Posted in Zonder categorie, voorlopig | Leave a comment

Weer muziek in De Werf(straat)

Brugge is mor een schorte groat en toch … Toch vertelt in dit stadje elke buurt zijn hoogst eigen verhaal. Wie Brugge doorkruist staat er amper bij stil en dat hoeft ook niet. Maar eenmaal je daar oog voor hebt, kan je er niet om heen.
Neem nu West-Brugge. Twee hoofdstraten, maar wat een verschil in ambiance. Er is de warrige drukte van de multiculti Smedenstraat met winkels, barbierszaken en eethuizen. En verderop de weliswaar hemelsbrede maar toch altijd wat ingedommelde Boeveriestraat, zonder ook maar één handelspand. Of verderop, bij de molens, ’t Gezellekwartier. De haast Hollands aandoende voortuintjeswijk en haar contrast met het volkse van de Carmerstraat en de Verloren Hoek.
Om van ’t Stubbekwartier en zijn buurwijk Kristus Koning nog te zwijgen. Allebei rond 1900 ontworpen aan weerszijden van de Scheepsdalelaan, in de aanloop naar het project Brugge-Zeehaven. Enerzijds Kristus Koning, deftige, residentiële stadswijk voor lieden met centen. En het veel soberder Stubbekwartier als behuizing voor ambachtslui en ambtenaren. Twee wijken, twee werelden.

Najaar 1972 …
poppen in Theater19
in de Beenhouwersstraat.

Brugge is, kortom, een lappendeken. Maar wel een deken waar in de loop der tijden nu en dan een volkomen contrasterend stuk stof werd tussen genaaid.
Een flagrant voorbeeld? Ooit werd een eeuwenoude en ongetwijfeld pittoreske wijk uit het stadsweefsel gescheurd, de Brusselse allure van de stadsschouwburg kwam in de plaats. Of, van veel recenter datum, het Rijksarchief dat zich als vreemde eend in de bijt kwam nestelen bij de Coupure. Al integreerde dat gebouw zich verbazend vlot midden de bouwsels eromheen.
Let wel, het inpassen van zo’n indringer kan ook discreter. Laten we terugkeren naar ’t Stubbekwartier. Die buurt herinnert zich van lang geleden de komst van De Werf, podiumhuis dat in de buurt wellicht wat vragen opriep, maar al bij al verliep die inplanting vrij rimpelloos.
Al stond, jaren eerder, de wieg van De Werf niet in ’t Stubbekwartier maar in de Beenhouwersstraat.

Voorjaar 1984 … ook beginnende namen.


In het jaar 1973 werd daar in het pand met het huisnummer 19 het vestzaktheatertje ‘Theater19‘ geopend. Maar al een paar seizoenen later werd Theater19 aan de deur gezet, zo gaat dat als de eigenaar zelf zijn huis wil benutten. Na wat omzwerving kon het bescheiden toneelproject landen in een verlaten weverij in ‘t Stubbekwartier. Daar kwam nogal wat markant volk op het podium, soms ook beginnende namen.
In 1986 – veertig jaar geleden – werd in de Werfstraat ten huize Theater19 door roerganger Rik Bevernage en kompanen vzw De Werf uit de grond gestampt. Wat volgde, daar in ’t Stubbekwartier, was een wervelwind. Met spraakmakende podiumkunst. Toneel en concerten, veelal jazz met vaak internationale allure. Al kwam ook liedjesmaker Bram Vermeulen er een live-plaat opnemen.

Tot een jaar of acht geleden De Werf fusioneerde met het Oostendse Vrijstaat O en zichzelf omdoopte tot Kunstencentrum Kaap. Het pand in de Werfstraat leek te gaan sluimeren. Voor het alom gerenommeerde De Werf Records bleef het een vaste stek voor repetities en opnamen, maar had de concertganger daar boodschap aan? Niet, dus. De Werf en zijn reputatie leek iets van ’t verleden.
Tot onlangs. Want sinds een paar weken ontwaar je her en der in Brugge de affiche met de beloftevolle slogan ‘Er klinkt weer muziek in de Werf’.

En warempel, vorige week kon het publiek daar voor het eerst na jaren weer terecht voor … ja, hoor, muziek. Cultuurhuis De Werf was destijds dan wel een indringer in de wijk, toch deed de komst ervan in het

1999 … een tribute-concert voor John Coltrane … 2026 … De Werf vandaag

Stubbekwartier amper stof opwaaien. De invloed op de muziekwereld, tot ver buiten Brugge, des te meer. Jongens en meiskes van Kaap, laat De Werf zich daar maar opnieuw op toeleggen.
Ook al is het podium daar mor een schorte groat.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Over toneel, Van zingen en spelen | 2 Comments

Afscheid van Exit … een brief aan een blad

Beste Exit,
weet jij nog waar wij mekaar voor het eerst tegenkwamen? Ergens in een kroeg in ’t stad? Een winkel? In de bibliotheek, laat ons dat maar aannemen. Daar vond ik je tussen de folders die er altijd te grabbel liggen. Nam je achteloos mee. Je oogde in je eerste dagen zelf ook, laten we eerlijk wezen, min of meer als een ruim bemeten folder. Eén enkel samengevouwen blad, het minumum minimorum om van een krantje te spreken.
Wanneer dat was? Januari ‘95 lees ik op de hoofding van dat allereerste exemplaar. Het verbaast je dat het kleinood hier naast mijn klavier ligt, terwijl ik deze woorden tokkel? Wel, ik kan het uitleggen.

Hoewel, eigenlijk is het ook mij een raadsel waarom ik jouw eersteling destijds bijhield. Zoals ik dat ook deed met de edities van de maanden die daarop volgden. En van dan af met alle Exit-krantjes.
Of toch een verklaring? Misschien dacht ik, ze komen van pas bij het ordenen van mijn pas opgestarte affichecollectie. En zodoende koesterde ik sindsdien nauwgezet alle Exits. Tot vandaag.
Vandaag nam ik de allerlaatste Exit mee naar huis … Uit de Biekorf-bib, net als toen die keer.
Jammer? Ja, jammer. Maar zat het er al niet een tijdje aan te komen? Ooit, Exit, was je een stevig in het papier zittend blad, maar de voorbije maanden werd je almaar slanker. Ook de oplage daalde, biecht je op in je laatste nummer. En sponsors zien dat niet graag, dalende oplagen. Een tijd van komen en een tijd van gaan, hé.
Sing c’est la vie”, aldus een oud lied.
Maar mijn dagplanning staat vast, nadat ik daarnet bij het ontbijt jouw laatste editie doornam, ga ik op zoek op die zolder van ons, die papieren hoorn des overvloeds. Daar rusten ze in een paar bananendozen, al jouw jaargangen. Op een handvol nummers na die nooit op papier verschenen, herinner je de dagen van mondmaskers en lege cultuurkalenders.

… van een jonge Jo Vrielynck …

Neen, ‘k sleur ze niet allemaal mee, de trap af. Ik hou het bij de eerste honderd edities. En neem van mij aan, daarmee alleen al ben ik een eind zoet. Enfin, hier zit ik dan, achter een stapel oud papier. Lees met verwondering maar ook iets van vertedering over het heden van al die jaren geleden.
Mijn eigen verbazing verbaast mij, kan je je daar iets bij voorstellen?

… komt ook wijlen Benoît van Innis in beeld …

Een onvervalste trip down memory lane, dat struinen door een blad dat zich maand na maand meer volume aanmeet. En geleidelijk aan ook een eigen stem in het Brugse cultureel kapittel. Ik blader lukraak langs een Brugge dat stilaan wakker wordt.

Beginnend bij het allereerste nummer, de oer-Exit. Met een openingsinterview met nieuwbakken burgemeester Patrick Moenaert die Exit op zijn zachtst gezegd genegen is.
Ik lees vraaggesprekken met prominente stadsgenoten. Interviews, wat uitgebreider en zodoende iets diepgaander dan in meer recente edities van Exit. Ook babbels met coryfeeën van elders die er toen toe deden, een Johan Anthierens, een Frans Boenders, Jan Wauters, Gerard Mortier. Merendeels mannen, dat valt op.

Ik sla een handvol nummers over, die zullen voor een andere keer zijn, maar in Exit nummer 50 van februari 1999 tref ik zowaar een Brugse poppoll. Met als ‘cultureel evenement van het jaar’ het Axion Beach Festival in Zeebrugge.
Cultuurman’ is Bart Caron, zijn rol in de aanloop naar het Culturele Hoofdstad-jaar 2002 is daar alleszins niet vreemd aan.
En ‘cultuurvrouw van het jaar’ Antje De Boeck maakt blijkbaar in die dagen indruk in de Korre. Exit suggereert haar als … intendant voor Brugge 2002.
Herinneren wij ons in die context ook niet de naam van de man die mee Exit opstartte, Jan Smekens?

Tja, de eeuw en het millennium lopen op hun eind en in Brugge neemt de nervositeit toe omtrent het Cultuurjaar. In datzelfde nummer 50 lees ik trouwens ook beschouwingen omtrent het gekozen ontwerp voor een Concertgebouw.
Zo’n maandblad is mensenwerk, mag dat ook even vermeld? Hoofdredacteur Jan Smekens wordt na enkele jaargangen opgevolgd door Luc Fossaert. Die gaat door tot vandaag, tot de eindmeet, samen met rechterhand Antoine De Clerck.
En ja, er zit in de loop der jaren ook wel een keer wat ruis op de lijn. Enige wrevel tussen de redactie en een journalist van een ander lokaal blad, om maar iets te noemen. Is er ook niet die columnist die verwelkomd wordt maar na weinig tijd de deur wordt gewezen? Mensenwerk, kortom. Of, met de wijze woorden van mijn moeder zaliger, ’t is stille waar da’t nooit waait.
’t Is al laat op de avond, Exit, wanneer ik met kleine oogjes jouw honderdste nummer dichtvouw. Onder de zolderbalken hierboven wachten nog twee kartondozen maar die gun ik nog wat rust. Mezelf ook, trouwens. In oude Exits snuisteren, hoe verhelderend ook, als lees-equivalent van bingewatchen kruipt dat in de kleren.
Trouwens, morgen is er een nieuwe dag. Met nieuw cultureel voer om van te proeven. Al zal jij het niet meer aanprijzen, Exit.
Sing c’ est la vie …

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van boeken en schrijven, Van Brugse politiek | 9 Comments

Een steen voor een ‘bohemer’

Weet je wel zeker dat het een fijne voorstelling worden zal?
’t Is het soort frisse avond waarop een sjaal en handschoenen van pas komen om naar ’t stad te fietsen. De straatlantaarn voor ons huis werpt lange schaduwen op de oprit. Twee donkere silhouetten, mijn wederhelft en ik, in de weer met het stevig dichtknopen van onze winterjassen.
Natuurlijk!”, verzekert ze mij, “Wouter Deprez kennen we onderhand, ’t wordt een geestige avond!
Ja” repliceer ik, “maar hij komt met Tcha Limberger. Die kent naar ‘t schijnt iets van muziek maken, maar ‘k vraag mij af of het wel zo boeiend wordt als anders.
Mijn fietsgenote schudt meewarig het hoofd. Verzwijgt ze wijselijk dat ze ook amper inschat wat ons te wachten staat?

Wouter Deprez kennen we onderhand …

Onze tweewielers krijgen een plek in de fietsenkelder in ‘t Sint-Amandsstraatje. Zie ons op stap, arm in arm op weg naar de schouwburg.
Als blinde jongen zat Tcha bij ons op school in Spermalie” herinnert zij zich, “In de basisschool, meen ik, hoe dan ook niet in de groep waar ik opvoedster was. Hij maakte toen al indruk met zijn zigeunersmuziek.”
“Tja, zigeuners …” mijmer ik. “Dat begrip ‘zigeuner’, wordt dat vandaag niet beschouwd als nogal denigrerend? Maar ‘k weet nog, in mijn kindertijd. Bij ons in het dorp had niemand het over zigeuners en al helemaal niet over Roma. ’t Waren allemaal ‘bohemers’, zoals ‘Bohémiens’ in ’t Frans. Als kwamen ze allemaal uit Bohemen. En ik kan je verzekeren, kwamen ‘bohemers’ ter sprake, dan was dat niet met hoofdletter. Een minachtende ondertoon was nooit ver weg.”
“Bij ons in Oostkamp lag dat ietwat anders.”, zegt ze. “Wij hadden een onderpastoor op de parochie, pastoor Delarue, en die mens zijn levenswerk was ’t Zwaluwnest. Dat was altijd een ankerpunt voor woonwagenbewoners en hun kinderen.
En toch. Benieuwd of dat werkt, Wouter Deprez en Tcha Limberger op één podium …” merk ik nog op en negeer stilletjes de fronsende blik die ze mij zijdelings toewerpt.

En toch. Benieuwd of dat werkt …

In de inkomhal van de schouwburg treffen we een paar oud-collega’s van haar. Iemand vertelt enthousiast over Tcha en met wie hij allemaal samenwerkte. Ik hoor namen passeren waar je van opkijkt. Een Koen De Cauter of een Wannes Van de Velde maar ook danser Alain Platel met zijn ‘Les Ballets C de la B’ en zelfs Jordi Savall, een monument omtrent oude muziek. Wordt het toch een boeiende avond?
De naam Wouter Deprez volstaat voor een volgelopen stadsschouwburg, je ontwaart volk tot helemaal in ’t kiekenkot. Wuiven naar kennissen, hier en daar, het vaste wachtritueel. Het vertrouwde piepsignaal roept iedereen naar zijn of haar stoel. Licht doven. Ze wandelen het podium op, Tcha aan de arm van Wouter. Er is een stoel voor Tcha en een muziekstandaard waarachter Wouter post vat.

… zijn muzikale familie, de Limbergers …

Anderhalf uur later, de weer oplichtende luchter boven onze hoofden roept ons, na een staande ovatie, weer tot de orde. Was er hier eentje dat meende dat muzikant Tcha Limberger zich zou laten overschaduwen door een meneer als Wouter Deprez? Groot ongelijk!
Wouter kijkt op naar Tcha en je kan hem geen ongelijk geven!
’t Is bekomen van een avond die heerlijk heen en weer walst tussen leutig, verrassend en af en toe aangrijpend. Met een Wouter Deprez die ons meeneemt in verhalen zoals alleen Wouter dat kan. Met een Tcha die in sappig Brugs vertelt over zijn band met zijn muzikale familie, de Limbergers, maar ook met zijn geboortestad. En als zijn multi-instrumentale zelf de diepten opzoekt van melodieën, even ongekend als meeslepend.
Twee kunstenmakers, de één met zotte verhalen, de ander met viool, gitaar, klarinet, ze spelen moeiteloos in op elkaars vondsten.
Over hun schouder kijken ze toe, helemaal uit Hongarije de leermeesters van Tcha, uit Geluwe de nonkels en tantes van Wouter. Heel even is ook George Brassens van de partij.

Terug in de avondkoelte. Voor de schouwburg stopt ze op het plaveisel. Leest de namen die er staan. Die van Willy Lustenhouwer, Elisa Wout en nog een paar. Sinds kort ook die van Benny Scott. Onze Brugse ‘Walk of Fame’.
Tcha is toch ook Bruggeling?” merkt ze op. “Zouden ze hem ook niet zo’n steen mogen geven?” Ze kijkt verrast als ik mijn hoofd schud.
Neen.”, antwoord ik en ik meen het, “Ze mogen niet. Ze moeten!

Posted in Het Brugge van nu, Van zingen en spelen | 2 Comments

Ouwe k(n)arren op de weg

Auto’s van vroeger, ‘k zal u een keer zeggen wat ik daarvan vind. Dat vroeger de auto’s van vroeger schoner waren dan de auto’s van vroeger van vandaag.

Kom mee, dan toon ik jullie …

Ik heb het erover met die neef van ons bij wie de goesting om ’s morgens uit zijn bedstee te komen hoofdzakelijk te herleiden is tot zijn collectie oldtimers.
Verwacht je een nuchter oordeel uit de mond van zo’n nostalgische ziel?Ondergetekende, met zijn halve huis vol overjaarse affiches, zou beter moeten weten.
En ’t moment blijkt ook nog fout gekozen, onze kozijn-autoverzamelaar is in de wolken met een zopas verworven aanwinst.

Dat vroeger de auto’s
van vroeger schoner waren …

Kom mee, dan toon ik jullie mijn vondst uit de duizend! Een cabrio, helemaal uit 1992! En bovendien – hou je vast aan je veiligheidsgordel! – dit is een ‘limited edition’!  Dat is hier de ‘Roland Garos’-editie en daarvan werd maar een beperkt aantal gebouwd!” Onze neef zijn ogen stralen als koplampen!

Wat volgt is een opsomming van technische wetenswaardigheden waarvan het wetenswaardige mij volkomen ontgaat, maar ik luister gedwee. Thuis hebben ze mij goede manieren geleerd. En terwijl voor mij ongrijpbare begrippen als katalysator, ontstekingssysteem en joint de culasse de revue passeren, dwalen mijn gedachten af naar waar ik die goede manieren meekreeg. Naar ons thuis, het thuis van toen.

Waar ergens diep in de  jaren zestig onze allereerste auto in beeld kwam. Een Ford Taunus 12m, dat weet ik nog. Zelfs de nummerplaat, FC831, bleef me bij. Ergens in een kartondoos vermoed ik nog een foto van die kleine pruts, amper in staat om met zijn elleboog schijnbaar nonchalant door het open raampje te leunen.

En al liep ook dat manneke van destijds niet warm voor autotechniek, toch herinnert hij zich tot vandaag een handvol auto’s die hem ooit aan ’t dromen zetten.
Elke week kon hij op de televisie – hadden we die eerder dan onze eerste auto? – de avonturen van Batman mee beleven.
Batman en Robin, roekeloze vechtersbazen in een serie waarin het geëtaleerde acteren al net zo bedenkelijk was als de belachelijke verhaallijnen. Maar dat stond Batmans heldenstatus allerminst in de weg! En hij had een auto, de Batmobiel of zo. Een futuristisch ding met allerlei spitsvondige snufjes waar dit knaapje wel moèst van dromen. Een schoolvriendje had een speelgoed-batmobieltje gekregen. Daar was dit ventje stiekem jaloers om, maar dat liet hij – welopgevoed, zoals gezegd – niet blijken.

… want Kapitein Zeppos
kon ermee rijden en … varen!

Met zijn buitenaardse automobiel liet Batman onze jongensharten sneller slaan, dat staat buiten kijf. Maar er was op televisie nòg een auto waar we ’t op de speelplaats over hadden. Eentje van hier bij ons en niet uit het hooghartige Amerika, was het daarom dat wij de auto van Kapitein Zeppos zo mogelijk nog meer koesterden? Voor onze generatie blijft dat zowat het archetype van de droomauto. Iedereen, jongen of meisje van toen, weet wat je bedoelt, ’t was te zot voor woorden.
Want Kapitein Zeppos kon ermee rijden en … varen!

En al was er bij ons nog geen sprake van kleurentelevisie, toch werd Polleke’s fantasie evenzeer ingekleurd door nog een ander feuilleton, ‘The Untouchables’. Eliot Ness, arm der wet die het opnam tegen gangsters in het Chicago van de jaren dertig, nam hem mee in een bestaan vol avontuur. Naast het schijnbaar moeiteloos over en weer schieten waren het vooral de auto’s uit dat tijdperk die hem bijbleven. Auto’s die als zwarte dozen – wat wil je, zwartwit-tv! – met gierende banden door de nachtelijke grootstad laveerden.
Dàt waren pas oldtimers, zie!

Dàt waren pas oldtimers, zie!

Mijn beste neef, waar haal je die geestdrift voor een auto uit de jaren negentig? Dat is uit onze tijd, man!
’t Lijkt pas gisteren dat ie door de straten van onze eigen levensjaren reed! Die trotse karren uit de jaren dertig, dàt zijn de echte oldtimers!
Maar mijn neef schudt het hoofd voor zoveel onbegrip.

Allez, we gaan een keer een eindje rijden met mijne Peugeot!” …
Het duurt even voor ik me realiseer waarom ons toertje door Sint-Andries mij niet koud laat. Maar dan daagt het mij. Het dashboard! Daar zit het hem, in het dashboard! In de ‘simili leren’ afwerking, de analoge draaiknoppen en wijzerplaten. Naast de uitschuifbare asbak zit een net zo uitschuifbare drukknop als aansteker voor je sigaret! En warempel, er is ook een radio-cassettespeler! Toen dit autootje in de jaren negentig voor ’t eerst op de weg verscheen zat het vol verrassend hypermoderne spullen!
En stel je voor dat het manneke dat zich ooit vergaapte aan de auto van Batman met ons meerijdt? Voor hem is die Peugeot dè absolute droomwagen uit het in een lichtjaren verre toekomst liggende 1992!
Het standpunt vanwaar je kijkt bepaalt wat je ziet!
En bovenal, elk heden is het verleden van morgen. In de garage van ondergetekende staat een auto. Mits wat geduld wordt hij ook ooit een keer oldtimer. Een ouwe kar.
’t Zou schoon zijn, mocht deze oude knar dat nog meemaken!

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen | 1 Comment

De burgemeester drinkt!

‘Ziet ge wel, Dirk De fauw is aan den drank!’
En da’s nog waar ook, want terwijl wij hier op de Burg traagjes aanschuiven in de lange rij bij de biertent en ons verwarmen aan flauwe grapjes, heft op het podium bij het stadhuis onze burgemeester het glas. Weliswaar op de gezondheid van alle Bruggelingen en dus ook die van ons, maar toch, aan den drank is hij!
Wanneer mijn kameraad en ik, bierdragers van dienst, terug bij ons partytafeltje bij de kerstboom midden het plein aanlanden, worden we met open armen verwelkomd door ons dorstig gezelschap. Nu is ’t aan ons, santé allemaal!
Hoeveel jaar staan we hier eigenlijk al?’, vraagt er eentje. Hoongelach, doorgaans keren we tussen de verschillende jaargangen van de nieuwjaarsdrink wel even naar huis terug! Maar of iemand weet hoeveel winters verstreken sinds de stad ons een eerste keer trakteerde?

’t Was in 2010 …

Welaan dan, vrienden, luistert! Deze knaap dook in zijn archieven. Sommige mensenkinderen houden er de markante gewoonte op na om oude agenda’s bij te houden. Uw metgezel is één van hen. En hij zocht en vond.
’t Was in 2010, alweer ruim vijftien winters geleden, dat onze toenmalige burgervader, de betreurde Patrick Moenaert, ons een eerste keer liet klinken op het jaar dat komen zou.
En intussen koppelt ons vriendengroepje daar veelal een jaarlijks etentje aan vast.
Lieten de burgemeester en schepenen zich ook die eerste keren al vanop zo’n podium door hun onderdanen bewonderen? Hield de burgemeester toen niet zijn speech vanuit het krappe balkonvenstertje in de stadhuisgevel? Daarover laten de krabbels in mijn agenda’s ons in het ongewisse.

Jaren kwamen, jaren gingen. Om bij de vierde aflevering Renaat Landuyt als pas aangesteld burgemeester te laten opdraven. Maar ook met een nieuwe voorman bleef Brugge vasthouden aan het goede winterse gebruik. Ze laten zich niet temmen, de dorstige Bruggelingen! Ook niet door de komst, zes winters later, van weer een nieuwe Grote Baas, de hogergenoemde Dirk De fauw.
Of toch? Voorspelde op de drink van 2020 iemand dat we ’t volgende jaar zouden overslaan, dan merkte zeker één van ons lachend op ‘Ge hebt er al eentje teveel op, gij!’ En lachten we met z’n allen mee. Maar amper een paar weken later dook ergens in ’t land een bizar virus op. In de nieuwjaarsdagen van het daarop volgende 2021 wandelde je moederziel alleen over de Burg. Niks nieuwjaarsdrink. En ook bij de aanvang van 2022 lag het plein er desolaat bij.

Maar later dat jaar, op de zonnige zondagochtend van 24 april …

Maar de winter ging voorbij en op de zonnige zondagochtend van 24 april inviteerde de burgemeester zijn stadsgenoten voor een ‘lenteborrel’. Opluchting! We vierden het einde van één van de meest nare tijden die de stad sinds lang doormaakte.
Sindsdien komen we bij elke jaarwende weer ongegeneerd samen. Bruggelingen, vrolijk eensgezind. Zou het? Weet je nog, twee winters geleden? Die keer, vrolijkheid met een pittig randje.
Na jaren Brugse Zot van de tap, koos het stadsbestuur onverwacht voor Blonden Os van brouwerij Bourgogne des Flandres. Een kwestie van prijs, een redelijk argument? Maar daar werden ze bij de Halve Maan, brouwerij van Brugse Zot, allerminst blij gezind van. En zo kwam het dat je die ochtend overal op het plein ‘Brugse Zot’-mutsen ontwaarde met daarop het niet mis te verstane ‘Ik drink echt Brugs bier!’. De Burg kende in de loop der tijden ingrijpender revoluties, al lachte de burgemeester die keer groen.
Maar tijd brengt wijsheid en zo kan je vandaag op onze nieuwjaarsreceptie toasten met Blonden Os, met Brugse Zot èn Fort Lapin. Er is een stand van Oxfam voor wijn en meer en een frietkot voor wie zijn maag hoort knorren. En een podium van waarop een handvol verkozenen des volks de stad een voorspoedig jaar toewensen. En ook wij zijn van de partij voor een aangenaam weerzien op het alweer overvolle Burgplein. Al ervaart een mens na een poos en wat lege bekers dat zijn verkleumde vingers vragen om de knusse warmte van een etablissement in de buurt.
Afspraak, volgend jaar zelfde tijd, zelfde plek. Je weet wel, nabij de hoek van ’t Brugse Vrije, strategisch dicht bij de dranghekken van de biertent. Onderdanen van een dorstige burgemeester, tenslotte.

Posted in Het Brugge van nu, Over welzijn en gezondheid, Van feesten en vieren, Van proeven en smaken | 6 Comments

Het meisje Nieuwjaar

Wellicht ligt het stationsplein er op doordeweekse avonden stiller bij dan op een oudejaarsavond als deze, bedenkt ze. Terwijl ze over het plein wandelt merkt het meisje hoe de klok op de gevel van het station haar wijzers traagjes laat opschuiven naar twaalven.
Van de geplande voetgangersdoorsteek onder de ringlaan is nog geen spoor te bekennen, merkt ze. Wel van een hoge, metalen brug over de drukke rijweg. De ijzeren treden van de steile trap klinken geruststellend kloek, maar toch betrapt zij zich op wat onzekerheid. Om die hoge stelling of eerder om de opdracht die haar wacht in deze stad?
Midden op de brug ziet zij hem naar haar toe komen. Ze herkennen elkaar, al hebben ze mekaar nooit eerder ontmoet. Zij, het meisje Nieuwjaar dat haar twijfel om wat komt verbergt achter een brede glimlach. En hij, Oudejaar, zijn grijze karakterkop verraadt levenswijsheid zoals zijn wandelstok iets moeizaam in zijn stappen laat vermoeden.

Zou hij me goeie raad willen geven?’, vraag zij zich af. Oudejaar lijkt haar gedachten te lezen, met een geruststellende knipoog richt hij zijn blik over de weg, naar het Concertgebouw. Van daaruit waait de kille avondwind een ver feestgejoel naar hen toe. Zoals elke oudejaarsnacht is het Zand ingepalmd door een volkse samenzang. ‘Hoor!’ zegt hij en wijst in de verte, ’De Bruggelingen wachten op je!’ En nog voor Nieuwjaar iets vragen kan, vult hij aan ‘Je zal ze gauw leren kennen, ze zijn van de kwaadste niet. Wat eigengereid, soms, en voorzichtig als ’t op verandering aankomt.

Het stelt Nieuwjaar gerust dat hij haar geen fabels vertelt. ‘Hoe verliep voor u het voorbije jaar hier in Brugge?’ waagt ze zich aan een vraag. Oudejaar zwijgt even, denkt na. ‘Een boeiende stad is het wel’, mijmert hij. ‘Wat hier de voorbije maanden het meeste stof liet opwaaien was de vooropening van BRUSK. Iedereen die langs kwam was onder de indruk. Over de festiviteiten die erbij hoorden waren de Bruggelingen het minder eens. ’t Is moeilijk in te schatten wat het meest over de tong ging, de komst van een reuzenspin of de centen die voor dat beest werden opgehoest. Maar straks maak jij, Nieuwjaar, de eerste tentoonstellingen in BRUSK mee, da’s om naar uit te kijken!
O ja, deze zomer was er ook ‘Het Belfort vertelt’, een lichtprojectie op ’t belfort die de geschiedenis van de stad vertelde.
Bruggelingen hebben ook iets met verjaardagen. De tiende verjaardag van de Republiek, de vijfentachtigste van Benny Scott of de achthonderdste van het Begijnhof, altijd iets om te vieren.

En ‘t is hier een voetbalstad, hou dat in je achterhoofd! Zelfs het Stadsarchief gaat daarin mee. Ze bouwden een expositie over de geschiedenis van Club. Of ze straks kampioen spelen en of Cercle in Eerste blijft, jij komt het aan de weet!
Voorts zijn ze goed in plannen bedenken, hier in Brugge. Een nieuwe brandweerkazerne, daar zijn ze mee bezig. Maar ze willen ook hun belfort restaureren en van de oude Minnewaterkliniek maken ze Huis van de Bruggeling.
Maar, mijn beste Nieuwjaar, of daar in die werktijd van jou iets van terecht komt? Voorts weet niemand wanneer er iets in huis komt van dat voetbalstadion. Plannen maken, zoals ik zei.”

Nieuwjaar beseft, wat ze weten wil moet ze nù vragen. “En de verkeerswerken, hier bij ’t station?” vraag ze.
“Ach kind, lokaal lossen die iets op maar het teveel aan auto’s, daar kan een stad weinig aan verhelpen. Trouwens, hoezeer de Bruggeling wakker ligt om het milieu, daar heb ik geen antwoord op.”

Ze wikt haar woorden … “Toch lijkt Brugge mij een plek waar ’t aangenaam leven is, of heb ik dat verkeerd?
“In elke stad bedenken ze wel iets om over te zeuren, meisje, in Brugge is dat het toerisme. Een tweesnijdend zwaard, dat wordt je gauw duidelijk.
Maar het is hier al bij al goed toeven, da’s waar.”
Dan recht Oudejaar zijn rug, kijkt haar diep in de ogen. “Maar goed, mijn tijd zit erop, Nieuwjaartje, ik moet ervandoor.” Koude rilling. “Nemen we nog een selfie?” vraagt ze. Oudejaar schudt zijn grijze hoofd. “Zorg jij maar dat je op tijd op ’t Zand geraakt.
Even aarzelt ze. Maar geeft de oude man dan toch maar een ferme knuffel. Allebei verzwijgen ze wat ze allebei weten. Dat ze mekaar nooit weerzien.

Een jonge vrouw haast zich door het Albertpark, langs het ruiterstandbeeld en de ijspiste, naar het Zand. Bang kloppend hart.
De wandelstok van Oudejaar tikt op het plaveisel van het stationsplein. Hij heeft geen haast maar weet, er is geen weg terug. Schrikt om de klok boven de oude stationsingang. Houdt even de adem in. Maar dan ineens, van ver achter de bomen, uitbundig gejuich.
Een stille zucht van opluchting. Oef, ze heeft het gehaald.
Het jaar kan beginnen.

Posted in Het Brugge van nu, Van feesten en vieren | 5 Comments

Weg met Kerstmis!

Weg met Kerstmis! … editie één
Weg met Kerstmis? Jullie vertoeven onder de Spaanse zon of die van nog verdere oorden? Of misschien zoeken jullie verpozing in een chalet in d’ Ardennen of een hoeveke in de Westhoek, waar je een mildere rust vindt dan in Singapore of andere hippe plekken op onze aardbol. Alvast meer dan in onze eigen, de voorbije dagen naar adem happende binnenstad. Wat je mist door Brugge te ontlopen? Tja, een kerstmarkt zoals je er (n)ergens anders eentje vindt. Wintergloed dat in (n)iets vergelijkbaar is met vorige edities.
Maar ook een brave maar verbazend uitgebreide tentoonstelling in de Sint-Gilliskerk. Op een rijtje, honderden kerststallen uit alle continenten.
En de vertrouwde kerststal aan de voet van de Sint-Salvatortoren. Waarom Jezus en de zijnen zich daar verschansen achter een rooster van roestig ijzer? Ik vertel mezelf, ietwat tegen beter weten in, dat hier meer achter steekt dan enkel het voorkomen van kwajongensstreken. Dat het traditionele kerstvertelsel, over een stel dat noodgedwongen zijn toevlucht zoekt in een stal, ook een verhaal is van vandaag. Een verhaal van kwetsbaarheid, van zich bedreigd voelen, op de vlucht zijn.

Weg met Kerstmis! … editie twee
Maar wie weet, sla ik de bal mis, de kerstbal in dit geval. Zou Kerstmis zijn status mogen behouden, mocht het niet deels draaien om in knusheid geld over de balk gooien? Om rijkelijk gedekte feesttafels en nippen van dampende glühwein onder rood-witte mutsen? Kerstmis als hoogdag der consumptie, we vieren het.
Maar stel nu even, heel even, Kerst is er enkel en alleen als boodschap. Als oproep tot vrede, verdraagzaamheid, dat soort wolligheden.

Zie je ’t dan gebeuren dat ergens op onze aardbol iemand – wie, dat laat ik aan uw verbeelding over – met uitgestreken gezicht Kerstmis afdoet als kwalijk complot van ‘woke’-activisten? Kerstmis? Weg met Kerstmis!
Geen zorgen, waarde lezer, men gunt het ons. Omdat Kerst vieren ongevaarlijk is en de economie kan er maar wel bij varen. We danken onze verknochtheid aan Kerst aan de Mariah Careys van deze wereld. Trouwens, ‘k zal ’t maar bekennen, ook in dit huis van ons lijkt het Kerstfeest aardig op dat uit de boekskes. En, eerlijk waar, ook mijn lezers wens ik zoiets toe.
Al zoeken wij hier thuis misschien ook nog een keer naar ‘Kerstmis is dien dag da ze nie schieten’, oud lied van Wannes Van de Velde. Zie je wel, we laten ons al veel langer in de luren leggen door van die ‘woke’-predikers. Laat mij in dat soort goedgelovigheid jullie, als kerstgeschenk, dit zelfverzonnen karamellenvers voorlezen …

Posted in Het Brugge van nu, Over oorlog, Van feesten en vieren, Van zin, zen en zijn | 3 Comments

Bijbelpraat voor Dummies

Elk jaar bedenken wij, een groepje vroegere collega’s, een paar redenen om mekaar weer te zien en om die ontmoeting, naast het kletsen en lunchen, ook enig elan te geven, knopen we er doorgaans ook iets cultureels aan vast. Zo gaan we deze keer bij Luc Vanlaere langs. We vinden hem op zijn vaste stek in Oud Sint-Jan, je weet wel, achter het middeleeuwse hospitaalmuseum.

Luc
Al wie een concertje van harpspeler Luc Vanlaere wil meemaken is er welkom en pas na afloop laat je als bezoeker  wat ‘toegangsgeld’ achter bij de deur, je betaalt wat je wil.
Luc Vanlaere boert niet onaardig, nogal wat volk vindt de weg naar het bescheiden maar toch redelijk knusse zaaltje waar hij keer op keer uitpakt met zijn harp.
Of liever, zijn harpen, want Luc bespeelt voortreffelijk allerlei harpen en sommige bouwt hij ook zelf.
Harpen van hier en van elders, recente en kopieën van historische instrumenten, noem er eentje en Luc heeft ze in zijn klein museum.
En hij brengt met goesting hun geschiedenis ter sprake.

David
Zo bespeelt hij ook een lier, de verre voorloper van de harp. Waarbij hij een historie uit de Bijbel aanhaalt. Het verhaal van David, de herdersjongen die in vorstelijke kringen furore maakt als lierspeler en het tenslotte zelf tot koning brengt. En wij, we knikken bevestigend. Ach, waar is de tijd van die histories uit onze godsdienstlessen! Want ja, de meesten onder ons ‘genoten’ in hun verre verleden nog zo’n braaf katholieke schooltijd, Bijbelse vertellingen incluis.

Pluk
Een weekje later, bij ons thuis. Hond staat op uit haar mand. Veelzeggende vraag in haar diepdonkere ogen. Want ‘t is dan wel zo’n lome avond en zij weet, baas slijt die liefst van al tussen affiches en boeken, maar een hond in huis, dat vergt een dagelijkse wandeling. Want, baas, zonder onze dagelijks toertje geen luchtige babbels met buurtbewoners, toch? Alledaagse praatjes die soms uitlopen op een goed gesprek. En rustig kuierend door je wijk merk je dingen op die je fietsend zouden ontgaan.
Dankjewel, Hond. Zucht. Maar ’t is waar, al bij al geniet ook baas van dat vaste ritueel. Op stap met Hond heeft hij oog en tijd voor al wat langs zijn pad opduikt. Voor het boekenkapelletje, bijvoorbeeld, op een straathoek verderop. Je weet wel, zo’n kastje waar mensen boeken in deponeren die Jan en alleman mag meenemen.

Trouwens, zie ik dat goed, achter dat glazen deurtje? Lijkt die brede, groene rug van dat ene boekje niet verdacht veel op de pocketbijbel die ik in huis heb? Warempel! In het rommelige kastje, tussen een beduimelde ‘Pluk van de Petteflet’, de klassieker van Annie M.G. Schmidt met op de kaft die iconische tekening van Fiep Westendorp, en een stationsromannetje met de beloftevolle titel ‘De vergeten kus’, leunt een bijbel. Precies zo’n handig bijbeltje als dat in mijn bescheiden boekenhoek. Hoe belandt het ‘Boek der boeken’ hier in dit schamele straatkastje? Je kan alleen maar gissen.

Kenneth
De volgende dag, iets na de middag. Hond slaagt er weer in om baas te overhalen. Vandaag wandelen we langs het pad bij het voetbalplein en kijk, Kenneth komt er aan. Kenneth is een jongen van een straat verderop. Beetje een eenzaat, geen knaap die met luidruchtige kameraden balletjes sjot. Leergierig maar geen Einstein. Wil hij dat ik hem iets uitleg, wat hij doorgaans wil, dan doe ik mijn flinke best om een eenvoudig antwoord te verzinnen. Maar wel een aardige vent. Er mochten er meer zijn als Kenneth.

En wat ziet mijn haviksoog? Wat houdt onze Kenneth onder de arm? Ja hoor, hij nam het bijbeltje mee uit het kastje van gisteren! Dit wordt een gesprek onder denkers, zoveel is duidelijk.
Kenneth weet weinig over geloven en zo, bekent hij. Maar dat boekje hier, dat maakt hem misschien wijzer. Ik geef hem geen ongelijk maar waarschuw, ’t is een dikke turf, hé.
Maar ’t staat wel vol straffe verhalen. En er valt ook iets op te steken over onze spreektaal. Enfin, toch die van ons, oudjes. Jullie, jongelui, hebben jullie eigen taaltje, maar wij hebben het soms nog over een ‘land van melk en honing’, over ‘je handen in onschuld wassen’ of ‘in adamskostuum rondlopen’. Komt allemaal uit de Bijbel! Maar wat erin staat is zware kost, Kenneth!
Ik zie mijn toehoorder twijfelen … of hij dat boek wel lezen wil? En als ik hem vertel over de harpspeler en de lier van koning David, kijkt Kenneth mij aan als een Ongelovige Thomas. Opletten, denk ik, gevaar voor Babylonische spraakverwarring!
Ach, weet je wat, Kenneth, laat maar, die bijbel. Zag je ook dat boek over Pluk van de Petteflet?

Posted in Van boeken en schrijven, Van zin, zen en zijn, Van zingen en spelen | 3 Comments

Steven Van Havere … not your drummer!

De kleine wil muziek maken. Viool spelen? Piano of gitaar wellicht? Neen, mama, drummer wil ik worden! Valt een stilte over het huis, het zwijgen van gezinsgenoten die er het hunne van denken. Stilte die in de dagen die volgen gemist zal worden.
Maar dat de dreumes meer in zijn mars heeft dan lawaai maken, daar komen ze bij hem thuis pas later achter. Want klein Steventje weet dat zotte bravoure weinig toevoegt aan zijn slagwerk. Techniek en creativiteit, daar draait het om! Goei slagwerk is het zout op muzikale patatten!
Al heeft drummen niet zelden iets weg van een achterhoedegevecht. De vroege Beatles in zo’n  korrelig zwartwit filmpje. Vooraan op het podium, John, Paul en George die de ziel uit hun lijf spelen, met aan hun voeten in katzwijm vallende deernen. Met goeie ouwe Ringo die instaat voor een vakkundig getimed ritme, bescheiden op de achtergrond.
Maar kan het ook anders. In de rokerige jazzkroegen van de jaren stillekes keek men allerminst op van een drummer als voorman. Saxofonist, trompetter, bassist of zangeres, allemaal in loondienst bij de drummer-frontman. Bij wie thuis is in jazz roept dat meteen namen op van een Chick Web, een Art Blakey of een Max Roach. Stuk voor stuk drummers-bandleaders.

… ook wanneer hij tussendoor optrekt met Hooverphonic.

Wacht, ik trakteer u op een verkwikkend verhaal dat sinds lang de ronde doet. Wijlen Charlie Watts, drummer bij de Rolling Stones, was een jazzman in ’t diepst van zijn ziel. Hij wees Max Roach aan als één van zijn grote helden.
Op een keer wil een lichtjes benevelde Mick Jagger in het hotel waar de Stones logeren een nachtelijk feestje bouwen voor zijn entourage. Hij belt de receptie en vraagt naar ‘my drummer’. Charlie hoort daarvan en komt langs. Trakteert Mick op een ferme dreun op zijn bakkes en op de onsterfelijke woorden “Don’t ever call me ‘your drummer’ again. You’re my fucking singer!”
Een waar gebeurd verhaal? Dat zullen we nooit weten. Maar wel dat het ons leert dat drummers op hun strepen staan. Je kan je er iets bij voorstellen.
Of dat ook geldt voor drummers van bij ons? Brugse drummers? Nogal wat lezers, neem ik aan, zullen er net als ik weinig kunnen opnoemen. Maar het Steventje van daarnet is als Steven Van Havere wèl een naam geworden. Wat de man realiseerde met zijn muziekschool-project Metronoom zit daar voor veel tussen. Maar Steven is boven alles drummer en zijn reputatie in het vak is er eentje om in te kaderen.
De jonge Steven hangt al een tijd rond in het Brugse muzikantenmilieu wanneer hij in 1993 bij Gorki, de groep van Luc De Vos, het drumstel mag inpalmen. Het is overigens Luc die hem de overstap gunt naar een ander op dat moment nog pril, maar beloftevol groepje. Arid, met zanger-frontman Jasper Steverlinck, wordt de nieuwe muzikale thuis van Steven.

Zo komt het dat wanneer op 20 april van het jaar 2002 in de gloednieuwe, nog naar mortel en bouwvakkerszweet ruikende Magdalenazaal het dan al vermaarde Arid aantreedt, Steven Van Havere de drumsticks beroert.
Steven zal blijven trommelen bij Arid, ook wanneer hij tussendoor optrekt met Hooverphonic.

En midden al die slagwerkdrukte daagt in Brugge ineens Metronoom op. Was ondergetekende de enige die in 2012, wanneer alternatieve muziekschool Metronoom haar deuren opende, zich stilletjes afvroeg of zo’n gewaagd avontuur een lang leven beschoren was?
En of hij het mis had. Voor veel stadsgenoten met goesting in muziek is het begrip Metronoom nog amper weg te denken. Trouwens, van het Brugotta-project – jong muziekgeweld dat een heuse concertzaal laat vollopen – zou weinig in huis komen zonder de ruggensteun van een heuse Metronoom-band.
Met als voorman zowaar … een drummer.

Vier jaar geleden leek het erop dat bij het overlijden van Charlie Watts het doek zou vallen over één van de meest invloedrijke rockgroepen uit de geschiedenis.
Mag ik u trakteren op een verkwikkend verhaal dat weliswaar nooit de ronde deed, maar dat ik alsnog met u wil delen?
’t Gaat over Steven Van Havere die op een dag wordt opgebeld door Mick Jagger.
De zanger, op zoek naar een vervanger voor Charlie, meldt hem: “I guess you will be proud to be my drummer!” Wat Steven heeft geantwoord, die keer, zullen we nooit weten. Maar wel dat Mick Jagger op zoek mocht naar een andere drummer …

Of daar iets van aan is, van Steven en Jagger? ’t Had gekund. Ken je die oude wijsheid die vertellers graag met mekaar delen? Die luidt ‘Laat af en toe de waarheid een goed verhaal niet in de weg staan’.

Arid viert – mèt Steven – dezer dagen zijn vijfentwintigste verjaardag.
Volgend Brugs concert op 29 januari in Cactus Muziekcentrum.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van gitaren en drums, Van zingen en spelen | 3 Comments

Zebrapad … een adieu aan Leen Persijn

Voor mij komt het onverwacht, Leen, het nieuws van je overlijden …
Een ochtend, vorige week, in de kleine supermarkt bij ons in de buurt. Zo’n winkel waar ze geen zelfscan hoeven, bij ’t afrekenen is veelal de glimlach van de kassière in de prijs inbegrepen. Ik leg mijn drie kartonnetjes karnemelk op de band, de deftige dame voor mij en de kassierster blijken mekaar goed te kennen en zoals dat dan gaat komt daar een babbel van. Of zij het al wist, vraagt de dame, dat Leen Persijn overleed? De vrouw aan de kassa weet het niet. Ik evenmin. Ze wisselen nog een paar bedenkingen, iets over de kassierster haar ma die sinds kort in een woonzorgcentrum verblijft, het verband met het jammere nieuws van daarnet ontgaat mij.
Terwijl ik naar huis wandel, Leen, blijf je in mijn gedachten. Eén optreden van jou herinner ik me, ergens in mijn jongensjaren. Was het op school of elders, dat deemsterde weg in de mist die we tijd noemen. Mij rest een beeld van een statige vrouw, haar zelfzekere uitstraling, haar open blik vooral. En wat liedjes. Gedichten van Gezelle, zou het?

… avonden lang te gast in de Korrekelder …

Thuis gekomen vertel ik mijn eega wat ik net hoorde. Weet je nog, antwoordt ze, enkele jaren geleden toerde Leen Persijn met vertellingen en liedjes over haar moeder die aan dementie leed. Ik was erbij, op één van die middagen, en voor mij was dat heel herkenbaar.
Ik weet waar ze ’t over heeft en meteen daagt het mij waarom de kassierster het daarnet over haar ma had.
Op de radio komt Leen Persijn ’s avonds hele even ter sprake. En draaien ze ‘Ik heb het altijd gedaan’, het enige liedje van jou dat destijds echt radioaandacht kreeg. De woorden waren van Fred Brouwers, jij in de huid van een kind dat sakkert over zijn vermaledijde huisgenoten van wie het almaar op zijn donder krijgt. Een ondeugend lied van een voor het overige voorbeeldige zangeres, zal ik het zo omschrijven?
Want, Leen, je zal het niet ontkennen, je was allerminst een tafelspringer.  Het nooit echt tegen schenen schoppen en dat toch enigszins ‘burgerlijke’ imago van jou … Misschien hield dat jou enigszins onder de radar. Onze radar. Of lag het veeleer aan hoe je door ’t leven ging?
Vandaag lijkt het doen en laten van podiummensen veelal op een racebaan. Jij, Leen, was nooit zo’n snelheidsduivel. Je vervolgde je weg op jouw gezapige manier, jouw tempo. Duwden anderen gehaast het gaspedaal in, dan was jij zo’n chauffeur die gedwee stopt aan elk zebrapad waar iemand oversteken wil.

– foto Piet Van Belle –

In je repertoire dat zich makkelijk bij kleinkunst laat onderbrengen is ’t dan ook zoeken naar iets dat stof deed opwaaien. In onze zotte jaren volgden wij min of meer wat in het kleinkunstwereldje gaande was, maar Leen Persijn kwam amper ter sprake. Hier in Vlaanderen maakten knapen als Kris De Bruyne en Zjef Vanuytsel – verdomme, ook al allebeizaliger’ – ’t schoon weer. Jan De Wilde of Johan Verminnen, Willem Vermandere. En de ook al betreurde Walter De Buck en Wannes Van de Velde.
Maar hela, nu ik dit hier opschrijf … dat gaat hier over mannen! Waar waren de vrouwen als je ze nodig had? Jij, Leen, en Della Bosiers en van jouw generatie kan ik voorts amper een Vlaamse bedenken die meespeelde op de speelplaats van de kleinkunst. Bij onze noorderburen hadden ze grote madammen als een Liesbeth List of een Jasperina De Jong. Een Astrid Nijgh en nog wel een paar dames. Maar hier bij ons was kleinkunst ventenwerk.

En toch dook jij altijd wel ergens op. Ook hier in Brugge. Was het niet in Brugge dat het meisje uit Tielt, Leen Persyn – pas later zou je kiezen voor de naam Persijn – haar regentaat Beeldende Kunsten voltooide voor ze de wereld in trok? Je keerde regelmatig

… in Onze Ark, wijkzaaltje in Sint-Michiels.

terug, zo leert mijn collectie waaruit ik een paar affiches opdiepte. In 1982 was je avonden lang te gast in de Korrekelder aan ’t Kraanplein. En enkele jaren later een avond in Onze Ark, wijkzaaltje in Sint-Michiels. Kleinere podiums, ook hier. Wat mij laat bedenken … Is dat spelen in kleine zaaltjes niet de kern van klein-kunst?
Lag het ook daaraan dat je naam nooit klonk als een klok? Of eerder aan de soms zeer uiteenlopende keuzes die je zoektocht typeerden? In die lange loopbaan van jou ging het om zingen, ja, maar ook om theatermonologen brengen, presenteren op tv, toneelproducties begeleiden … Je koos ervoor om veel te kiezen.
Tot vorige week. Al even, vernam ik, kwelde jou een bijzonder hardnekkige vorm van ALS. En ook hier koos je zelf, voor zover dat een keuze mag heten. Voor euthanasie. Op je verjaardag, je tweeëntachtigste. Zegt ook dat iets over wie je was, wie je bent?

Diezelfde middag ben ik alweer op weg naar de superette. Liet vanochtend na, iets mee te brengen dat mijn wederhelft van doen heeft in de keuken. Zo’n dingen vergeten, dat talent is mij gegeven. ‘k Wandel door de slome straten van onze wijk, tot bij de hoofdweg verderop. Ik wacht bij ’t zebrapad, komt een auto. De wagen vertraagt. Een hand wuift ‘Ga maar!’
De vrouw achter het stuur … haar blik … lijkt op iemand … ach, die verbeelding van mij. Ik ga het zebrapad op, steek even mijn hand op, als dank.
Merci, Leen, merci om wie je was.

Posted in Het Brugge van toen, Van zingen en spelen | 10 Comments

Een jaar op zolder

Ik vond een jaar op zolder. Het jaar verraste mij en daarom nam ik het met plezier mee, de trap af.
Het is een jaar van al een hele tijd geleden, geen idee hoe lang het daar al geduldig wachtte, onderin die bananendoos, tot ik het weer een keer zou doorbladeren.  ‘Bruggeboek van het jaar 85’ staat bovenaan op de kaft met daaronder ‘Onder redaktie van de Vereniging van Brugse Beroepsjournalisten’. Pardon, ‘redaktie’? Ach, let maar niet op die ‘k’ middenin het woord. De jaren tachtig en hun een zwak voor ‘progressieve’ spelling.

Hoe het boek op zolder belandde? Voorzichtig uitgedrukt … deze jongen blonk nooit uit in boeken en andere documenten van de hand doen. Bijgevolg ging in dit huis veel papiergerief langs het gammele uitklaptrapje zolderwaarts. En zo raakte onze redelijk ruim bemeten zolder almaar meer gevuld met een almaar onoverzichtelijker veelheid aan boeken en ander papierspul. En kreeg ondergetekende met toenemende regelmaat van zijn huisgenote het verzoek om die papierberg aan te pakken.

Doch vorige week, zijn eega wist niet wat ze hoorde. Dè dag brak aan waarop hij zijn zolder zou onderwerpen aan een hardvochtige vraagstelling! Wie blijft, wie moet weg? Lang leve de kringwinkel!
Kwam hij toch wel meteen dat boek van veertig jaar geleden op het spoor, zeker! Halt! Pauze! Zo dringend is dat van die zolder nu ook weer niet.
Tijd voor een boekwerk vol bijna vergeten maar meteen weer oplichtende herinneringen!
De korte artikels in het boek hebben iets van veredelde krantenknipsels. Je vindt er het Brugge van toen, beschreven met woorden van toen. En uiteraard is er de verleiding om met wat je vandaag weet, makkelijk te oordelen over wat er staat.

En zoals de stad veranderde in de decennia die volgden, evolueerde ook de wereld eromheen. Hoe die er toen uit zag, dat laat het boek in het midden. Ons Europa, nog opgedeeld door een IJzeren Gordijn maar ook, in Polen, het kolkende verzet van Solidarnosc, de vrije vakbond van Lech Walesa. De onrust omtrent de aids-epidemie en het Heizeldrama maar ook de Live Aid-benefietconcerten.

Inmiddels is deze knaap stilletjes van het trapje afgedaald naar zijn ‘affichekamer’ waar hij, het oude boek op de knieën, verzinkt in een resem herkenbare histories. Mag het verbazen dat hij zich, hier midden zijn collectie, afvraagt hoe het zou zitten met affiches van toen?
Niet elk item in het boek laat zich linken aan zijn verzameling. De sloop van de oude Gistfabriek aan de Langerei? De inhuldiging van het nieuwe gerechtsgebouw bij de Kruispoort? Geen affiche in huis. Evenmin omtrent de opening van de volkssterrenwacht in Beisbroek.

Maar van veel andere voorvallen diept de verzamelaar wel iets op uit zijn collectie. De zeilschepen die bij de inhuldiging van de nieuwe havenfaciliteiten Zeebrugge aandeden. De Meifoor, weer op ’t Zand na jarenlange omzwervingen langs de Kruisvest en ’t Boudewijnpark.
Er was het nog prille maar groeiende Cactusfestival, die zomer voor een laatste keer op het Sint-Amandspleintje. Mij onbekend was een voornemen dat toen heel even de kop opstak en waarover hier staat ‘Kan het festival zijn kwaliteiten volgend jaar misschien ontplooien op de Burg?
De Korrekelder aan het Kraanplein hield zich staande, al ging het legendarische vestzaktheater woelige jaren tegemoet.

En kijk wie ook in het boek staat! In dat gezegende jaar 1985 werd Roger Vangheluwe tot bisschop gewijd! Een affiche van die viering? Neen, maar tot mijn eigen verbazing tref ik na wat zoeken toch een affiche omtrent de omstreden bisschop. Weliswaar van veel later, maar zullen we ze toch maar bovenhalen?

Het gaat om dinsdag 13 maart 2010, Assebroek, een lezing van de bisschop. Amper vijf weken later ontploft de bom die ‘de zaak Vangheluwe’ heet.
Het is bekend dat woorden met de jaren soms een heel andere lading dekken. Zo ontwaar je, tussen alle lof over de nieuwe bisschop in het Bruggeboek 1985, de zin ‘Ook de jeugd heeft altijd zijn aandacht getrokken’.

Maar keren we in schoonheid terug naar toen. Toen in Gruuthuse een tentoonstelling liep over een groot streekgenoot uit de renaissance, componist Adriaan Willaert. Toen de beurshalle zaliger onderdak bood aan ‘Bouwen Wonen Nu’, de jaarlijkse bouwbeurs. En wie die jaren stilletjes nooit meemaakte, weet niet van Showburg, het brave ‘voor elk wat wils’-festival, elke zomer op de Burg.

Ik leg het ‘Bruggeboek 85’ opzij en verzin een verhaal over toen. Dit verhaal. Zoals gewoonlijk vergt dat meer tijd dan gepland. Tot bedtijd, zeg maar.  Mijn teerbeminde bedgenote heeft gelijk, mij wacht nog een ferm karwei. Het verder ruimen van alle papier ginder boven. Maar geloof mij, ooit komt dat ervan, ook al vergt het mij … een jaar op zolder.

Posted in Het Brugge van toen, Over affiches verzamelen, Over de wereld, Van boeken en schrijven | 9 Comments

Jammer van de godshuizen

Van de paar woorden die ik las, mijn gedachten maar half bij de les, realiseerde ik mij pas later dat ze zich in mijn geheugen hadden genesteld. Jeroen Olyslaegers – je weet wel, de schrijver – had ze ergens online achtergelaten nadat iemand een standpunt van hem onderuit wou halen …

Zoals gewoonlijk ben ik verheugd dat we het oneens zijn, want het doet me nadenken.” Van mening verschillen, daar vooreerst een waarde aan toekennen en dan pas een tegenargument aandragen … het getuigt van enige wijsheid.
En toch zitten tegenstrijdige meningen je soms ronduit dwars. En al helemaal wanneer het je eigen standpunten zijn die mekaar tegenspreken.
Neem nu dat recente besluit omtrent onze godshuizen. Het lijkt mij een gepaste maatregel èn tegelijk vind ik het spijtig dat ie er komt.
Het ís gewoon een verstandige beslissing die ze namen over godshuizen. Ze, dat zijn die van de gemeenteraad. En ondergetekende zal het maar toegeven, was hij raadslid dan keurde hij zo’n voorstel zonder aarzelen goed.
Maar hij zetelt niet in de raad, wel onderuit in zijn zetel thuis, als doordeweekse inwoner van zijn stad. Maar kan, naast zijn hoedanigheid van brave burger, ook prat gaan op een getuigschrift dat hij lang geleden verwierf. Een diploma als stadsgids. En ’t is als gids dat hij moeite heeft met die gloednieuwe regelgeving.

Want deze gids neemt bezoekers graag mee naar zo’n godshuis. Het liefst nog naar het ‘Rooms Convent’ in de Katelijnestraat. Wat een zegen is het, midden de rumoerigste hoek van onze binnenstad je volgelingen wijzen op het smalle poortje. Je neemt hen mee het steegje in en meteen deemstert het zotte geroezemoes van de chocolade-en-wafelstraat weg. Amper een paar stappen verder verrast het pittoreske tuintje zelfs de meest onverschillige bezoeker.

Een paar stappen verder verrast
het pittoreske tuintje …
Het schilderij op de affiche is van de hand van Louis Reckelbus

Een gedroomde plek om het verhaal van onze godshuizen te brengen. En raad eens waarmee de gids dan van wal steekt? Met het sociale vangnet dat we vandaag hier bij ons min of meer vanzelfsprekend vinden. Om dan zijn toehoorders mee te nemen naar ons ver verleden, een verleden waarin van sociale zekerheid geen sprake was.

Stel je even voor, je bent hulpbehoevend, zonder bestaansmiddelen, dakloos of zo. Je lot hangt helemaal af van de goedhartigheid van barmhartige stadsgenoten. Maar er is hoop, hier en daar in de stad worden woonhuisjes gebouwd voor ‘arme dutsen’ zoals jij. Soms op initiatief van beroepsverenigingen, vaak op kosten van welgestelde lieden. Noodlijdende medeburgers helpen, noem het menslievendheid. Je weldoener hoopt meteen met zijn voorbeeldige daad op een goed blaadje te staan bij de Allerhoogste, vandaar ‘godshuizen’. En als statussymbool kan het stichten van zo’n godshuis ook tellen, natuurlijk.
Is ’t ondeugend van de gids, aan te merken dat zo’n initiatief ook van nut is om het gepeupel onder de knoet te houden? Krijg je op kosten van rijkelui een dak boven je hoofd, haal je het niet in datzelfde hoofd om hun riante welstand in vraag te stellen.

De godshuizen van de schoenmakers
in de Balstraat, ja daar wel …

Dat en nog meer komen bezoekers aan de weet wanneer ze met deze stadsgids op verkenning gaan. Tenminste, tot vandaag liep het zo. Want straks mag het niet meer.
Het recente gonzen van geruchten omtrent het toerisme in onze stad is u genoegzaam bekend. Over een pak nieuwe richtlijnen heeft zowat elke Bruggeling zijn zegje.
Dat wij, gidsen, geen grote groepen meer op sleeptouw mogen nemen. En in nauwe straatjes of op bruggen niet langer halt mogen houden om ons publiek toe te spreken. Ordonnanties waar veel voor te zeggen valt.
Maar die ene maatregel, over godshuizen? Daarover blijft het onvermoed stil. En nochtans, het is ’t één en ’t ander.
Want, waarde stadsgenoten, aanhoort hier de beslissing van ons gemeentebestuur.
Straks zijn wij, gidsen, met onze volgelingen niet langer welkom in die binnentuinen. Niet in de grote tuin aan de Nieuwe Gentweg. Evenmin, ik noem maar wat, bij De Pelikaan aan de Groenerei. De godshuizen van de schoenmakers in de Balstraat, ja daar wel, maar daar huist sinds jaar en dag het Volkskundemuseum met zijn heel eigen ambiance.
Enfin, wij zijn er niet langer gewenst, in onze godshuistuinen.
Kijk, da’s dus wat ze een dilemma noemen. Want woonde ik in één van die oorden, haalde ik dan opgelucht adem? Laat die toeristen hier weg en ons, bewoners van deze oases van rust … met rust? En was ik gemeenteraadslid, dan deelde ik die visie? Maar je bent gids en het stemt je droevig.
Moraal van ’t verhaal? Zit een discussie je dwars, overweeg dan de les van Jeroen Olyslaegers. Maar ‘Zoals gewoonlijk ben ik verheugd dat we het oneens zijn’ … betrap je jezelf op tegenstrijdige meningen, dan kan je daar weinig mee aanvangen.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen | 8 Comments

Kleinburgertuin

Kunnen wij het op een akkoordje gooien? Ik verklap wat roddelnieuws en jullie beloven dat het onder ons blijft. Voilà, we verstaan mekaar.
’t Gaat over mijn baas en mijn vrouwtje. En omtrent onze tuin. Enfin, de onze maar eigenlijk vooral de mijne. Want zeg nu eens eerlijk, vrouwtje, baas, wie van ons slijt de meeste tijd in deze stadstuin? En toch, mijn huisgenoten denken daar anders over dan hun hond. En ergens versta ik dat. Honden begrijpen vaak meer dan mensen kunnen vermoeden.
Ze hebben een punt, zij waren hier eerst, mijn baas en vrouwtje kwamen hier terecht in hun eigen jonge jaren. Ik kan mij best voorstellen dat ze destijds in de wolken waren met hun woonst.

… de oude, knoestige zilverberk …

Het huis dat ze kochten was gebouwd in de vroege jaren zestig, toen in het nog redelijk pastorale Sint-Andries weiden en velden werden verkaveld dat het een lieve lust was. Veel later bezegelden baas en vrouwtje met de aankoop van dit pand in zo’n typerende buitenwijk voorgoed hun kleinburgerlijke bestaan als brave lieden die voorbeeldig uit werken gingen, alleen heel af en toe een keer iets zots deden maar voor de rest hun lening afbetaalden zoals ’t hoort.
En hun leven ging zijn gangetje. Midden een tuin die stilaan de eigenheid kreeg zoals zij die voor ogen hadden. Sta mij toe even die tuin van ons – van mij – te beschrijven, dan kunnen jullie de situatie inschatten.
Vooreerst, naar hondennormen is ‘t hier best wel ruim. Van bij het terras spurt je gezwind een heel eind het gazon op. In een boog om de oude, knoestige zilverberk heen, rakelings langs de beukenhagen, achteraan voorbij de kippenren en helemaal terug. O ja, die kippenren. Lag het aan mij, dan mochten die drie kakelaarsters genoegen nemen met veel minder tuin dan ze nu toebedeeld krijgen, maar soit.
En voorts laat het gazon zich omzomen door struiken, sierhaagjes en bloemen. Met hier en daar zomerse potten waarin ook van alles bloeit. En die dingen, waarde vrienden, die dingen liggen gevoelig.

… onze gezonde hekel
aan afgelijnde netheid.

Want je moet weten, ik ben een boxer, een jonge. En wij, jonge boxers, zijn de nozems onder de honden. Onze voorliefde voor ruige, onstuimige natuur ligt … in onze natuur. Die gaat samen met onze gezonde hekel aan afgelijnde netheid. En in deze tuin heeft dat zo zijn gevolgen. Ja, je kan hier met genoegen je poten strekken. Maar hoewel zo’n rondje de-tuin-meten doorgaans volstaat, komt het toch voor dat mijn innerlijke hond nood heeft aan nog nèt iets meer.
Kan je je inbeelden waar dat toe leidt wanneer ik, zoals gisteren, een statig bloeiende dahlia in het vizier krijg? Of wanneer een pas aangeplant perkje uitnodigt tot het graven van een putje? Nou ja, put. En als ik de inhoud van bloembakken wel eens naar mijn poot zet?Dat met die vaas op het kastje in de veranda, dat was dan weer een accidentje.
Op zo’n keren zijn vrouwtje en baas niet content. Dan hoor ik ze wel eens flauwe dingen zeggen over mij en dat stemt mij droevig. Soms begrijpen mensen minder van honden dan honden van mensen.

… jullie boxer twee weken zonder renbaan?

Enfin, laat dit volstaan om alles enigszins te duiden. Want, nu komt het, er staat iets op til. Komt een meneer langs. Ik ken hem niet, maar zoals gewoonlijk verwelkom ik hem in volle uitbundigheid. Maar algauw word ik lichtjes achterdochtig.
Want het gaat over mijn gazon waarvan baas en vrouwtje vinden dat het stilaan meer weg heeft van een hobbelige weide dan van een stadstuin. En over de meest losbandige hond van heel Brugge. Wat is mis met een weide?
Dat lossen we op na de winter, verzekert de bezoeker. Wat volgt snap ik maar half, iets ingewikkelds met uitgerolde grasmatten, maar mijn huisgenoten gaan helemaal mee in zijn verhaal.
Alleen … dat jonge gras gun je maar beter een paar weken rust, zegt de meneer en kijkt streng in mijn richting. Heb ik iets aan van hem? Maar dan spreekt hij de woorden ‘Zo’n nog losliggend grastapijt vinden honden héél verleidelijk om in te wroeten. Je houdt haar best een paar weken weg uit jullie tuin.’ Jullie tuin? De mijne, zal hij bedoelen! En tot mijn verontwaardiging zie ik baas en vrouwtje knikken. Gehoorzaam, zoals je dat verwacht van burgermensjes.
Mijn rimpelkop fronst nog meer dan anders maar dat merken ze niet. Vrouwtje, baas, jullie boxer twee weken zonder renbaan? Zonder uitlaatklep? Dit gaat over grenzen en jullie weten hoe nozems daarover denken. Dit komt niet goed.
Onze gast vertrekt en mijn huisgenoten babbelen nog wat na over wat hij voorstelt. Ik luister stil. En hoor hen iets in vraag stellen. Of ’t wel haalbaar is, hun hond twee weken zijn vrije loop afnemen. Oef, ze vinden het geen goed idee. Soms begrijpen mensen meer van honden dan je zou vermoeden.
Ik zie ze graag, mijn vrouwtje, mijn baas. En heel stilletjes weet ik, ze zien mij ook graag. Althans tot volgende zomer. Tot een eerste prille hortensia sneuvelt in mijn tuin. Pardon, onze tuin.

Posted in Het Brugge van nu, Van beesten, planten | 5 Comments

Fietsen langs de Kerkhofblommenstraat

Haar naam onthult veel, maar houdt ook één en ander achter de hand. Dat een begraafplaats vlakbij ligt, is het minste wat we bij een Kerkhofblommenstraat mogen verwachten. En ’t is waar, ons aller Lara Taveirne gaf die naam aan een pakkend boek. Een titel die ze leende bij Guido Gezelle, die ze in die roman van haar ‘de Dichter’ noemt.
Gezelle debuteerde met ‘Kerkhofblommen’, poëtische beschouwingen bij het overlijden van één van zijn leerlingen in ’t Klein Seminarie in Roeselare. Je staat behoorlijk sterk in je apathische schoenen als je onberoerd het handvol woorden van Gezelle leest zoals het zich in onze collectieve herinnering nestelde.

Een handvol dagen geleden, we fietsen langs die Kerkhofblommenstraat op weg naar vrienden van ons die er in de buurt wonen. En ineens weet ik het weer, dit is geen straat als een andere. Hoe ze met haar kenmerkende ligging wijst op de gang van ’t leven. De eindigheid ervan. Met aan je linkerhand de zwijgzame, stenen muur, waarboven dreigend smeedijzer. Daarachter, de begraafplaats. Aan de andere kant, achter oude linden, het dagdagelijkse bestaan en hoe het zich afspeelt in woonhuizen zoals dat van jou en van mij. Panden waar mensen werken, eten, slapen, vrijen, leven. Ons dagdagelijkse doen en laten, kortom.

Al waait in de kronkels van mijn gedachten alweer een andere, minder filosofische bedenking langszij. Een overweging die mijn wederhelft verbaasd laat opkijken. Wanneer ik aanmerk dat de naam van de straat, met die ‘Kerkhofblommen’, hier eigenlijk niet thuis hoort. Hoezo niet? Welja, een kerk-hof hoort bij een kerk! Dat is hier helemaal geen kerkhof, het is de stedelijke begraafplaats!

Meewarig schudt zij het hoofd, wat mij leert dat ze mijn bedenking maar wat sneu vindt. En ze verhaalt over een warme babbel die ze laatst had met een oude dame. Al enige tijd komt mijn levenslief in een woonzorgcentrum langs – vrijwilligers zijn er meer dan welkom – bij mensen die terugblikken op hun veelal lange leven. Zoals toen dat vrouwtje haar toevertrouwde hoe ze elke dag praat met haar overleden dochter.
Een mens verliest een kind, het zou niet mogen. Maar een mens leeft verder. En zoekt troost, op eigen wijze zoals elkeen. Tja, dat is nog andere koek dan de vraag of een begraafplaats wel kerkhof mag heten.
Het herinnert mij aan een schone gewoonte van mijn wederhelft. Waar we ook langs komen, is er een kerk dan gaan we er even binnen. En nooit zonder een brandend kaarsje dat ze achterlaat bij een Mariabeeld. Waarom, hoef ik niet te vragen. Wat er echt toe doet laat zich niet altijd in woorden vatten.

… de oprijlaan naar een herenhoeve …

Al zijn er die andere, schijnbaar simpele woorden die mij zullen bijblijven. Het was aan het ziekbed van onze buurvrouw. Er zijn buurvrouwen en er zijn wijze buurvrouwen. Ze wist waar ze aan toe was en had er vrede mee, besefte ik om wat ze zei, toen we het hadden over later.
Het hiernamaals, het is een mysterie’, het klonk als haar eenvoudige zelf. Meer dan haar woorden trof mij de rust waarmee zij die uitsprak. Ik zweeg. Zij zweeg.
Want wie was ik, domme twijfelaar, om haar lastig te vallen met mijn eigen gedachten. Met die woorden van Remco Campert, ‘De tijd duurt één mens lang’, waar je een avondje kan over doorbomen.

Wij fietsen verder langs de Kerkhofblommenstraat, mijn levenslief en ik. Voorbij de witgekalkte toegangspoort van de begraafplaats. Van verderop bij de Baron Ruzettelaan naar dat imposante gebouw leidt, als was het de oprijlaan naar een herenhoeve, de Brugs-Kerkhofstraat. Dat ook die straatnaam ten onrechte verwijst naar een kerk-hof, dat hou ik wijselijk voor mezelf.
Want kijk, we zijn er en we zijn welkom bij die vrienden van ons en bij de peuter des huizes. De kleine lacht ons toe zoals peuters dat doen, met in zijn grote ogen de volle goesting in het leven dat hem wacht.

Posted in Het Brugge van nu, Van boeken en schrijven, Van zin, zen en zijn | 6 Comments

Wat Wals is, vals is

Pauzeknop
’t Is om te zeggen dat uw verteller volgende week even de pauzeknop indrukt. Om de week daarna meteen weer toe te geven aan de goesting om Brugge te vatten in afficheverhalen. Maar om even te ontwennen, zegt hij zijn stad een keertje goeiedag en trekt erop uit met een handvol vrienden.
Op reis? Tenerife! Dubai, Patagonië! Ach, inmiddels kent u deze verstokte dichtbij-reiziger!


… nu en dan een toerismebeurs, hier in Brugge.

Was het destijds niet de betreurde George Harrison die de wijsheid ‘The more one travels, the less one knows’ aan de wereld toevertrouwde? George, bij de Beatles altijd al degene met het hoogste schoolmeestersgehalte, bedoelde zoiets als ‘wie thuis blijft, denkt na en wie nadenkt, blijft thuis’.
Jammer voor George, zijn gezongen goede raad verzeilde op de B-kant van een single en da’s vanouds de plek waar liedjes in de vergetelheid geraken.
Mag het verbazen dat George’s thuisblijfadvies geen zoden aan de dijk bracht en vandaag de halve mensheid al reizend dooreen krioelt?

Meer ‘elders’ dan ‘hier’
De ironie? Ouwe George dweilde met zijn muzikale kompanen de halve aardbol af, om tenslotte in het verre Indië te beseffen dat de zin der dingen ook dicht bij huis te vinden is.
Of, zoals een ander wijs mens ooit orakelde … er is overal meer ‘elders’ dan ‘hier’.
George had zoiets net zo goed kunnen overwegen, nippend aan een ochtendlijk kopje thee, uitkijkend over een broos, in nevel ontwakend dal in ons aller Henegouwen.
’t Is daar dat u uw dienaar en zijn vrienden dezer dagen treffen kan. Als u grondig zoekt, tenminste, want de schone plaats waar ons reisgezelschap neerstrijkt, houdt zich gedeisd.

Henegouwen
Op naar onze zuidelijke landgenoten, dus, die ons eerder al over de taalschreef lokten met nu en dan een toerismebeurs, hier in Brugge. En veelal met de Ardennen als lokaas. Terwijl ginder ook andere oorden rust en schoonheid herbergen. Zoals het minder tot de verbeelding sprekende Henegouwen, waar wij straks neerstrijken, in zo’n dorp waar niets te beleven valt. Het huis waar we verblijven vlijt zich aan tegen een bos, van waar het zich elke ochtend vergaapt aan het weidse uitzicht aan zijn voeten.

Pastorale eenvoud, maar altijd opnieuw keren wij terug naar die kalmteplek. Daar en in het dorpscafé, waar iedereen alleman en zelfs ons kent. Met de Saint-Feuillien in frisse glazen, bij de bordjes met worst van de lokale slachter. En met Leonardo achter de toog. De in de streek geboren en getogen Leonardo is, dat raadt u, van Italiaanse komaf. Na de oorlog vestigden zich daar in de omgeving ‘Borinage Italianen’. Mijnwerkersfamilies.

Nabij een stad die wij Bergen noemen, maar die eigenlijk Mons heet. Daar hadden ze ooit een burgemeester – Elio is ook van Mediterrane komaf – die de stoffige binnenstad van Mons opfriste zodat tien jaar geleden de wegwijzer ‘Europese Culturele Hoofdstad’ daarheen leidde.
Van bij ‘ons’ boshuis is ’t een korte rit naar Mons. Om een blonde Paix Dieu te proeven zijn er kwalijker plekken dan een terras op het schilderachtige marktplein.
U merkt, waarde lezer, ze serveren bieren van klasse, daar in Henegouwen.

Salvator Dali in Brugge
En ze pakken daar, ook tien jaar na hun Culturele Hoofdstadjaar, nog geregeld uit met spraakmakende kunst. Straks zien wij in Mons een expositie rond David Hockney. Benieuwd of ons BRUSK binnenkort ook met zo’n wereldnamen uitpakt.
En ze hebben daar iets met Vincent van Gogh. Niet zoals Brugge, waar de gevel van ons meest imposante gebouw, het belfort, zich laat ontsieren door een ridicuul spandoek dat zowaar verwijst naar Salvador Dali. Alleen omdat onder die gekleurde lap stof een winkel zich de in dit geval pretentieuze status van museum aanmeet. De band tussen Dali en Brugge? Was de grootmeester nog onder ons, dan vond hij het ongetwijfeld een smakelijk surrealistische grap.

Maar de Borinage, Vincent van Gogh woonde daar. Korte tijd, maar niet zomaar een tijd. Wel in de dagen waarin hij zijn roeping vond als kunstenaar. Dat zijn woonst in het gehucht Cuesmes zich museum noemt, daar valt wèl mee te leven.

Slogan
Fietst deze Bruggeling een paar dagen geleden door zijn stad. Zoals veelal zonder acht te slaan op straatnaambordjes – op de kasseien van Brugge Fietsstad houdt de fietser zijn ogen maar beter op hobbels en putten.
Maar die keer wel met zijn gedachten bij dit stukje dat hij schrijven wil. Om ineens te beseffen, ik rij hier langs de Waalsestraat!

Waalse? Thuisgekomen, zoekt hij wat info. ‘Waal’ of ‘wal’ verwijst naar water, schrijft Chris Weymeis. Ha ja, een walgracht, dat is ons bekend. En Albert Schouteet, die van ‘De straatnamen van Brugge’, had het over de middeleeuwse handelsroutes tussen Vlaanderen en Frankrijk.
Om bij de straatnaam fijntjes te verwijzen naar ‘Wat Wals is, vals is’. Dat zijn woorden van Jacob van Maerlant die met dat ‘Wals’ de Franse literatuur, die van ‘zijn’ dertiende eeuw bedoelde. Die vond hij maar minnetjes, vandaar. Had zodoende met ons Belgisch Wallonië niks van doen.
We kijken er naar uit, naar ons lang weekend, ginder midden de Henegouwse velden. Waar we ons nuttig maken met het bedenken van een meer flatterende slogan, voor ‘t geval de Walen nog een keer naar Brugge afzakken met een vakantiebeurs.
Met een ontkurkte Prestige van brouwerij Dubuisson bij de hand, als inspiratiebron. De karakterbieren van ginder zijn daar goed in.
Een slogan? Wat te denken van ‘Henegouwen … weet van brouwen!’?

Posted in Van toeristen, Van wielen en op weg zijn | 4 Comments

De dirigent en de dichter, het debat

Aan Roger Deruwe en Marc Braet
– en voor Lieve Deruwe –
En dan beloof je, iets te schrijven over haar vader. Eén van de komende dagen zou de onlangs overleden Roger Deruwe zijn honderdste verjaardag vieren, vertelde ze over de man aan wie muzikaal Brugge iets warms in zijn klankkleur dankt. Ze had je laten langskomen om je een map vol affiches toe te vertrouwen. Affiches omtrent orgelconcerten van haar pa en van koren die hij begeleidde als dirigent, soms een heleboel jaren na mekaar. En omdat het ene plezier het andere waard is, plande je een cursiefje bij haar vaders honderdste geboortedag.

Je bedacht iets van een verhaallijn. Over vroeger, onze kindertijd, die van haar en van mij. Weet je nog hoe hoogst uitzonderlijk het toen was, iemand die honderd mocht worden?
Je zou vertellen over het jongetje op die foto van zestig jaar geleden. Dat ventje dat met meer zelfzekerheid in de lens kijkt dan je je van hem herinnert.
Wellicht was hij die keer gewoon trots omdat hij mocht mee opstappen in de stoet die door het zondagse dorp zou trekken? Nooit eerder werd ons stille buitendorp door zo’n feeststoet in rep en roer gezet. Wij hadden dan ook alle redenen om voluit te gaan. Want hoezee, Melanie De Mey, ‘Melleke’, een vrouwtje van bij ons, was honderd geworden! Iedereen, burgemeester en pastoor voorop, was erbij om Melleke te groeten. De meester op school vertelde dat niemand wist wanneer we nog een keer zouden meemaken wat vandaag voorviel.

In onze tijd, al die vandagen later, komt een verjaardagstaart met honderd kaarsjes wel vaker voor. Muziekmens Roger Deruwe nam vrede met achtennegentig. Geen toeters en bellen, dus. Een cursiefje dan maar.
Over de prille orgelpassie die Roger te pakken kreeg in het Brugse muziekconservatorium. Nogal wat Brugse orgels herinneren zich zijn vingerspel.
Later zou Roger – naast een loopbaan als muziekleraar, onder meer in Sint-Andreas en Sint-Leo – volop inzetten op het dirigeren. Aanvankelijk bij het Renaat Veremanskoor, later voor zijn zelf opgerichte Scola Gregoriana Brugensis, waarmee hij ook in het buitenland naam zou maken.

Ingewijden benoemden Scola Gregoriana kortweg en amicaal als ‘de Scola’ en hun dirigent als ‘de Chef’. Dat leer ik van Hendrik Vanden Abeele, die zijn jaren bij het koor kleurrijk omschreef in een hartverwarmend In Memoriam bij het overlijden van zijn leermeester.
Onlangs nog zag ik op een stemmige avond Hendrik Vanden Abeele zijn eigen zanggezelschap Psallentes begeleiden in de in duisternis gehulde begijnhofkerk. Pas achteraf realiseerde ik mij van wie hij de gedrevenheid erfde die hij die avond al dirigerend aan de dag legde. De appel en de boom.
Gaat komende dinsdag Roger Deruwe’s honderdste geboortedag in stilte voorbij? De stenen die hij verlegde in het Brugse muziekwater weten beter. Enige eenvoudige belangstelling had gemogen. En ineens bedenk ik, midden ’t verzinnen van dit tekstje … Allez kom, een tentoonstelling met concertaffiches waarop zijn naam prijkt! Ach, laat maar, daartoe zijn de affiches die zijn dochter mij gunde tè bescheiden ontworpen. Zeggen ze iets over de dirigent?

Doch kijk hoe merkwaardig soms, de gang van ’t leven. Want dat van die tentoonstelling herinnert mij aan wat momenteel loopt in de Bogardenkapel bij de Stedelijke Kunstacademie. Een groepje plastische creatievelingen brengt er materiaal bijeen dat herinnert aan … een honderdste geboortedag!
Drie maanden voor Roger Deruwe hier in Brugge, zag Marc Braet in Nieuwpoort het levenslicht. Ook de geëngageerde dichter met het hart op de zeer linkse plaats haalde de honderd niet. Maar krijgt bij zijn eeuwverjaardag wèl een expositie!
Roger en Marc, ze zullen er hun eeuwige rust niet voor laten. Al besluipt mij een vaag vermoeden dat de diepgelovige dirigent en de vanouds vrijzinnige dichter bij leven over dat eeuwig rusten niet bepaald eenzelfde kijk deelden. Zoals ze wellicht op meerdere vlakken elk op hun manier in ’t leven stonden.

Maar toch … lees ik hier in wat Hendrik Vanden Abeele neerpende over zijn overleden muziekmeester en zijn visie op Gregoriaanse zang, zowat de bestaansreden van zijn Scola Gregoriana. Hoe weigerachtig Roger Deruwe stond tegenover de algemeen aanvaarde stelling dat je Gregoriaans ook ten volle kan beleven buiten zijn liturgische context.
Zo’n stelling smaakt naar enig debat?

Welnu, neem even enige afstand, waarde lezer, want wat volgt speelt zich af in het hiernamaals. Dat hiernamaals waar Roger uiteraard met volle vertrouwen heen ging. Op een keer komen ze mekaar daar tegen, de dirigent en de dichter. Tot verbazing van de eerste en groot ongeloof van de tweede, die het bestaan van zo’n eeuwig leven altijd wegwuifde. Dat Gods wegen ondoorgrondelijk zijn, Roger wist het, Marc leert het.
Hoe dan ook, die twee gaan aan de babbel. Over wat ze allemaal meemaakten, hier in het ondermaanse. Over Brugge en hoezeer ze het allebei missen. En in de kortste keren gaat het over hetgeen je verwacht van kunstenmakers.
Bekent Marc Braet dat hij Gregoriaans best wel kan smaken en kijk, Rogers ogen blinken in het hemellicht! Tot de dichter droogjes opmerkt dat zo’n gezang zijn diepgang ook buiten het geloof behoudt. Voor even maakt ginder hoog de zo geprezen eeuwige rust plaats voor gezonde opschudding. Een hemels debat! Twee heren die elk een gedegen stelling verdedigen. De ene met dragend zingende stem, de andere met militante verzen. Voor wie de eeuwigheid moet slijten met rijstpap met gouden lepeltjes, de gedroomde, welkome ambiance. Roger Deruwe en Marc Braet? Helden van hierboven!
Ziehier, mijn waarde Lieve, de knaap die iets zou bedenken over uw vader. Maar met lede ogen toekijkt nu uit zijn pen een heel ander verhaal vloeit dan verwacht. Dat komt ervan als twee gedreven kunstenaars het overnemen.

Posted in Van boeken en schrijven, Van zingen en spelen | 7 Comments

’t Indiaantje … een salut aan Johan Verminnen

Kom, laat me je meenemen, Johan, naar de Ardennen. Naar een tijd toen daar de bossen, de beken nog iets van avontuur beloofden. Toen jij die jonge zanger was met veel goesting in ’t leven en ik die nog jongere scholier met meer dromen in zijn kop dan plannen.
Die dromer en zijn vrienden, ze konden Johan Verminnen wel smaken, hij zong van die liedjes die ergens over gingen. Een plaat van Verminnen mocht ongegeneerd rondslingeren in onze kamer, ze misstond allerminst naast een langspeler van Bob Dylan of een moeilijk boek van Harry Mulisch. Kwestie van toch vooral onze vermeende goede smaak te etaleren. Er klonken schlagers genoeg op de radio, van gasten als Verminnen ging tenminste iets alternatiefs uit, van hun muziek èn van hun voorkomen. Johan Verminnens ruige haardos en nonchalante garderobe, daar kon je je mee vereenzelvigen.

Maar kom, Johan, op naar de Ardennen. Zoals die keer op een zomerse vakantieochtend toen de wereld nog jong was. Een handvol schoolkameraden stapten in Brugge op de trein, met goede moed en fietsen en al. Een week of wat op verkenning aan de Ourthe, om dan fietsend naar Brugge weer te keren. Logeren kon in een chalet van de ouders van één van ons. ’t Is te zeggen, dat was de bedoeling, een paar dagen voor afreis bleek het huisje onverwacht niet langer vrij. Geen nood, we vertrouwden op onze vindingrijkheid.
En ja hoor, we vonden een plek. In een diepe vallei nabij het gehucht Logne, een hoeve die informeel was ingericht als een soort jeugdherberg. We waren er niet alleen, er logeerde een groepje Waalse studenten. Ons timide school-Frans was net toereikend genoeg om te begrijpen dat ze er betrokken waren bij een archeologisch project in de buurt.

Dat werd duidelijk toen ze ons de volgende ochtend meenamen naar hun werkplek. Hoog boven de vallei, de dreigend sombere ruïnes van wat ooit een kasteel was, le château de Logne, door de tijd aan zijn lot overgelaten. Daar waren die jongens en meisjes dag in, dag uit in de weer met het lospeuteren van al wat los te peuteren viel. In de ondergrond, in een waterput, in nauwe, vochtige ruimtes. Archeologie, het leek ons monnikenwerk.

En wij, we hingen wat rond in de buurt, amuseerden ons zoals jongelui dat doorgaans doen. Om ’s avonds naar de oude boerderij terug te keren. Waar wij en onze Waalse vrienden beetje bij beetje elkaars vertrouwen wonnen. Er werd verteld in moeizaam Frans, en in datzelfde Frans nog veel moeizamer gediscussieerd over één en ander. Maar gezapig ging het er wel aan toe, met een troepje vlotte knapen en jongedames. De ene al vlotter dan de andere, maar dat gold ook voor ons, wat dacht je.
Ik weet nog van een goedlachse, baardige gast die graag uitweidde over het hoe en wat omtrent klassenstrijd. Dat soort gezelschap.
En er was ook het indiaantje. Zo noemden we haar. Tenminste als ze niet in de buurt was. Indiaantje, omdat ze ons met haar donkere vlechten en nog donkerder ogen liet denken aan, wel ja, een indiaantje. Maar misschien toch vooral omdat ze elk van ons met die diepe blik van haar moeiteloos wist in te palmen. Je bent jong en in vakantiestemming. Al was het indiaantje zich schijnbaar allerminst bewust van onze belangstelling en het woord ‘desillusie’ kenden we nog maar alleen van horen zeggen.
Enfin, voorts ging het die knusse avonden daar in de Ardennen over koetjes en kalfjes, al wist geen van ons hoe je dat zegt in de taal van Molière. En er was wel meer dat we niet onder woorden wisten te brengen. Wat weinig helpt als je indruk wil maken op een indiaantje dat geen Vlaams begrijpt.

Maar op een keer had iemand een platenspeler bovengehaald en een handvol platen. Eentje daarvan was ‘Elle chante na na na’ van … Johan Verminnen! Ja, ze kenden allemaal Verminnen, al klonk zijn familienaam uit hun mond onverwacht anders.
Verminnen had wat liedjes in ’t Frans opgenomen en die vonden ze best oké. Hij was dan wel de enige muzikant van bij ons van wie ze het bestaan afwisten, maar wij waren toch best trots op onze ‘Vlaamse’ zanger. Al was hij in hun ogen – niet ten onrechte – vooral Brusselaar. “Verminnen? c’est vraiment un mec cool!”, wist ’t indiaantje.

Enfin, Johan, da’s wat ik je wou vertellen en daarom nam ik je mee naar dat afgelegen gehucht in de Ardennen. Dat oord waar later het toerisme ongetwijfeld zijn zware voetafdruk zette, was in die dagen een ronduit verloren uithoek. Waar een stel jongens van hier bij ons verbroederden met een groepje naarstige studenten van een Waalse universiteit. Waar een meiske met exotische ogen stilletjes onze harten stal.
Wat er van die scholieren geworden is? Elk van ons vond zijn weg, elk de zijne. En de studenten-archeologen? ’t Indiaantje? Wie zal het zeggen. Of zij zich nog die onbeholpen Brugse jongens met hun strompelend Frans herinnert? Vergeet het maar. Maar de plaat van die Brusselaar met zijn woelhaardos en zijn schorre ‘Elle chante na na na’? Wees maar zeker, dat weet ze nog.

Posted in Het Brugge van toen, Van gitaren en drums, Van zingen en spelen | 5 Comments

Groeninge … een brusk bouwsel

Zijn doordeweekse aanwezigheid was mij inmiddels al lang vertrouwd. Lang genoeg om aan te nemen dat hij nog weinig geheimen voor me had. Tot voor een paar dagen, die onverwachte verwondering om wat ik vernam over zijn verleden. Voortaan zie ik hem met andere ogen. Met nog net iets meer achting dan voorheen.

Ja, hier bij ons voelt de Sint-Joris op zijn affiche zich al een hele tijd thuis. Samen met een handvol andere decoratieve litho’s van lang geleden kleurt zijn aanwezigheid onze leefkamer. De ridder, hoog op zijn paard in de weer met het overwinnen van de draak, kondigde in het Brugge van 1930 een ‘Tentoonstelling van Oude en toegepaste kunst‘ aan.

Een Parijse antiquair die het in handen kreeg,
zorgde voor een behouden terugkeer.

Kom je bij ons langs en toon je belangstelling voor de affiche, dan heb ik het graag over de graficus die ze maakte. Ze is van Jules Fonteyne, al ontbreekt zijn naam op het ontwerp. De plaats waar de tentoonstelling doorging overigens ook.
En ook over het campagnebeeld vertel ik, die Sint-Joris is gebaseerd op een gepolychromeerde sculptuur van zo’n vijfhonderd jaar geleden. Filips de Schone zou model hebben gestaan voor de dappere ruiter.
De makers van de expositie kregen het beeld in bruikleen van de parochiekerk van Sint-Joris ten Distel, daar wordt het al sinds mensenheugenis bewaard. Al is het op een keer, zowat een kwarteeuw geleden, spoorloos verdwenen. Gestolen. Een Parijse antiquair die het in handen kreeg, zorgde voor een behouden terugkeer.
Zo koestert de verzamelaar wel meer affiches met een markant verhaal. Maar de kleurrijke Sint-Joris ligt hem sinds kort nog net ièts nauwer aan het hart ligt. Dat kwam, u raadt het nooit, door het openingsweekend van BRUSK. Eigenlijk door de koorddanser van dat weekend, u weet wel, de onverlaat die hoog boven de stad de zwaartekracht naar zijn hand, of liever naar zijn voeten zette.

Die ochtend zijn wij samen met veel stadsgenoten op verkenning in het gloednieuwe BRUSK. Turend door één van de weidse vensterramen ontwaren wij hoog in de lucht een onooglijke stip die van toren naar toren stapt. De nonchalance van een winkelwandelaar in de Steenstraat. En terwijl de waaghals traagjes vordert, verkennen wij vanuit ons uitkijkpunt de omgeving van BRUSK. Het raam in de grote zaal verrast met een onverwacht uitzicht op het Groeningemuseum.
Groeninge dat tot voor kort bij elke tijdelijke expositie zijn befaamde vaste collectie noodgedwongen moest opbergen, bracht de stad op het idee om een nieuw tentoonstellingscomplex te bouwen. Groeninge is de moeder van BRUSK.

– foto Beeldbank Brugge –

En mijn gedachten dwalen af. Naar de tijd waarin ook het nieuwe Groeninge ongetwijfeld zo’n veelbesproken initiatief was. In Brugge vond je in die tijd kunst enkel in kerken, de kunstacademie en andere oude panden. En nu werd voor het eerst iets gebouwd dat specifiek als museum bedoeld was. Voor het ‘Stedelijk Museum voor Schilderkunst’ zou de huidige benaming ‘Groeningemuseum’ overigens pas na de oorlog gemeen goed worden.
Thuisgekomen ga ik op zoek naar wat informatie. Nogal wat Bruggelingen vonden aanvankelijk het bouwwerk allicht tè nieuwerwets voor onze stad? Maar goed dat oude, vertrouwde gevels de voorbijganger de aanblik van het moderne ding bespaarden. Groeninge? Een brusk bouwsel!

Al stond, zo leer ik, de zomer van 1930 helemaal in het teken van het gloednieuwe museum. Met als hoogtepunt, eind augustus, het bezoek van koning Albert en zijn Elisabeth.
Het inhuldigen van het museum, enkele weken eerder, de zesde juli, was meteen ook het startschot van een eerste tijdelijke tentoonstelling, lees ik in een krant uit die dagen. Tijdelijke tentoonstelling?
Stelt u zich mijn vragende blik voor. In Groeninge, de allereerste expositie? Welke dan? Was er een affiche?
Terwijl ik mij, in gedachten verzonken, die vraag stel valt mijn blik op de affiche die al zo lang naast onze boekenkast prijkt.
Zag ik dat goed? Zag ik zonet, heel even, Sint-Joris vanachter zijn hoog geheven speer naar mij knipogen?
Maar natuurlijk! Op zijn affiche, die datum! ‘Tentoonstelling van oude en toegepaste kunst’, de tentoonstelling, die ging open op 6 juli! Dat ik dat nu pas door heb, mijn affiche kondigt gewoon de allereerste expositie aan die ooit in het Groeningemuseum liep!
Al veel langer dan vandaag is Sint-Joris deel van onze woonst. Zo lang al, dat soms dagen voorbijgaan zonder dat ik hem een blik gun. Maar sinds kort zeg ik hem elke morgen goeiedag. Hij en ik, we verstaan mekaar beter dan ooit. Alleen dat knipogen van hem, dat is bij die ene keer gebleven.

Posted in Het Brugge van toen, Over affiches verzamelen, Van schilderen en plaasteren | 5 Comments

De spin … een snelle!

De spin
Uit oprechte belangstelling – enfin, eigenlijk uit doordeweekse nieuwsgierigheid – fiets ik op dinsdagavond naar ’t Zand, ’t schijnt dat ze daar voor de eerste keer de spin gaan wekken. En warempel, er zijn dranghekkens waaromheen wat volk de spinnentemmers gadeslaat die in de weer zijn bij en bovenop het nog roerloze gevaarte. Voorts ontwaar ik wat bekende gezichten. De burgemeester en een paar schepenen nemen het zekere voor het minder zekere, houden zich op veilige afstand van het beest. En persknapen aan wie de prominenten gretig uitleggen wat we inmiddels al weten.

… de spinnentemmers …
– eigen foto –

De weinig betrouwbaar ogende geleedpotige maakt zich groot, komt vervaarlijk dichtbij, gehuld in een waterwolk, toeschouwers deinzen verschrikt achteruit. Kan nog een spannend weekend worden met dat spinnetje.
En of het leeft, de komst van het heerschap naar de stad. Zeg dezer dagen ‘spin’ en elke Bruggeling die de voorbije dagen niet onder een geluiddichte stolp doorbracht pakt uit met een mening. Omtrent de aanleiding van haar komst, de opstart van het pas voltooide BRUSK. Over het parcours dat het beest aanvankelijk zou afleggen en dan weer niet. Of toch, misschien?
En over hoeveel dat allemaal kost, wat dacht je?

De traagte
Bij thuiskomst vertel ik mijn wederhelft over de spin. “Weet je nog die keer, van de olifant en het meisje?”, vraag ze. Ik weet het nog. Jaren geleden in een stad, ergens aan de Schelde. Een ander Frans gezelschap, Royal de Luxe, liet er een buitenproportionele olifant door de straten paraderen. En een reusachtig meisje dat naar de olifant op zoek ging.

– foto Pol De Wilde –

Mijn wederhelft vond het die keer bij momenten ontroerend en dat was het ook. Dat en het langzame van toen zijn mij bijgebleven. Die olifant, het meisje en hun plechtstatig schrijden door de stad, in een ontwapenende traagheid. Een ‘traagte’, ik hoop dat het woord bestaat. Zoals diepte of warmte. Traagte.
Of de spin straks ook voor ontroering zorgt valt nog te bezien. Te betwijfelen? En traagte?

Echte spinnen zijn doorgaans, eenmaal in beweging, schichtig snel. Om zich uit de voeten, de poten, te maken, of om een in hun web verstrikte vlieg te bekampen.
Doe mij maar traagte. En niet enkel bij mechanische reuzenbeesten.
Al ligt in deze tijden traagte niet zo goed in de markt. Snel moet het gaan, vooruit met de geit!
Beseffen wij hoezeer we klem zitten in onze illusie van snelheid? Over onze ‘snel-wegen’ haasten we ons van file naar file. Om dan stil te staan als was het een onontkoombaar lot. Maar bewust kiezen voor traagte? Voor het onvolprezen te voet gaan?
Weet u, er is een wereldrecordhouder ‘surplace’. De Amerikaan David Steed zat ergens in de jaren tachtig precies vierentwintig uur en zes minuten roerloos stil op zijn fiets. Ooit nog iets vernomen over David? Over Tadej en Remco, ja!
Er is een sport die ‘snelwandelen’ heet. En traagwandelen, zou het?

Maaike
Laat dit een pleidooi wezen. Ter opwaardering van traagte, jongste der troetelwoorden.
In verkeersinformatie, vooreerst. ‘Maximum snelheid vijftig kilometer’ … En wat als we hier het woord ‘snelheid’ vervangen door ‘traagte’?
Momentje, tijd voor een doordenkertje. Want ‘maximum traagte’, daar schort wat aan.
Hoe groter onze traagte, hoe trager we rijden, toch? Dus het equivalent van ‘maximum snelheid’ is … ‘minimum traagte’. Hebt u hem?
In onze wijk, u mag er dertig rijden, komen straks borden met ‘minimum traagte dertig kilometer’.  Het went, geloof me.
U leest hoofdschuddend verder? Nochtans, wij vertoeven in goed gezelschap. Niet langer dan vorige week hoor ik ons aller Maaike Cafmeyer wijze woorden spreken op een avond met verwante zielen rond het repertoire van Willem Vermandere.

Maaike zong er Willems ‘Blanche en z’n peird’ en noemde het oude lied … een ode aan de traagheid. Over het woord ‘traagte’ moet ik haar nog inlichten, maar dat komt goed.

Een schone madam
En nu we er met Willem onze regionale woordenschat bij halen, ook nog iets over de Brugse feestelijkheden van komend weekend. Als wij het West-Vlaams zijn verdiende plaats als oertaal gunnen, dan heeft ‘de spin’ afgedaan. We hebben het over, u hoort mij al komen, de kobbe.
En ‘snel’, het woord? Dat komt ons ook nog van pas. Want zo’n jachtige spin noemen West-Vlamingen dan wel geen snelle maar een rappe, maar over een schone madam, wat zeggen we daarover? “’t is een … !”

Posted in Het Brugge van nu, Van beesten, planten, Van feesten en vieren, Van stoeten en processies, Van wielen en op weg zijn | 4 Comments

BierMonumentenWeekend

Uw eerste fiets. Eerste hondje, eerste sigaret, eerste kus … We hoeven het u amper uit te leggen, sommige momenten zijn monumenten. Het soort waarnaar het evenwel vergeefs zoeken is in folders van Open Monumentenweekends zoals er laatst weer eentje in mijn brievenbus viel.
Zo’n brochures gaan doorgaans over in de tijd versteende monumenten.
De warme, soms heimelijke herinneringen die u en ik koesteren, monumenten in ons dagdagelijks bestaan, horen niet in dat soort publicaties, daarvoor zijn ze ons tè dierbaar.
Een weekend …
Al licht een stad als Brugge op zijn monumentenfeest soms onverwacht ook een keer een tip van een discrete sluier op. Hoe vaak krijgt een mens de kans om een voet binnen te zetten in de tempel van de Vrijmetselaarsloge aan de Sleutelbrug?

Elders in de stad pronkt een privépand voor één keer met zijn authentieke Art Nouveau-charme. En ook achter de steevast zorgvuldig gesloten poort van het Europacollege aan de Verversdijk kunnen we ditmaal op verkenning.
Doch ziet, er doemt zowaar een probleem op. Want Open Monumentenweekend, al goed en wel maar er is tegelijk twee dagen lang het Bierfestival. ’t Is dat we naast onze passie voor oude panden ook ons alom befaamde gerstenat koesteren. Hoogst oneerlijk, hoe u en ik worden gestraft om zoveel ruimdenkendheid. En daarom zochten wij naar een uitweg uit dit dilemma. Die uitweg vonden wij een weekendje verderop. Al moeten we toegeven, ook dat is volgeladen met van alles en nog wat.

Een weekend verderop
Vooreerst is er dan autovrije zondag. En ze gaan met veel tamtam het lint doorknippen van ons gloednieuwe BRUSK-museum. En, hou u vast aan uw bretellen, dat weekend is er braderie in de Langestraat en omgeving èn Sint-Kruis Kermis.
Maar toch, die zaterdag en zondag verder op de kalender bieden loutering. U en ik hoeven niet langer wakker te liggen van de verscheurende keuze waar wij in de komende paar dagen voor staan, tussen Open Monumenten en Bierfestival.
Want, waarde meerwaardezoeker, wat lezen wij zopas in weer een andere folder? Dat ze in Sint-Kruis tijdens hun kermis uitpakken met een tentoonstelling ‘Van ’t Hamerken tot De Gouden Boom’, over de legendarische brouwerij in de buurt van Langestraat en Verbrand Nieuwland. Dit weekend laten wij dus het bierfestival voor wat het is en laven ons met gerust gemoed aan een veelheid aan open monumenten,

… in de buurt van Langestraat en Verbrand Nieuwland.

uitkijkend naar, een week verder, een expositie als opwaardering van onze bierkunde. We treffen mekaar wel op één of ander terras op Sint-Kruis Kermis of ergens in de Langestraat. Waar zonder twijfel het nodige schuimend genot op ons wacht. Misschien zetten we een Gouden Boompje op over ‘beschermde monumenten’ in dat leven van u en van mij. De eerste pint, ik noem maar wat. Wat ons bij de vraag brengt of we wel met al onze monumenten kunnen pronken.
Herinnert u zich uw eerste kater?

Omtrent ‘Van ’t Hamerken tot Gouden Boom’, tentoonstelling die loopt in het weekend van 20 en 21 september: https://www.heemkundebrugsommeland.be/komende-activiteiten/kermisexpo-2025-van-t-hamerken-tot-de-gouden-boom

Posted in Het Brugge van nu, Van feesten en vieren, Van proeven en smaken | 1 Comment