‘Ziet ge wel, Dirk De fauw is aan den drank!’ En da’s nog waar ook, want terwijl wij hier op de Burg traagjes aanschuiven in de lange rij bij de biertent en ons verwarmen aan flauwe grapjes, heft op het podium bij het stadhuis onze burgemeester het glas. Weliswaar op de gezondheid van alle Bruggelingen en dus ook die van ons, maar toch, aan den drank is hij! Wanneer mijn kameraad en ik, bierdragers van dienst, terug bij ons partytafeltje bij de kerstboom midden het plein aanlanden, worden we met open armen verwelkomd door ons dorstig gezelschap. Nu is ’t aan ons, santé allemaal! ‘Hoeveel jaar staan we hier eigenlijk al?’, vraagt er eentje. Hoongelach, doorgaans keren we tussen de verschillende jaargangen van de nieuwjaarsdrink wel even naar huis terug! Maar of iemand weet hoeveel winters verstreken sinds de stad ons een eerste keer trakteerde?
’t Was in 2010 …
Welaan dan, vrienden, luistert! Deze knaap dook in zijn archieven. Sommige mensenkinderen houden er de markante gewoonte op na om oude agenda’s bij te houden. Uw metgezel is één van hen. En hij zocht en vond. ’t Was in 2010, alweer ruim vijftien winters geleden, dat onze toenmalige burgervader, de betreurde Patrick Moenaert, ons een eerste keer liet klinken op het jaar dat komen zou. En intussen koppelt ons vriendengroepje daar veelal een jaarlijks etentje aan vast. Lieten de burgemeester en schepenen zich ook die eerste keren al vanop zo’n podium door hun onderdanen bewonderen? Hield de burgemeester toen niet zijn speech vanuit het krappe balkonvenstertje in de stadhuisgevel? Daarover laten de krabbels in mijn agenda’s ons in het ongewisse.
Jaren kwamen, jaren gingen. Om bij de vierde aflevering Renaat Landuyt als pas aangesteld burgemeester te laten opdraven. Maar ook met een nieuwe voorman bleef Brugge vasthouden aan het goede winterse gebruik. Ze laten zich niet temmen, de dorstige Bruggelingen! Ook niet door de komst, zes winters later, van weer een nieuwe Grote Baas, de hogergenoemde Dirk De fauw. Of toch? Voorspelde op de drink van 2020 iemand dat we ’t volgende jaar zouden overslaan, dan merkte zeker één van ons lachend op ‘Ge hebt er al eentje teveel op, gij!’ En lachten we met z’n allen mee. Maar amper een paar weken later dook ergens in ’t land een bizar virus op. In de nieuwjaarsdagen van het daarop volgende 2021 wandelde je moederziel alleen over de Burg. Niks nieuwjaarsdrink. En ook bij de aanvang van 2022 lag het plein er desolaat bij.
Maar later dat jaar, op de zonnige zondagochtend van 24 april …
Maar de winter ging voorbij en op de zonnige zondagochtend van 24 april inviteerde de burgemeester zijn stadsgenoten voor een ‘lenteborrel’. Opluchting! We vierden het einde van één van de meest nare tijden die de stad sinds lang doormaakte. Sindsdien komen we bij elke jaarwende weer ongegeneerd samen. Bruggelingen, vrolijk eensgezind. Zou het? Weet je nog, twee winters geleden? Die keer, vrolijkheid met een pittig randje. Na jaren Brugse Zot van de tap, koos het stadsbestuur onverwacht voor Blonden Os van brouwerij Bourgogne des Flandres. Een kwestie van prijs, een redelijk argument? Maar daar werden ze bij de Halve Maan, brouwerij van Brugse Zot, allerminst blij gezind van. En zo kwam het dat je die ochtend overal op het plein ‘Brugse Zot’-mutsen ontwaarde met daarop het niet mis te verstane ‘Ik drink echt Brugs bier!’. De Burg kende in de loop der tijden ingrijpender revoluties, al lachte de burgemeester die keer groen. Maar tijd brengt wijsheid en zo kan je vandaag op onze nieuwjaarsreceptie toasten met Blonden Os, met Brugse Zot èn Fort Lapin. Er is een stand van Oxfam voor wijn en meer en een frietkot voor wie zijn maag hoort knorren. En een podium van waarop een handvol verkozenen des volks de stad een voorspoedig jaar toewensen. En ook wij zijn van de partij voor een aangenaam weerzien op het alweer overvolle Burgplein. Al ervaart een mens na een poos en wat lege bekers dat zijn verkleumde vingers vragen om de knusse warmte van een etablissement in de buurt. Afspraak, volgend jaar zelfde tijd, zelfde plek. Je weet wel, nabij de hoek van ’t Brugse Vrije, strategisch dicht bij de dranghekken van de biertent. Onderdanen van een dorstige burgemeester, tenslotte.
Wellicht ligt het stationsplein er op doordeweekse avonden stiller bij dan op een oudejaarsavond als deze, bedenkt ze. Terwijl ze over het plein wandelt merkt het meisje hoe de klok op de gevel van het station haar wijzers traagjes laat opschuiven naar twaalven. Van de geplande voetgangersdoorsteek onder de ringlaan is nog geen spoor te bekennen, merkt ze. Wel van een hoge, metalen brug over de drukke rijweg. De ijzeren treden van de steile trap klinken geruststellend kloek, maar toch betrapt zij zich op wat onzekerheid. Om die hoge stelling of eerder om de opdracht die haar wacht in deze stad? Midden op de brug ziet zij hem naar haar toe komen. Ze herkennen elkaar, al hebben ze mekaar nooit eerder ontmoet. Zij, het meisje Nieuwjaar dat haar twijfel om wat komt verbergt achter een brede glimlach. En hij, Oudejaar, zijn grijze karakterkop verraadt levenswijsheid zoals zijn wandelstok iets moeizaam in zijn stappen laat vermoeden.
‘Zou hij me goeie raad willen geven?’, vraag zij zich af. Oudejaar lijkt haar gedachten te lezen, met een geruststellende knipoog richt hij zijn blik over de weg, naar het Concertgebouw. Van daaruit waait de kille avondwind een ver feestgejoel naar hen toe. Zoals elke oudejaarsnacht is het Zand ingepalmd door een volkse samenzang. ‘Hoor!’ zegt hij en wijst in de verte, ’De Bruggelingen wachten op je!’ En nog voor Nieuwjaar iets vragen kan, vult hij aan ‘Je zal ze gauw leren kennen, ze zijn van de kwaadste niet. Wat eigengereid, soms, en voorzichtig als ’t op verandering aankomt.’
Het stelt Nieuwjaar gerust dat hij haar geen fabels vertelt. ‘Hoe verliep voor u het voorbije jaar hier in Brugge?’ waagt ze zich aan een vraag. Oudejaar zwijgt even, denkt na. ‘Een boeiende stad is het wel’, mijmert hij. ‘Wat hier de voorbije maanden het meeste stof liet opwaaien was de vooropening van BRUSK. Iedereen die langs kwam was onder de indruk. Over de festiviteiten die erbij hoorden waren de Bruggelingen het minder eens. ’t Is moeilijk in te schatten wat het meest over de tong ging, de komst van een reuzenspin of de centen die voor dat beest werden opgehoest. Maar straks maak jij, Nieuwjaar, de eerste tentoonstellingen in BRUSK mee, da’s om naar uit te kijken! O ja, deze zomer was er ook ‘Het Belfort vertelt’, een lichtprojectie op ’t belfort die de geschiedenis van de stad vertelde. Bruggelingen hebben ook iets met verjaardagen. De tiende verjaardag van de Republiek, de vijfentachtigste van Benny Scott of de achthonderdste van het Begijnhof, altijd iets om te vieren.
En ‘t is hier een voetbalstad, hou dat in je achterhoofd! Zelfs het Stadsarchief gaat daarin mee. Ze bouwden een expositie over de geschiedenis van Club. Of ze straks kampioen spelen en of Cercle in Eerste blijft, jij komt het aan de weet! Voorts zijn ze goed in plannen bedenken, hier in Brugge. Een nieuwe brandweerkazerne, daar zijn ze mee bezig. Maar ze willen ook hun belfort restaureren en van de oude Minnewaterkliniek maken ze Huis van de Bruggeling. Maar, mijn beste Nieuwjaar, of daar in die werktijd van jou iets van terecht komt? Voorts weet niemand wanneer er iets in huis komt van dat voetbalstadion. Plannen maken, zoals ik zei.”
Nieuwjaar beseft, wat ze weten wil moet ze nù vragen. “En de verkeerswerken, hier bij ’t station?” vraag ze. “Ach kind, lokaal lossen die iets op maar het teveel aan auto’s, daar kan een stad weinig aan verhelpen.Trouwens, hoezeer de Bruggeling wakker ligt om het milieu, daar heb ik geen antwoord op.”
Ze wikt haar woorden … “Toch lijkt Brugge mij een plek waar ’t aangenaam leven is, of heb ik dat verkeerd?“ “In elke stad bedenken ze wel iets om over te zeuren, meisje, in Brugge is dat het toerisme. Een tweesnijdend zwaard, dat wordt je gauw duidelijk. Maar het is hier al bij al goed toeven, da’s waar.” Dan recht Oudejaar zijn rug, kijkt haar diep in de ogen. “Maar goed, mijn tijd zit erop, Nieuwjaartje, ik moet ervandoor.” Koude rilling. “Nemen we nog een selfie?” vraagt ze. Oudejaar schudt zijn grijze hoofd. “Zorg jij maar dat je op tijd op ’t Zand geraakt.” Even aarzelt ze. Maar geeft de oude man dan toch maar een ferme knuffel. Allebei verzwijgen ze wat ze allebei weten. Dat ze mekaar nooit weerzien.
Een jonge vrouw haast zich door het Albertpark, langs het ruiterstandbeeld en de ijspiste, naar het Zand. Bang kloppend hart. De wandelstok van Oudejaar tikt op het plaveisel van het stationsplein. Hij heeft geen haast maar weet, er is geen weg terug. Schrikt om de klok boven de oude stationsingang. Houdt even de adem in. Maar dan ineens, van ver achter de bomen, uitbundig gejuich. Een stille zucht van opluchting. Oef, ze heeft het gehaald. Het jaar kan beginnen.
Weg met Kerstmis! … editie één Weg met Kerstmis? Jullie vertoeven onder de Spaanse zon of die van nog verdere oorden? Of misschien zoeken jullie verpozing in een chalet in d’ Ardennen of een hoeveke in de Westhoek, waar je een mildere rust vindt dan in Singapore of andere hippe plekken op onze aardbol. Alvast meer dan in onze eigen, de voorbije dagen naar adem happende binnenstad. Wat je mist door Brugge te ontlopen? Tja, een kerstmarkt zoals je er (n)ergens anders eentje vindt. Wintergloed dat in (n)iets vergelijkbaar is met vorige edities. Maar ook een brave maar verbazend uitgebreide tentoonstelling in de Sint-Gilliskerk. Op een rijtje, honderden kerststallen uit alle continenten. En de vertrouwde kerststal aan de voet van de Sint-Salvatortoren. Waarom Jezus en de zijnen zich daar verschansen achter een rooster van roestig ijzer? Ik vertel mezelf, ietwat tegen beter weten in, dat hier meer achter steekt dan enkel het voorkomen van kwajongensstreken. Dat het traditionele kerstvertelsel, over een stel dat noodgedwongen zijn toevlucht zoekt in een stal, ook een verhaal is van vandaag. Een verhaal van kwetsbaarheid, van zich bedreigd voelen, op de vlucht zijn.
Weg met Kerstmis! … editie twee Maar wie weet, sla ik de bal mis, de kerstbal in dit geval. Zou Kerstmis zijn status mogen behouden, mocht het niet deels draaien om in knusheid geld over de balk gooien? Om rijkelijk gedekte feesttafels en nippen van dampende glühwein onder rood-witte mutsen? Kerstmis als hoogdag der consumptie, we vieren het. Maar stel nu even, heel even, Kerst is er enkel en alleen als boodschap. Als oproep tot vrede, verdraagzaamheid, dat soort wolligheden.
Zie je ’t dan gebeuren dat ergens op onze aardbol iemand – wie, dat laat ik aan uw verbeelding over – met uitgestreken gezicht Kerstmis afdoet als kwalijk complot van ‘woke’-activisten? Kerstmis? Weg met Kerstmis! Geen zorgen, waarde lezer, men gunt het ons. Omdat Kerst vieren ongevaarlijk is en de economie kan er maar wel bij varen. We danken onze verknochtheid aan Kerst aan de Mariah Careys van deze wereld. Trouwens, ‘k zal ’t maar bekennen, ook in dit huis van ons lijkt het Kerstfeest aardig op dat uit de boekskes. En, eerlijk waar, ook mijn lezers wens ik zoiets toe. Al zoeken wij hier thuis misschien ook nog een keer naar ‘Kerstmis is dien dag da ze nie schieten’, oud lied van Wannes Van de Velde. Zie je wel, we laten ons al veel langer in de luren leggen door van die ‘woke’-predikers. Laat mij in dat soort goedgelovigheid jullie, als kerstgeschenk, dit zelfverzonnen karamellenvers voorlezen …
Elk jaar bedenken wij, een groepje vroegere collega’s, een paar redenen om mekaar weer te zien en om die ontmoeting, naast het kletsen en lunchen, ook enig elan te geven, knopen we er doorgaans ook iets cultureels aan vast. Zo gaan we deze keer bij Luc Vanlaere langs. We vinden hem op zijn vaste stek in Oud Sint-Jan, je weet wel, achter het middeleeuwse hospitaalmuseum.
Luc Al wie een concertje van harpspeler Luc Vanlaere wil meemaken is er welkom en pas na afloop laat je als bezoeker wat ‘toegangsgeld’ achter bij de deur, je betaalt wat je wil. Luc Vanlaere boert niet onaardig, nogal wat volk vindt de weg naar het bescheiden maar toch redelijk knusse zaaltje waar hij keer op keer uitpakt met zijn harp. Of liever, zijn harpen, want Luc bespeelt voortreffelijk allerlei harpen en sommige bouwt hij ook zelf. Harpen van hier en van elders, recente en kopieën van historische instrumenten, noem er eentje en Luc heeft ze in zijn klein museum. En hij brengt met goesting hun geschiedenis ter sprake.
David Zo bespeelt hij ook een lier, de verre voorloper van de harp. Waarbij hij een historie uit de Bijbel aanhaalt. Het verhaal van David, de herdersjongen die in vorstelijke kringen furore maakt als lierspeler en het tenslotte zelf tot koning brengt. En wij, we knikken bevestigend. Ach, waar is de tijd van die histories uit onze godsdienstlessen! Want ja, de meesten onder ons ‘genoten’ in hun verre verleden nog zo’n braaf katholieke schooltijd, Bijbelse vertellingen incluis.
Pluk Een weekje later, bij ons thuis. Hond staat op uit haar mand. Veelzeggende vraag in haar diepdonkere ogen. Want ‘t is dan wel zo’n lome avond en zij weet, baas slijt die liefst van al tussen affiches en boeken, maar een hond in huis, dat vergt een dagelijkse wandeling. Want, baas, zonder onze dagelijks toertje geen luchtige babbels met buurtbewoners, toch? Alledaagse praatjes die soms uitlopen op een goed gesprek. En rustig kuierend door je wijk merk je dingen op die je fietsend zouden ontgaan. Dankjewel, Hond. Zucht. Maar ’t is waar, al bij al geniet ook baas van dat vaste ritueel. Op stap met Hond heeft hij oog en tijd voor al wat langs zijn pad opduikt. Voor het boekenkapelletje, bijvoorbeeld, op een straathoek verderop. Je weet wel, zo’n kastje waar mensen boeken in deponeren die Jan en alleman mag meenemen.
Trouwens, zie ik dat goed, achter dat glazen deurtje? Lijkt die brede, groene rug van dat ene boekje niet verdacht veel op de pocketbijbel die ik in huis heb? Warempel! In het rommelige kastje, tussen een beduimelde ‘Pluk van de Petteflet’, de klassieker van Annie M.G. Schmidt met op de kaft die iconische tekening van Fiep Westendorp, en een stationsromannetje met de beloftevolle titel ‘De vergeten kus’, leunt een bijbel. Precies zo’n handig bijbeltje als dat in mijn bescheiden boekenhoek. Hoe belandt het ‘Boek der boeken’ hier in dit schamele straatkastje? Je kan alleen maar gissen.
Kenneth De volgende dag, iets na de middag. Hond slaagt er weer in om baas te overhalen. Vandaag wandelen we langs het pad bij het voetbalplein en kijk, Kenneth komt er aan. Kenneth is een jongen van een straat verderop. Beetje een eenzaat, geen knaap die met luidruchtige kameraden balletjes sjot. Leergierig maar geen Einstein. Wil hij dat ik hem iets uitleg, wat hij doorgaans wil, dan doe ik mijn flinke best om een eenvoudig antwoord te verzinnen. Maar wel een aardige vent. Er mochten er meer zijn als Kenneth.
En wat ziet mijn haviksoog? Wat houdt onze Kenneth onder de arm? Ja hoor, hij nam het bijbeltje mee uit het kastje van gisteren! Dit wordt een gesprek onder denkers, zoveel is duidelijk. Kenneth weet weinig over geloven en zo, bekent hij. Maar dat boekje hier, dat maakt hem misschien wijzer. Ik geef hem geen ongelijk maar waarschuw, ’t is een dikke turf, hé. Maar ’t staat wel vol straffe verhalen. En er valt ook iets op te steken over onze spreektaal. Enfin, toch die van ons, oudjes. Jullie, jongelui, hebben jullie eigen taaltje, maar wij hebben het soms nog over een ‘land van melk en honing’, over ‘je handen in onschuld wassen’ of ‘in adamskostuum rondlopen’. Komt allemaal uit de Bijbel! Maar wat erin staat is zware kost, Kenneth! Ik zie mijn toehoorder twijfelen … of hij dat boek wel lezen wil? En als ik hem vertel over de harpspeler en de lier van koning David, kijkt Kenneth mij aan als een Ongelovige Thomas. Opletten, denk ik, gevaar voor Babylonische spraakverwarring! Ach, weet je wat, Kenneth, laat maar, die bijbel. Zag je ook dat boek over Pluk van de Petteflet?
De kleine wil muziek maken. Viool spelen? Piano of gitaar wellicht? Neen, mama, drummer wil ik worden! Valt een stilte over het huis, het zwijgen van gezinsgenoten die er het hunne van denken. Stilte die in de dagen die volgen gemist zal worden. Maar dat de dreumes meer in zijn mars heeft dan lawaai maken, daar komen ze bij hem thuis pas later achter. Want klein Steventje weet dat zotte bravoure weinig toevoegt aan zijn slagwerk. Techniek en creativiteit, daar draait het om! Goei slagwerk is het zout op muzikale patatten! Al heeft drummen niet zelden iets weg van een achterhoedegevecht. De vroege Beatles in zo’n korrelig zwartwit filmpje. Vooraan op het podium, John, Paul en George die de ziel uit hun lijf spelen, met aan hun voeten in katzwijm vallende deernen. Met goeie ouwe Ringo die instaat voor een vakkundig getimed ritme, bescheiden op de achtergrond. Maar kan het ook anders. In de rokerige jazzkroegen van de jaren stillekes keek men allerminst op van een drummer als voorman. Saxofonist, trompetter, bassist of zangeres, allemaal in loondienst bij de drummer-frontman. Bij wie thuis is in jazz roept dat meteen namen op van een Chick Web, een Art Blakey of een Max Roach. Stuk voor stuk drummers-bandleaders.
… ook wanneer hij tussendoor optrekt met Hooverphonic.
Wacht, ik trakteer u op een verkwikkend verhaal dat sinds lang de ronde doet. Wijlen Charlie Watts, drummer bij de Rolling Stones, was een jazzman in ’t diepst van zijn ziel. Hij wees Max Roach aan als één van zijn grote helden. Op een keer wil een lichtjes benevelde Mick Jagger in het hotel waar de Stones logeren een nachtelijk feestje bouwen voor zijn entourage. Hij belt de receptie en vraagt naar ‘my drummer’. Charlie hoort daarvan en komt langs. Trakteert Mick op een ferme dreun op zijn bakkes en op de onsterfelijke woorden “Don’t ever call me ‘your drummer’ again. You’re my fucking singer!” Een waar gebeurd verhaal? Dat zullen we nooit weten. Maar wel dat het ons leert dat drummers op hun strepen staan. Je kan je er iets bij voorstellen. Of dat ook geldt voor drummers van bij ons? Brugse drummers? Nogal wat lezers, neem ik aan, zullen er net als ik weinig kunnen opnoemen. Maar het Steventje van daarnet is als Steven Van Havere wèl een naam geworden. Wat de man realiseerde met zijn muziekschool-project Metronoom zit daar voor veel tussen. Maar Steven is boven alles drummer en zijn reputatie in het vak is er eentje om in te kaderen. De jonge Steven hangt al een tijd rond in het Brugse muzikantenmilieu wanneer hij in 1993 bij Gorki, de groep van Luc De Vos, het drumstel mag inpalmen. Het is overigens Luc die hem de overstap gunt naar een ander op dat moment nog pril, maar beloftevol groepje. Arid, met zanger-frontman Jasper Steverlinck, wordt de nieuwe muzikale thuis van Steven.
Zo komt het dat wanneer op 20 april van het jaar 2002 in de gloednieuwe, nog naar mortel en bouwvakkerszweet ruikende Magdalenazaal het dan al vermaarde Arid aantreedt, Steven Van Havere de drumsticks beroert. Steven zal blijven trommelen bij Arid, ook wanneer hij tussendoor optrekt met Hooverphonic.
En midden al die slagwerkdrukte daagt in Brugge ineens Metronoom op. Was ondergetekende de enige die in 2012, wanneer alternatieve muziekschool Metronoom haar deuren opende, zich stilletjes afvroeg of zo’n gewaagd avontuur een lang leven beschoren was? En of hij het mis had. Voor veel stadsgenoten met goesting in muziek is het begrip Metronoom nog amper weg te denken. Trouwens, van het Brugotta-project – jong muziekgeweld dat een heuse concertzaal laat vollopen – zou weinig in huis komen zonder de ruggensteun van een heuse Metronoom-band. Met als voorman zowaar … een drummer.
Vier jaar geleden leek het erop dat bij het overlijden van Charlie Watts het doek zou vallen over één van de meest invloedrijke rockgroepen uit de geschiedenis. Mag ik u trakteren op een verkwikkend verhaal dat weliswaar nooit de ronde deed, maar dat ik alsnog met u wil delen? ’t Gaat over Steven Van Havere die op een dag wordt opgebeld door Mick Jagger. De zanger, op zoek naar een vervanger voor Charlie, meldt hem: “I guess you will be proud to be my drummer!” Wat Steven heeft geantwoord, die keer, zullen we nooit weten. Maar wel dat Mick Jagger op zoek mocht naar een andere drummer …
Of daar iets van aan is, van Steven en Jagger? ’t Had gekund. Ken je die oude wijsheid die vertellers graag met mekaar delen? Die luidt ‘Laat af en toe de waarheid een goed verhaal niet in de weg staan’.
Arid viert – mèt Steven – dezer dagen zijn vijfentwintigste verjaardag. Volgend Brugs concert op 29 januari in Cactus Muziekcentrum.
Voor mij komt het onverwacht, Leen, het nieuws van je overlijden … Een ochtend, vorige week, in de kleine supermarkt bij ons in de buurt. Zo’n winkel waar ze geen zelfscan hoeven, bij ’t afrekenen is veelal de glimlach van de kassière in de prijs inbegrepen. Ik leg mijn drie kartonnetjes karnemelk op de band, de deftige dame voor mij en de kassierster blijken mekaar goed te kennen en zoals dat dan gaat komt daar een babbel van. Of zij het al wist, vraagt de dame, dat Leen Persijn overleed? De vrouw aan de kassa weet het niet. Ik evenmin. Ze wisselen nog een paar bedenkingen, iets over de kassierster haar ma die sinds kort in een woonzorgcentrum verblijft, het verband met het jammere nieuws van daarnet ontgaat mij. Terwijl ik naar huis wandel, Leen, blijf je in mijn gedachten. Eén optreden van jou herinner ik me, ergens in mijn jongensjaren. Was het op school of elders, dat deemsterde weg in de mist die we tijd noemen. Mij rest een beeld van een statige vrouw, haar zelfzekere uitstraling, haar open blik vooral. En wat liedjes. Gedichten van Gezelle, zou het?
… avonden lang te gast in de Korrekelder …
Thuis gekomen vertel ik mijn eega wat ik net hoorde. Weet je nog, antwoordt ze, enkele jaren geleden toerde Leen Persijn met vertellingen en liedjes over haar moeder die aan dementie leed. Ik was erbij, op één van die middagen, en voor mij was dat heel herkenbaar. Ik weet waar ze ’t over heeft en meteen daagt het mij waarom de kassierster het daarnet over haar ma had. Op de radio komt Leen Persijn ’s avonds hele even ter sprake. En draaien ze ‘Ik heb het altijd gedaan’, het enige liedje van jou dat destijds echt radioaandacht kreeg. De woorden waren van Fred Brouwers, jij in de huid van een kind dat sakkert over zijn vermaledijde huisgenoten van wie het almaar op zijn donder krijgt. Een ondeugend lied van een voor het overige voorbeeldige zangeres, zal ik het zo omschrijven? Want, Leen, je zal het niet ontkennen, je was allerminst een tafelspringer. Het nooit echt tegen schenen schoppen en dat toch enigszins ‘burgerlijke’ imago van jou … Misschien hield dat jou enigszins onder de radar. Onze radar. Of lag het veeleer aan hoe je door ’t leven ging? Vandaag lijkt het doen en laten van podiummensen veelal op een racebaan. Jij, Leen, was nooit zo’n snelheidsduivel. Je vervolgde je weg op jouw gezapige manier, jouw tempo. Duwden anderen gehaast het gaspedaal in, dan was jij zo’n chauffeur die gedwee stopt aan elk zebrapad waar iemand oversteken wil.
– foto Piet Van Belle –
In je repertoire dat zich makkelijk bij kleinkunst laat onderbrengen is ’t dan ook zoeken naar iets dat stof deed opwaaien. In onze zotte jaren volgden wij min of meer wat in het kleinkunstwereldje gaande was, maar Leen Persijn kwam amper ter sprake. Hier in Vlaanderen maakten knapen als Kris De Bruyne en Zjef Vanuytsel – verdomme, ook al allebei ‘zaliger’ – ’t schoon weer. Jan De Wilde of Johan Verminnen, Willem Vermandere. En de ook al betreurde Walter De Buck en Wannes Van de Velde. Maar hela, nu ik dit hier opschrijf … dat gaat hier over mannen! Waar waren de vrouwen als je ze nodig had? Jij, Leen, en Della Bosiers en van jouw generatie kan ik voorts amper een Vlaamse bedenken die meespeelde op de speelplaats van de kleinkunst. Bij onze noorderburen hadden ze grote madammen als een Liesbeth List of een Jasperina De Jong. Een Astrid Nijgh en nog wel een paar dames. Maar hier bij ons was kleinkunst ventenwerk.
En toch dook jij altijd wel ergens op. Ook hier in Brugge. Was het niet in Brugge dat het meisje uit Tielt, Leen Persyn – pas later zou je kiezen voor de naam Persijn – haar regentaat Beeldende Kunsten voltooide voor ze de wereld in trok? Je keerde regelmatig
… in Onze Ark, wijkzaaltje in Sint-Michiels.
terug, zo leert mijn collectie waaruit ik een paar affiches opdiepte. In 1982 was je avonden lang te gast in de Korrekelder aan ’t Kraanplein. En enkele jaren later een avond in Onze Ark, wijkzaaltje in Sint-Michiels. Kleinere podiums, ook hier. Wat mij laat bedenken … Is dat spelen in kleine zaaltjes niet de kern van klein-kunst? Lag het ook daaraan dat je naam nooit klonk als een klok? Of eerder aan de soms zeer uiteenlopende keuzes die je zoektocht typeerden? In die lange loopbaan van jou ging het om zingen, ja, maar ook om theatermonologen brengen, presenteren op tv, toneelproducties begeleiden … Je koos ervoor om veel te kiezen. Tot vorige week. Al even, vernam ik, kwelde jou een bijzonder hardnekkige vorm van ALS. En ook hier koos je zelf, voor zover dat een keuze mag heten. Voor euthanasie. Op je verjaardag, je tweeëntachtigste. Zegt ook dat iets over wie je was, wie je bent?
Diezelfde middag ben ik alweer op weg naar de superette. Liet vanochtend na, iets mee te brengen dat mijn wederhelft van doen heeft in de keuken. Zo’n dingen vergeten, dat talent is mij gegeven. ‘k Wandel door de slome straten van onze wijk, tot bij de hoofdweg verderop. Ik wacht bij ’t zebrapad, komt een auto. De wagen vertraagt. Een hand wuift ‘Ga maar!’ De vrouw achter het stuur … haar blik … lijkt op iemand … ach, die verbeelding van mij. Ik ga het zebrapad op, steek even mijn hand op, als dank. Merci, Leen, merci om wie je was.
Ik vond een jaar op zolder. Het jaar verraste mij en daarom nam ik het met plezier mee, de trap af. Het is een jaar van al een hele tijd geleden, geen idee hoe lang het daar al geduldig wachtte, onderin die bananendoos, tot ik het weer een keer zou doorbladeren. ‘Bruggeboek van het jaar 85’ staat bovenaan op de kaft met daaronder ‘Onder redaktie van de Vereniging van Brugse Beroepsjournalisten’. Pardon, ‘redaktie’? Ach, let maar niet op die ‘k’ middenin het woord. De jaren tachtig en hun een zwak voor ‘progressieve’ spelling.
Hoe het boek op zolder belandde? Voorzichtig uitgedrukt … deze jongen blonk nooit uit in boeken en andere documenten van de hand doen. Bijgevolg ging in dit huis veel papiergerief langs het gammele uitklaptrapje zolderwaarts. En zo raakte onze redelijk ruim bemeten zolder almaar meer gevuld met een almaar onoverzichtelijker veelheid aan boeken en ander papierspul. En kreeg ondergetekende met toenemende regelmaat van zijn huisgenote het verzoek om die papierberg aan te pakken.
Doch vorige week, zijn eega wist niet wat ze hoorde. Dè dag brak aan waarop hij zijn zolder zou onderwerpen aan een hardvochtige vraagstelling! Wie blijft, wie moet weg? Lang leve de kringwinkel! Kwam hij toch wel meteen dat boek van veertig jaar geleden op het spoor, zeker! Halt! Pauze! Zo dringend is dat van die zolder nu ook weer niet. Tijd voor een boekwerk vol bijna vergeten maar meteen weer oplichtende herinneringen! De korte artikels in het boek hebben iets van veredelde krantenknipsels. Je vindt er het Brugge van toen, beschreven met woorden van toen. En uiteraard is er de verleiding om met wat je vandaag weet, makkelijk te oordelen over wat er staat.
En zoals de stad veranderde in de decennia die volgden, evolueerde ook de wereld eromheen. Hoe die er toen uit zag, dat laat het boek in het midden. Ons Europa, nog opgedeeld door een IJzeren Gordijn maar ook, in Polen, het kolkende verzet van Solidarnosc, de vrije vakbond van Lech Walesa. De onrust omtrent de aids-epidemie en het Heizeldrama maar ook de Live Aid-benefietconcerten.
Inmiddels is deze knaap stilletjes van het trapje afgedaald naar zijn ‘affichekamer’ waar hij, het oude boek op de knieën, verzinkt in een resem herkenbare histories. Mag het verbazen dat hij zich, hier midden zijn collectie, afvraagt hoe het zou zitten met affiches van toen? Niet elk item in het boek laat zich linken aan zijn verzameling. De sloop van de oude Gistfabriek aan de Langerei? De inhuldiging van het nieuwe gerechtsgebouw bij de Kruispoort? Geen affiche in huis. Evenmin omtrent de opening van de volkssterrenwacht in Beisbroek.
Maar van veel andere voorvallen diept de verzamelaar wel iets op uit zijn collectie. De zeilschepen die bij de inhuldiging van de nieuwe havenfaciliteiten Zeebrugge aandeden. De Meifoor, weer op ’t Zand na jarenlange omzwervingen langs de Kruisvest en ’t Boudewijnpark. Er was het nog prille maar groeiende Cactusfestival, die zomer voor een laatste keer op het Sint-Amandspleintje. Mij onbekend was een voornemen dat toen heel even de kop opstak en waarover hier staat ‘Kan het festival zijn kwaliteiten volgend jaar misschien ontplooien op de Burg?‘ De Korrekelder aan het Kraanplein hield zich staande, al ging het legendarische vestzaktheater woelige jaren tegemoet.
En kijk wie ook in het boek staat! In dat gezegende jaar 1985 werd Roger Vangheluwe tot bisschop gewijd! Een affiche van die viering? Neen, maar tot mijn eigen verbazing tref ik na wat zoeken toch een affiche omtrent de omstreden bisschop. Weliswaar van veel later, maar zullen we ze toch maar bovenhalen?
Het gaat om dinsdag 13 maart 2010, Assebroek, een lezing van de bisschop. Amper vijf weken later ontploft de bom die ‘de zaak Vangheluwe’ heet. Het is bekend dat woorden met de jaren soms een heel andere lading dekken. Zo ontwaar je, tussen alle lof over de nieuwe bisschop in het Bruggeboek 1985, de zin ‘Ook de jeugd heeft altijd zijn aandacht getrokken’.
Maar keren we in schoonheid terug naar toen. Toen in Gruuthuse een tentoonstelling liep over een groot streekgenoot uit de renaissance, componist Adriaan Willaert. Toen de beurshalle zaliger onderdak bood aan ‘Bouwen Wonen Nu’, de jaarlijkse bouwbeurs. En wie die jaren stilletjes nooit meemaakte, weet niet van Showburg, het brave ‘voor elk wat wils’-festival, elke zomer op de Burg.
Ik leg het ‘Bruggeboek 85’ opzij en verzin een verhaal over toen. Dit verhaal. Zoals gewoonlijk vergt dat meer tijd dan gepland. Tot bedtijd, zeg maar. Mijn teerbeminde bedgenote heeft gelijk, mij wacht nog een ferm karwei. Het verder ruimen van alle papier ginder boven. Maar geloof mij, ooit komt dat ervan, ook al vergt het mij … een jaar op zolder.
Van de paar woorden die ik las, mijn gedachten maar half bij de les, realiseerde ik mij pas later dat ze zich in mijn geheugen hadden genesteld. Jeroen Olyslaegers – je weet wel, de schrijver – had ze ergens online achtergelaten nadat iemand een standpunt van hem onderuit wou halen …
“Zoals gewoonlijk ben ik verheugd dat we het oneens zijn, want het doet me nadenken.” Van mening verschillen, daar vooreerst een waarde aan toekennen en dan pas een tegenargument aandragen … het getuigt van enige wijsheid. En toch zitten tegenstrijdige meningen je soms ronduit dwars. En al helemaal wanneer het je eigen standpunten zijn die mekaar tegenspreken. Neem nu dat recente besluit omtrent onze godshuizen. Het lijkt mij een gepaste maatregel èn tegelijk vind ik het spijtig dat ie er komt. Het ís gewoon een verstandige beslissing die ze namen over godshuizen. Ze, dat zijn die van de gemeenteraad. En ondergetekende zal het maar toegeven, was hij raadslid dan keurde hij zo’n voorstel zonder aarzelen goed. Maar hij zetelt niet in de raad, wel onderuit in zijn zetel thuis, als doordeweekse inwoner van zijn stad. Maar kan, naast zijn hoedanigheid van brave burger, ook prat gaan op een getuigschrift dat hij lang geleden verwierf. Een diploma als stadsgids. En ’t is als gids dat hij moeite heeft met die gloednieuwe regelgeving.
Want deze gids neemt bezoekers graag mee naar zo’n godshuis. Het liefst nog naar het ‘Rooms Convent’ in de Katelijnestraat. Wat een zegen is het, midden de rumoerigste hoek van onze binnenstad je volgelingen wijzen op het smalle poortje. Je neemt hen mee het steegje in en meteen deemstert het zotte geroezemoes van de chocolade-en-wafelstraat weg. Amper een paar stappen verder verrast het pittoreske tuintje zelfs de meest onverschillige bezoeker.
Een paar stappen verder verrast het pittoreske tuintje … Het schilderij op de afficheis van de hand van Louis Reckelbus
Een gedroomde plek om het verhaal van onze godshuizen te brengen. En raad eens waarmee de gids dan van wal steekt? Met het sociale vangnet dat we vandaag hier bij ons min of meer vanzelfsprekend vinden. Om dan zijn toehoorders mee te nemen naar ons ver verleden, een verleden waarin van sociale zekerheid geen sprake was.
Stel je even voor, je bent hulpbehoevend, zonder bestaansmiddelen, dakloos of zo. Je lot hangt helemaal af van de goedhartigheid van barmhartige stadsgenoten. Maar er is hoop, hier en daar in de stad worden woonhuisjes gebouwd voor ‘arme dutsen’ zoals jij. Soms op initiatief van beroepsverenigingen, vaak op kosten van welgestelde lieden. Noodlijdende medeburgers helpen, noem het menslievendheid. Je weldoener hoopt meteen met zijn voorbeeldige daad op een goed blaadje te staan bij de Allerhoogste, vandaar ‘godshuizen’. En als statussymbool kan het stichten van zo’n godshuis ook tellen, natuurlijk. Is ’t ondeugend van de gids, aan te merken dat zo’n initiatief ook van nut is om het gepeupel onder de knoet te houden? Krijg je op kosten van rijkelui een dak boven je hoofd, haal je het niet in datzelfde hoofd om hun riante welstand in vraag te stellen.
De godshuizen van de schoenmakers in de Balstraat, ja daar wel …
Dat en nog meer komen bezoekers aan de weet wanneer ze met deze stadsgids op verkenning gaan. Tenminste, tot vandaag liep het zo. Want straks mag het niet meer. Het recente gonzen van geruchten omtrent het toerisme in onze stad is u genoegzaam bekend. Over een pak nieuwe richtlijnen heeft zowat elke Bruggeling zijn zegje. Dat wij, gidsen, geen grote groepen meer op sleeptouw mogen nemen. En in nauwe straatjes of op bruggen niet langer halt mogen houden om ons publiek toe te spreken. Ordonnanties waar veel voor te zeggen valt. Maar die ene maatregel, over godshuizen? Daarover blijft het onvermoed stil. En nochtans, het is ’t één en ’t ander. Want, waarde stadsgenoten, aanhoort hier de beslissing van ons gemeentebestuur. Straks zijn wij, gidsen, met onze volgelingen niet langer welkom in die binnentuinen. Niet in de grote tuin aan de Nieuwe Gentweg. Evenmin, ik noem maar wat, bij De Pelikaan aan de Groenerei. De godshuizen van de schoenmakers in de Balstraat, ja daar wel, maar daar huist sinds jaar en dag het Volkskundemuseum met zijn heel eigen ambiance. Enfin, wij zijn er niet langer gewenst, in onze godshuistuinen. Kijk, da’s dus wat ze een dilemma noemen. Want woonde ik in één van die oorden, haalde ik dan opgelucht adem? Laat die toeristen hier weg en ons, bewoners van deze oases van rust … met rust? En was ik gemeenteraadslid, dan deelde ik die visie? Maar je bent gids en het stemt je droevig. Moraal van ’t verhaal? Zit een discussie je dwars, overweeg dan de les van Jeroen Olyslaegers. Maar ‘Zoals gewoonlijk ben ik verheugd dat we het oneens zijn’ … betrap je jezelf op tegenstrijdige meningen, dan kan je daar weinig mee aanvangen.
Kunnen wij het op een akkoordje gooien? Ik verklap wat roddelnieuws en jullie beloven dat het onder ons blijft. Voilà, we verstaan mekaar. ’t Gaat over mijn baas en mijn vrouwtje. En omtrent onze tuin. Enfin, de onze maar eigenlijk vooral de mijne. Want zeg nu eens eerlijk, vrouwtje, baas, wie van ons slijt de meeste tijd in deze stadstuin? En toch, mijn huisgenoten denken daar anders over dan hun hond. En ergens versta ik dat. Honden begrijpen vaak meer dan mensen kunnen vermoeden. Ze hebben een punt, zij waren hier eerst, mijn baas en vrouwtje kwamen hier terecht in hun eigen jonge jaren. Ik kan mij best voorstellen dat ze destijds in de wolken waren met hun woonst.
… de oude, knoestige zilverberk …
Het huis dat ze kochten was gebouwd in de vroege jaren zestig, toen in het nog redelijk pastorale Sint-Andries weiden en velden werden verkaveld dat het een lieve lust was. Veel later bezegelden baas en vrouwtje met de aankoop van dit pand in zo’n typerende buitenwijk voorgoed hun kleinburgerlijke bestaan als brave lieden die voorbeeldig uit werken gingen, alleen heel af en toe een keer iets zots deden maar voor de rest hun lening afbetaalden zoals ’t hoort. En hun leven ging zijn gangetje. Midden een tuin die stilaan de eigenheid kreeg zoals zij die voor ogen hadden. Sta mij toe even die tuin van ons – van mij – te beschrijven, dan kunnen jullie de situatie inschatten. Vooreerst, naar hondennormen is ‘t hier best wel ruim. Van bij het terras spurt je gezwind een heel eind het gazon op. In een boog om de oude, knoestige zilverberk heen, rakelings langs de beukenhagen, achteraan voorbij de kippenren en helemaal terug. O ja, die kippenren. Lag het aan mij, dan mochten die drie kakelaarsters genoegen nemen met veel minder tuin dan ze nu toebedeeld krijgen, maar soit. En voorts laat het gazon zich omzomen door struiken, sierhaagjes en bloemen. Met hier en daar zomerse potten waarin ook van alles bloeit. En die dingen, waarde vrienden, die dingen liggen gevoelig.
… onze gezonde hekel aan afgelijnde netheid.
Want je moet weten, ik ben een boxer, een jonge. En wij, jonge boxers, zijn de nozems onder de honden. Onze voorliefde voor ruige, onstuimige natuur ligt … in onze natuur. Die gaat samen met onze gezonde hekel aan afgelijnde netheid. En in deze tuin heeft dat zo zijn gevolgen. Ja, je kan hier met genoegen je poten strekken. Maar hoewel zo’n rondje de-tuin-meten doorgaans volstaat, komt het toch voor dat mijn innerlijke hond nood heeft aan nog nèt iets meer. Kan je je inbeelden waar dat toe leidt wanneer ik, zoals gisteren, een statig bloeiende dahlia in het vizier krijg? Of wanneer een pas aangeplant perkje uitnodigt tot het graven van een putje? Nou ja, put. En als ik de inhoud van bloembakken wel eens naar mijn poot zet?Dat met die vaas op het kastje in de veranda, dat was dan weer een accidentje. Op zo’n keren zijn vrouwtje en baas niet content. Dan hoor ik ze wel eens flauwe dingen zeggen over mij en dat stemt mij droevig. Soms begrijpen mensen minder van honden dan honden van mensen.
… jullie boxertwee weken zonder renbaan?
Enfin, laat dit volstaan om alles enigszins te duiden. Want, nu komt het, er staat iets op til. Komt een meneer langs. Ik ken hem niet, maar zoals gewoonlijk verwelkom ik hem in volle uitbundigheid. Maar algauw word ik lichtjes achterdochtig. Want het gaat over mijn gazon waarvan baas en vrouwtje vinden dat het stilaan meer weg heeft van een hobbelige weide dan van een stadstuin. En over de meest losbandige hond van heel Brugge. Wat is mis met een weide? Dat lossen we op na de winter, verzekert de bezoeker. Wat volgt snap ik maar half, iets ingewikkelds met uitgerolde grasmatten, maar mijn huisgenoten gaan helemaal mee in zijn verhaal. Alleen … dat jonge gras gun je maar beter een paar weken rust, zegt de meneer en kijkt streng in mijn richting. Heb ik iets aan van hem? Maar dan spreekt hij de woorden ‘Zo’n nog losliggend grastapijt vinden honden héél verleidelijk om in te wroeten. Je houdt haar best een paar weken weg uit jullie tuin.’ Jullie tuin? De mijne, zal hij bedoelen! En tot mijn verontwaardiging zie ik baas en vrouwtje knikken. Gehoorzaam, zoals je dat verwacht van burgermensjes. Mijn rimpelkop fronst nog meer dan anders maar dat merken ze niet. Vrouwtje, baas, jullie boxer twee weken zonder renbaan? Zonder uitlaatklep? Dit gaat over grenzen en jullie weten hoe nozems daarover denken. Dit komt niet goed. Onze gast vertrekt en mijn huisgenoten babbelen nog wat na over wat hij voorstelt. Ik luister stil. En hoor hen iets in vraag stellen. Of ’t wel haalbaar is, hun hond twee weken zijn vrije loop afnemen. Oef, ze vinden het geen goed idee. Soms begrijpen mensen meer van honden dan je zou vermoeden. Ik zie ze graag, mijn vrouwtje, mijn baas. En heel stilletjes weet ik, ze zien mij ook graag. Althans tot volgende zomer. Tot een eerste prille hortensia sneuvelt in mijn tuin. Pardon, onze tuin.
Haar naam onthult veel, maar houdt ook één en ander achter de hand. Dat een begraafplaats vlakbij ligt, is het minste wat we bij een Kerkhofblommenstraat mogen verwachten. En ’t is waar, ons aller Lara Taveirne gaf die naam aan een pakkend boek. Een titel die ze leende bij Guido Gezelle, die ze in die roman van haar ‘de Dichter’ noemt. Gezelle debuteerde met ‘Kerkhofblommen’, poëtische beschouwingen bij het overlijden van één van zijn leerlingen in ’t Klein Seminarie in Roeselare. Je staat behoorlijk sterk in je apathische schoenen als je onberoerd het handvol woorden van Gezelle leest zoals het zich in onze collectieve herinnering nestelde.
Een handvol dagen geleden, we fietsen langs die Kerkhofblommenstraat op weg naar vrienden van ons die er in de buurt wonen. En ineens weet ik het weer, dit is geen straat als een andere. Hoe ze met haar kenmerkende ligging wijst op de gang van ’t leven. De eindigheid ervan. Met aan je linkerhand de zwijgzame, stenen muur, waarboven dreigend smeedijzer. Daarachter, de begraafplaats. Aan de andere kant, achter oude linden, het dagdagelijkse bestaan en hoe het zich afspeelt in woonhuizen zoals dat van jou en van mij. Panden waar mensen werken, eten, slapen, vrijen, leven. Ons dagdagelijkse doen en laten, kortom.
Al waait in de kronkels van mijn gedachten alweer een andere, minder filosofische bedenking langszij. Een overweging die mijn wederhelft verbaasd laat opkijken. Wanneer ik aanmerk dat de naam van de straat, met die ‘Kerkhofblommen’, hier eigenlijk niet thuis hoort. Hoezo niet? Welja, een kerk-hof hoort bij een kerk! Dat is hier helemaal geen kerkhof, het is de stedelijke begraafplaats!
Meewarig schudt zij het hoofd, wat mij leert dat ze mijn bedenking maar wat sneu vindt. En ze verhaalt over een warme babbel die ze laatst had met een oude dame. Al enige tijd komt mijn levenslief in een woonzorgcentrum langs – vrijwilligers zijn er meer dan welkom – bij mensen die terugblikken op hun veelal lange leven. Zoals toen dat vrouwtje haar toevertrouwde hoe ze elke dag praat met haar overleden dochter. Een mens verliest een kind, het zou niet mogen. Maar een mens leeft verder. En zoekt troost, op eigen wijze zoals elkeen. Tja, dat is nog andere koek dan de vraag of een begraafplaats wel kerkhof mag heten. Het herinnert mij aan een schone gewoonte van mijn wederhelft. Waar we ook langs komen, is er een kerk dan gaan we er even binnen. En nooit zonder een brandend kaarsje dat ze achterlaat bij een Mariabeeld. Waarom, hoef ik niet te vragen. Wat er echt toe doet laat zich niet altijd in woorden vatten.
… de oprijlaan naar een herenhoeve …
Al zijn er die andere, schijnbaar simpele woorden die mij zullen bijblijven. Het was aan het ziekbed van onze buurvrouw. Er zijn buurvrouwen en er zijn wijze buurvrouwen. Ze wist waar ze aan toe was en had er vrede mee, besefte ik om wat ze zei, toen we het hadden over later. ‘Het hiernamaals, het is een mysterie’, het klonk als haar eenvoudige zelf. Meer dan haar woorden trof mij de rust waarmee zij die uitsprak. Ik zweeg. Zij zweeg. Want wie was ik, domme twijfelaar, om haar lastig te vallen met mijn eigen gedachten. Met die woorden van Remco Campert, ‘De tijd duurt één mens lang’, waar je een avondje kan over doorbomen.
Wij fietsen verder langs de Kerkhofblommenstraat, mijn levenslief en ik. Voorbij de witgekalkte toegangspoort van de begraafplaats. Van verderop bij de Baron Ruzettelaan naar dat imposante gebouw leidt, als was het de oprijlaan naar een herenhoeve, de Brugs-Kerkhofstraat. Dat ook die straatnaam ten onrechte verwijst naar een kerk-hof, dat hou ik wijselijk voor mezelf. Want kijk, we zijn er en we zijn welkom bij die vrienden van ons en bij de peuter des huizes. De kleine lacht ons toe zoals peuters dat doen, met in zijn grote ogen de volle goesting in het leven dat hem wacht.
Pauzeknop ’t Is om te zeggen dat uw verteller volgende week even de pauzeknop indrukt. Om de week daarna meteen weer toe te geven aan de goesting om Brugge te vatten in afficheverhalen. Maar om even te ontwennen, zegt hij zijn stad een keertje goeiedag en trekt erop uit met een handvol vrienden. Op reis? Tenerife! Dubai, Patagonië! Ach, inmiddels kent u deze verstokte dichtbij-reiziger!
… nu en dan een toerismebeurs, hier in Brugge.
Was het destijds niet de betreurde George Harrison die de wijsheid ‘The more one travels, the less one knows’ aan de wereld toevertrouwde? George, bij de Beatles altijd al degene met het hoogste schoolmeestersgehalte, bedoelde zoiets als ‘wie thuis blijft, denkt na en wie nadenkt, blijft thuis’. Jammer voor George, zijn gezongen goede raad verzeilde op de B-kant van een single en da’s vanouds de plek waar liedjes in de vergetelheid geraken. Mag het verbazen dat George’s thuisblijfadvies geen zoden aan de dijk bracht en vandaag de halve mensheid al reizend dooreen krioelt?
Meer ‘elders’ dan ‘hier’ De ironie? Ouwe George dweilde met zijn muzikale kompanen de halve aardbol af, om tenslotte in het verre Indië te beseffen dat de zin der dingen ook dicht bij huis te vinden is. Of, zoals een ander wijs mens ooit orakelde … er is overal meer ‘elders’ dan ‘hier’. George had zoiets net zo goed kunnen overwegen, nippend aan een ochtendlijk kopje thee, uitkijkend over een broos, in nevel ontwakend dal in ons aller Henegouwen. ’t Is daar dat u uw dienaar en zijn vrienden dezer dagen treffen kan. Als u grondig zoekt, tenminste, want de schone plaats waar ons reisgezelschap neerstrijkt, houdt zich gedeisd.
Henegouwen Op naar onze zuidelijke landgenoten, dus, die ons eerder al over de taalschreef lokten met nu en dan een toerismebeurs, hier in Brugge. En veelal met de Ardennen als lokaas. Terwijl ginder ook andere oorden rust en schoonheid herbergen. Zoals het minder tot de verbeelding sprekende Henegouwen, waar wij straks neerstrijken, in zo’n dorp waar niets te beleven valt. Het huis waar we verblijven vlijt zich aan tegen een bos, van waar het zich elke ochtend vergaapt aan het weidse uitzicht aan zijn voeten.
Pastorale eenvoud, maar altijd opnieuw keren wij terug naar die kalmteplek. Daar en in het dorpscafé, waar iedereen alleman en zelfs ons kent. Met de Saint-Feuillien in frisse glazen, bij de bordjes met worst van de lokale slachter. En met Leonardo achter de toog. De in de streek geboren en getogen Leonardo is, dat raadt u, van Italiaanse komaf. Na de oorlog vestigden zich daar in de omgeving ‘Borinage Italianen’. Mijnwerkersfamilies.
Nabij een stad die wij Bergen noemen, maar die eigenlijk Mons heet. Daar hadden ze ooit een burgemeester – Elio is ook van Mediterrane komaf – die de stoffige binnenstad van Mons opfriste zodat tien jaar geleden de wegwijzer ‘Europese Culturele Hoofdstad’ daarheen leidde. Van bij ‘ons’ boshuis is ’t een korte rit naar Mons. Om een blonde Paix Dieu te proeven zijn er kwalijker plekken dan een terras op het schilderachtige marktplein. U merkt, waarde lezer, ze serveren bieren van klasse, daar in Henegouwen.
Salvator Dali in Brugge En ze pakken daar, ook tien jaar na hun Culturele Hoofdstadjaar, nog geregeld uit met spraakmakende kunst. Straks zien wij in Mons een expositie rond David Hockney. Benieuwd of ons BRUSK binnenkort ook met zo’n wereldnamen uitpakt. En ze hebben daar iets met Vincent van Gogh. Niet zoals Brugge, waar de gevel van ons meest imposante gebouw, het belfort, zich laat ontsieren door een ridicuul spandoek dat zowaar verwijst naar Salvador Dali. Alleen omdat onder die gekleurde lap stof een winkel zich de in dit geval pretentieuze status van museum aanmeet. De band tussen Dali en Brugge? Was de grootmeester nog onder ons, dan vond hij het ongetwijfeld een smakelijk surrealistische grap.
Maar de Borinage, Vincent van Gogh woonde daar. Korte tijd, maar niet zomaar een tijd. Wel in de dagen waarin hij zijn roeping vond als kunstenaar. Dat zijn woonst in het gehucht Cuesmes zich museum noemt, daar valt wèl mee te leven.
Slogan Fietst deze Bruggeling een paar dagen geleden door zijn stad. Zoals veelal zonder acht te slaan op straatnaambordjes – op de kasseien van Brugge Fietsstad houdt de fietser zijn ogen maar beter op hobbels en putten. Maar die keer wel met zijn gedachten bij dit stukje dat hij schrijven wil. Om ineens te beseffen, ik rij hier langs de Waalsestraat!
Waalse? Thuisgekomen, zoekt hij wat info. ‘Waal’ of ‘wal’ verwijst naar water, schrijft Chris Weymeis. Ha ja, een walgracht, dat is ons bekend. En Albert Schouteet, die van ‘De straatnamen van Brugge’, had het over de middeleeuwse handelsroutes tussen Vlaanderen en Frankrijk. Om bij de straatnaam fijntjes te verwijzen naar ‘Wat Wals is, vals is’. Dat zijn woorden van Jacob van Maerlant die met dat ‘Wals’ de Franse literatuur, die van ‘zijn’ dertiende eeuw bedoelde. Die vond hij maar minnetjes, vandaar. Had zodoende met ons Belgisch Wallonië niks van doen. We kijken er naar uit, naar ons lang weekend, ginder midden de Henegouwse velden. Waar we ons nuttig maken met het bedenken van een meer flatterende slogan, voor ‘t geval de Walen nog een keer naar Brugge afzakken met een vakantiebeurs. Met een ontkurkte Prestige van brouwerij Dubuisson bij de hand, als inspiratiebron. De karakterbieren van ginder zijn daar goed in. Een slogan? Wat te denken van ‘Henegouwen … weet van brouwen!’?
Aan Roger Deruwe en Marc Braet – en voor Lieve Deruwe – En dan beloof je, iets te schrijven over haar vader. Eén van de komende dagen zou de onlangs overleden Roger Deruwe zijn honderdste verjaardag vieren, vertelde ze over de man aan wie muzikaal Brugge iets warms in zijn klankkleur dankt. Ze had je laten langskomen om je een map vol affiches toe te vertrouwen. Affiches omtrent orgelconcerten van haar pa en van koren die hij begeleidde als dirigent, soms een heleboel jaren na mekaar. En omdat het ene plezier het andere waard is, plande je een cursiefje bij haar vaders honderdste geboortedag.
Je bedacht iets van een verhaallijn. Over vroeger, onze kindertijd, die van haar en van mij. Weet je nog hoe hoogst uitzonderlijk het toen was, iemand die honderd mocht worden? Je zou vertellen over het jongetje op die foto van zestig jaar geleden. Dat ventje dat met meer zelfzekerheid in de lens kijkt dan je je van hem herinnert. Wellicht was hij die keer gewoon trots omdat hij mocht mee opstappen in de stoet die door het zondagse dorp zou trekken? Nooit eerder werd ons stille buitendorp door zo’n feeststoet in rep en roer gezet. Wij hadden dan ook alle redenen om voluit te gaan. Want hoezee, Melanie De Mey, ‘Melleke’, een vrouwtje van bij ons, was honderd geworden! Iedereen, burgemeester en pastoor voorop, was erbij om Melleke te groeten. De meester op school vertelde dat niemand wist wanneer we nog een keer zouden meemaken wat vandaag voorviel.
In onze tijd, al die vandagen later, komt een verjaardagstaart met honderd kaarsjes wel vaker voor. Muziekmens Roger Deruwe nam vrede met achtennegentig. Geen toeters en bellen, dus. Een cursiefje dan maar. Over de prille orgelpassie die Roger te pakken kreeg in het Brugse muziekconservatorium. Nogal wat Brugse orgels herinneren zich zijn vingerspel. Later zou Roger – naast een loopbaan als muziekleraar, onder meer in Sint-Andreas en Sint-Leo – volop inzetten op het dirigeren. Aanvankelijk bij het Renaat Veremanskoor, later voor zijn zelf opgerichte Scola Gregoriana Brugensis, waarmee hij ook in het buitenland naam zou maken.
Ingewijden benoemden Scola Gregoriana kortweg en amicaal als ‘de Scola’ en hun dirigent als ‘de Chef’. Dat leer ik van Hendrik Vanden Abeele, die zijn jaren bij het koor kleurrijk omschreef in een hartverwarmend In Memoriam bij het overlijden van zijn leermeester. Onlangs nog zag ik op een stemmige avond Hendrik Vanden Abeele zijn eigen zanggezelschap Psallentes begeleiden in de in duisternis gehulde begijnhofkerk. Pas achteraf realiseerde ik mij van wie hij de gedrevenheid erfde die hij die avond al dirigerend aan de dag legde. De appel en de boom. Gaat komende dinsdag Roger Deruwe’s honderdste geboortedag in stilte voorbij? De stenen die hij verlegde in het Brugse muziekwater weten beter. Enige eenvoudige belangstelling had gemogen. En ineens bedenk ik, midden ’t verzinnen van dit tekstje … Allez kom, een tentoonstelling met concertaffiches waarop zijn naam prijkt! Ach, laat maar, daartoe zijn de affiches die zijn dochter mij gunde tè bescheiden ontworpen. Zeggen ze iets over de dirigent?
Doch kijk hoe merkwaardig soms, de gang van ’t leven. Want dat van die tentoonstelling herinnert mij aan wat momenteel loopt in de Bogardenkapel bij de Stedelijke Kunstacademie. Een groepje plastische creatievelingen brengt er materiaal bijeen dat herinnert aan … een honderdste geboortedag! Drie maanden voor Roger Deruwe hier in Brugge, zag Marc Braet in Nieuwpoort het levenslicht. Ook de geëngageerde dichter met het hart op de zeer linkse plaats haalde de honderd niet. Maar krijgt bij zijn eeuwverjaardag wèl een expositie! Roger en Marc, ze zullen er hun eeuwige rust niet voor laten. Al besluipt mij een vaag vermoeden dat de diepgelovige dirigent en de vanouds vrijzinnige dichter bij leven over dat eeuwig rusten niet bepaald eenzelfde kijk deelden. Zoals ze wellicht op meerdere vlakken elk op hun manier in ’t leven stonden.
Maar toch … lees ik hier in wat Hendrik Vanden Abeele neerpende over zijn overleden muziekmeester en zijn visie op Gregoriaanse zang, zowat de bestaansreden van zijn Scola Gregoriana. Hoe weigerachtig Roger Deruwe stond tegenover de algemeen aanvaarde stelling dat je Gregoriaans ook ten volle kan beleven buiten zijn liturgische context. Zo’n stelling smaakt naar enig debat?
Welnu, neem even enige afstand, waarde lezer, want wat volgt speelt zich af in het hiernamaals. Dat hiernamaals waar Roger uiteraard met volle vertrouwen heen ging. Op een keer komen ze mekaar daar tegen, de dirigent en de dichter. Tot verbazing van de eerste en groot ongeloof van de tweede, die het bestaan van zo’n eeuwig leven altijd wegwuifde. Dat Gods wegen ondoorgrondelijk zijn, Roger wist het, Marc leert het. Hoe dan ook, die twee gaan aan de babbel. Over wat ze allemaal meemaakten, hier in het ondermaanse. Over Brugge en hoezeer ze het allebei missen. En in de kortste keren gaat het over hetgeen je verwacht van kunstenmakers. Bekent Marc Braet dat hij Gregoriaans best wel kan smaken en kijk, Rogers ogen blinken in het hemellicht! Tot de dichter droogjes opmerkt dat zo’n gezang zijn diepgang ook buiten het geloof behoudt. Voor even maakt ginder hoog de zo geprezen eeuwige rust plaats voor gezonde opschudding. Een hemels debat! Twee heren die elk een gedegen stelling verdedigen. De ene met dragend zingende stem, de andere met militante verzen. Voor wie de eeuwigheid moet slijten met rijstpap met gouden lepeltjes, de gedroomde, welkome ambiance. Roger Deruwe en Marc Braet? Helden van hierboven! Ziehier, mijn waarde Lieve, de knaap die iets zou bedenken over uw vader. Maar met lede ogen toekijkt nu uit zijn pen een heel ander verhaal vloeit dan verwacht. Dat komt ervan als twee gedreven kunstenaars het overnemen.
Kom, laat me je meenemen, Johan, naar de Ardennen. Naar een tijd toen daar de bossen, de beken nog iets van avontuur beloofden. Toen jij die jonge zanger was met veel goesting in ’t leven en ik die nog jongere scholier met meer dromen in zijn kop dan plannen. Die dromer en zijn vrienden, ze konden Johan Verminnen wel smaken, hij zong van die liedjes die ergens over gingen. Een plaat van Verminnen mocht ongegeneerd rondslingeren in onze kamer, ze misstond allerminst naast een langspeler van Bob Dylan of een moeilijk boek van Harry Mulisch. Kwestie van toch vooral onze vermeende goede smaak te etaleren. Er klonken schlagers genoeg op de radio, van gasten als Verminnen ging tenminste iets alternatiefs uit, van hun muziek èn van hun voorkomen. Johan Verminnens ruige haardos en nonchalante garderobe, daar kon je je mee vereenzelvigen.
Maar kom, Johan, op naar de Ardennen. Zoals die keer op een zomerse vakantieochtend toen de wereld nog jong was. Een handvol schoolkameraden stapten in Brugge op de trein, met goede moed en fietsen en al. Een week of wat op verkenning aan de Ourthe, om dan fietsend naar Brugge weer te keren. Logeren kon in een chalet van de ouders van één van ons. ’t Is te zeggen, dat was de bedoeling, een paar dagen voor afreis bleek het huisje onverwacht niet langer vrij. Geen nood, we vertrouwden op onze vindingrijkheid. En ja hoor, we vonden een plek. In een diepe vallei nabij het gehucht Logne, een hoeve die informeel was ingericht als een soort jeugdherberg. We waren er niet alleen, er logeerde een groepje Waalse studenten. Ons timide school-Frans was net toereikend genoeg om te begrijpen dat ze er betrokken waren bij een archeologisch project in de buurt.
Dat werd duidelijk toen ze ons de volgende ochtend meenamen naar hun werkplek. Hoog boven de vallei, de dreigend sombere ruïnes van wat ooit een kasteel was, le château de Logne, door de tijd aan zijn lot overgelaten. Daar waren die jongens en meisjes dag in, dag uit in de weer met het lospeuteren van al wat los te peuteren viel. In de ondergrond, in een waterput, in nauwe, vochtige ruimtes. Archeologie, het leek ons monnikenwerk.
En wij, we hingen wat rond in de buurt, amuseerden ons zoals jongelui dat doorgaans doen. Om ’s avonds naar de oude boerderij terug te keren. Waar wij en onze Waalse vrienden beetje bij beetje elkaars vertrouwen wonnen. Er werd verteld in moeizaam Frans, en in datzelfde Frans nog veel moeizamer gediscussieerd over één en ander. Maar gezapig ging het er wel aan toe, met een troepje vlotte knapen en jongedames. De ene al vlotter dan de andere, maar dat gold ook voor ons, wat dacht je. Ik weet nog van een goedlachse, baardige gast die graag uitweidde over het hoe en wat omtrent klassenstrijd. Dat soort gezelschap. En er was ook het indiaantje. Zo noemden we haar. Tenminste als ze niet in de buurt was. Indiaantje, omdat ze ons met haar donkere vlechten en nog donkerder ogen liet denken aan, wel ja, een indiaantje. Maar misschien toch vooral omdat ze elk van ons met die diepe blik van haar moeiteloos wist in te palmen. Je bent jong en in vakantiestemming. Al was het indiaantje zich schijnbaar allerminst bewust van onze belangstelling en het woord ‘desillusie’ kenden we nog maar alleen van horen zeggen. Enfin, voorts ging het die knusse avonden daar in de Ardennen over koetjes en kalfjes, al wist geen van ons hoe je dat zegt in de taal van Molière. En er was wel meer dat we niet onder woorden wisten te brengen. Wat weinig helpt als je indruk wil maken op een indiaantje dat geen Vlaams begrijpt.
Maar op een keer had iemand een platenspeler bovengehaald en een handvol platen. Eentje daarvan was ‘Elle chante na na na’ van … Johan Verminnen! Ja, ze kenden allemaal Verminnen, al klonk zijn familienaam uit hun mond onverwacht anders. Verminnen had wat liedjes in ’t Frans opgenomen en die vonden ze best oké. Hij was dan wel de enige muzikant van bij ons van wie ze het bestaan afwisten, maar wij waren toch best trots op onze ‘Vlaamse’ zanger. Al was hij in hun ogen – niet ten onrechte – vooral Brusselaar. “Verminnen? c’est vraiment un mec cool!”, wist ’t indiaantje.
Enfin, Johan, da’s wat ik je wou vertellen en daarom nam ik je mee naar dat afgelegen gehucht in de Ardennen. Dat oord waar later het toerisme ongetwijfeld zijn zware voetafdruk zette, was in die dagen een ronduit verloren uithoek. Waar een stel jongens van hier bij ons verbroederden met een groepje naarstige studenten van een Waalse universiteit. Waar een meiske met exotische ogen stilletjes onze harten stal. Wat er van die scholieren geworden is? Elk van ons vond zijn weg, elk de zijne. En de studenten-archeologen? ’t Indiaantje? Wie zal het zeggen. Of zij zich nog die onbeholpen Brugse jongens met hun strompelend Frans herinnert? Vergeet het maar. Maar de plaat van die Brusselaar met zijn woelhaardos en zijn schorre ‘Elle chante na na na’? Wees maar zeker, dat weet ze nog.
Zijn doordeweekse aanwezigheid was mij inmiddels al lang vertrouwd. Lang genoeg om aan te nemen dat hij nog weinig geheimen voor me had. Tot voor een paar dagen, die onverwachte verwondering om wat ik vernam over zijn verleden. Voortaan zie ik hem met andere ogen. Met nog net iets meer achting dan voorheen.
Ja, hier bij ons voelt de Sint-Joris op zijn affiche zich al een hele tijd thuis. Samen met een handvol andere decoratieve litho’s van lang geleden kleurt zijn aanwezigheid onze leefkamer. De ridder, hoog op zijn paard in de weer met het overwinnen van de draak, kondigde in het Brugge van 1930 een ‘Tentoonstelling vanOude en toegepaste kunst‘ aan.
Een Parijse antiquair die het in handen kreeg, zorgde voor een behouden terugkeer.
Kom je bij ons langs en toon je belangstelling voor de affiche, dan heb ik het graag over de graficus die ze maakte. Ze is van Jules Fonteyne, al ontbreekt zijn naam op het ontwerp. De plaats waar de tentoonstelling doorging overigens ook. En ook over het campagnebeeld vertel ik, die Sint-Joris is gebaseerd op een gepolychromeerde sculptuur van zo’n vijfhonderd jaar geleden. Filips de Schone zou model hebben gestaan voor de dappere ruiter. De makers van de expositie kregen het beeld in bruikleen van de parochiekerk van Sint-Joris ten Distel, daar wordt het al sinds mensenheugenis bewaard. Al is het op een keer, zowat een kwarteeuw geleden, spoorloos verdwenen. Gestolen. Een Parijse antiquair die het in handen kreeg, zorgde voor een behouden terugkeer. Zo koestert de verzamelaar wel meer affiches met een markant verhaal. Maar de kleurrijke Sint-Joris ligt hem sinds kort nog net ièts nauwer aan het hart ligt. Dat kwam, u raadt het nooit, door het openingsweekend van BRUSK. Eigenlijk door de koorddanser van dat weekend, u weet wel, de onverlaat die hoog boven de stad de zwaartekracht naar zijn hand, of liever naar zijn voeten zette.
Die ochtend zijn wij samen met veel stadsgenoten op verkenning in het gloednieuwe BRUSK. Turend door één van de weidse vensterramen ontwaren wij hoog in de lucht een onooglijke stip die van toren naar toren stapt. De nonchalance van een winkelwandelaar in de Steenstraat. En terwijl de waaghals traagjes vordert, verkennen wij vanuit ons uitkijkpunt de omgeving van BRUSK. Het raam in de grote zaal verrast met een onverwacht uitzicht op het Groeningemuseum. Groeninge dat tot voor kort bij elke tijdelijke expositie zijn befaamde vaste collectie noodgedwongen moest opbergen, bracht de stad op het idee om een nieuw tentoonstellingscomplex te bouwen. Groeninge is de moeder van BRUSK.
– foto Beeldbank Brugge –
En mijn gedachten dwalen af. Naar de tijd waarin ook het nieuwe Groeninge ongetwijfeld zo’n veelbesproken initiatief was. In Brugge vond je in die tijd kunst enkel in kerken, de kunstacademie en andere oude panden. En nu werd voor het eerst iets gebouwd dat specifiek als museum bedoeld was. Voor het ‘Stedelijk Museum voor Schilderkunst’ zou de huidige benaming ‘Groeningemuseum’ overigens pas na de oorlog gemeen goed worden. Thuisgekomen ga ik op zoek naar wat informatie. Nogal wat Bruggelingen vonden aanvankelijk het bouwwerk allicht tè nieuwerwets voor onze stad? Maar goed dat oude, vertrouwde gevels de voorbijganger de aanblik van het moderne ding bespaarden. Groeninge? Een brusk bouwsel!
Al stond, zo leer ik, de zomer van 1930 helemaal in het teken van het gloednieuwe museum. Met als hoogtepunt, eind augustus, het bezoek van koning Albert en zijn Elisabeth. Het inhuldigen van het museum, enkele weken eerder, de zesde juli, was meteen ook het startschot van een eerste tijdelijke tentoonstelling, lees ik in een krant uit die dagen. Tijdelijke tentoonstelling? Stelt u zich mijn vragende blik voor. In Groeninge, de allereerste expositie? Welke dan? Was er een affiche? Terwijl ik mij, in gedachten verzonken, die vraag stel valt mijn blik op de affiche die al zo lang naast onze boekenkast prijkt. Zag ik dat goed? Zag ik zonet, heel even, Sint-Joris vanachter zijn hoog geheven speer naar mij knipogen? Maar natuurlijk! Op zijn affiche, die datum! ‘Tentoonstelling van oude en toegepaste kunst’, de tentoonstelling, die ging open op 6 juli! Dat ik dat nu pas door heb, mijn affiche kondigt gewoon de allereerste expositie aan die ooit in het Groeningemuseum liep! Al veel langer dan vandaag is Sint-Joris deel van onze woonst. Zo lang al, dat soms dagen voorbijgaan zonder dat ik hem een blik gun. Maar sinds kort zeg ik hem elke morgen goeiedag. Hij en ik, we verstaan mekaar beter dan ooit. Alleen dat knipogen van hem, dat is bij die ene keer gebleven.
De spin Uit oprechte belangstelling – enfin, eigenlijk uit doordeweekse nieuwsgierigheid – fiets ik op dinsdagavond naar ’t Zand, ’t schijnt dat ze daar voor de eerste keer de spin gaan wekken. En warempel, er zijn dranghekkens waaromheen wat volk de spinnentemmers gadeslaat die in de weer zijn bij en bovenop het nog roerloze gevaarte. Voorts ontwaar ik wat bekende gezichten. De burgemeester en een paar schepenen nemen het zekere voor het minder zekere, houden zich op veilige afstand van het beest. En persknapen aan wie de prominenten gretig uitleggen wat we inmiddels al weten.
… de spinnentemmers … – eigen foto –
De weinig betrouwbaar ogende geleedpotige maakt zich groot, komt vervaarlijk dichtbij, gehuld in een waterwolk, toeschouwers deinzen verschrikt achteruit. Kan nog een spannend weekend worden met dat spinnetje. En of het leeft, de komst van het heerschap naar de stad. Zeg dezer dagen ‘spin’ en elke Bruggeling die de voorbije dagen niet onder een geluiddichte stolp doorbracht pakt uit met een mening. Omtrent de aanleiding van haar komst, de opstart van het pas voltooide BRUSK. Over het parcours dat het beest aanvankelijk zou afleggen en dan weer niet. Of toch, misschien? En over hoeveel dat allemaal kost, wat dacht je?
De traagte Bij thuiskomst vertel ik mijn wederhelft over de spin. “Weet je nog die keer, van de olifant en het meisje?”, vraag ze. Ik weet het nog. Jaren geleden in een stad, ergens aan de Schelde. Een ander Frans gezelschap, Royal de Luxe, liet er een buitenproportionele olifant door de straten paraderen. En een reusachtig meisje dat naar de olifant op zoek ging.
– foto Pol De Wilde –
Mijn wederhelft vond het die keer bij momenten ontroerend en dat was het ook. Dat en het langzame van toen zijn mij bijgebleven. Die olifant, het meisje en hun plechtstatig schrijden door de stad, in een ontwapenende traagheid. Een ‘traagte’, ik hoop dat het woord bestaat. Zoals diepte of warmte. Traagte. Of de spin straks ook voor ontroering zorgt valt nog te bezien. Te betwijfelen? En traagte?
Echte spinnen zijn doorgaans, eenmaal in beweging, schichtig snel. Om zich uit de voeten, de poten, te maken, of om een in hun web verstrikte vlieg te bekampen. Doe mij maar traagte. En niet enkel bij mechanische reuzenbeesten. Al ligt in deze tijden traagte niet zo goed in de markt. Snel moet het gaan, vooruit met de geit! Beseffen wij hoezeer we klem zitten in onze illusie van snelheid? Over onze ‘snel-wegen’ haasten we ons van file naar file. Om dan stil te staan als was het een onontkoombaar lot. Maar bewust kiezen voor traagte? Voor het onvolprezen te voet gaan? Weet u, er is een wereldrecordhouder ‘surplace’. De Amerikaan David Steed zat ergens in de jaren tachtig precies vierentwintig uur en zes minuten roerloos stil op zijn fiets. Ooit nog iets vernomen over David? Over Tadej en Remco, ja! Er is een sport die ‘snelwandelen’ heet. En traagwandelen, zou het?
Maaike Laat dit een pleidooi wezen. Ter opwaardering van traagte, jongste der troetelwoorden. In verkeersinformatie, vooreerst. ‘Maximum snelheid vijftig kilometer’ … En wat als we hier het woord ‘snelheid’ vervangen door ‘traagte’? Momentje, tijd voor een doordenkertje. Want ‘maximum traagte’, daar schort wat aan. Hoe groter onze traagte, hoe trager we rijden, toch? Dus het equivalent van ‘maximum snelheid’ is … ‘minimum traagte’. Hebt u hem? In onze wijk, u mag er dertig rijden, komen straks borden met ‘minimum traagte dertig kilometer’. Het went, geloof me. U leest hoofdschuddend verder? Nochtans, wij vertoeven in goed gezelschap. Niet langer dan vorige week hoor ik ons aller Maaike Cafmeyer wijze woorden spreken op een avond met verwante zielen rond het repertoire van Willem Vermandere.
Maaike zong er Willems ‘Blanche en z’n peird’ en noemde het oude lied … een ode aan de traagheid. Over het woord ‘traagte’ moet ik haar nog inlichten, maar dat komt goed.
Een schone madam En nu we er met Willem onze regionale woordenschat bij halen, ook nog iets over de Brugse feestelijkheden van komend weekend. Als wij het West-Vlaams zijn verdiende plaats als oertaal gunnen, dan heeft ‘de spin’ afgedaan. We hebben het over, u hoort mij al komen, de kobbe. En ‘snel’, het woord? Dat komt ons ook nog van pas. Want zo’n jachtige spin noemen West-Vlamingen dan wel geen snelle maar een rappe, maar over een schone madam, wat zeggen we daarover? “’t is een … !”
Uw eerste fiets. Eerste hondje, eerste sigaret, eerste kus … We hoeven het u amper uit te leggen, sommige momenten zijn monumenten. Het soort waarnaar het evenwel vergeefs zoeken is in folders van Open Monumentenweekends zoals er laatst weer eentje in mijn brievenbus viel. Zo’n brochures gaan doorgaans over in de tijd versteende monumenten. De warme, soms heimelijke herinneringen die u en ik koesteren, monumenten in ons dagdagelijks bestaan, horen niet in dat soort publicaties, daarvoor zijn ze ons tè dierbaar. Een weekend … Al licht een stad als Brugge op zijn monumentenfeest soms onverwacht ook een keer een tip van een discrete sluier op. Hoe vaak krijgt een mens de kans om een voet binnen te zetten in de tempel van de Vrijmetselaarsloge aan de Sleutelbrug?
Elders in de stad pronkt een privépand voor één keer met zijn authentieke Art Nouveau-charme. En ook achter de steevast zorgvuldig gesloten poort van het Europacollege aan de Verversdijk kunnen we ditmaal op verkenning. Doch ziet, er doemt zowaar een probleem op. Want Open Monumentenweekend, al goed en wel maar er is tegelijk twee dagen lang het Bierfestival. ’t Is dat we naast onze passie voor oude panden ook ons alom befaamde gerstenat koesteren. Hoogst oneerlijk, hoe u en ik worden gestraft om zoveel ruimdenkendheid. En daarom zochten wij naar een uitweg uit dit dilemma. Die uitweg vonden wij een weekendje verderop. Al moeten we toegeven, ook dat is volgeladen met van alles en nog wat.
Een weekend verderop… Vooreerst is er dan autovrije zondag. En ze gaan met veel tamtam het lint doorknippen van ons gloednieuwe BRUSK-museum. En, hou u vast aan uw bretellen, dat weekend is er braderie in de Langestraat en omgeving èn Sint-Kruis Kermis. Maar toch, die zaterdag en zondag verder op de kalender bieden loutering. U en ik hoeven niet langer wakker te liggen van de verscheurende keuze waar wij in de komende paar dagen voor staan, tussen Open Monumenten en Bierfestival. Want, waarde meerwaardezoeker, wat lezen wij zopas in weer een andere folder? Dat ze in Sint-Kruis tijdens hun kermis uitpakken met een tentoonstelling ‘Van ’t Hamerken tot De Gouden Boom’, over de legendarische brouwerij in de buurt van Langestraat en Verbrand Nieuwland. Dit weekend laten wij dus het bierfestival voor wat het is en laven ons met gerust gemoed aan een veelheid aan open monumenten,
… in de buurt van Langestraat en Verbrand Nieuwland.
uitkijkend naar, een week verder, een expositie als opwaardering van onze bierkunde. We treffen mekaar wel op één of ander terras op Sint-Kruis Kermis of ergens in de Langestraat. Waar zonder twijfel het nodige schuimend genot op ons wacht. Misschien zetten we een Gouden Boompje op over ‘beschermde monumenten’ in dat leven van u en van mij. De eerste pint, ik noem maar wat. Wat ons bij de vraag brengt of we wel met al onze monumenten kunnen pronken. Herinnert u zich uw eerste kater?
Hij en zijn wederhelft komen wel vaker vanuit de Kempen langs, hier in Brugge. Maar dit keer willen ze zowaar een koppel vrienden uit Polen verrassen met een bezoek aan onze stad. Zijn vraag of ik voor zijn gasten een Brugse historie kan linken aan de geschiedenis van hun land, daar moet ik nog even over nadenken. We spreken af aan het Kanaaleiland. Daar wordt het gros van de parking tegenover het jonge Cactus Muziekcentrum ingepalmd door toeristenbussen, maar een hoek ervan is voorbehouden voor mobilhomes. Het is met zo’n mobilhome – of noem ik het een camper? – dat ze uit Kalmthout naar Brugge komen.
En terwijl ik op hen wacht, vraag ik mij af waarom in onze spreektaal een vanouds vertrouwd woord als ‘mobilhome’ zich de voorbije jaren gewillig in de berm liet rijden door het meer trendy ‘camper’. Allebei van vreemde komaf, rolden ze ons taaltje binnen langs de grote poort van het toerisme. Maar vandaag geraakt ‘mobilhome’, het woord, niet meer door de keuring en rijden in onze omgangstaal nog enkel Angelsaksische ‘campers’ langs onze wegen. Maar laat ons een keer ons verstand samenleggen, misschien kan één of ander woord van bij ons doorgaan als volwaardig equivalent? Het eerste wat mij in gedachten komt … ‘woonwagen’? In ’t Duits, liet ik mij vertellen, staat ‘Wohnwagen’ voor caravan, maar dat zal ons een zorg wezen. Is ‘wagen’ in ons taaltje niet gewoon synoniem voor ‘auto’? En wat is een camper? Een auto, een wagen waarin je wonen kan! We zijn eruit geraakt! Campers en mobilhomes aller straten, ruim plaats voor de ‘woonwagen’!
’t Is waar, het Bokrijkgehalte van ‘woonwagen’ valt moeilijk te ontkennen. Het woord voert ons terug naar vroeger tijden, naar het circuswereldje van toen. En ook de nomadisch levende Roma trokken van hot naar her in woonwagens. En vergeet niet, lang geleden in ons grootouders tijd, werd zo’n woonwagen door paarden getrokken. De trage dagen van toen, ’t had zijn charme. Maar niets weerhoudt ons ervan om onze camper voortaan als ‘woonwagen’ te benoemen. Doen? Ik laat mijn mijmering voor wat ze is, mijn gasten draaien de parking op met hun camper, pardon, woonwagen. Een koppel van op de Kalmthoutse Heide en eentje van een heel eind verder, maar we vinden mekaar in het Engels waarmee onze Poolse gasten meer vertrouwd zijn dan ik verwachtte. Het traditionele wandeltraject brengt ons naar het hart van de stad. Ik wacht tot bij het Sint-Janshospitaal met zijn onovertroffen collectie werken van Hans Memling om mijn Poolse gasten een verhaal te vertellen. Het verhaal van hen èn van ons. Een historie met een meesterwerk van Memling in de hoofdrol, zijn onovertroffen ‘Het Laatste Oordeel’. Zelden beleefde een schilderij zo’n bewogen avonturen.
Avonturen waarvoor we terugkeren naar een Bourgondisch Brugge in het voorjaar van 1473. Met een laatste penseeltrek voltooide meester Memling zopas zijn drieluik in opdracht van Angelo Tani, in Brugge de vertegenwoordiger van de Florentijnse Medici-bank. Het werk vergde Memling enkele jaren. De charme van trage dagen? Wanneer het kunstwerk op 10 april 1473 in de haven van Damme met de grootste omzichtigheid aan boord wordt gehesen van het galjoen San Matteo, kan niemand vermoeden dat het zijn bestemming, een kerk in de buurt van Firenze, nooit zal bereiken. Op weg naar de Middellandse Zee is een tussenstop in Londen gepland. Maar op de woelige wateren voor de kust van Duinkerke wordt de San Matteo geënterd door een zwaarbewapend karveel onder commando van Pavel Beneke. Die Beneke, een geducht piraat, maakt al langer de Noordzee onveilig in opdracht van de Duitse Hanze die overhoop ligt met de Engelsen. Hij heeft het gemunt op elke boot die afstevent op Engeland. En, mooi meegenomen, op alle buit die hij daarmee binnenhaalt.
Daar hebben ze een indrukwekkende kopie.
En zo komt het voor Firenze bedoelde meesterwerk van Memling terecht in … de Hanzestad Gdansk. Einde van zijn omzwervingen? Bij lange niet. Volgt u even. In de dagen van Napoleon wordt het omvangrijke werk overgebracht naar het Louvre. Met paard en kar, we zien het zo voor ons. Trage dagen, zei u? Na Waterloo nemen de Pruisen het mee naar Berlijn, maar na een paar jaar komt het weer in Gdansk terecht. Tijdens de Tweede Wereldoorlog, u raadt het, nemen de nazi’s het mee naar hun heimat. Vervolgens ‘ontfermen’ de Russen zich erover en verhuist het naar de Hermitage in het toenmalige Leningrad. In 1956 komt ‘Het Laatste Oordeel’ tenslotte toch weer naar Gdansk. Neen, Firenze zag het nooit. Trouwens, u gelooft het amper, maar één keer keerde het veelluik terug naar de plek waar zijn grootmeester het voltooide, hier bij ons in Brugge. In 1994 konden wij het in volle glorie bewonderen op de vermaarde Hans Memling Retrospectieve in ons eigenste Groeninge.
Dat het tegenwoordig nog zou lukken, zo’n buitenmaats topwerk in bruikleen krijgen, lijkt ons weinig waarschijnlijk. Voortaan moet je helemaal naar het Nationaal Museum in Gdansk, Polen, om het te zien. Of in diezelfde stad naar de Mariakerk, waar het werk oorspronkelijk door de gelovigen aanbeden werd. Daar hebben ze een indrukwekkende kopie. Dat vernam ik van mijn Poolse toehoorders, zo leer je nog een keer iets bij als gids. De rondleiding zit erop, mijn gasten keren met hun woonwagen terug naar Kalmthout en ik fiets naar huis, naar Sint-Andries. Met in dat dromerige hoofd van mij de odyssee van Memlings kunstwerk. Dat en een plan. Een plan om iets te beginnen als reisorganisator. Hier mijn advertentie voor ‘Reizen Memling‘. Waarde reisliefhebber, ik neem u mee, één keer, op reis. We gaan op ‘grand tour’. Trekken van stad naar stad, langs alle eindeloze wegen die ‘Het Laatste Oordeel’ aflegde. O ja, en zoals dat doorgaans gaat bij promopraat, let op de kleine lettertjes … ‘Aanbod onder voorwaarden’ staat er. Eén voorwaarde. Dat we comfortabel op weg gaan. Per woonwagen, dus. Mobilhome? Camper? Neen, een echte, getrokken door paarden. Trage dagen, het lijkt mij wel wat.
Kijk daar, een schooljaar! En voor je ’t goed door hebt is het alweer voorbij. Althans, zo voelt het aan voor wie de schoolbanken lang geleden liet voor wat ze waren. Met alle begrip voor onze schoolgangertjes van vandaag. Want begin je eraan als jong veulen, dan doemt september op als de aanzet tot weer een eindeloze hoeveelheid schooldagen. Doch laten we redelijk wezen, schoolvolk, wacht jullie enkel een saaie tijd vol saaie lessen? Of valt dat af en toe toch mee? Trouwens, waarheen zou dat jonge leven jullie leiden zonder al wat je opsteekt op school? Antwoorden? Hoeft niet. Maar wacht, die vraag roept bij mij iets op van lang, héél lang geleden. Zo gaat dat met mensen die zelf van lang geleden zijn.
Will Tura Kom, we gaan terug naar mijn eigen jongenstijd, op bezoek bij een nichtje van mij. Zij is een vurig fan van de meest geliefde Vlaamse zanger in die dagen. En dus ligt op de platenspeler bij haar thuis altijd weer vinyl van Will Tura. Zelf ben je allerminst in de wolken met zo’n gedoe maar dankzij je nichtje blijven sommige van Tura’s liedjes je bij tot in lengten van jaren. Zoals dat ene, op één of andere langspeelplaat. Het gaat over de eerste schooldag en er komt een kinderkoor aan te pas. En ergens in dat niemendalletje betrap je Will op een hoogst bizar pleidooi. Want wat dacht je van … ‘Maar wees blij dat je naar school mag, anders blijf je dwaas en dom!’ Dwaas en dom, echt waar, dat zingt Will. Sommige levensliedjes hebben nu eenmaal weinig met nuance van doen. En nu we in dat verleden van mij zijn beland, gaan we ook maar meteen naar school.
Jimmy Frey Deze puber ging naar een jongensschool. Een school waar leraren zowat allemaal een bijnaam hadden. We kregen les van ‘de Zage’ en ‘de Sigarre’ en van ‘Simonne’. En er waren ‘de Pinne’ en ‘Sidonie‘. En de turnleerkracht ging uiteraard door het leven als ‘den Beul’. Het verhaal ging dat een leerling, hij was nog niet lang bij ons op school, aan de leraarskamer ging aankloppen en vroeg of meneer Debeul er was.
En wijzelf, de leerlingen, spraken mekaar veelal aan met onze familienaam. Dat stond stoer en stoer was de norm. Al had één van ons ook een lapnaam, ‘den Jimmy’, onze klasgenoot die zowaar dweepte met Jimmy Frey. Je weet wel, die van ‘Rozen voor Sandra‘. Dat soortement liedjes, Will Tura en Jimmy Frey en konsoorten, vonden wij meisjesmuziekjes. Dus onze Jimmy viel uit de toon, maar dat kon hem worst wezen. Bruggeling Jimmy Frey was een Groot Zanger, wist hij en daar viel niet mee te lachen. En dus lachten we niet. Want de Jimmy van onze klas was een knaap waarmee we allemaal omzichtig omgingen. Geen makkelijke jongen, Jimmy nam geen blad voor de mond. Zinde iets of iemand hem niet, dan zou alleman dat weten. Jimmy zette je voor schut als hem dat goed uitkwam. En wat voor hem grappig was, hoorde je ook plezant te vinden. Dat ik hem veelal tè recht voor de raap vond, hield ik wijselijk voor mezelf. Tot op een dag.
Walter Capiau De school had iets te vieren. Wat dat was, ben ik vergeten. We trokken met de hele schoolgroep naar het Boudewijnpark, de fameuze Oberbayern-zaal. Er was iets met muziek, allicht. Kleinkunst of zo? Maar wat mij bijbleef was een soort voorprogramma. Ze hadden daartoe een in die dagen populair man uitgenodigd. Walter Capiau was zijn naam. Later zou die Capiau furore maken op tv, maar in die dagen was hij populair op de radio. Al vonden wij die middag zijn grappen maar flets en blijkbaar had hij dat door. En dus meende sympathieke Walter ons op zijn hand te krijgen door een leraar op het podium te halen. Onze leraar Wetenschappen.
We trokken met de hele schoolgroep naar het Boudewijnpark, de fameuze Oberbayern-zaal.
Die van Wetenschappen had aanzien. En misschien om die reden ook geen bijnaam. De school keek naar hem op, ook wie maling had aan dat vak vond hem een vent uit één stuk. Hij respecteerde ons, wij hem. Alleen, ’t was geen adonis die je op een catwalk verwacht. Capiau stelde wat vragen en de wetenschapper deed zijn best om gevat te antwoorden. En dan, ineens, vond de radioman het nodig om iets te verzinnen dat hij zelf ongetwijfeld geestig vond … over onze wetenschapsleraar zijn uiterlijk. Onze leraar, altijd al een tactvol man, deed alsof hij het niet hoorde. Maar wat volgde was … een muisstille zaal. Niemand lachte. De boodschap kon amper duidelijker. Lach met al wat je wil, maar met onze, ónze leraar Wetenschap zijn voorkomen lach je niet, zelfs al heet je Walter Capiau. Al moet ik toegeven, ik verwachtte een bulderlach. Eén lach, die van den Jimmy verwachtte ik. We zaten op dezelfde rij, hij en ik. Heel even keek ik zijn kant op. En wat ik zag, verraste mij danig. Jimmy draaide met zijn ogen. Onze Jimmy, de soms zo boertige knaap die er steevast als eerste bij was om met mensen de spot te drijven, schudde van verontwaardiging het hoofd. Hoedje af, Jimmy, was wat ik toen dacht. Stond hij op dat ogenblik op om Capiau midden de bomvolle zaal de huid vol te schelden, het had mij allerminst verbaasd. Maar dat vond onze tegendraadse te veel eer voor de flauwerik op het podium. Onze Jimmy is altijd zijn onveranderlijke zelve gebleven, daar niet van. Met zijn opzichtig doen en laten. Maar zelf herinner ik mij, al die levensjaren later, wat ik die dag
leerde. Dat mensen die tegendraads in ’t leven staan hun goeie kanten vaak heel deskundig weten te verbergen. Mijn beste schoolgangertjes van vandaag, misschien dragen jullie straks, zoals ik destijds, weinig mee van hetgeen in jullie cursussen staat. Maar wat in die schoolzone van jullie allemaal te leren valt dat nooit in examens wordt gevraagd, ’t is dat wat ik jullie dit schooljaar toewens. Met de groeten van den Jimmy.
Een avondje aperitief-bij-ondergaande-zon aan zee in Wenduine, iemand heeft er een strandcabine en nodigt haar vrienden uit. Wat valt tegen zo’n invitatie in te brengen? En dan nog op zo’n milde zomeravond die ons allerminst hoeft aan te porren om samen vanuit Sint-Andries daarheen te fietsen. Ondergetekende verzint een route, weg van de drukke weg, doorheen de schilderachtige uitgestrektheid van de Meetkerkse moeren en de polders. Het gezelschap verwacht een onberispelijk parcours, tenslotte is deze jongen het gidsen gewoon. Als stadsgids weliswaar, maar gidsen is gidsen.
Maar dat die gids zijn huiswerk pas op ’t laatste moment en dan ook nog in zeven haasten in mekaar knutselde, dat blijft onder de radar. En bovendien, sinds hij dit landschap voor het laatst verkende ging al wat tijd voorbij. Het gevolg? Zijn voornemen om er een nonchalant kronkelende tocht van te maken neemt hem onderweg in het ootje. Een paar keer loodst hij zijn volgelingen gezwind maar onhandig een verkeerde landweg in en in de verte lachen de kerktorens van de polderdorpen in hun vuistje. Er rest deze knaap weinig om mee te pronken, maar eind goed al goed, bij de strandcabine worden wij opgewacht door onze gastvrouw èn haar vanouds smaakvolle picon. De glazen zijn fris en bijgevolg de babbels los. Uiteraard mèt onvermijdelijke evaluatie omtrent onze fietstocht en zoals wel vaker bij strandbabbels, komt ook de zee ter sprake en wat die doet met mensen. Waarom zoveel zomervolk de zee aanbidt. En hoe een winters strand een heel ander verhaal vertelt dan het vrolijke joelen van deze zomeravond. Iemand wijst op een boot die roerloos op de einder lijkt uit te rusten van het verre varen. Terwijl een ander schip dat graag nog voor donker aanlegt, traagzaam richting Zeebrugge stevent. Ja, ook om de wereld te bereizen hebben we de zee van doen. Zal ik iets vertellen over Brugge en de zee, over het Zwin en zijn voorhavens? Over onze stad die in recenter tijden met zijn Zeebrugge een nieuwe uitweg zocht naar zee? Momentje, waarde gids, over een weg zoeken naar zee maak je ons vanavond niks meer wijs!
Over onze stad die in recenter tijden met zijn Zeebrugge een nieuwe uitweg zocht naar zee?
En toch brengt mijn voorzet één van ons op een idee. Zij woont sinds jaar en dag in het nabije Nieuwmunster. Ja jongens, jullie hebben gelijk, ook daar fietsten we daarstraks langs. Maar of we het meest recente weetje over Nieuwmunster al hoorden? Dat het dorp zijn strand weer opeist! Nieuwmunster? Strand? Het blijkt een historie die ons terugvoert naar de jaren zeventig. De jaren zeventig, toen het merendeel van de Belgische gemeenten betrokken werd bij een fusiecampagne. Nieuwmunster, bijvoorbeeld, vond onderdak bij het naburige Zuienkerke. En De Haan en Wenduine zouden samen één gemeente vormen. Maar daar dook zowaar een spelbreker op. Want lag tussen die twee kustgemeenten niet een strook strand die altijd al bij Nieuwmunster hoorde? Een uithoek van die gemeente reikte met wat duinbos en duinen tot enkele honderden meter ongerept strand. Wenduine en De Haan hadden een probleem en het heette Nieuwmunster Plage. Doch die van de polder bleken de moeilijkste niet. Ridderlijk stonden ze hun stukje Belgische kust af en De Haan en Wenduine konden trouwen zoals gepland. Nieuwmunster hield voorgoed op met kustgemeente zijn. Maar vandaag, zoveel jaren en een paar generaties later, dromen nogal wat Nieuwmunstenaars – zo heten die van Nieuwmunster – van het opnieuw ‘heroveren’ van hun strand. Een droom die ze deze zomer inkleuren met een handvol speelse acties. Ludieke speldenprikken, want ze
… een handvol speelse acties. – foto Dorpsraad Nieuwmunster –
zijn ook niet van gisteren en beseffen dat hun droom wellicht droom blijft, hoe kort van bij hen de afstand tot het zandstrand ook mag wezen. Waarop er eentje, de speelvogel in ons gezelschap, wijst op ‘afstand tot het zandstrand’. Heeft dat iets van een tongbreker? Zeg het snel tien keer na mekaar en je struikelt over je woorden, meent hij. Wat volgt is een uitdaging. Wie bedenkt met zo’n strandwoorden de strafste tongbreker? We eindigen bij ‘het strandzand van Cadzands zandstrand’. Van diepzinnige gesprekken gesproken. En zo kabbelen, picontje bij de hand, de avond en ons gekeuvel rustig verder. Tot men zich terloops afvraagt langs welke weg we straks naar Brugge terugfietsen. De plezante van daarnet werpt een gespeeld verwachtingsvolle blik in mijn richting. Gespeelde verontwaardiging vanuit de groep. Waarop de gastvrouw ons weer bij de les brengt wanneer ze wijst naar de einder. Waar de
zon, een ansichtkaart waardig, zwijgzaam in zee zinkt. Naar andere zeeën van de aarde, zegt ze, soms zeeën waar ze geen picon drinken op zomerstranden. Een overweging waar zelfs een vrolijk benevelde vriendengroep stil van wordt. Had nu iemand een gitaar, we zongen een oud kamplied.
18 augustus 1304 Zal ik het hen vertellen? Zeg ik het aan de vrouwen die een belofte deden? Of zwijg ik? Die vrouwen en meisjes in het Brugge van 1304, ze zien hun mannen optrekken naar een slagveld. Een slagveld, schrikwekkend als alle vorige. Die vrouwen bidden. Ze leggen een belofte af. Om de terugkeer van wie vechten gaat. Het is geen overwinning die ze vragen, geen heldenglorie voor hun strijders. Enkel dat ze zouden weerkeren, ongedeerd. Zal ik hen zeggen dat we nog altijd vechten?
14 december 1917 Zal ik zeggen wat gezegd moet worden? Of hou ik het stil om haar te sparen, de grootmoeder van mijn moeder? Twee van haar zoons zag zij het huis uit gaan. Opgeroepen om te ploeteren in de loopgraven van wat de Groote Oorlog zou worden. En zij bidt. In simpele woorden vraagt ze om minder, veel minder dan je van moeders verwachten zou.
Dat toch minstens één van haar kinderen in leven mag blijven, ’t is al wat ze vraagt. Vandaag, een brief. De facteur leest hem voor, zelf is ze niet zo geletterd. Dat Willem gevallen is op het Veld van Eer, staat in de brief. Na Cyriel, het jaar eerder, nu ook Willem. Geen van hen zou ze ooit weerzien. Laat ik haar weten dat we ook vandaag mekaar nog onverdroten naar het leven staan?
Woensdag 28 mei 2025 De jongelui die trots poseren voor een foto in de krant, zal ik hen duiden wat gaande is? Wie ze zijn? Zijn het niet de verre, verre kinderen van de moeders die ooit in vroeger tijden een belofte aflegden? Of ik het hen zal uitleggen, dat vechten van ons? Laat maar, als iemand het weet dan zijn zij het. Kinderen van hun tijd, tenslotte. De laatstejaars van de Maricolen, studierichting ‘Publiciteit’, die elk een ontwerp indienden omtrent de ‘Brugse Belofte’. Met Luna Denys voorop, haar frisse ontwerp werd gekozen om als nieuwe affiche de Belofte aan te kondigen.
– eigen foto –
Zij zijn de toekomst, die jongelui, hun eigen toekomst. Dat weten ze zoals ze ook weten wat ik wil vertellen. Hen hoef ik niet uit te leggen waar het vandaag op aan komt. Op raketten, tanks, gevechtsvliegtuigen, drones waarvan gezegd wordt hoe onmisbaar ze wel zijn. En dat zoiets geld vergt, veel geld. Hen wordt geleerd dat elders bespaard moet worden. Maar dat ‘elders’, is dat niet alles waar een samenleving, de wereld, nood aan heeft, ècht nood? En wees maar zeker, ze beseffen meer nog dan u en ik hoe wij faalden. Eeuwen verstreken sinds onze Brugse vrouwen hun belofte aflegden. Meer dan een eeuw ging voorbij sinds twee grootnonkels van mij nooit weerkeerden van de Groote Oorlog. En toch zijn het vandaag, al die veldslagen en oorlogen verder, wapens waar we nood aan hebben. Dat leren wij hen. Alleen … hun fout is het allerminst. Die van vorige generaties des te meer. Onze generatie? ’t Waren woorden van Ingeborg Bachmann, Oostenrijks schrijfster, die mij laatst bij mijn nekvel grepen … ‘De geschiedenis onderwijst voortdurend, maar zij vindt geen leerlingen …‘
Vrijdag 15 augustus 2025 … en straks stroomt de stad weer vol zomerdrukte, vol gejoel. Maar vanmorgen zien de oude gevels, terwijl ze zich nog de slaap uit de ogen wrijven, hoe dat aloud gebruik zich voltrekt. Hoe Brugge een belofte in ere houdt. Hopend op een behouden terugkeer van een veldslag. Van alle veldslagen van lang geleden … Helaas, ook van vandaag.