewijn De Groot en Peter Slabbynck

Mijn kop thee schrok van de nadruk waarmee ik ‘m neerzette op de ontbijttafel. Bij wat ik las in de krant naast mijn kom muesli ontbrak het uitroepteken. Boudewijn De Groot laat weten dat hij nooit meer optreedt, zoiets schrijf je niet zonder uitroepteken, toch? Boudewijn wordt straks 76, stond erbij en dat mag dan een leeftijd zijn waarop een mens het wat rustiger doet, maar toch. Later op de ochtend, op de radio, Na tweeëntwintig jaren in het leven maak ik het testament op van mijn jeugd …’ Boudewijn De Groot! De bladzijde die hij omslaat is er een uit je eigen leven.

Die voormiddag fietste ik naar ’t stad, voor ‘Ik was 18 in ’80’, de tentoonstelling die Peter Slabbynck met wat vrienden heeft opgebouwd in het stadsarchief. Eén van die vrienden is archivaris Jan D’hondt en daar zit een verhaal aan vast. Ze bedachten een expositie rond hun eigen jonge dagen. Dagen toen hier in Brugge Red Zebra en ander jong geweld het muzieklandschap op zijn kop zette. En Red Zebra, dat was het groepje waarin Peter de micro mishandelde en Jan de basgitaar. De late jaren zeventig, vroege eighties. Punktijden! Als bij één soort muziek een uitroepteken hoort, dan wel hierbij!

Aardige expositie, wat te zien is mag gezien worden en is goed voor meer dan één glimlach, herkenning alom. Maar bij ondergetekende is dat tijdsbeeld goed voor een even merkwaardige als eigen herinnering. Achttien in tachtig? Deze jongen was een handvol jaren ouder en ineens vertelde de radio hem dat hij geen jonkie meer was. Wat die snotapen van muzikanten speelden en meer nog wat ze vertelden, het zette hem danig op zijn plaats. Want ineens bleken al die muziekhelden van mijn lichting bol te staan van pretentie en hoogdravendheid. Simon & Garfunkel? Joan Baez en Boudewijn De Groot? Weg, ouwe knarren! Ja maar, wacht eens even, da’s wel mijn muziek, hé! Ik weet nog dat ik toen voor ’t eerst wist, ofwel ben je jong ofwel volwassen, de twee samen gaan niet.

Thuis gekomen heb ik een vroege plaat van The Eagles opgelegd. Die tentoonstelling in ’t archief roept dan wel luidkeels ‘I can’t live in a living room’ maar die living van mij laat zich aardig vullen met troostende meerstemmigheid. En zeg nu zelf, Peter, je bent zelf ook al lang geen jonge snaak meer. Oud genoeg om te weten dat een mens, ondanks zo’n zaaltje vol foto’s en memorabele spullen, ’t meest waardevolle voor zichzelf houdt … dixit Boudewijn De Groot … ‘Verder niets, er zijn alleen nog een paar dingen die ik houd omdat geen mens er iets aan heeft. Dat zijn mijn goede jeugdherinneringen, die neem je mee zolang je verder leeft.’

Gepost in Het Brugge van nu, Van gitaren en drums, Van zingen en spelen | 6 reacties

Margareta’s verjaardag …

Het vereiste lang, grondig en onbevangen onderzoek. Vandaag presenteren wij dan ook met niet geringe trots het resultaat van onze studie. Ondergetekende, bescheiden amateur-geschiedkundige, vraagt een stonde van uw kostbare tijd. Want de kunstgeschiedenis hoeft dan wel niet herschreven te worden, onze bevindingen werpen wel een heel nieuw licht op één van de grootste mysteries uit het verhaal van de Westerse kunst.
Een Brugse afficheverzameling, daar moét wel een map te vinden zijn waarin “Vlaamse Primitieven” een rol spelen. Ook al is die benaming, “Vlaamse Primitieven”, volgens sommigen inmiddels achterhaald. De term zou pas in de jaren achttienhonderd zijn bedacht, in de tijd toen de kunstgeschiedenis in vakjes werd onderverdeeld. Althans, dat beweren kunsthistorici en andere schilderijgeleerden. Zogenaamde kenners, maar ik zeg u: ze vertellen onzin!
Want ze zijn er niet bij, die avond waarop Jan van Eyck en zijn Margareta de collega’s van de grote schilder inviteren bij hen thuis. ’t Is voor Margareta’s verjaardag, haar drieëndertigste.
De genodigden zien dat allemaal zitten, ’t is steevast goed toeven bij Jan en Margareta in hun riante pand in de Sint-Gillis Nieuwstraete, die we vandaag Gouden Handstraat noemen. De gastvrouw verjaart pas zondag, maar de gasten zijn al een paar dagen eerder naar Brugge afgezakt. Sommigen komen van een heel eind en dus stelden de schilder en zijn eega voor om er meteen maar een weekendje van te maken.
Die vrijdagavond is goed voor een nachtje doorzakken in Jan’s ‘mancave‘ van waar je uitkijkt op de Gouden Handrei. Daar komen nogal wat roemers wijn aan te pas. Wijn uit de Moezelvallei, in die tijd de meest gewaardeerde wijnstreek, langs het Zwin aangevoerd door Keulse kooplui.

Van uit Jan’s mancave keek je uit op de Gouden Handrei …

Jan’s toonaangevende tijdgenoten zijn allemaal present: meester Rogier van der Weyden, de grote Robert Campin, nestor van ’t gezelschap, de  jonge Dirk Bouts en nog een paar anderen. Jan’s voorstel om een schildersclubje op te richten wordt onthaald op klinkende glazen. Waarna oeverloos wordt gezwansd over een clubnaam. Iemand bedenkt het nogal pretentieuze “Art Nouveau”. Hoongelach! “Impressionisten”, probeert Dirk Bouts in jeugdige overmoed en ze liggen zowat onder tafel van ‘t lachen. Zo passeren nog een paar voorstellen, het ene nóg absurder dan het andere, wanneer Margareta haar entree maakt met haar alom geprezen kaastaart.
Waarop Rogier van der Weyden haar vraagt of zij soms een idee heeft voor een naam. Terwijl ze de romige delicatesse een plaats geeft tussen roemers en baardmankruiken, knipoogt ze: “Zeg mannen, als ge dan toch zo onnozel wilt doen, kunt ge uzelf net zo goed Vlaamse Primitieven noemen!
Maar dat is ‘t!”, juicht Robert Campin, “Geniaal, vrouwe Margareta! En het staat zo goed op affiches!”.
’s Morgens worden de heren wakker met een kater en Jan moet dat portret van zijn Margaretha nog afmaken, het verjaardagscadeau dat hij voor haar heeft bedacht. En zo raakt een verslag van die avond op de lange baan.
Maar toch: zo is het gebeurd.

Gepost in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van schilderen en plaasteren | 7 reacties

De lifters … een sprookje?

Zo vaak zie je ze niet meer, lifters langs de straat. ’t Was in de vooravond, op de stille landweg stonden ze, met z’n twee. Ik hield halt en vroeg waar ze heen wilden. “Naar het dorp verderop!”, klonk het vrolijk bij het meisje dat al meteen de jongen aan haar zij in de auto meetrok. Wat hen daarheen bracht, wou ik weten en hun antwoord verraste mij danig. Het meisje klonk alsof ze het zong: “Ik ben Zingen en dit is mijn vriend Dansen … Wij zijn werkwoorden!

’t Leerhuys in Groeninge herdenkt in 1975 de honderdste verjaardag van sprookjesverteller Hans Christian Andersen

Werkwoorden?” “Welja, we zijn samen op weg naar een bijeenkomst van de werkwoorden, in het Woordenhuis.” De jongen, die dus Dansen bleek te heten, nam nu het woord, trefzeker en duidelijk. “Het zit zo, wij, werkwoorden, komen heel af en toe bij elkaar om te bespreken hoe mensen ons aan bod laten komen. En sommigen onder ons vinden dat de negatieve werkwoorden tegenwoordig te veel aandacht krijgen. Daarover gaat het, vanavond.”
Weet je wat”, zei het meisje dat Zingen heette, “als je wil, kom je gewoon mee, dan zie je hoe het er bij ons aan toe gaat!” Dat vond haar vriend Dansen een goed idee. En zo kwam het dat ik die avond een bijeenkomst meemaakte van de werkwoorden.
De zaal was een pak groter dan ik verwachtte en zat afgeladen vol “Alle vaak gebruikte werkwoorden zijn er!” kreeg ik nog mee van Dansen, de jongen. Een vriendelijke heer ging het kleine podium op. “Dat is Ontmoeten, één van de positieve werkwoorden.”, wist Zingen. Ontmoeten legde uit wat volgens hem het probleem was. De mensen  nemen te weinig positieve werkwoorden in de mond, daar kwam het op neer. Zijn pleidooi was afgerond, het was de beurt aan een schriel mannetje “Profiteren, van de tegenpartij!”, wist Zingen. Profiteren vond dat Ontmoeten profiteerde van zijn status en dat alle werkwoorden hun waarde hebben, ook de negatieve. Een vinger ging de lucht in. Het meisje Twijfelen merkte op dat ze vreesde dat noch het ene, noch het andere standpunt haar kon overtuigen. En dan eiste een gewichtig personage het podium op. “Hola, Nuanceren gaat spreken, de vertegenwoordiger van de gewichtige werkwoorden!”, waarschuwde Dansen. De man, die er uit zag als een professor, communiceerde zoals dat paste bij zijn status, wierp af en toe een blik de zaal in, loerend over zijn brilletje. Niet iedereen begreep zijn redenering. Wat volgde was een geroezemoes waarbij alle werkwoorden dooreen begonnen te praten.

Winter 1979-1980 … voordrachten over sprookjes … in het Brugse Europacollege. Met prominente namen als filosoof-theoloog Max Wildiers en Hendrik Brugmans, ere-rector van het college.

Dat loopt hier straks helemaal in ’t honderd …”, zuchtte Dansen, die duidelijk moeite had met wanorde. Tot een man met warme stem de aandacht vroeg. “Oef, dat is Vertegenwoordigen, een verstandig werkwoord”, zei Zingen, nog voor ik ernaar vroeg. Vertegenwoordigen vroeg zich af, wie van de aanwezigen bij de mensen zou kunnen pleiten voor meer positieve werkwoorden. En toen stapte aarzelend een fragiel ogend, wat schuchter vrouwtje naar de micro. Wie is dat, wou ik weten. “Het verbaast mij dat Fluisteren zich in het debat mengt!”, vertelde het meisje aan mijn zijde. Fluisteren praatte zo stil dat iedereen de oren spitste, allen wilden horen wat Fluisteren te vertellen had. En dat het dametje iets te vertellen had was algauw duidelijk.
Zij merkte op dat er, naast negatieve en positieve, ook wijze werkwoorden bestaan. En toen stelde ze voor, om haar vriendin naar de mensen te zenden, om hun gesprekken bij te sturen. “En wie is die vriendin van jou dan wel?” vroeg op smalende toon Onderbreken, onmiskenbaar één van de negatieve partij.
Dat is Luisteren.”, klonk het antwoord, kalm maar zelfverzekerd. “Luisteren is een werkwoord waar we nood aan hebben. Zij is goed geplaatst om de mensen te overtuigen van een nieuwe manier van praten met elkaar.Luisteren werd naar voor geroepen. In weinig woorden, zoals je dat van zo’n werkwoord verwacht, vertelde zij dat ze de opdracht graag aanvaardde. Heel even kon je een speld horen vallen. En toen brak in de zaal een applaus los dat je niet meteen had verwacht.
Ontmoeten, die het debat had geopend, kondigde het einde van het overleg aan en de zaal liep stilaan leeg. Ik nam afscheid van Zingen en Dansen, die nog wat bleven napraten, en reed door het donker naar huis.
Thuis heb ik die avond weinig gezegd. “Je bent zo stil vanavond …”, merkte mijn vrouw op. “Ik luister liever naar wat jij vertelt.”, antwoordde ik en gaf haar een zoen.

Gepost in Van boeken en schrijven, Van zin, zen en zijn | 5 reacties

Een park, een koppel …

Trouwen in het Minnewaterpark? Laatst kwam het ter sprake in de gemeenteraad. Maar tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren, weten we sinds Elschot. Al gaat het in dit geval enkel om die praktische bezwaren, wettelijk kan en mag het …
In Oostende, Poperinge en Menen kan het al. Brugge?

Er was, redelijk wat jaren geleden, ergens in een oude stad een nieuw aangelegd park. En er was ook een knaap en een meiske die mekaar graag zagen. We vertellen over de tijd, toen van stelletjes die mekaar graag zagen, verwacht werd dat ze trouwden. Zo hoorde dat. En ja, op een keer besloten ze, werk te maken van dat trouwen. Ze zochten een feestzaal, een feest zonder zaal leek hen maar niks. En een pastoor moest er ook bij. Ook dat hoorde zo. En een fotograaf. Ze kenden iemand die iemand kende die met foto’s in de weer was. En die kende een plek in de stad die geschikt leek voor schone prentjes. Het park was heel nieuw, maar wel al fraai aangelegd, vertelde die fotomens.

En zo kwam het dat je op een dag een bruid en een bruidegom met hun fotomaker in het Minnewaterpark aantrof. Zoals je dat van zo’n park verwacht waren er gras en bloemen en bomen. En tussen die bomen een pleintje waarvan de betegeling een schaakbord voorstelde. Wat zeg ik? Een reuzenschaakbord! Het leek wel een dansvloer, met een handvol tafeltjes er omheen. Elk tafeltje was op zijn beurt een schaakbord, met twee zitjes voor de spelers. Of, waarom niet, voor een koppeltje.
Wat is veranderd sinds die middag, toen? Het park is nog altijd park. De prille bomen van toen zijn hoger en struiser geworden en de struikjes struiken. En in zomertijden bloeien andere bloemen in andere perken. Maar het grote schaakbord en die tafeltjes eromheen bleven onaangeroerd.

In een stilaan vergeeld fotoalbum vind ik een jongen en een meisje die mekaar verliefd aankijken. Wat is van dat jonge koppel terecht gekomen? Wel, jong is het niet meer maar wel nog koppel. En later keerden ze nog af en toe naar het Minnewaterpark terug. Voor ‘Feest in ’t Park’ dat met zijn muziek en kraampjes het begin van elke Brugse zomer inluidt. En enkele weekends later palmt het Cactusfestival het park in. Van dat festival en van ‘Feest in ’t Park’ was nog lang geen sprake toen ze trouwden. Maar da’s dan ook al iets meer dan veertig zomers geleden.
En misschien is voor hen nog wel een reden te verzinnen om er nog eens langs te gaan. Want nu de jongen van toen dit hier zit op te schrijven, vraagt hij zich iets af. Of ’t niet leuk zou zijn om die foto van weleer een keer te hernemen? Hij zal het voorstellen aan het meiske van toen. Al zouden ze er best niet te lang meer mee wachten, vernam hij laatst. Want die van ‘t stad heeft plannen met het park. Ze gaan het helemaal herinrichten. En wat zal sneuvelen? Het schaakbord met zijn tafeltjes eromheen. Ze zullen vergeten worden. Of niet? In een oud album blijft in lengten van jaren een foto bewaard. Het bewijs van het bestaan van die tafeltjes. En van een jongen en een meiske die mekaar graag zagen. Zien.

Gepost in Het Brugge van nu, Van 't Cactusfestival, Van Feest in 't Park | 8 reacties

De Ronde van Brugge

“Hebt ge ’t gehoord, Breydel, ’t schijnt dat volgend jaar de start van de Ronde van Vlaanderen weer hier rond ons standbeeld doorgaat!”
“Ja maar Pieter, da’s nog bijlange niet zeker, man! ’t Is nu al vijf jaar dat ze met heel dat spel naar Antwerpen verhuisden. Die overeenkomst tussen de gasten van de koers en die van Antwerpen loopt op zijn eind, maar ze gaan daar nog ferm over bakkeleien! Ge kunt u inbeelden dat ze in Antwerpen ’t been stijf gaan houden! En trouwens, ge krijgt dat niet zomaar cadeau, zo’n start, dat kost munten, véél munten!”

“En toch, Jan, ’t heeft wel iets, al die coureurs en heel die troep supporters hier op de Markt! Ge zijt toch ook een sportzot, ge maakt me niet wijs dat ge daar niet van genoot! Trouwens, ik herinner mij hoe trots ge waart, toen ze destijds elke zomer die marathon organiseerden!”
“Ja, waar is de tijd. Hoe zat dat ook weer, met die marathon?”
“Allez, Jan Breydel, ge weet dat toch nog? ’t Was in het jaar onzes heren 1987, gij en ik stonden honderd jaar hier op de markt. Dat vierden ze met van alles en nog wat. Met die marathon, ook,  van Kortrijk naar Brugge.
“Ja, nu ge ’t zegt, ze hebben dat dan nog jaren aan een stuk gedaan, elke zomer! Dus ja, ge hebt gelijk, voor mij mogen ze die koers weer hier in Brugge laten beginnen!”
“Het was, herinner ik mij, in 1998 dat de coureurs hier de eerste keer vertrokken. Het jaar daarvoor had Marec het precies al zien aankomen, hij heeft ons toen al op een affiche gezet met elk een velo!”
“Dat zie ik nog voor me! ‘k Weet nog dat we amper wisten wat hij ons in de handen stopte, in onzen tijd waren er nog geen velo’s!”

“Weet ge wat, eigenlijk zou ’t maar normaal zijn dat de Ronde weer hier begint! Wat hebben die van Antwerpen met die Vlaamse klassieker te maken? West-Vlaanderen en Oost-Vlaanderen hebben niet zomaar hun naam gekregen! Samen waren ze ‘t Graafschap Vlaanderen, en Antwerpen, dat ligt aan de overkant van de Schelde, de Brabantse kant!”
“Ha ja, als ge ’t zo bekijkt! Maar ze zeggen nu dat Brugge en die van aan de Schelde om ’t jaar de start zouden krijgen?”
“’De enigen die de Ronde mogen binnen halen, volgens mij zijn dat Brugge of Gent! Dàt zijn Vlaamse steden! Zeg dat Pieter de Coninck het gezegd heeft!

“Amai, hoort hem! Maar die Gentenaars, dat waren in 1302 op onze Guldensporenslag toch ook niet onze meest fervente bondgenoten? Wij, Bruggelingen, riskeerden met honderden ons leven, de Gentenaars waren met drie man en een paardenkop!
Breydel, maat, ge moet zelf ook zo hoog van uwe sokkel niet blazen, hé! Zo’n held waart gij indertijd ook niet op ’t slagveld! Er zijn er vandaag zelfs die betwijfelen of ge wel echt hebt meegevochten!”
“Let een beetje op uw woorden, hé, ventje! ‘k Ben een kop groter dan gij, ‘k geef u een stampke en ge ligt ginder bij de frietkotjes!
“Rustig, Jan, rustig, ’t was een graptje, hé! Trouwens, ge moogt niet klagen, gij. Ge staat hier op de Markt te pronken èn ge hebt een voetbalstadion dat uw naam kreeg!
À propos, hoe zit het daar eigenlijk mee, met die affaire rond dat nieuw stadion?”
“Ach, zwijgt, jong, daar gaan we nu niet over beginnen, hé! Kom, we gaan naar de koers kijken!

Gepost in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van sport in 't algemeen | 8 reacties

Het dichtste café

Met cafés is het zoals met mensen. Sommige zijn pretentieus aangekleed en andere doordeweeks. Je vindt er van het opzichtige soort en er zijn er die gewoontjes in de rij staan. En zoals wij, mensen, dragen ook herbergen wel eens een heel eigen stempel. Al kan zo’n stempel in de loop van de jaren behoorlijk worden bijgekleurd.
Uit mijn schooltijd herinner ik mij een laag, witgekalkt geveltje op ’t Zand. In ’t Putje ging je een potje biljarten, in een sfeertje van ons-kent-ons. Dat geveltje is er nog altijd. Maar de tapbiljart, die is weg. Het pand is vandaag deel van hotel-restaurant ’t Putje, een deftige dame om U-met-hoofdletter tegen te zeggen.

En er is nóg een Putje, op Sint-Andries. Of liever, daar wàs een Putje. Sinds een paar weken is dat cafeetje dicht. Dat zijn alle cafés in deze benarde dagen, maar ’t Putje gaat nooit meer open. Tegen de cementgrijze gevel hangt een blauwzwart spandoek en daar staat het allemaal op. “Aan al onze klanten & de harde kern van Club Brugge, bedankt voor de mooie jaren, we zullen jullie missen”. “Slik”, dat staat er net niet bij.

We hadden het net over stempels, wel dat was nu een keer een drankgelegenheid met een kanjer van een stempel, zie! Want dat van die harde kern, daar is geen spandoekletter van overdreven. Al wie op zondagmiddag wel eens langs de Gistelse Steenweg passeerde, kent het schouwspel. Club speelt straks thuis en aan ’t Putje staat volk. Zoveel volk dat dranghekkens de rijweg behoeden voor de meute blauwzwarte voetbalzotten die vrolijk de hele stoep èn het fietspad bij hun stamcafé inlijven. Die harde kern, dus.

En ja, lieden van minder welwillende aard fronsen nu de wenkbrauwen. Want was het niet dàt cafeetje dat een handvol jaren geleden een paar keer werd gesloten op aangeven van de toenmalige burgemeester? ’t Moet zijn dat een verliesmatch wel een keer aanleiding gaf tot een onredelijke tackle tegenover een ongelukkige voorbijganger. Of meende een klant met een pintje teveel op dat een geparkeerde auto buitenspel stond? Dus ja, ’t is waar, het café kreeg een rode kaart van de burgemeester en die had daar wellicht redenen toe.

Voetbaltempeltje als de gelegenheid zich voordeed, volkskroeg op alle andere dagen. Alleman welkom, ook. Als ik ’t goed heb, wat soms voorvalt, hing je er op rustige stonden wel een keer aan de toog met buurtbewoner Jean Blaute. Bierkenner en brave mens. Om maar te zeggen, dat van die forse voetbalhistories is maar een deel van ’t plaatje.
Maar nu is ’t dus gedaan met ’t Putje. En wat komt in de plaats van het wat afgeleefde pand? Appartementen, liet ik mij vertellen. Ze zullen de buurt opwaarderen, heet dat dan. Een imago kan worden bijgekleurd, zoals eerder gemeld. En wat met de klanten-voetbalzotten? Waaraan kunnen die straks hun centen kwijt? Tot voor een paar dagen had ik hen gezegd, gij kunt ook uw imago opwaarderen, koop een beursaandeel van uw voetbalploeg! Maar die vlieger gaat niet op, hoor ik nu.
Sint-Andries is een volkscafé armer. Sprak deze knaap die er zichzelf op betrapt dat hij er nooit over de vloer kwam. Schaam je, buurtbewoner! Nochtans was van alle cafés deze het dichtst bij je woonst. ’t Is waar, dezer dagen zijn alle drankgelegenheden dicht. Maar ’t Putje is gesloten, voor altijd. Van alle dichte cafés in je buurt is dit, in meer dan één betekenis, het dichtste.

Gepost in Het Brugge van nu, Van Brugs voetbal, Van sport in 't algemeen | 1 reactie

Roger Raveel en zijn nichtje, Delphine Lecompte

Sinds we braaf bij de kachel zitten in plaats van op café, verzin ik soms wat woorden die samen gedichtje spelen. In deze thuistijden moet een mens ièts ondernemen om zijn bestaan te verantwoorden. En soms komen mijn verzonnen woorden redelijk goed overeen. De betere rijmelarij, zoiets. En waarom ik die ontboezemingen van mij wel eens loslaat op Facebook? Tja, noem het naïef tegengas tegen alle venijn waarmee dat netwerk zich inlaat. En mocht ik het daar niet zetten, niemand zou het ooit lezen, ’t zou ook wat zijn.

Laatst had ik er pas iets nieuws opgezet en de belangstelling voor het kleinood overtrof meteen mijn verwachtingen. Wat een mens zijn ijdelheid streelt. Heel even toch. Want algauw snap je dat niet zozeer je schrijfsel, dan wel het onderwerp met de pluimen gaat lopen. Komt ervan als je het dezer dagen over Delphine Lecompte hebt. ’t Was een gedicht over onze dichteres die recent door de stedelijke musea werd uitgenodigd om ‘hun’ dichteres te worden.
Delphine Lecompte, wie haar kent heeft er een mening over. En veel volk kent haar, dat maakt veel meningen. En natuurlijk gebeurde Facebook-gewijs het onvermijdelijke. In de kortste keren werd uitgeweid dat het een lieve lust was. Of ’t waar is dat Delphine de kleindochter is van dokter Herman Lecompte. Mensen weten dat graag, al doet het er amper toe.
Hoewel. Familiebanden verklaren soms wel wat. Al leerde ik dat je ook familie kunt zijn zonder bloedverwantschap. Ik leg even uit. Wist u dat Delphine Lecompte familie is van Roger Raveel, de schilder? Neen, hij is niet haar grootvader langs moeders kant. En het lijkt mij aannemelijk dat ze mekaar nooit hebben ontmoet. Maar toch, Delphine en Roger hebben meer gemeen dan veel broers en zussen. Véél meer. ’t zit hem in die eigen, eigenzinnige blik van hen. Als je ’t mij vraag, zijn ze gewoon familie.

Raveel droeg Brugge een warm hart toe. Een warm maar kritisch hart. Voor de tweede Triënnale, die van 1971, verzorgde hij niet alleen een affiche, onaangekondigd verrezen van zijn hand ineens houten zwanen op de reien. En dat was niet voor de schoon ogen van de burgemeester. Bijlange niet, toen burgervader Michel Van Maele hoorde dat de houten beesten bedoeld waren als aanklacht omtrent de destijds stinkend vuile reien, kon hij Roger’s subtiele humor maar matig appreciëren.  Even werden de zwanen door de mannen van ’t stad weggehaald, wat meteen goed was voor meer dan landelijke persbelangstelling.

Maar het kwam goed tussen Raveel en Brugge. Jaren later, in de zomer van 1996, liep in de stadshallen een expositie naar aanleiding van de 75ste verjaardag van de kunstenaar. En bij die gelegenheid keerde een handvol van zijn zwanen-met-gaten nog een keer terug naar de inmiddels propere reien. In ’99, het Gezellejaar, ontwaarde je op een bloementapijt op de binnenkoer van de hallen zo’n Raveelzwaan-met-vierkant. En een paar jaar later werden onze winkelstraten gesierd met baniervlaggen met Raveel-motieven. ’t Zijn tot nader order de vrolijkste die er ooit wapperden. De schoonste, ook.


In 1975, het jaar waarin Raveel 75 wordt, loopt in de Garemijnzaal een tentoonstelling. En keren zijn zwanen nog één keer terug op de Reien.

In de komende maanden loopt in BOZAR in Brussel een overzichtstentoonstelling over Raveel. Misschien maken eindelijk ook buitenlandse kunstliefhebbers kennis met Roger’s witte vierkanten.
Die lege plekken en gaten, Raveel’s curiosum. Daar is ie weer met zo’n vierkant! En tegelijk ogen ze zo vertrouwd dat je ze zou missen. Zo’n beetje zoals Delphine haar schrijfsels overlaadt met bergen adjectieven. In één zin van haar vind je bipolaire vissers, schizofrene alpacafokkers, dementerende orgeldraaiers en alcoholistische meubelmagnaten. Zucht. Maar stonden ze er niet, je zou Delphine niet herkennen.
En net als Raveel heeft de dichteres iets met Brugge. ’t Zal wel zijn, ze woont in de stad. Ja, maar ze kijkt er ook naar met andere ogen dan die van u en mij. Dat zal blijken uit de gedichten die ze in de komende maanden pleegt voor onze musea.  Je vindt er momenteel eentje bij de toegangspoort van Groeninge aan de Dijver en het leest niet bepaald als een lofzang. Je staat erbij en kijkt ernaar.
Ongeveer zoals destijds de burgemeester bij ’t zien van de zwanen van Roger Raveel. Nonkel Roger, zou Delphine zeggen.

Benieuwd naar ons bescheiden dichtwerk dat we opdroegen aan Delphine Lecompte? Vink dan in de ‘omslag’, bovenaan de blog, het item ‘Brugge berijmd‘ aan. Je vindt er … Brugge berijmd.

Gepost in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Onze huisdichter, Van boeken en schrijven, Van Brugse politiek, Van feesten en vieren, Van schilderen en plaasteren | 5 reacties

Honderd Dagen volgens Pol De Prest

In een lade, onderaan in een gammele kast, vind ik een oude krant. Nu ja, geen document waar archivarissen van watertanden. Het nieuws van vrijdag 4 juni 1999. En toch verrast het gemak waarmee zo’n kurkdroog stapeltje papier je moeiteloos meevoert, dik twintig jaar terug in de tijd. En hoe die tijd sindsdien veranderde.
Alleen al bij het formaat van zo’n gazet kijk je op. Ik trok het voor u na, het Brugsch Handelsblad van deze week past precies twee keer in het tafelbladvullende exemplaar van destijds. Ruimte genoeg dus, voor een uitgebreid interview. Een vraaggesprek, bijvoorbeeld, met Pol Deprest.

Wijlen Pol De Prest
Toen twee jaar geleden een spijtige valpartij in zijn restaurant in de Oude Burg hem fataal werd, verloor de Brugse horecawereld met het overlijden van Pol De Prest één van zijn meest spraakmakende roergangers.


Een krantenpraatje met een man met een mening
Voorjaar 1999 … Stefaan Van Volcem komt langs bij Pol De Prest voor een babbel, ’t is voor in de krant. Een mening is bij Pol per definitie een uitgesproken mening, de interviewer hoeft maar te noteren. Een knaap met allure ook, zoals Fernand Proot, fotograaf van dienst, hem laat poseren op de stoeprand. Drukdoende met zijn gsm, dat toen nieuwerwetse en dus trendy kleinood. Die opinies van hem krijgen in het interview alle ruimte en die kans laat Pol niet liggen. Als knaap in de fleur van zijn leven, net de dertig voorbij en als deejay, ervaren uitbater van enkele horecazaken en organisator van zo’n beetje vanalles en nog wat, kan hij meepraten over wat leeft in zijn stad.
Over zijn begindagen als manusje-van-alles bij de lichtjes legendarische disco Timewind van Francis Vandendorpe en de inmiddels ook veel te vroeg overleden Jan Roussel. Over een waaier aan ervaringen in de horeca. Waarom het uitgaansleven zich in die dagen verschuift van ‘den Eiermarkt’ naar de kroegen op ’t Zand? Pol heeft er een verklaring voor. En een kijk op de Honderd Dagenvieringen.

1998 … WIP, Werkgroep Interscholieren Platform, organiseert een alternatief 100 Dagenfeest!
Vrijdag 12 maart 1999 … Pol De Prest èn WIP slaan de handen in mekaar!

Ha, die Honderd Dagen!
Jaar na jaar zet Pol als ambitieuze organisator zijn schouders onder zo’n viering. Als commerçant pur sang doet hij dat op zijn manier. En volgens sommigen is dat een benadering waarbij het alleen om de centen draait. In 1998, het jaar voor dit interview,  bouwt de ‘Werkgroep Interscholieren Platform, WIP voor de vrienden, een alternatief Honderd Dagenfeest, met aandacht ook voor alternatieve muziekgenres. Dat Pol’s ‘kapitalistische’ project daarmee wordt gecounterd, is meegenomen. Maar wellicht klinken bij het WIP, zijtak van de Brugse Jeugdraad, ook minder hardvochtige stemmen. Want kijk, een jaar later blijkt het water dan toch niet tè diep. In het vraaggesprek blikt Pol dan ook terug op de Honderd Dagen van dat voorjaar, waarbij het ‘Interscholieren Platform’ èn zijn evenementenproject zowaar voor het eerst samen in zee gaan.
Bestaat toeval? Sommigen menen van niet, maar ik geloof er wel in. Toeval is het zout op de patatten van ’t leven en dus vond ik deze ouwe krant louter toevallig in de week waarin in normale tijden de stad wordt ingepalmd door jong volk dat zijn Honderd Dagen viert. Dat het dit jaar niet zo’n vaart loopt hoeft geen uitleg. Kom je langs het verraderlijk stille Zand, lijkt het alsof daar niet één café te vinden is.
Maar laat ons uitzien naar betere tijden. Waarin we weer vrijelijk terrassen èn glazen vullen. Om te klinken op het heil van alle cafébazen. En van alleman die, gelijk Pol De Prest zaliger, zijn of haar schouders zet onder al wat deugd doet. Losbandige Honderd Dagenfuiven, bijvoorbeeld.

Gepost in Het Brugge van nu, Van feesten en vieren | 2 reacties