Gepost in Zonder categorie, voorlopig | Plaats een reactie

‘De ontdekking van de hemel’ door Pieter Aspe …

… een boekbespreking?

Hoe zal ik je aanspreken, als Pierre of als Pieter? ‘k Wou je hoe dan ook melden dat ik, bladerend door de honderden bladzijden van  het dikke boek, die ene alinea terugvond. Ik wou je erover vertellen. Het is geen sleutelmoment in ‘De ontdekking van de hemel’, het grootse verhaal van Harry Mulisch, maar toch zijn die paar woorden me bijgebleven. ’t Is wanneer het hoofdpersonage voor het eerst langs komt op de flat van een vriend …

‘Ontmaskerd’, een Aspe-marathon in 2002, in het gloednieuwe Concertgebouw, met verschillende Brugse toneelgroepen op het podium.

Het was er eerder vol, met boeken en mappen, ook op de grond en op de kleine vleugelpiano. Maar nooit lag een groter boek op een kleiner, of een map op een boek, niets leek ergens anders te kunnen liggen – als op een schilderij.’

‘Nooit lag een groter boek op een kleiner’ … dat één zo’n detail uit een lijvige roman me bijblijft. Omdat het, in dit ene geval, iets zegt over de lezer. Iets waarin hij zichzelf herkent.
’t Schijnt dat in elk van ons iets autistisch schuilt. Dat is, wat mij betreft, de amper te weerstane drang om, waar pakweg op een salontafel een klein boekje onder een groter ligt, dat op te lossen. Door, jawel, volstrekt belachelijk, de twee boeken van plaats te wisselen. Boeken, daar sol je niet mee. O ja, ze bestaan ook digitaal en da’s handig, ik weet het. Maar in mij denken roept ‘boek’ toch het beeld op van wat op papier is gedrukt. Je zal me bijtreden, Pieter, we zijn generatiegenoten. Dat wàren we, want jij bent er niet meer.

Wij hebben elkaar nooit gesproken. Al kwamen we mekaar wel een keer tegen op straat of ergens in de nabijheid van een toog. In het boek-en-koffiehuis in de Sint-Jacobsstraat, dat je een tijdlang deelde met Marec, kwam ik één keer langs, maar je was er niet. Misschien hadden we ’t anders wel over de eerste keer dat onze paden mekaar kruisten. ’t Waren de laatste maanden die ik doorbracht in de Brugse school waar ik aan ’t worden was wie ik ben. Op de speelplaats stapte een jongeman het bordes op naar één van de oude gebouwen. ‘Da’s dien Aspeslag, die nieuwen van ’t secretariaat!
Er gingen jaren voorbij, tot ‘Het vierkant van de wraak’. Het boek ging over de tong in Brugge, het speelde zich hier af. En de auteur was van hier. Hij begon te schrijven na twaalf stielen en zo. Was zelfs ooit even ‘studiemeester’. Ha, diè Aspeslag dus!

ASPEcten … in de zomer van 2003 pikt Brugge met een themawandeling een Aspe-graantje mee …

Er zijn veel boeken geschreven en gelezen, sindsdien. Dat doe ik hier niet uit de doeken, dat doen anderen wel op andere plekken. Maar in de toekomst breng ik je nog wel ter sprake, wanneer ik weer met bezoekers door Brugge wandel. In de winkelpassage tussen de Burg en de Wollestraat wijs ik dan op de achtergevel van de Heiligbloedkapel. Waar de jonge Pierre Aspeslag zich als conciërge verveelde en dan maar begon te schrijven.
Je stad zorgt verder voor zichzelf, wees maar gerust, Pieter. En de manier waarop hij dat doet, daar zal jij je verder blijven aan ergeren. Ergens ginder, wie weet waar. Misschien, Harry Mulisch indachtig, ontdek je de hemel. Je was geen heilige, maar als hij bestaat, die hemel, dan hoop ik toch dat je er komt. Omdat ik in dat geval ook nog een kansje maak. We vinden mekaar dan wel.
In afwachting lees ik vast nog wel een keer een boek van jou, beloofd.

Gepost in Het Brugge van nu, Over toneel, Van boeken en schrijven | 2 reacties

Boudewijn De Groot en Peter Slabbynck

Mijn kop thee schrok van de nadruk waarmee ik ‘m neerzette op de ontbijttafel. Bij wat ik las in de krant naast mijn kom muesli ontbrak het uitroepteken. Boudewijn De Groot laat weten dat hij nooit meer optreedt, zoiets schrijf je niet zonder uitroepteken, toch? Boudewijn wordt straks 76, stond erbij en dat mag dan een leeftijd zijn waarop een mens het wat rustiger doet, maar toch. Later op de ochtend, op de radio, Na tweeëntwintig jaren in het leven maak ik het testament op van mijn jeugd …’ Boudewijn De Groot! De bladzijde die hij omslaat is er een uit je eigen leven.

Die voormiddag fietste ik naar ’t stad, voor ‘Ik was 18 in ’80’, de tentoonstelling die Peter Slabbynck met wat vrienden heeft opgebouwd in het stadsarchief. Eén van die vrienden is archivaris Jan D’hondt en daar zit een verhaal aan vast. Ze bedachten een expositie rond hun eigen jonge dagen. Dagen toen hier in Brugge Red Zebra en ander jong geweld het muzieklandschap op zijn kop zette. En Red Zebra, dat was het groepje waarin Peter de micro mishandelde en Jan de basgitaar. De late jaren zeventig, vroege eighties. Punktijden! Als bij één soort muziek een uitroepteken hoort, dan wel hierbij!

Aardige expositie, wat te zien is mag gezien worden en is goed voor meer dan één glimlach, herkenning alom. Maar bij ondergetekende is dat tijdsbeeld goed voor een even merkwaardige als eigen herinnering. Achttien in tachtig? Deze jongen was een handvol jaren ouder en ineens vertelde de radio hem dat hij geen jonkie meer was. Wat die snotapen van muzikanten speelden en meer nog wat ze vertelden, het zette hem danig op zijn plaats. Want ineens bleken al die muziekhelden van mijn lichting bol te staan van pretentie en hoogdravendheid. Simon & Garfunkel? Joan Baez en Boudewijn De Groot? Weg, ouwe knarren! Ja maar, wacht eens even, da’s wel mijn muziek, hé! Ik weet nog dat ik toen voor ’t eerst wist, ofwel ben je jong ofwel volwassen, de twee samen gaan niet.

Thuis gekomen heb ik een vroege plaat van The Eagles opgelegd. Die tentoonstelling in ’t archief roept dan wel luidkeels ‘I can’t live in a living room’ maar die living van mij laat zich aardig vullen met troostende meerstemmigheid. En zeg nu zelf, Peter, je bent zelf ook al lang geen jonge snaak meer. Oud genoeg om te weten dat een mens, ondanks zo’n zaaltje vol foto’s en memorabele spullen, ’t meest waardevolle voor zichzelf houdt … dixit Boudewijn De Groot … ‘Verder niets, er zijn alleen nog een paar dingen die ik houd omdat geen mens er iets aan heeft. Dat zijn mijn goede jeugdherinneringen, die neem je mee zolang je verder leeft.’

Gepost in Het Brugge van nu, Van gitaren en drums, Van zingen en spelen | 6 reacties

Margareta’s verjaardag …

Het vereiste lang, grondig en onbevangen onderzoek. Vandaag presenteren wij dan ook met niet geringe trots het resultaat van onze studie. Ondergetekende, bescheiden amateur-geschiedkundige, vraagt een stonde van uw kostbare tijd. Want de kunstgeschiedenis hoeft dan wel niet herschreven te worden, onze bevindingen werpen wel een heel nieuw licht op één van de grootste mysteries uit het verhaal van de Westerse kunst.
Een Brugse afficheverzameling, daar moét wel een map te vinden zijn waarin “Vlaamse Primitieven” een rol spelen. Ook al is die benaming, “Vlaamse Primitieven”, volgens sommigen inmiddels achterhaald. De term zou pas in de jaren achttienhonderd zijn bedacht, in de tijd toen de kunstgeschiedenis in vakjes werd onderverdeeld. Althans, dat beweren kunsthistorici en andere schilderijgeleerden. Zogenaamde kenners, maar ik zeg u: ze vertellen onzin!
Want ze zijn er niet bij, die avond waarop Jan van Eyck en zijn Margareta de collega’s van de grote schilder inviteren bij hen thuis. ’t Is voor Margareta’s verjaardag, haar drieëndertigste.
De genodigden zien dat allemaal zitten, ’t is steevast goed toeven bij Jan en Margareta in hun riante pand in de Sint-Gillis Nieuwstraete, die we vandaag Gouden Handstraat noemen. De gastvrouw verjaart pas zondag, maar de gasten zijn al een paar dagen eerder naar Brugge afgezakt. Sommigen komen van een heel eind en dus stelden de schilder en zijn eega voor om er meteen maar een weekendje van te maken.
Die vrijdagavond is goed voor een nachtje doorzakken in Jan’s ‘mancave‘ van waar je uitkijkt op de Gouden Handrei. Daar komen nogal wat roemers wijn aan te pas. Wijn uit de Moezelvallei, in die tijd de meest gewaardeerde wijnstreek, langs het Zwin aangevoerd door Keulse kooplui.

Van uit Jan’s mancave keek je uit op de Gouden Handrei …

Jan’s toonaangevende tijdgenoten zijn allemaal present: meester Rogier van der Weyden, de grote Robert Campin, nestor van ’t gezelschap, de  jonge Dirk Bouts en nog een paar anderen. Jan’s voorstel om een schildersclubje op te richten wordt onthaald op klinkende glazen. Waarna oeverloos wordt gezwansd over een clubnaam. Iemand bedenkt het nogal pretentieuze “Art Nouveau”. Hoongelach! “Impressionisten”, probeert Dirk Bouts in jeugdige overmoed en ze liggen zowat onder tafel van ‘t lachen. Zo passeren nog een paar voorstellen, het ene nóg absurder dan het andere, wanneer Margareta haar entree maakt met haar alom geprezen kaastaart.
Waarop Rogier van der Weyden haar vraagt of zij soms een idee heeft voor een naam. Terwijl ze de romige delicatesse een plaats geeft tussen roemers en baardmankruiken, knipoogt ze: “Zeg mannen, als ge dan toch zo onnozel wilt doen, kunt ge uzelf net zo goed Vlaamse Primitieven noemen!
Maar dat is ‘t!”, juicht Robert Campin, “Geniaal, vrouwe Margareta! En het staat zo goed op affiches!”.
’s Morgens worden de heren wakker met een kater en Jan moet dat portret van zijn Margaretha nog afmaken, het verjaardagscadeau dat hij voor haar heeft bedacht. En zo raakt een verslag van die avond op de lange baan.
Maar toch: zo is het gebeurd.

Gepost in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van schilderen en plaasteren | 7 reacties

De lifters … een sprookje?

Zo vaak zie je ze niet meer, lifters langs de straat. ’t Was in de vooravond, op de stille landweg stonden ze, met z’n twee. Ik hield halt en vroeg waar ze heen wilden. “Naar het dorp verderop!”, klonk het vrolijk bij het meisje dat al meteen de jongen aan haar zij in de auto meetrok. Wat hen daarheen bracht, wou ik weten en hun antwoord verraste mij danig. Het meisje klonk alsof ze het zong: “Ik ben Zingen en dit is mijn vriend Dansen … Wij zijn werkwoorden!

’t Leerhuys in Groeninge herdenkt in 1975 de honderdste verjaardag van sprookjesverteller Hans Christian Andersen

Werkwoorden?” “Welja, we zijn samen op weg naar een bijeenkomst van de werkwoorden, in het Woordenhuis.” De jongen, die dus Dansen bleek te heten, nam nu het woord, trefzeker en duidelijk. “Het zit zo, wij, werkwoorden, komen heel af en toe bij elkaar om te bespreken hoe mensen ons aan bod laten komen. En sommigen onder ons vinden dat de negatieve werkwoorden tegenwoordig te veel aandacht krijgen. Daarover gaat het, vanavond.”
Weet je wat”, zei het meisje dat Zingen heette, “als je wil, kom je gewoon mee, dan zie je hoe het er bij ons aan toe gaat!” Dat vond haar vriend Dansen een goed idee. En zo kwam het dat ik die avond een bijeenkomst meemaakte van de werkwoorden.
De zaal was een pak groter dan ik verwachtte en zat afgeladen vol “Alle vaak gebruikte werkwoorden zijn er!” kreeg ik nog mee van Dansen, de jongen. Een vriendelijke heer ging het kleine podium op. “Dat is Ontmoeten, één van de positieve werkwoorden.”, wist Zingen. Ontmoeten legde uit wat volgens hem het probleem was. De mensen  nemen te weinig positieve werkwoorden in de mond, daar kwam het op neer. Zijn pleidooi was afgerond, het was de beurt aan een schriel mannetje “Profiteren, van de tegenpartij!”, wist Zingen. Profiteren vond dat Ontmoeten profiteerde van zijn status en dat alle werkwoorden hun waarde hebben, ook de negatieve. Een vinger ging de lucht in. Het meisje Twijfelen merkte op dat ze vreesde dat noch het ene, noch het andere standpunt haar kon overtuigen. En dan eiste een gewichtig personage het podium op. “Hola, Nuanceren gaat spreken, de vertegenwoordiger van de gewichtige werkwoorden!”, waarschuwde Dansen. De man, die er uit zag als een professor, communiceerde zoals dat paste bij zijn status, wierp af en toe een blik de zaal in, loerend over zijn brilletje. Niet iedereen begreep zijn redenering. Wat volgde was een geroezemoes waarbij alle werkwoorden dooreen begonnen te praten.

Winter 1979-1980 … voordrachten over sprookjes … in het Brugse Europacollege. Met prominente namen als filosoof-theoloog Max Wildiers en Hendrik Brugmans, ere-rector van het college.

Dat loopt hier straks helemaal in ’t honderd …”, zuchtte Dansen, die duidelijk moeite had met wanorde. Tot een man met warme stem de aandacht vroeg. “Oef, dat is Vertegenwoordigen, een verstandig werkwoord”, zei Zingen, nog voor ik ernaar vroeg. Vertegenwoordigen vroeg zich af, wie van de aanwezigen bij de mensen zou kunnen pleiten voor meer positieve werkwoorden. En toen stapte aarzelend een fragiel ogend, wat schuchter vrouwtje naar de micro. Wie is dat, wou ik weten. “Het verbaast mij dat Fluisteren zich in het debat mengt!”, vertelde het meisje aan mijn zijde. Fluisteren praatte zo stil dat iedereen de oren spitste, allen wilden horen wat Fluisteren te vertellen had. En dat het dametje iets te vertellen had was algauw duidelijk.
Zij merkte op dat er, naast negatieve en positieve, ook wijze werkwoorden bestaan. En toen stelde ze voor, om haar vriendin naar de mensen te zenden, om hun gesprekken bij te sturen. “En wie is die vriendin van jou dan wel?” vroeg op smalende toon Onderbreken, onmiskenbaar één van de negatieve partij.
Dat is Luisteren.”, klonk het antwoord, kalm maar zelfverzekerd. “Luisteren is een werkwoord waar we nood aan hebben. Zij is goed geplaatst om de mensen te overtuigen van een nieuwe manier van praten met elkaar.Luisteren werd naar voor geroepen. In weinig woorden, zoals je dat van zo’n werkwoord verwacht, vertelde zij dat ze de opdracht graag aanvaardde. Heel even kon je een speld horen vallen. En toen brak in de zaal een applaus los dat je niet meteen had verwacht.
Ontmoeten, die het debat had geopend, kondigde het einde van het overleg aan en de zaal liep stilaan leeg. Ik nam afscheid van Zingen en Dansen, die nog wat bleven napraten, en reed door het donker naar huis.
Thuis heb ik die avond weinig gezegd. “Je bent zo stil vanavond …”, merkte mijn vrouw op. “Ik luister liever naar wat jij vertelt.”, antwoordde ik en gaf haar een zoen.

Gepost in Van boeken en schrijven, Van zin, zen en zijn | 5 reacties

Een park, een koppel …

Trouwen in het Minnewaterpark? Laatst kwam het ter sprake in de gemeenteraad. Maar tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren, weten we sinds Elschot. Al gaat het in dit geval enkel om die praktische bezwaren, wettelijk kan en mag het …
In Oostende, Poperinge en Menen kan het al. Brugge?

Er was, redelijk wat jaren geleden, ergens in een oude stad een nieuw aangelegd park. En er was ook een knaap en een meiske die mekaar graag zagen. We vertellen over de tijd, toen van stelletjes die mekaar graag zagen, verwacht werd dat ze trouwden. Zo hoorde dat. En ja, op een keer besloten ze, werk te maken van dat trouwen. Ze zochten een feestzaal, een feest zonder zaal leek hen maar niks. En een pastoor moest er ook bij. Ook dat hoorde zo. En een fotograaf. Ze kenden iemand die iemand kende die met foto’s in de weer was. En die kende een plek in de stad die geschikt leek voor schone prentjes. Het park was heel nieuw, maar wel al fraai aangelegd, vertelde die fotomens.

En zo kwam het dat je op een dag een bruid en een bruidegom met hun fotomaker in het Minnewaterpark aantrof. Zoals je dat van zo’n park verwacht waren er gras en bloemen en bomen. En tussen die bomen een pleintje waarvan de betegeling een schaakbord voorstelde. Wat zeg ik? Een reuzenschaakbord! Het leek wel een dansvloer, met een handvol tafeltjes er omheen. Elk tafeltje was op zijn beurt een schaakbord, met twee zitjes voor de spelers. Of, waarom niet, voor een koppeltje.
Wat is veranderd sinds die middag, toen? Het park is nog altijd park. De prille bomen van toen zijn hoger en struiser geworden en de struikjes struiken. En in zomertijden bloeien andere bloemen in andere perken. Maar het grote schaakbord en die tafeltjes eromheen bleven onaangeroerd.

In een stilaan vergeeld fotoalbum vind ik een jongen en een meisje die mekaar verliefd aankijken. Wat is van dat jonge koppel terecht gekomen? Wel, jong is het niet meer maar wel nog koppel. En later keerden ze nog af en toe naar het Minnewaterpark terug. Voor ‘Feest in ’t Park’ dat met zijn muziek en kraampjes het begin van elke Brugse zomer inluidt. En enkele weekends later palmt het Cactusfestival het park in. Van dat festival en van ‘Feest in ’t Park’ was nog lang geen sprake toen ze trouwden. Maar da’s dan ook al iets meer dan veertig zomers geleden.
En misschien is voor hen nog wel een reden te verzinnen om er nog eens langs te gaan. Want nu de jongen van toen dit hier zit op te schrijven, vraagt hij zich iets af. Of ’t niet leuk zou zijn om die foto van weleer een keer te hernemen? Hij zal het voorstellen aan het meiske van toen. Al zouden ze er best niet te lang meer mee wachten, vernam hij laatst. Want die van ‘t stad heeft plannen met het park. Ze gaan het helemaal herinrichten. En wat zal sneuvelen? Het schaakbord met zijn tafeltjes eromheen. Ze zullen vergeten worden. Of niet? In een oud album blijft in lengten van jaren een foto bewaard. Het bewijs van het bestaan van die tafeltjes. En van een jongen en een meiske die mekaar graag zagen. Zien.

Gepost in Het Brugge van nu, Van 't Cactusfestival, Van Feest in 't Park | 8 reacties

De Ronde van Brugge

“Hebt ge ’t gehoord, Breydel, ’t schijnt dat volgend jaar de start van de Ronde van Vlaanderen weer hier rond ons standbeeld doorgaat!”
“Ja maar Pieter, da’s nog bijlange niet zeker, man! ’t Is nu al vijf jaar dat ze met heel dat spel naar Antwerpen verhuisden. Die overeenkomst tussen de gasten van de koers en die van Antwerpen loopt op zijn eind, maar ze gaan daar nog ferm over bakkeleien! Ge kunt u inbeelden dat ze in Antwerpen ’t been stijf gaan houden! En trouwens, ge krijgt dat niet zomaar cadeau, zo’n start, dat kost munten, véél munten!”

“En toch, Jan, ’t heeft wel iets, al die coureurs en heel die troep supporters hier op de Markt! Ge zijt toch ook een sportzot, ge maakt me niet wijs dat ge daar niet van genoot! Trouwens, ik herinner mij hoe trots ge waart, toen ze destijds elke zomer die marathon organiseerden!”
“Ja, waar is de tijd. Hoe zat dat ook weer, met die marathon?”
“Allez, Jan Breydel, ge weet dat toch nog? ’t Was in het jaar onzes heren 1987, gij en ik stonden honderd jaar hier op de markt. Dat vierden ze met van alles en nog wat. Met die marathon, ook,  van Kortrijk naar Brugge.
“Ja, nu ge ’t zegt, ze hebben dat dan nog jaren aan een stuk gedaan, elke zomer! Dus ja, ge hebt gelijk, voor mij mogen ze die koers weer hier in Brugge laten beginnen!”
“Het was, herinner ik mij, in 1998 dat de coureurs hier de eerste keer vertrokken. Het jaar daarvoor had Marec het precies al zien aankomen, hij heeft ons toen al op een affiche gezet met elk een velo!”
“Dat zie ik nog voor me! ‘k Weet nog dat we amper wisten wat hij ons in de handen stopte, in onzen tijd waren er nog geen velo’s!”

“Weet ge wat, eigenlijk zou ’t maar normaal zijn dat de Ronde weer hier begint! Wat hebben die van Antwerpen met die Vlaamse klassieker te maken? West-Vlaanderen en Oost-Vlaanderen hebben niet zomaar hun naam gekregen! Samen waren ze ‘t Graafschap Vlaanderen, en Antwerpen, dat ligt aan de overkant van de Schelde, de Brabantse kant!”
“Ha ja, als ge ’t zo bekijkt! Maar ze zeggen nu dat Brugge en die van aan de Schelde om ’t jaar de start zouden krijgen?”
“’De enigen die de Ronde mogen binnen halen, volgens mij zijn dat Brugge of Gent! Dàt zijn Vlaamse steden! Zeg dat Pieter de Coninck het gezegd heeft!

“Amai, hoort hem! Maar die Gentenaars, dat waren in 1302 op onze Guldensporenslag toch ook niet onze meest fervente bondgenoten? Wij, Bruggelingen, riskeerden met honderden ons leven, de Gentenaars waren met drie man en een paardenkop!
Breydel, maat, ge moet zelf ook zo hoog van uwe sokkel niet blazen, hé! Zo’n held waart gij indertijd ook niet op ’t slagveld! Er zijn er vandaag zelfs die betwijfelen of ge wel echt hebt meegevochten!”
“Let een beetje op uw woorden, hé, ventje! ‘k Ben een kop groter dan gij, ‘k geef u een stampke en ge ligt ginder bij de frietkotjes!
“Rustig, Jan, rustig, ’t was een graptje, hé! Trouwens, ge moogt niet klagen, gij. Ge staat hier op de Markt te pronken èn ge hebt een voetbalstadion dat uw naam kreeg!
À propos, hoe zit het daar eigenlijk mee, met die affaire rond dat nieuw stadion?”
“Ach, zwijgt, jong, daar gaan we nu niet over beginnen, hé! Kom, we gaan naar de koers kijken!

Gepost in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van sport in 't algemeen | 6 reacties

Het dichtste café

Met cafés is het zoals met mensen. Sommige zijn pretentieus aangekleed en andere doordeweeks. Je vindt er van het opzichtige soort en er zijn er die gewoontjes in de rij staan. En zoals wij, mensen, dragen ook herbergen wel eens een heel eigen stempel. Al kan zo’n stempel in de loop van de jaren behoorlijk worden bijgekleurd.
Uit mijn schooltijd herinner ik mij een laag, witgekalkt geveltje op ’t Zand. In ’t Putje ging je een potje biljarten, in een sfeertje van ons-kent-ons. Dat geveltje is er nog altijd. Maar de tapbiljart, die is weg. Het pand is vandaag deel van hotel-restaurant ’t Putje, een deftige dame om U-met-hoofdletter tegen te zeggen.

En er is nóg een Putje, op Sint-Andries. Of liever, daar wàs een Putje. Sinds een paar weken is dat cafeetje dicht. Dat zijn alle cafés in deze benarde dagen, maar ’t Putje gaat nooit meer open. Tegen de cementgrijze gevel hangt een blauwzwart spandoek en daar staat het allemaal op. “Aan al onze klanten & de harde kern van Club Brugge, bedankt voor de mooie jaren, we zullen jullie missen”. “Slik”, dat staat er net niet bij.

We hadden het net over stempels, wel dat was nu een keer een drankgelegenheid met een kanjer van een stempel, zie! Want dat van die harde kern, daar is geen spandoekletter van overdreven. Al wie op zondagmiddag wel eens langs de Gistelse Steenweg passeerde, kent het schouwspel. Club speelt straks thuis en aan ’t Putje staat volk. Zoveel volk dat dranghekkens de rijweg behoeden voor de meute blauwzwarte voetbalzotten die vrolijk de hele stoep èn het fietspad bij hun stamcafé inlijven. Die harde kern, dus.

En ja, lieden van minder welwillende aard fronsen nu de wenkbrauwen. Want was het niet dàt cafeetje dat een handvol jaren geleden een paar keer werd gesloten op aangeven van de toenmalige burgemeester? ’t Moet zijn dat een verliesmatch wel een keer aanleiding gaf tot een onredelijke tackle tegenover een ongelukkige voorbijganger. Of meende een klant met een pintje teveel op dat een geparkeerde auto buitenspel stond? Dus ja, ’t is waar, het café kreeg een rode kaart van de burgemeester en die had daar wellicht redenen toe.

Voetbaltempeltje als de gelegenheid zich voordeed, volkskroeg op alle andere dagen. Alleman welkom, ook. Als ik ’t goed heb, wat soms voorvalt, hing je er op rustige stonden wel een keer aan de toog met buurtbewoner Jean Blaute. Bierkenner en brave mens. Om maar te zeggen, dat van die forse voetbalhistories is maar een deel van ’t plaatje.
Maar nu is ’t dus gedaan met ’t Putje. En wat komt in de plaats van het wat afgeleefde pand? Appartementen, liet ik mij vertellen. Ze zullen de buurt opwaarderen, heet dat dan. Een imago kan worden bijgekleurd, zoals eerder gemeld. En wat met de klanten-voetbalzotten? Waaraan kunnen die straks hun centen kwijt? Tot voor een paar dagen had ik hen gezegd, gij kunt ook uw imago opwaarderen, koop een beursaandeel van uw voetbalploeg! Maar die vlieger gaat niet op, hoor ik nu.
Sint-Andries is een volkscafé armer. Sprak deze knaap die er zichzelf op betrapt dat hij er nooit over de vloer kwam. Schaam je, buurtbewoner! Nochtans was van alle cafés deze het dichtst bij je woonst. ’t Is waar, dezer dagen zijn alle drankgelegenheden dicht. Maar ’t Putje is gesloten, voor altijd. Van alle dichte cafés in je buurt is dit, in meer dan één betekenis, het dichtste.

Gepost in Het Brugge van nu, Van Brugs voetbal, Van sport in 't algemeen | 1 reactie

Roger Raveel en zijn nichtje, Delphine Lecompte

Sinds we braaf bij de kachel zitten in plaats van op café, verzin ik soms wat woorden die samen gedichtje spelen. In deze thuistijden moet een mens ièts ondernemen om zijn bestaan te verantwoorden. En soms komen mijn verzonnen woorden redelijk goed overeen. De betere rijmelarij, zoiets. En waarom ik die ontboezemingen van mij wel eens loslaat op Facebook? Tja, noem het naïef tegengas tegen alle venijn waarmee dat netwerk zich inlaat. En mocht ik het daar niet zetten, niemand zou het ooit lezen, ’t zou ook wat zijn.

Laatst had ik er pas iets nieuws opgezet en de belangstelling voor het kleinood overtrof meteen mijn verwachtingen. Wat een mens zijn ijdelheid streelt. Heel even toch. Want algauw snap je dat niet zozeer je schrijfsel, dan wel het onderwerp met de pluimen gaat lopen. Komt ervan als je het dezer dagen over Delphine Lecompte hebt. ’t Was een gedicht over onze dichteres die recent door de stedelijke musea werd uitgenodigd om ‘hun’ dichteres te worden.
Delphine Lecompte, wie haar kent heeft er een mening over. En veel volk kent haar, dat maakt veel meningen. En natuurlijk gebeurde Facebook-gewijs het onvermijdelijke. In de kortste keren werd uitgeweid dat het een lieve lust was. Of ’t waar is dat Delphine de kleindochter is van dokter Herman Lecompte. Mensen weten dat graag, al doet het er amper toe.
Hoewel. Familiebanden verklaren soms wel wat. Al leerde ik dat je ook familie kunt zijn zonder bloedverwantschap. Ik leg even uit. Wist u dat Delphine Lecompte familie is van Roger Raveel, de schilder? Neen, hij is niet haar grootvader langs moeders kant. En het lijkt mij aannemelijk dat ze mekaar nooit hebben ontmoet. Maar toch, Delphine en Roger hebben meer gemeen dan veel broers en zussen. Véél meer. ’t zit hem in die eigen, eigenzinnige blik van hen. Als je ’t mij vraag, zijn ze gewoon familie.

Raveel droeg Brugge een warm hart toe. Een warm maar kritisch hart. Voor de tweede Triënnale, die van 1971, verzorgde hij niet alleen een affiche, onaangekondigd verrezen van zijn hand ineens houten zwanen op de reien. En dat was niet voor de schoon ogen van de burgemeester. Bijlange niet, toen burgervader Michel Van Maele hoorde dat de houten beesten bedoeld waren als aanklacht omtrent de destijds stinkend vuile reien, kon hij Roger’s subtiele humor maar matig appreciëren.  Even werden de zwanen door de mannen van ’t stad weggehaald, wat meteen goed was voor meer dan landelijke persbelangstelling.

Maar het kwam goed tussen Raveel en Brugge. Jaren later, in de zomer van 1996, liep in de stadshallen een expositie naar aanleiding van de 75ste verjaardag van de kunstenaar. En bij die gelegenheid keerde een handvol van zijn zwanen-met-gaten nog een keer terug naar de inmiddels propere reien. In ’99, het Gezellejaar, ontwaarde je op een bloementapijt op de binnenkoer van de hallen zo’n Raveelzwaan-met-vierkant. En een paar jaar later werden onze winkelstraten gesierd met baniervlaggen met Raveel-motieven. ’t Zijn tot nader order de vrolijkste die er ooit wapperden. De schoonste, ook.


In 1975, het jaar waarin Raveel 75 wordt, loopt in de Garemijnzaal een tentoonstelling. En keren zijn zwanen nog één keer terug op de Reien.

In de komende maanden loopt in BOZAR in Brussel een overzichtstentoonstelling over Raveel. Misschien maken eindelijk ook buitenlandse kunstliefhebbers kennis met Roger’s witte vierkanten.
Die lege plekken en gaten, Raveel’s curiosum. Daar is ie weer met zo’n vierkant! En tegelijk ogen ze zo vertrouwd dat je ze zou missen. Zo’n beetje zoals Delphine haar schrijfsels overlaadt met bergen adjectieven. In één zin van haar vind je bipolaire vissers, schizofrene alpacafokkers, dementerende orgeldraaiers en alcoholistische meubelmagnaten. Zucht. Maar stonden ze er niet, je zou Delphine niet herkennen.
En net als Raveel heeft de dichteres iets met Brugge. ’t Zal wel zijn, ze woont in de stad. Ja, maar ze kijkt er ook naar met andere ogen dan die van u en mij. Dat zal blijken uit de gedichten die ze in de komende maanden pleegt voor onze musea.  Je vindt er momenteel eentje bij de toegangspoort van Groeninge aan de Dijver en het leest niet bepaald als een lofzang. Je staat erbij en kijkt ernaar.
Ongeveer zoals destijds de burgemeester bij ’t zien van de zwanen van Roger Raveel. Nonkel Roger, zou Delphine zeggen.

Benieuwd naar ons bescheiden dichtwerk dat we opdroegen aan Delphine Lecompte? Vink dan in de ‘omslag’, bovenaan de blog, het item ‘Brugge berijmd‘ aan. Je vindt er … Brugge berijmd.

Gepost in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Onze huisdichter, Van boeken en schrijven, Van Brugse politiek, Van feesten en vieren, Van schilderen en plaasteren | 5 reacties

Honderd Dagen volgens Pol De Prest

In een lade, onderaan in een gammele kast, vind ik een oude krant. Nu ja, geen document waar archivarissen van watertanden. Het nieuws van vrijdag 4 juni 1999. En toch verrast het gemak waarmee zo’n kurkdroog stapeltje papier je moeiteloos meevoert, dik twintig jaar terug in de tijd. En hoe die tijd sindsdien veranderde.
Alleen al bij het formaat van zo’n gazet kijk je op. Ik trok het voor u na, het Brugsch Handelsblad van deze week past precies twee keer in het tafelbladvullende exemplaar van destijds. Ruimte genoeg dus, voor een uitgebreid interview. Een vraaggesprek, bijvoorbeeld, met Pol Deprest.

Wijlen Pol De Prest
Toen twee jaar geleden een spijtige valpartij in zijn restaurant in de Oude Burg hem fataal werd, verloor de Brugse horecawereld met het overlijden van Pol De Prest één van zijn meest spraakmakende roergangers.


Een krantenpraatje met een man met een mening
Voorjaar 1999 … Stefaan Van Volcem komt langs bij Pol De Prest voor een babbel, ’t is voor in de krant. Een mening is bij Pol per definitie een uitgesproken mening, de interviewer hoeft maar te noteren. Een knaap met allure ook, zoals Fernand Proot, fotograaf van dienst, hem laat poseren op de stoeprand. Drukdoende met zijn gsm, dat toen nieuwerwetse en dus trendy kleinood. Die opinies van hem krijgen in het interview alle ruimte en die kans laat Pol niet liggen. Als knaap in de fleur van zijn leven, net de dertig voorbij en als deejay, ervaren uitbater van enkele horecazaken en organisator van zo’n beetje vanalles en nog wat, kan hij meepraten over wat leeft in zijn stad.
Over zijn begindagen als manusje-van-alles bij de lichtjes legendarische disco Timewind van Francis Vandendorpe en de inmiddels ook veel te vroeg overleden Jan Roussel. Over een waaier aan ervaringen in de horeca. Waarom het uitgaansleven zich in die dagen verschuift van ‘den Eiermarkt’ naar de kroegen op ’t Zand? Pol heeft er een verklaring voor. En een kijk op de Honderd Dagenvieringen.

1998 … WIP, Werkgroep Interscholieren Platform, organiseert een alternatief 100 Dagenfeest!
Vrijdag 12 maart 1999 … Pol De Prest èn WIP slaan de handen in mekaar!

Ha, die Honderd Dagen!
Jaar na jaar zet Pol als ambitieuze organisator zijn schouders onder zo’n viering. Als commerçant pur sang doet hij dat op zijn manier. En volgens sommigen is dat een benadering waarbij het alleen om de centen draait. In 1998, het jaar voor dit interview,  bouwt de ‘Werkgroep Interscholieren Platform, WIP voor de vrienden, een alternatief Honderd Dagenfeest, met aandacht ook voor alternatieve muziekgenres. Dat Pol’s ‘kapitalistische’ project daarmee wordt gecounterd, is meegenomen. Maar wellicht klinken bij het WIP, zijtak van de Brugse Jeugdraad, ook minder hardvochtige stemmen. Want kijk, een jaar later blijkt het water dan toch niet tè diep. In het vraaggesprek blikt Pol dan ook terug op de Honderd Dagen van dat voorjaar, waarbij het ‘Interscholieren Platform’ èn zijn evenementenproject zowaar voor het eerst samen in zee gaan.
Bestaat toeval? Sommigen menen van niet, maar ik geloof er wel in. Toeval is het zout op de patatten van ’t leven en dus vond ik deze ouwe krant louter toevallig in de week waarin in normale tijden de stad wordt ingepalmd door jong volk dat zijn Honderd Dagen viert. Dat het dit jaar niet zo’n vaart loopt hoeft geen uitleg. Kom je langs het verraderlijk stille Zand, lijkt het alsof daar niet één café te vinden is.
Maar laat ons uitzien naar betere tijden. Waarin we weer vrijelijk terrassen èn glazen vullen. Om te klinken op het heil van alle cafébazen. En van alleman die, gelijk Pol De Prest zaliger, zijn of haar schouders zet onder al wat deugd doet. Losbandige Honderd Dagenfuiven, bijvoorbeeld.

Gepost in Het Brugge van nu, Van feesten en vieren | 2 reacties

Een Franse brug in Brugge

Brugge en zijn bruggen …
… van een oud verhaal gesproken.

’t Was zo’n lome dag op de schoolbanken, in een tijd toen iedere leraar nog een bijnaam had. De man die vooraan in de klas zijn best deed om onze aandacht gaande te houden noemden we Simonne. Slappe Simonne, eigenlijk, volgens ons ongenadige oordeel kwam dat overeen met de slungelige manier waarop hij bewoog. En Simonne had een reputatie. Op twee vlakken. Vooreerst liet hij zich makkelijk afleiden. Stelde je een vraag die in de verste verte niets met de leerstof van doen had, ging hij aan ’t vertellen. Je kon er donder op zeggen, dat nu en dan iemand die geen zin had in de les, hem om de tuin wist te leiden.
En daarnaast was er zijn bijzondere kijk op de wereld. Steevast begon  Simonne het eerste lesuur van de dag  met een soort gepreveld gebed. En als we daar dan uitleg over vroegen, waren we zoet voor op zijn minst een kwartier.  Zijn tekst bleek een fragment van het Wilhelmus, het Nederlandse equivalent van ons Belgisch Volkslied. Simonne was, zo vertelde hij trots, een overtuigd Dietslander. Voor hem waren Vlaanderen en Nederland één natie. Of tenminste, dat hoorde zo te zijn. Vlaanderen boven! Of liever, Dietsland boven! Vlamingen en Walen? Een andere wereld! Zo’n mens, dus. Ge ziet van hier dat we af en toe vroegen hoe dat ook weer zat met dat Wilhelmus van hem.

Donderdag 4 april 1974 …de nog niet eens voltooide brug over het kanaal wordt gedynamiteerd.
Bron: Stadsarchief Brugge – www.erfgoedbrugge.be

Maar dan die keer, dus. Midden die saaie lesdag, ineens, een oorverdovend gedaver in de verte. Een klaslokaal met trillende ruiten. En dan was ‘t weer stil. Maar we wisten wat het was, want het zou vandaag gebeuren. ’t Was de hoge brug die ze pas hadden gebouwd, over het kanaal naar Gent. Die zou het sluitstuk van de nieuwe Ringlaan worden. Voortaan zou je vanuit Sint-Kruis om de stad heen naar ’t station rijden. Tot die tijd kon dat van die kant van ’t stad alleen maar doorheen de binnenstad. Maar dat sluitstuk, die brug, was nog niet eens in gebruik en nu al zaten barsten in de betonconstructie. En dus moest het bruggevaarte worden neergehaald. Om het te herbouwen. ’t Leger kwam eraan te pas, het  hele boeltje werd gedynamiteerd. Die knal was het!

Brugge en zijn verkeer …
… van nóg een oud verhaal gesproken …

De rest van de les deed Simonne zijn reputatie alle eer aan. Hij liet zijn leerstof voor wat ze was en begon een discours. Immers, de wijze man wist wat was misgelopen! De brug was ontworpen door Franse ingenieurs! Franse, stel je voor! En dan te bedenken dat onze Hollandse broeders, met al hun expertise omtrent waterwerken en bruggen, dat ongetwijfeld veel deskundiger hadden aangepakt! Jongens, zo zie je maar hoe schoon het zou wezen, wij en die van Holland samen! We knikten instemmend en de schoolbel rinkelde.
Ik dacht aan Simonne zaliger, toen ik las over een nieuwe brug die ze plannen bij ’t station. Een passage waarlangs voetgangers en fietsers de bijzonder drukke Ringlaan zouden oversteken. Daar valt veel voor te zeggen, nu bij ’t station, langs die ooit nieuwe ringlaan, dag in dag uit kolonnes auto’s passeren.
Al hoor ik, ergens in een Diets Walhalla, iemand zuchten …
Dat ze bij het bouwen van die nieuwe brug toch best te rade gaan bij onze noorderburen. Pardon, bij onze volksgenoten.

Gepost in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van wielen en op weg zijn | 11 reacties

’t Zijn meelopers …

Marie Pintelon (1894-1969) krijgt een straatnaam
in Sint-Andries

’t Zijn toch zulke meelopers, onze politiekers!
– Hoezo?
– ’t Is toch waar, zie ze op de kar springen van ’t minste modegrilletje dat passeert! Daar was laatst een meisje van de televisie dat meende dat te weinig straten naar vrouwen zijn vernoemd. En kijk, daar komen de verkozenen onzer stede met het heugelijke nieuws: Brugge krijgt een paar vrouwelijke straatnamen! Meelopers zijn het!

– Tja, als ge ’t zo bekijkt …
Men vertelt mij dat één van die straten wordt genoemd naar Marie Pintelon. Haar naam en faam hoort bij de kraamkliniek langs de Sint-Annarei. Veel Bruggelingen herinneren zich dat moederhuis. Als ze er al niet geboren zijn. Het moederhuis kwam er in de jaren dertig, op initiatief van onder meer vroedvrouw Marie Pintelon.
Een vroedvrouw stond aan de wieg van een moederhuis, flauwer kunnen we onze woordspelingen moeilijk bedenken.

Jeanine Behaeghel’s
eerste solotentoonstelling
in het Huidevettershuis, 1965

Affiches van Jeanine, onmiskenbaar kinderen van hun tijd …

En er komt een Jeanine Behaeghelstraat. Jeanine Behaeghel willen wij u met graagte duiden. Haar tachtigste verjaardag hadden we vorig jaar gevierd, mocht zij nog onder ons zijn. Jeanine overleed in 1993, amper drieënvijftig jaar jong. Het artistieke testament dat zij ons nalaat, beslaat nogal wat hoofdstukken. Nadat zij hier in Brugge de basis van haar grafische loopbaan legde als leerlinge van onder meer Albert Setola en Luc De Jaegher, trok ze naar de kunstacademie van Düsseldorf en naar London. De titel van haar expositie in ‘t Huidevettershuis, ‘Studio Behaeghel, publicitaire grafiek & fotografie’, zegt waar ze op dat moment, in 1965, voor stond. Geheel onbekend was ze toen al niet meer in Brugge.
Het logo-visje van de Korrekelder, dwergtheatertje aan het Kraanplein, was van haar hand. En nogal wat frisse afficheontwerpen waarmee de Korre in die jaren Brugge grafisch wakker schudde.

Maar Jeanine wou en ging vooruit. En gaandeweg liet zij boekomslagen, affiches en advertenties voor wat ze waren en ging zij schilderen. Een eigen taal bedenken. “Plastische stenogrammen” noemde zij haar werk. En ergens in de jaren tachtig ging ze beeldhouwen.
Komt u wel eens in de Biekorfbibliotheek? Het stille achtertuintje, waarlangs u de bib uit gaat, naar de parking, kant Naaldenstraat? Midden een in winterslaap gedompeld stukje groen prijkt op een grijze sokkel een getorste sculptuur. Een zweem van mos op het witte marmer geeft het beeld iets van berusting. “Penelope” van Jeanine Behaeghel.


Wat een parcours: van speelse affiches voor een vestzaktheatertje naar een universum dat van steen is, maar eigenlijk van leven. Het is het parcours van Jeanine Behaeghel, naar wie straks een nieuwe straat wordt genoemd, ergens bij de Sint-Pietersplas, op een boogscheut van de plek waar ooit haar atelier en woonst was.

‘Penelope’ in de binnentuin van de Biekorf

Jeanine was met veel meer doende dan met affiches. Maar toch, een straatnaam, de afficheverzamelaar wordt daar stil blij van. Een paar straten die aan dames worden toegekend, ’t is een voornemen van onze politici. Onze politiekers, zijn ’t meelopers? Ik loop met plezier een eindje mee.

Jeanine Behaeghel
(1940-1993)
Gepost in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Over toneel, Van schilderen en plaasteren | 5 reacties

Brand in het hospitaal!

Langlopende exposities, ze zouden ze moeten verbieden. Zo’n tentoonstelling waar je een heel seizoen naar toe kan, da’s om moeilijkheden vragen. Of ze zouden je op z’n minst een berichtje mogen sturen als ’t bijna gedaan is. Ondergetekende weet er als geschoold uitsteller alles van. ‘Ha, die expositie loopt nog twee maanden? We hebben nog een zee van tijd!’ Maar uitstel en afstel, ge kent het. Ineens is zo’n zee van tijd opgedroogd en kan je ’t vergeten.
’t Scheelde niet veel of ook ‘Memling Now’ ging aan mijn neus voorbij. Maar kijk, ’t is verlengd, tot eind deze maand. Waarvoor dank. Een nichtje belde mij met de vraag of ik er met haar heen wou. Want nonkel Pol kennende, liep hij zeker al een paar keer langs op die tentoonstelling, hij zou haar vast wel deskundig kunnen rondleiden. Waarna nonkel Pol moest bekennen … dat hij zijn bezoek aan ‘Memling Now’ had uitgesteld …

Waarde lezer, nog even, tot eind februari kan u terecht in ’t hospitaalmuseum in de Katelijnestraat voor ‘Memling Now’. Advies van een uitsteller: stel uw bezoek niet uit.
Voor dat nichtje van ons was Hans Memling een weerzien na heel veel jaren. Ze vertelde hoe ze als klein meisje aan de hand van haar grootmoeder in Groeninge de fameuze Hans Memling-tentoonstelling bezocht. Dat was in 1994, wist ik haar te melden.
De expositie die nu loopt is van een heel ander kaliber. In de schaduw van de gekende meesterwerken van Memling laten hedendaagse kunstenaars van alle kanten van de wereld zich meeslepen door wat de schilder lang geleden heeft gekonterfeit.
Memling krijgt een paar gevestigde namen over de vloer. Wel kunstvolk waar hij ongetwijfeld vreemd van opkijkt. Meteen bij het begin staat of ligt een moeilijk te omschrijven sculptuur. Een half weggesmolten, gotisch altaar? Je ziet drieluikjes zoals de meester ze destijds schilderde, maar daarop geen portretten van de middeleeuwse elite, wel de strakke blik van straatjongens uit New York, in baskettenue. Op de zolder, onder het grootse middeleeuwse gebinte, brengt een trage video je middenin een brandend boslandschap. De hitte van het beeld laait op in de houten stilte. Videokunstenaar David Claerbout op z’n sterkst.
Niet alles op de tentoonstelling heeft die kracht, maar mijn nichtje en haar nonkel appreciëren toch een aardig deel ervan. Weer buiten, op de kasseien van de Katelijnestraat, passeert een lichte huivering bij de gedachte, de vraag, hoe Hans Memling zelf zou aankijken tegen wat hier wordt getoond.
Ontwaart hij, met zijn middeleeuwse blik, in die kunst, voor hem vijf eeuwen verderop in de tijd, de duivel? Help, het hospitaal in brand! Of knikt hij instemmend, in een poging om te begrijpen?
Al goed en wel, maar laat ons dat denkspel een keer toepassen op onszelf. Zet ons af, vijfhonderd jaar ver in de toekomst, op een tentoonstelling in dit tegen dan nog veel oudere gebouw. Zullen wij allicht ook grote ogen trekken?
Maar weet je wat ik vooral hoop? Dat ze in die zesentwintigste eeuw toch al op ’t gedacht gekomen zijn, om de mensen een mailtje te sturen als hun  expositie bijna afgelopen is.

Gepost in Het Brugge van toen, Van schilderen en plaasteren | 7 reacties

Kris en nonkel Henri

Wat ons geheugen meeneemt en wat het laat liggen. Vorige week probeer ik mij voor de geest te halen wanneer we Kris De Bruyne voor het laatst zagen. Niet meer te achterhalen, meent mijn huisgenote. Net wanneer ik dat beaam, komt mijn nochtans veelal lamentabele memorie aanzetten met het soort verband waar ik zelf van opkijk.
Onze herinneringen zijn een koffer vol papieren, een rommeltje. Maar toch, diep je daaruit één zo’n blad met herinneringen op, hangt een ander papiertje er onverwacht aan vast.

We zitten in de stadsschouwburg, een winteravond. Een goeie plek, ergens middenin, parterre. Kris De Bruyne met zijn groep, bijgekleurd door een handvol strijkers. Deze jongen heeft een boontje voor de liedjes waarmee Kris een presentabel oeuvre uitbouwde, dus dat kan moeilijk mis lopen. En het loopt niet mis. Al kom ik na het concert, op weg naar huis, tot de conclusie dat Kris niet met een repertoire uitpakt waar je vrolijk van opkikkert. Een vaststelling die mijn wederhelft volmondig beaamt. Was zij liever thuis gebleven, vanavond? Misschien geldt dat ook voor mij.

Er stonden meer namen op de affiche,
dat weekend in de Zeven Torentjes,
maar op de affiche prijkte
een flink besnorde Kris De Bruyne.

Maar hoe gaat dat. Een paar maanden vooraf kocht je kaarten voor een beloftevolle avond, een concert van een begenadigd liedjesschrijver. Maar net als het verleden neemt ook de toekomst ons te grazen. Ze laat niet in haar kaarten kijken, waarom zou ze. En dus staat daar zoveel weken later ineens dat concert op je kalender. En is de dag ervoor iemand overleden. Een oude oom, een minzaam mens met wie het aangenaam omgaan was. Nonkel Henri, hij stierf in de winter van 1999.
Het stemt je triest maar ’t leven gaat door, toch? Een nieuwe dag vangt aan zoals dagen dat doen, ook al ging iemand dood. En wat verstrooiing zal ons goed doen, zeker? En dus zit je die avond toch maar in een schouwburg. Liedjes, applaus. En een beetje verdriet.

We zagen Kris De Bruyne verschillende keren aan het werk. In Loppem en ooit een keer in een tent bij de Zeven Torentjes in Assebroek. In de stadsschouwburg, ook. Op een zaterdagavond en ’t was in het jaar 1999, dat weet ik zeker, nu. Het was de laatste keer dat we Kris hoorden. Dat weet ik ook zeker. Sinds vorige week.
Doe nonkel Henri de groeten van ons, Kris, wil je?

Gepost in Van zingen en spelen | 13 reacties

Kinderen, kids en helden …

Een groet aan Jaak Vissenaken
De woorden waarmee wij onze dagdagelijkse babbels stofferen, staat u ooit stil bij wat ze betekenen? Een huis en een woning, je woont in allebei, wat maakt het uit. En, om maar iets te vragen, wat wil het woord ‘kind‘ zeggen? Kom, doe niet flauw, dat weet het kleinste kind. Okee, maar stel de vraag, tot wanneer een kind een kind is, en we worden alert! Hola, ’t gaat over onze kids! Ja, papa, mama, over uw kinderen.
Mijn kameraadjes en ik, wij waren destijds geen kids. Kinderen des te meer. En tot wanneer waren wij dat? Een paar dagen geleden verrasten mijn gedachten mij met een onvermoed antwoord op die vraag.
’t Was op een onverwacht moment, ik las over het overlijden van Jaak Vissenaken. Van alle acteurs was Jaak niet de meest legendarische. Geen Jan Decleir of Matthias Schoenaerts. Maar toch een begenadigd acteur, een goeie die ook wel een keer regie deed. Bruggeling, trouwens, en dus ging ik op zoek naar meer info. En affiches.

Begin jaren zeventig was ‘De Bruiloft’ van Bertolt Brecht een regie van hem. Een verrassend concept, in onze beurshal werden de toeschouwers verwelkomd als genodigden op een echt trouwfeest, vertelde mij Tony Willems die in het stuk meespeelde. Met Annelies Vaes, de vrouw van zijn leven, stond Jaak in de Korrekelder. Met ‘Pas de deux’ van Hugo Claus en met ‘Spiegels’. En hij trok vele en volle zalen, zowel hier als bij onze noorderburen met ‘De Vrije Madam’, een stuk van onze eigen Rudy Geldof.
En hij had een rol in ‘De Vorstinnen van Brugge’, op de vaderlandse televisie. En, naar ik meen, ook een paar bijrolletjes in reeksen waar de kinderen die wij waren naar keken. In zwart-wit, wat dacht je. Dat was me wat, die wekelijkse hoogtepunten in ons kleine bestaan. Series, buitenlandse of van onze eigen BRT, het maakte niks uit. Zorro, Kapitein Zeppos, Batman, Johan en de Alverman, heldenverhalen! En weet je wat? Die helden, dat waren geen acteurs! Senne Rouffaer? Neen, dat was ècht kapitein Zeppos, punt!
En dat brengt mij bij mijn recente bedenking. Bij het antwoord op de vraag, tot wanneer je kind bent. Je bent kind zolang je helden op tv ook èchte helden zijn . Tot de dag, de spijtige dag, waarop je door hebt dat er geacteerd wordt. Of mijn stelling klopt, laat ik graag over aan mensen die daar geleerde meningen over hebben.
Maar ik zit er, meen ik, niet ver naast.


Als Jean-Baptiste Bariseele met zijn nichtje Bietje in ‘De Vorstinnen van Brugge’

In de krant stond dat Jaak Vissenaken vooral bekend is van een kinderreeks in de jaren negentig. Ik kan mij ‘Postbus X’ amper voor de geest halen, maar het was populair bij het klein grut van die tijd. Was Jaak daarin ook niet één of andere held? Dan zagen de kinderkijkers geen Jaak, wel een held! We zijn een kwarteeuw verder, sommige van de kinderen die dweepten met ‘Postbus X’ hebben inmiddels zelf kinderen op de wereld gezet. Kinderen met weer nieuwe verhalen van op tv.
Wat ik jullie, kleine mannetjes en vrouwtjes, ‘kids’, toewens?
Dat je je helden lang mag koesteren. Tot je op een keer , geen ontkomen aan, merkt dat achter de bühne acteurs voor je klaarstaan. Mensen zoals jij en ik.
Maar niet getreurd. Er opent zich een nieuw gordijn. Een ander kijken, een ander zien. Het zien van acteertalent. En, stel je voor, misschien is het je gegund, het talent om je zelf thuis te voelen op dat podium. Een plek waar je nooit genoeg van krijgt. Al heb ik dat laatste alleen van horen zeggen.

Jaak Vissenaken en Annelies Vaes in ‘Spiegels’ in de Korrekelder, 1976.
Gepost in Over toneel | 6 reacties

Dries is dul

Dries is dul. Voor wie niet vertrouwd is met onze streektaal, als een West-Vlaming ‘dul’ is, dan is hij ‘boos’. En kent u het woord ‘verbouwereerd’? Da’s geen dialect,  het staat gewoon in de dikke Van Dale als synoniem voor ‘verbijsterd’. Dus is Dries, naast dul, ook verbouwereerd.
Los van de vraag of hij daar reden toe heeft, willen wij eerst even onze bezorgdheid uiten. Want de heer Andries Van den Abeele, over die mens gaat het, is al een eind voorbij de tachtig en voor lieden van zijn leeftijd is dul zijn niet gezond. Voor u en mij ook niet, overigens, maar ’t kan wel opluchten. Hopelijk lucht het ook Dries op, want hij is ècht wel dul.

Wie is Andries Van den Abeele ook weer? Even een paar trefwoorden. Zette zich vanaf de zestiger jaren met Stichting Marcus Gerards in voor restauratie van oude panden in de binnenstad. En in de lokale politiek werd hij een kernspeler. In 1972 zette hij zijn schouders onder een ‘structuurplan’ dat de toekomst van Brugge uittekende, een spraakmakend document. Later was hij één van de voortrekkers van ‘SOS voor een leefbaar Brugge’. En transfereerde hij van de toenmalige CVP naar de Liberalen, maar dat terzijde. Want wij willen hier verder ingaan op de huidige gramschap van Dries.

Die heeft van doen met de wijze waarop zijn Stichting Marcus Gerards plots weer onder de aandacht komt. Er verscheen een boek, ‘Een droom van een stad’ van Eric Van Hove. ’t Lezen waard, maar de manier waarop zijn stichting daarin aan bod komt, daar is hij niet content mee. Het is vooral een prentje in dat boek dat hem de gordijnen in jaagt. Een prentje?

Wel, ’t zit zo. ‘De Lastige Bruggeling’ was een krantje, lang geleden. Een ongegeneerd naar links leunend gazetje dat graag een weinig vleiend portret schetste van de Stichting Marcus Gerards. De spotprent waar Dries boos om is stond ooit in de Lastige. Een skelet met vlammend zwaard jaagt mensen hun huis uit. Op de gevel prijkt een plakkaat dat zegt dat Stichting Marcus Gerards het pand restaureert. En een meneer zwaait likkebaardend met bankbiljetten. De Stichting als vehikel om ’t kapitaal te dienen, zeg maar. En daar lacht Dries niet mee.

We verstaan u, Dries, maar ach, ’t is een prent uit de Lastige Bruggeling. Ze is in zwart-wit en wat ze vertelde was dat ook. De cartoon wordt in het nieuwe boek ‘profetisch’ genoemd, de auteur had dat genuanceerder gekund. Maar die mens zat destijds in de redactie van de Lastige, dat weet gij ook, Dries. En we pakken toch allemaal graag een keer uit met de straffe stoten uit onze apenjaren?
Dus ge moogt u niet zo dul maken, meneer Andries, da’s slecht voor uw tikker.
Weet ge wat, ik heb  hier nog ergens een oude langspeelplaat liggen. Hebt ge een pick-up in huis, ge moogt ze een keer lenen. Ze is van 1972, u was druk doende met het structuurplan, voor muziekjes was geen tijd. Eric Van Hove kende ze allicht wellicht wel, in dat in patchoeli dampende studentenkot waar hij een tijdje later stoute stukjes begon te pennen voor de Lastige Bruggeling. Leg ze maar een keer op, Dries, muziek verzacht de zeden. ’t Gaat helpen om u niet meer zo dul te maken. Ge kunt altijd wat leren van liedjes. ’t Is een plaat van Rod Stewart, ze heet ‘Never a dull moment’.

Gepost in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van Brugse politiek | 12 reacties

Onze huisdichter, een oude affiche en een foto …

Soms heeft P. Somerlant, onze huisdichter genoeg aan een oude affiche … of een foto. Of allebei. De foto is van Rudy De Nolf, waarvoor dank … De affiche dateert van 1981 en kondigt de publicatie aan van een nieuw boek van wijlen Jaak A. Rau, vaandeldrager omtrent erfgoedfotografie in onze regio.
U vindt meer van P. Somerlant op de pagina ‘onze huisdichter’, die u bij de hoofding kan aanvinken.

Gepost in Zonder categorie, voorlopig | Plaats een reactie

De koorleider, de kastelein en de kasteelheer

Laat mij u vertellen over de koorleider, de kastelein en de kasteelheer.

Een tijd lang presenteerde het koor Bladelin zijn concerten met affiches die samen uitgroeiden tot een niet onaardige reeks.

Hoeveel Bruggelingen zingen? Om ze allemaal op te lijsten zijn ze met te veel. Zoek even en je komt al snel een tiental Brugse koren op het spoor. Da’s samen al veel volk met veel noten op hun zang. En ondergetekende is er dan nog niet bij geteld. Want weet u, in een vorig, jong leven spendeerde deze jongen redelijk wat tijd in de muziekschool. Waar men hem op subtiele wijze aan ’t verstand bracht dat zijn zangtalent het best tot zijn recht komt onder de douche.
De Brugse koren moeten het zonder mijn solide tenor stellen en slagen daar aardig in.
Zo ook het zanggezelschap dat zich Bladelin noemt. Omdat dit een blog is die het van affiches moet hebben, maar ook omdat ze niet onaardig zijn, toon ik u met plezier een paar affiches waarmee het koor een aantal jaren geleden zijn concerten aankondigde. Keer op keer verfraaid met een met kennis van zaken getekend portret dat verwees naar de muziek in kwestie. Op die affiches wordt Patrick Beuckels vermeld als dirigent.

Die Patrick liep ook muziekschool, maar kan wel zonder schaamte onder de douche vandaan komen. Maakte naam als traversospeler. En als koorleider, dus. En wat is ècht doorslaggevend op zijn CV? Koorleider Patrick zat op school ooit bij mij in de klas! Hoeveel troeven kan een mens verzamelen?
De naam van zijn koor, Bladelin, is niet zomaar een  naam, het is er eentje met historische weerklank. Pieter Bladelin was in het Brugge van de jaren veertienhonderd een meneer met aanzien. Had meer dan één vinger in de financiële pap bij de Orde van het Gulden Vlies en dus binnen de intieme kring van Bourgondiër Filips de Goede. Dat bracht wat geld op waarmee Pieter kunst verzamelde. Een triptiek van Rogier van der Weyden, om maar een kleinigheid te noemen.

‘De geboorte’ van Rogier van der Weyden, de figuur rechts is opdrachtgever Pieter Bladelin. Op de achtergrond prijkt zijn kasteel van Middelburg.

En Pieter Bladelin bouwde in de Naaldenstraat het stadspaleis dat nog altijd zijn naam draagt. En ook een kasteel nabij Maldegem, op gronden die afkomstig waren van een abdij in het Zeeuwse Middelburg. Rond dat slot begon Pieter een dorp te bouwen, hij droomde ervan om dat nieuwe Middelburg tot een stad te laten uitgroeien.
Na al die eeuwen blijft van Pieter’s buitenverblijf-kasteel weinig of niets over en vandaag is zijn Middelburg een slaperig grensdorp. Een aantal jaren geleden kwamen een paar mensen daar op het idee om de fundamenten van Bladelin’s kasteel op te graven. En nu lees ik in de krant dat ze van plan zijn om ‘een replica van het kasteel van Bladelin’ te bouwen.

Wat moeten we ons daarbij voorstellen? Ze gaan dat kasteel toch niet steen voor steen herbouwen? Om er het fijne van te weten moet ik bij gelegenheid maar een keer langs gaan bij Paul Verstraete, die in Middelburg een kroeg runt. Waarom bij hem?
Wel, kastelein Paul was één van de voortrekkers bij die opgravingen, destijds. En wat meer is … ook Paul genoot zowaar ooit het voorrecht om bij mij in de klas te zitten!
En Pieter Bladelin? Neen, jammer, kasteelheer Pieter, gij kunt niet pochen dat ge samen met mij school liep.
Ge kunt nooit alles bereiken in ’t leven.

Gepost in Het Brugge van toen, Van zingen en spelen | 9 reacties

Op naar de Bastille!

Mijn wederhelft is een stout madammeke. ‘Wil je de aandacht van de lezer, kies een stevige openingszin.’, ik wed dat je het advies aantreft in elke cursus ‘creatief schrijven’. En kijk, u bent meteen bij de les, lezer. Met dank aan,  nou ja, mijn huisgenote. Leest u vooral door, over een avontuur uit vroeger tijden,  hier in Brugge.

De Bastille … bijna kreeg Brugge zijn eigen versie van de iconische bestorming

Al vatten we het aan in het verre Washington DC, amper een dag of tien geleden. Waar een troep op drift geraakte malcontenten het centrum van de Amerikaanse politiek herleidt tot een rommelmarkt, wat en passant een handvol mensenlevens kost. ‘Collateral damage’ heet dat in oorlogstermen. Het lijkt heel even de bestorming van de Bastille, anno 2021. Maar de in dit geval volstrekt foute revolutie blijft uit. Tragiek kan tegelijk schokkend èn fascinerend zijn. Het zal Amerika lang heugen.
‘Maar hier bij ons staan we toch, loof de goden, ver af van dat soort onnozelheden? Ja, toch?’
‘Wel, eh … ja.’
‘Hoezo, wel, eehhh?’

Broederlijk naast mekaar op één affiche, het belfort èn het Provinciaal Hof,
heel even bijna de ‘Bastille’ van Brugge …

Episode twee, we  nemen u mee op een flashback, helemaal naar het voorjaar van het schone 1993. Plaats van actie, de Markt in Brugge. We zijn in het gezelschap van betogend volk uit wat we vandaag als ‘social profitsector’ omschrijven, in die dagen nog ‘de gehandicaptenzorg’. Opvoeders en al wie in de branche actief is, lieden die hun werksituatie en de gelden die de overheid daarvoor ter beschikking heeft, in vraag stellen. Die vraag klinkt al een tijd, om de week is er ergens een actie die ze onder de aandacht van het publiek houdt. En dat publiek heeft er begrip voor, dat weet ook de politiek. Vandaag komt de provincieraad bijeen in het Provinciaal Hof. De betogers zijn met een heleboel en zelfverzekerd. Bij het betreden van het statige bordes ondertekenen sommige provincieraadsleden aarzelend de petitie die hen onder de neus wordt geschoven. Anderen trekken die neus minachtend op, goed voor gejoel en fluitconcerten. En ’t is in die tegelijk ondeugende en strijdvaardige ambiance dat een handvol betogers lachend op ’t idee komen,Mochten we hier nu een keer gewoon naar binnen wandelen, zou dat lukken?Een stel jongedames, niemand die erop let. Met een vakbondsvlag onder de arm geraken ze tot hun eigen verbazing langs de wenteltrap op de bovenverdieping, in de receptiezaal boven de ingang.
Op een tafel onder het raam, tientallen aperitiefglazen, wachtend op de drink na de raadszitting. Wat denk je, onze vlag, buiten aan dat venster? Krijgen we het open?Maar zware, antieke vensterramen hebben zo hun manier van roekeloos open zwaaien, vooral als een onverwacht tochtige wind een handje helpt. De stoet glimmende glazen op de tafel wankelt maar blijft overeind. Collateral damage, op het nippertje vermeden. Maar meer is niet nodig om een stel jongedames  de schrik van de dag te bezorgen. Einde revolutie. En voor ze ’t weten staan mijn ondeugende wederhelft en haar vriendinnen weer buiten, tussen hun medebetogers, gniffelend om wat ze net uitspookten.
Een ‘heldenverhaal’ waar actievoerende, stoute madammekes lang nadat de protestacties voorbij zijn, nog vrolijk van nagenieten. Een verhaal dat de levensgezel van één van hen jaren later nog van pas komt.

Gepost in Het Brugge van toen, Van Brugse politiek | 9 reacties

Reizen Coucke …

Waar de Speelmansrei bij het Zand in de donkere tunnel onder het plein verdwijnt, maakt de bootsman rechtsomkeer. Hoe benoem je zo’n manoeuvre in scheepstermen? Stuurboordomkeer? Het water is hier zo ondiep, je ziet hoe de nochtans voorzichtig draaiende schroef de slibberige bodem omwoelt. Nog iets dichter bij de onheilspellend ogende spelonk en ons bootje loopt vast. Een ‘vlet‘, zo noemen de gasten van de zeescouts het kleine vaartuig waarmee ze ons tot hier brachten. We keren terug, helemaal naar de Langerei, waar we aan boord gingen. Maar al varen we over hetzelfde traject, ook nu kom je ogen tekort.

Wat een buitenkans om een Brugse waterloop te volgen waarvan je een deel vanop het droge nooit te zien krijgt. Links, pardon, aan bakboord, de oude tuinmuur van het Sebrechtspark en aan stuurboord de vaak smaakvol aangelegde tuinen van de Moerstraat. Onder de verrassend hoge Leeuwenbrug, waar de reie onder twee van de drie bogen in de loop der eeuwen dichtslibde. De waterweg werd hier smaller en de bewoners van aanpalende panden grepen graag de kans om die ‘verlanding’ in te palmen bij hun tuin. Het bleef cijnsgrond, stadseigendom, dat wel. De tocht gaat langs de gotische erker van goudsmid Herman van Outvelde, voorbij het restant van de eerste omwalling bij de Pottenmakersstraat, onder de majestueuze Augustijnenbrug.  De Gouden Handrei brengt ons, onder een laatste brug door, terug op de Langerei.

‘De Brugse reien, aders van de stad’ en ‘Het vloeibare goud’, twee uitgaven waarin Edmond vertelt over het leven langs en op de reien.

En daar aan de aanlegsteiger zit, geduldig maar glunderend op ons wachtend, Edmond Coucke, nestor van de Brugse botengilde. Onze verkenning van het meest avontuurlijke deel van de Brugse reien zit erop. Mijn collega-gids Mia en ikzelf overlopen nog wat praktische afspraken met de bootsman van de zeescouts. Zij staan het komende Open Monumentenweekend paraat met twee zo’n ‘vletjes, stuurman incluis. Twee dagen lang krijgen wij de kans om op en af te varen, telkens met een tiental passagiers, goed voor een lichtjes onvergetelijke tocht.


We kaarten nog na met Edmond, over zijn lange levensweg. Zeg maar vaarweg, hij is sinds zijn jeugd in de weer met bootjes op de reien. En die jongenstijd van hem mag je situeren in de jaren dertig, Edmond is een heer op leeftijd. En zo komt hij ook over, als een heer die met amper verholen trots terugblikt op een boeiend leven.
Een verhaal waarover hij ook uitgebreid vertelt in ‘Het vloeibare goud’, boekje dat mijn zonet genoemde mede-gids Mia Lingier samen met hem schreef over het toeristische reilen en zeilen op de Brugse binnenwateren. En terwijl hij ons op sleeptouw neemt doorheen dat waterleven, komt ook Edmond’s droom ter sprake. Een droom waar ooit ook een Brugs burgemeester mee uitpakte. Zou het niet wat zijn, mocht je bij de Spiegelrei kunnen doorvaren, onder ’t Zand? Of straffer nog, laten we de reie op ’t Zand weer open maken, zoals in de middeleeuwen! Om dan langs het Kapucijnenreitje en op de reie die verborgen ligt in de achtertuin van het begijnhof, helemaal tot aan ’t Minnewater te varen … Edmond bleef het leven langs de reien volgen tot op ‘t laatst. Zijn rondvaart bij de opnamen van een recent tv-programma zou zijn laatste worden. Edmond Coucke nam zijn droom mee op zijn volgende tocht. De bootsman, net honderd geworden, overleed kort voor het jaareinde.

De reien terug openwerken op het Zand, ook Michel Van Maele droomde ervan … Het zou de droom van Edmond een stuk dichterbij brengen …

Gepost in Het Brugge van nu, Van toeristen | 16 reacties