Posted in Zonder categorie, voorlopig | Leave a comment

Marec tekent ’s morgens de dingen

Ineens beseffen wij het, mijn huisgenote en ik, wij zijn cool. En dat zeggen wij niet zelf, ik lees het hier aan mijn ontbijttafel in een deftig tijdschrift met daarin een artikel, vooral foto’s eigenlijk, over kringwinkels. Blijkbaar zijn die vandaag trendy. En wie daar wel eens langs komt, die is cool.
Weet je nog hoe we vroeger spraken over winkels waar ze tweedehandsspullen verkochten? Was dat in termen als ‘trendy’ of ‘cool’? Nee, toch. Omdat die Engelse termen nog niet tot onze woordenschat waren doorgedrongen? Ook, ja, maar toch vooral omdat tweedehands iets was voor wie zich geen nieuwigheden kon permitteren. Waardeloze rommel, opgekocht door lieden die er hun waardeloze interieurs mee vulden, zoiets.
Maar vandaag, lees ik hier, pronk je ongegeneerd met wat je op de kop tikte in zo’n tweedehandsbedrijf. Waarbij je toehoorders liefst ook blije kreetjes slaken als je vertelt hoe weinig centen je ervoor neerlegde.

En tot dat soort volk horen nu dus ook mijn huisgenote en ik. Een tijdje geleden kreeg mijn vrouw de smaak te pakken en intussen kreeg ze ook haar wederhelft over de streep.

Marec maakt het lezers met genoeg Brugse jaren op de teller makkelijk om ze aan te wijzen, Frank Van Acker, Bob Vanhaverbeke, Jacques Devolder, Fernand Vandamme, Patrick Moenaert en Guido Maertens.

Haar wederhelft, die winkelen doorgaans als een noodzakelijk karwei beschouwt, struint zowaar ook wel eens met enige genoegdoening langs de rekken van zo’n kringwinkel. Je laten verrassen door het onverwachte. Het weerzien van een vergeten platenhoes of een oud boek.
Vorige week kwam ze thuis, mijn vrouw, met niet één maar drie boeken, propvol kostelijke cartoons van Marec. ‘Verrassing!’ klonk het, want oogden ze gloednieuw, misschien nog niet eens geopend.
Het wat gênante gevoel dat je overvalt wanneer je een cadeau krijgt waar je niks aan hebt, we kennen het allemaal. Was dat het lot dat deze boeken te beurt viel? En zo beland je, nieuw maar overbodig boek zijnde, in de recyclagewinkel. Tot iemand zich over je ontfermt.

En zo staan sinds kort in onze boekenkast flink uit de kluiten gewassen, getekende overzichten omtrent de voorbije drie jaar. We gaan ze koesteren, want onze Brugse tekenmeester is zijn gewicht in goud waard. Alleszins meer dan de spreekwoordelijke appel en het bijhorende ei die mijn vrouw voor de boekjes in ruil gaf.

En daarenboven brengt zo’n aanwinst de verzamelaar op een idee. Want in zijn collectie zit toch ook één en ander van Marec? Wie zoekt, die hoort te vinden en dus diepten we in de korte keren een overzichtje bijeen. Zeg maar ‘een overzicht’.
De oudste Marec in mijn verzameling is er eentje van vijfendertig jaar geleden. In die tijden is Marec huiscartoonist bij het Brugse blad Uitkrant.
’t Zijn verkiezingen in 1988 en de Volkshogeschool uit de Baliestraat organiseert een lijsttrekkersdebat  in ‘cultureel centrum Boterhuis’. Da’s in de Sint-Jacobsstraat, waar vandaag de Republiek en de Lumière huizen.

Twee jaar later tekent hij zijn eerste van wat een reeks van zes ‘Fietseling’-affiches zou worden. En van ’t Gezellejaar 1999 vonden we een kleinood van zijn hand.

” … een collage van Marec’s vroegere affiche-ontwerpen. ” Daarvoor komen de organisatoren overigens langs bij ondergetekende, zelf hebben ze de affiches niet meer in huis.

Marec is lang kind aan huis bij Exit Magazine, waarvoor hij een promoaffiche tekent bij het honderdste nummer en nog een keer bij de tiende verjaardag van het blad.
In 2012 wordt ‘Fietseling’ een eenmalig nieuw leven ingeblazen, goed voor een collage van Marec’s vroegere affiche-ontwerpen.
En tenslotte is dit jaar, met de terugkeer van de Ronde van Vlaanderen naar Brugge, in de Langestraat en Hoogstraat een etalagewedstijd goed voor een Marec-tekening.

Is dat hard labeur, zo’n vakmanschap verwerven? Of krijg je het mee van in de wieg? Of, wie weet, overvalt het je op een keer. Stel je voor, op een frisse ochtend is er bij ’t ontbijt ineens die drang om te tekenen wat de radio vertelt over de dingen van de dag. En voor je ’t weet staat op je servet een hilarisch prentje. Kranten en andere media verdringen mekaar om je tekentalent in huis te halen. En er komen boeken met cartoons van jou. In de betere boekhandel? Natuurlijk, maar ze zijn óók te vinden in kringloopwinkels!
Da’s het moment waarop je als auteur beseft … nu ben ik pas ècht cool!

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van boeken en schrijven, Van Brugse politiek, Van schilderen en plaasteren, Van wielen en op weg zijn | 4 Comments

Hoe het zit met dat Heilig Bloed

Vorige week stak in elke Brugse brievenbus een folder omtrent de Heilig Bloedprocessie.
Met daarin, naast praktische informatie over die dag, ook historische duiding over de processie.
Bij de jonge generatie kan de parate kennis over die traditie wel een duwtje in de rug gebruiken.
Al kwam rond de vraag hoe het zit met dat Heilig Bloed, vroeger ook wel enige uitleg van pas

Sylvia glundert. Zonet heeft Henri, haar man, hun gast uitgeleide gedaan en er is een goeie zaak beklonken. Niet dat het ontwerpen van een affiche zoveel centen opbrengt, maar echt uitbundig verloopt Henri’s loopbaan als kunstschilder tot dusver niet, dus het kan geen kwaad om ook als graficus wat naam te maken in de stad.
Later zou dat wel goed komen, Henri De Graer zou uitgroeien tot een gerespecteerd portretschilder. Een postuum portret van Gezelle zou zijn naam vestigen. En Henri ontwerpt ook een tegeltafereel met heiligenfiguren op de hoek van de Poitevinstraat en de Sint-Jorisstraat.

Maar dat is nu, in het voorjaar van 1900, nog vage toekomstmuziek. En er klinken al wat kinderstemmen in huize De Graer en zoals dat hoort in een braaf christelijk gezin, hopen zij op een ruime kroost, mettertijd. En dat vraagt om brood op de plank, weet Sylvia.

In het atelier van Henri De Graer is het gesprek met Gustave Herwyn gemoedelijk verlopen. De proost van de Edele Confrérie van het Heilig Bloed werd dan ook in de watten gelegd. De beste sigaren en jenever van een gerespecteerde distillerie in huis halen, bleek de correcte strategie. Uitvoerig deed de proost uit de doeken wat hij van Henri verwachte. Voor de affiche die de Heilig Bloedprocessie aankondigt heeft hij een breedvoerig ontwerp in gedachten, iets dat het grote publiek aanspreekt.

We zijn tenslotte in het jaar 1900, wat wil zeggen dat precies negentien eeuwen geleden de Verlosser werd geboren. Daarom kondigde de paus, Leo XIII, aan dat het om een Heilig Jaar gaat. Dat is, wat kort door de bocht, een jaar waarin de Kerk zichzelf extra in de schijnwerpers zet. En bij zo’n gelegenheid mag ook een processie wat meer om het plechtstatige lijf hebben.
Dit Heilig Jaar komt van pas‘, meent de proost, ‘want we moeten ons behoeden voor het verval van het christelijk geloof. Niet voor niets schreef onze paus enkele jaren geleden zijn ‘Rerum Novarum’, als repliek op de leer van de socialisten. De socialisten, ’t is door hun zondige schuld dat de mensen niet meer geïnteresseerd zijn in de christelijke verhalen, Henri!’
De proost van de Edele Confrérie benadrukte dan ook ‘ … dat de affiche uitgebreid uitleg mag geven over hoe dat zit met dat Heilig Bloed. De mensen weten dat nog amper, Henri!’
Komt voor mekaar!’, verzekerde de schilder en schonk Gustave Herwyn’s glas nog een keer vol. De proost knikte instemmend.

Bij dit Heilig Jaar‘, ging de nobele man verder, ‘krijgt de processie ook een heel nieuwe indeling. Daartoe wordt gerekend op de deskundigheid van kanunnik Adolf Duclos, hij bouwde de voorbije jaren in Brugge meerdere stoeten en processies. Trouwens, dit keer gaat de Heilig Bloedprocessie niet één maar twee keer uit. Eén keer, zoals vanouds, op maandag en ook nog eens de zondag daarop.’

Allemaal argumenten, beseft Henri De Graer, voor een groots opgezet plakkaat, een ontwerp dat zich kan meten met de modieuze affiches van tegenwoordig. Maar hier bij ons wèl, in tegenstelling tot de vaak gênante, wellustige ontwerpen in Parijs en Brussel, met godvruchtige inslag. Achter zijn tekentafel laat de kunstenaar zijn fantasie de vrije loop. En in die verbeelding van hem draait alles rond het kernmoment van het Heilig Bloed-verhaal, het ogenblik waarop Jezus sterft aan het kruis.

Dat ziet hij zo. De gekruisigde wordt omringd door een aureool van negentien engeltjes die elk een banderol dragen waarop een Romeins cijfer. Elk cijfer staat voor een eeuw.

Vanuit dat aureool schijnt een lichtstraal met daarin het getal ‘MCL’, ofte 1150. Da’s het jaar waarin, volgens de oude traditie, het Heilig Bloed aan Brugge werd geschonken.
De lichtbundel straalt overigens neer op dat ene moment, de overhandiging van de relikwie, voor de stadspoorten van het oude Brugge.

Intussen is Henri helemaal op dreef, hij laat een engel een kelk ophouden waarin het bloed van Jezus neer druppelt. De Heilige Graal? En er volgt nóg meer … Want er sijpelt ook bloed langs het kruis, helemaal naar beneden, over een soort wereldbol. En dat gewijde bloed vind zijn bestemming op een plaats op die aardbol en die plaats heet … Brugge.

Is dat niet wat ver gezocht, Henri?‘, vraagt Sylvie, wanneer ze haar vent een kop thee inschenkt. ‘Duidelijk, alleszins’, weerlegt de kunstenaar, ‘en is dat niet wat de proost vraagt?‘ ‘Da’s waar.’, weet zijn wederhelft.

Maar wat ze niet begrijpt … ‘Bovenaan staat ‘Negentiende eeuwfeest van het Heilig Bloed’ … Die relikwie hier bij ons, die dateert toch van toen Jezus gekruisigd werd, in ’t jaar 33? Dat is dit jaar toch geen negentienhonderd jaar geleden?
Henri krabt zich in de haren. Waarom stelt zijn Sylvie toch altijd van die vervelend juiste vragen?

Posted in Het Brugge van toen, Van feesten en vieren, Van schilderen en plaasteren, Van stoeten en processies, Van zin, zen en zijn | 9 Comments

De scheve toren van … Brugge

De architect die ergens in de jaren achttienhonderd de Brugse stadsschouwburg uittekent, weet hoe het er in de wereld aan toe gaat. Hij is dan ook van Brussel en daar volgen ze de jongste trends. Eén van zijn bij-de-tijdse ideeën omtrent de schouwburg betreft een bovenbalkon voor het gewone volk. Ook het plebs, meent onze Brusselse bouwmeester, moet de kans krijgen om af en toe een voorstelling bij te wonen. Schoon van hem, vooral omdat hij er meteen ook voor zorgt dat die simpele zielen niet in de weg lopen van monsieur en madame die zich door hun koetsier tot bij de voordeur laten voeren. Daartoe bedenkt hij in de zijgevel van zijn cultuurtempel een deurtje waarlangs Jan met de Pet en Katelijne de kantwerkster naar een bescheiden trap worden geleid, helemaal tot bovenin de schouwburg. Zonder de beau monde te storen. Onderscheid moet er zijn, meneer!

Het raampje
Eenmaal daarboven, het vergt een behoorlijke klim langs die smalle, wat sombere trap, kom je dus bij de goedkope zitplaatsen, hoog boven het podium en het duurdere publiek dat parterre zit.

En ginder kom je, net voor je er je plek opzoekt, voorbij het raampje. Al kan het best zo wezen dat je, stilletjes naar adem happend, boven arriveert en het raam waarover wij je graag vertellen achteloos passeert. Want je bent op weg naar je zitplaats, benieuwd naar wat de avond brengen zal. En dan is een onopvallend venster niet datgene waar een mens oog voor heeft.

Dat je daar helemaal boven in ’t kiekenkot terecht komt, wil geenszins zeggen dat je een foute plaats uitkoos. Een tijd geleden waren vrienden van ons er voor een concert van ’t Zesde Metaal. Je weet wel, Wannes Cappelle en trawanten. Het verraste hen hoe de muziek daar hoog bij ’t plafond van de schouwburg, best genietbaar klonk. De Brugse stadsschouwburg en zijn akoestiek, ’t is niet voor niets dat artiesten er graag langs komen. Dus mocht je nog een keer een avond in de schouwburg plannen, dan is de keuze voor ’t kiekenkot ’t overwegen waard.
En bovendien heb je er dus het raampje als toemaatje.

Scheve toren
Jan met de Pet en Katelijne de kantwerkster waren er zich niet van bewust welk voorrecht hen ten deel viel. Want wat ze door dat venstertje bij hun goedkope etage te zien kregen, daar konden de hoge heren en dames naar fluiten.

Die uitkijk, dus. Je wordt er verrast door een onverhoopt uitzicht op de bovenbouw van het fris gerenoveerde Provinciaal Hof op de Markt. Dat bouwwerk probeert je aandacht te trekken en daar slaagt het ook in. Maar het is het belfort dat je zal verrassen.
Dat ons belfort scheef staat, dat weet inmiddels elke Bruggeling. Maar op weinig plaatsen valt dat zo op als hier, bij dat venster.

’t Is op een frisse zomerdag, zo’n dertig jaar geleden, dat koene alpinisten zich vakkundig van op het dak van het belfort naar beneden takelen, stoer Spiderman spelend. Om dan op specifieke plaatsen aluminium nagels in de torenwand aan te brengen die vakkundige lieden in staat stellen om van op de begane grond uit te zoeken hoe scheef het belfort precies staat.

En, nog net ièts belangrijker, om na te gaan of daar in de loop der tijd nog verandering in komt. Ze komen tot de vaststelling dat de toren een dikke tachtig centimeter naar het zuidoosten leunt. Naar de Wollestraat toe, zeg maar. Of dat veel is, tachtig centimeter? Niet echt, neen. Al zijn er een paar plaatsen waar je dat met wat goede wil met het blote oog kan zien.
Vooraan in de Vlamingstraat, alvast. En in ’t Geernaartstraatje, dat zich tussen de restaurantgevels aan de noordzijde van de Markt een weg zoekt naar de Eiermarkt.

Côté Jardin
Maar als er in de hele stad één plek is waar d’alletorre haar status als scheve toren zo ongegeneerd bevestigt, is dat ginder bovenaan die trap in de stadsschouwburg. Van overal op de begane grond sla je je ogen op, kijk je naar het belfort in kikvorsperspectief.

Maar van bij het kiekenkot kijk je het bouwwerk bij wijze van spreken recht in de ogen. En kan je er echt niet om heen … hoe ons belfort niet weinig neerbuigend naar de Wollestraat toe leunt. Heeft het iets onrustwekkend?

Het staat al eeuwen zo, zeggen ze …

Het staat al eeuwen zo, zeggen ze, dus geen nood. En dat zo’n bejaarde torens wel vaker wat uit de pas lopen. Zou te maken hebben met boomstammen in de fundering, lees je hier en daar. Dat bij zo’n fundaties ook koeienhuiden van pas kwamen?  We vroegen het stadsarcheoloog Frederik Roelens en die verzekert ons dat hij daar nog nooit een aanwijzing voor vond.

Vlaamse subsidies voor het restaureren van de meest iconische toren van onze stad laten op zich wachten. En dus besluiten onze Brugse politici om dat project uit te stellen. Maar heren en dames politiekers, wees toch maar waakzaam! Want of u meent dat de toren naar links, dan wel naar rechts buigt zegt mogelijks iets over uw politieke achtergrond, maar uit de pas staat hij in elk geval.
Laatst sta ik aan het raampje bij het kiekenkot, in ’t gezelschap van een dame die sinds jaren thuis is in de schouwburg. Naar welke kant ons belfort leunt, vraag ik. Haar vastberaden antwoord? “Dat zie je zo, côté jardin!

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van Brugse politiek, Van zingen en spelen | 12 Comments

Naar de Meifoor met Joni Mitchell

Het jongetje dat vijftien voorjaren geleden, in 2008,
het olijke campagnebeeld tekende voor de affiche van de Meifoor,
wat is er zoveel kermissen later van dat manneke geworden?
Wij zochten en vonden de inmiddels niet meer zo kleine Robbert Roos.

Mijn beste Robbert, zal ik je vertellen over Joni Mitchell? ’t Zou me verbazen mocht jij, frisse twintiger, vertrouwd zijn met die naam. En toch deed jouw kermistekening mij aan haar denken. Of liever, aan één bepaald lied van Joni Mitchell.
Want Robbert, laat mij even duiden, Joni is een zangeres. Zomaar een zangeres? Je mag haar zonder enige schroom beschouwen als één van de grootste Amerikaanse songwriters van haar generatie. Ze begon ergens in de bloemenjaren zestig van vorige eeuw, toen muzikanten van haar lichting zingend de wereld wilden herschilderen in een vredevol oord. Ze vestigde haar naam met degelijke, kleinkunstige liedjes met redelijk doordachte teksten.

Pas later mengde Joni Mitchell een gedurfde wolk jazz door haar songs en verwierf in de muziekwereld het statuut van gerespecteerde madam.
Maar toch is het zo’n eenvoudig deuntje uit haar beginjaren dat zich aandiende toen ik je tekening zag.
Nu de foor weer in de stad is, diepte ik mijn map met kermisaffiches op. Die zijn jaar na jaar getooid met kindertekeningen. En tussen al die plezante fantasie viel mijn oog op een bijzonder kleurrijke prent van vijftien jaar geleden, jaargang 2008. Onderaan de affiche staat ‘Winnaar tekenwedstrijd 6 tot 12jarigen, Robbert Roos’.
Dat jaar was de tekening van Robbert uit ’t zesde leerjaar verkozen om overal in de stad de Meifoor aan te kondigen! En om het feest compleet te maken, werden de artiest en zijn klasgenootjes ook nog getrakteerd op een gratis kermismiddag.
Dankzij jouw schilderwerk, Robbert. Dat zotte reuzenrad dat omheen het belfort wentelt, terwijl van bij de voet van de toren zo’n kermisrail zich een weg baant, omhoog en omlaag.

En mij bracht die tekening van jou zowaar bij die song van Joni Mitchell.
In ‘The circle game’ ziet Joni ‘t leven als een kermis. Beschilderde paardjes en hoe ze op en neer gaan op de draaimolen van de tijd.

Over een kind, zingt ze, een jongetje dat opgroeit en hoe dat gaat. Over het kleine manneke, bang van de donder of verwonderd om het fladderen van een waterjuffer. En hoe ‘later als je groot bent’ de meest beloftevolle dromen in zich draagt. Hoe het jongetje jongen wordt, fel en ongeduldig naar wat komen zal. En hoe, eenmaal opgegroeid, de werkelijkheid soms minder groots blijkt dan verwacht. Maar dat zich nieuwe dromen aandienen, andere en misschien betere. De carrousel van het bestaan, kortom.

En ik vroeg mij af, met dat lied in gedachten, of dat met die knaap van de affiche ook zo verliep.
Ontmoet ik iemand van wie de naam op zo’n affichetekening stond, dan worden veelal fijne herinneringen opgehaald aan een tijd van toen. Maar omtrent plastische creativiteit bleef het doorgaans bij die ene tekenwedstrijd. Niet zo bij jou, Robbert.
Het duurde even voor ik je aan de lijn kreeg, zo gaat dat in deze digitale tijden. Maar uiteindelijk verschenen we toch op elkaars scherm voor wat een hartelijke babbel werd.

Honderduit vertelde je over hoe het je verder verliep. Met je kermisaffiche als, achteraf gezien, de aanzet voor een schoolloopbaan waarlangs je de creatieve weg op ging. Je woont nog altijd hier in Brugge, al bracht die weg je naar een Gentse studio waar creatief volk zich uitleeft in een waaier van grafiek. Die weg volg je al even samen met je vriendin. En sinds enkele weken ook met Edgar, jullie eersteling. Dat je zelf de geboorteaankondiging van Edgar bedacht en tekende, het zal geen mens verbazen.
Zou het waar zijn, wat ze vertellen, Robbert? Dat scheppende geesten, al is het zonder het te beseffen, zelfs in de eenvoudigste creatie een heel leven schetsen? Dan tekende jij die keer, als klein prutske, vast en zeker maar zonder het te weten, de carrousel van je eigen jonge leven.
Laat het dan ook maar zo zijn dat ooit in een verre tijd een jong zangeresje, gitaar op schoot, zong over jou, het knaapje dat de kermis tekende, de carrousel van zijn eigen toekomst. Joni Mitchell’s song, Robbert, gaat over jou.
Over de dromen die je koestert. Dromen waarvan sommige opbloeiden en andere minder of niet. En over nieuwe dromen die zich aandienen. De lach van een vriendin, het kirren van een zoontje. En wie weet, binnen een jaar of tien, een Brugse affiche met daarop ‘‘Winnaar tekenwedstrijd 6 tot 12jarigen, Edgar Roos’.
Dat wenst het jongetje dat in mij schuilt jou, jullie, van harte toe.

Joni Mitchell’s ‘The Circle Game’ hoor je hier, Robbert:
https://www.youtube.com/watch?v=V9VoLCO-d6U

Posted in Het Brugge van nu, Van feesten en vieren, Van schilderen en plaasteren, Van zin, zen en zijn, Van zingen en spelen | 4 Comments

Met Filips de Goede naar de stadsschouwburg

Alle boeken over Brugge achter de ene glazen deur, achter de andere het overige leesvoer, ziedaar de simpele ordening van de boekenkast bij ons thuis. Meer hoeft dat niet te wezen, zo uitgebreid is onze bibliotheek niet. Had het ook anders gekund? Wat als het hele zootje boeken verdeeld was in ‘gelezen’ en ‘ongelezen’? Amper geopende boeken die wachten op het moment waarop ik er tijd voor maak, het zijn er meerdere. Al zouden in dat geval ook een paar van hen uit de boot, of in dit geval uit de kast, vallen. Want er zijn, naast nog niet gelezen, ook half gelezen boeken. Is het verschijnsel u bekend?
Het niet uitlezen van een boek, met blozende wangen bekent deze jongen dat hij er zich wel een keer aan bezondigt. Met hoeveel goesting haalde ik, alweer een tijd geleden, ‘De bourgondiërs, aartsvaders van de Lage Landen’ in huis! Bart Van Loo’s bestseller, toen hèt boek van het moment! Wat liep er fout, dat ik vandaag die boekband ter hand neem en vaststel dat het leeslint ergens middenin bleef steken?

Bijzonder boeiend vertelde geschiedenis, herinner ik mij nochtans. Ongetwijfeld drongen zich plotsklaps allerhande dringende doe-dingen op. Rommel naar recyclagepark, auto naar garage, hond naar dierenarts. En wanneer stielmannen ons huis maandenlang omtoverden tot bouwwerf, blijkt dat geen leesbevorderende omgeving. En bovendien rekende u, lezer van deze blog, op uw wekelijks verhaal. U begrijpt, dat het boek van Bart Van Loo nooit uitgelezen raakte lag aan iedereen, behalve aan ondergetekende.
Doch ziet, ik geef mezelf twee weken om ‘De Bourgondiërs’ uit te lezen. Twee weken, want dan komt Bart Van Loo. Hij komt vertellen in de stadsschouwburg en ik zal er graag bij zijn. Kan ik mij veroorloven dat de auteur mij daar ineens ziet zitten, ergens middenin parterre, en van mijn onzekere blik afleest dat ik dat boek van hem niet eens tot het einde las?
Bart Van Loo is, vermoed ik, naast vlot schrijver ook vlot verkoper. En dus neemt hij achteraf wellicht de tijd om te signeren. Al zie ik mezelf niet meteen in de rij staan, met onder de arm dat boek met Filips de Goede op de hoes. Was nooit een handtekeningenjager.

Hoewel, wacht eens, wat als deze verzamelaar Bart een affiche voorlegt om te signeren? Dat zou nog een keer wat zijn, Bart Van Loo zijn krabbel, bij voorkeur op een affiche met als blikvanger Filips de Goede, de Bourgondiër. En ja, Bart, ik heb er eentje dat jou vast en zeker zou boeien.

We schrijven zomer 1907. Brugge is in feeststemming. Want ten noorden van de stad wordt de nieuwe haven ingehuldigd, het latere Zeebrugge. De verwachtingen zijn hoog gespannen, want na eeuwen sluimeren zou Brugge weer uitgroeien tot wereldhaven! Festiviteiten alom. Een volksbanket in de stadshallen. Een middeleeuws steekspel op de Markt. En een prestigieuze tentoonstelling die de gloriedagen van middeleeuws Brugge in herinnering brengt, de Orde van het Gulden Vlies is het thema. Flori Van Acker, befaamd Brugs schilder, staat in voor het promotiemateriaal. Waaronder deze affiche met Filips de Goede, stichter van de orde, als protagonist van dienst.
Boven een weelderig, gotisch tekstgedeelte pronkt een trotse Filips de Goede, stichter van de Orde in 1430, in feestelijk ornaat, met dat kenmerkende hoofddeksel van hem. Die Bourgondiërs waren trendsetters. Zelfverzekerd rust zijn rechterhand op zijn riem-met-dolk, zijn linker op een wandelstok. Een scepter? Om zijn schouders, de ketting van zijn nieuwe ridderorde.

De balustrade waarachter hij postvat is perfect symmetrisch uitgetekend. Met centraal het wapen van de hertog en rechts de vertrouwde Brugse, gekroonde letter ‘b’. Maar als Flori die symmetrie wil behouden, verandert links die ‘b’ in haar spiegelbeeld, een betekenisloze ‘d’.
Flori bedenkt een zotte oplossing. Laat de schoudermantel van de hertog ‘toevallig’ over de balustrade neervallen en niemand let nog op die bizarre letter ‘d’.

En de mantel komt zowaar nog een keer van pas. Want op de achtergrond doemt het middeleeuwse Brugge op, met prominente stadswallen en de gekende torens. Eén van die torens stelt de ontwerper voor een nog ambetanter dilemma. Het meest kenmerkende gebouw van de stad, het belfort, is in 1430, bij de stichting van de Orde, nog aanzienlijk minder hoog dan vandaag! Pas vijftig jaar later krijgt de toren zijn achthoekige bovenbouw! Dus kan hij het silhouet van de toren niet weergeven zoals wij, Bruggelingen, ermee vertrouwd zijn.

Maar Flori Van Acker hoef je de knepen van zijn vak niet te leren. De mantel van de hertog laat hij gracieus opwaaien. Waarbij, daar is alweer het toeval, een deel van het belfort aan ons oog wordt onttrokken. Van Acker weet hoe ons brein waarnemingen aanvult met wat in ons geheugen ligt opgeslagen. De toeschouwer ziet de gekende toren, terwijl die niet eens wordt afgebeeld.
En er is meer! Want op het eerste gezicht oogt dit als een hoogst vredevol tafereel. Maar tussen Brugge en de Bourgondiërs is ‘t lang niet altijd koek en ei. Amper een handvol jaren na de stichting van de Orde van het Gulden Vlies, is het al van dat. Dan zal de hertog hier bij ons een revolutie van de ambachten, zeg maar ’t werkvolk, hardhandig neerslaan. Die latente spanning tussen de machthebber en het gewone volk, ook die ontgaat afficheontwerper Flori Van Acker niet. Al merkt enkel wie aandachtig toekijkt dat op zijn affiche, onder de stadswallen, een troepenmacht van Filips oprukt om de opstandige stede een lesje te leren!

In 1907 ontwerpt Flori Van Acker zijn meest iconische affiche. In dat ontwerp toont hij Brugge in zijn Bourgondische gloriedagen. Een stad die later, na de florissante middeleeuwen, harde tijden zal doorstaan. Tijden die Brugge in 1907 met de bouw van een nieuwe zeehaven hoopt te keren. Bij de opening van die haven tracht deze affiche belangstelling voor de geschiedenis van onze stad te genereren. De aanzet van wat later zou uitgroeien tot een belangwekkende factor in het lokale leven, het toerisme.
Of hoe één enkele affiche het hele verhaal van een stad vertelt. Bart Van Loo, je bent een begenadigd chroniqueur. Maar met zijn heel eigen, grafisch vocabulaire kende Flori Van Acker daar ook wat van.

Posted in Het Brugge van toen, Van boeken en schrijven, Van feesten en vieren, Van schilderen en plaasteren, Zeebrugge, de haven | 4 Comments

Huis te koop

Je hebt gelijk, mijn beste Frank Brangwyn, ze hadden met het definitief sluiten van de bovenverdieping van het Arentshuis nog drie jaar kunnen wachten. Dan kon je terugblikken op negen volle decennia waarin jouw artistieke erfenis hier te bewonderen was. Maar zeg nu zelf, hoeveel kunstenaars worden zo in de watten gelegd? ‘k Zal je wat vertellen, maar hou het stil. Zelf ken ik een verzamelaar van affiches – zoals de meeste verzamelaars een wat naïef type. En die mens droomt, je houdt het amper voor mogelijk, van zo’n expositieruimte.
Ik weet het, toen jij in het verre 1936 Brugge een heleboel van je kunstwerken aanbood, kreeg je van je geboortestad de belofte dat we je oeuvre blijvend zouden tentoonstellen. Voor eeuwig en drie dagen?

… het definitief sluiten van de bovenverdieping van het Arentshuis …

De plechtige opening van die permanente expositie, in kranten van toen las ik erover. Op foto’s van die plechtige middag turen heel serieuze heren met heel serieuze blik door hun monocle naar je schilderijen en etsen. Waarom hun dames thuisbleven, dat lees je nergens. Waarom jij er zelf niet was, dat staat er wel. Je lag ziek te bed, thuis in je eigen Engeland. Wat je doodjammer vond, stel ik mij voor.

In 2006, bijvoorbeeld, de vijftigste verjaardag
van je sterfdatum

En dus trokken burgemeester Van Hoestenberghe en een stel schepenen helemaal naar Sussex om jou voor je gulle schenking te bedanken. En om je de titel ‘Ereburger van de stad Brugge‘ aan te bieden. En sindsdien kon al wie dat wou, in het Arentshuis aan de Dijver kennis maken met het veelzijdige werk van Frank Brangwyn.

Je wieg stond hier aan de Oude Burg. Omdat je Engelse vader, William Curtis Brangwyn, als interieurontwerper van kerken en kapellen doende was in een Brugge dat zich met neogotische bouwwerken wou heruitvinden als middeleeuwse stad. Onder meer bij de herinrichting van de Heilige Bloedkapel had je pa een vinger in de pap. Je was nog een jong manneke toen je familie terugkeerde naar Engeland, maar Brugge bleef je fascineren, je leven lang. Jeugdsentiment?
Of neen, je was nooit echt sant in eigen Engeland, zat het hem daar? Was je dan niet een krak in je vak? Toch wel, meer zelfs, je was krak in meerdere vakken. En mogelijks werd je daarop afgerekend. Schilderen, etsen, interieurs en meubels ontwerpen, muurschilderingen, glasramen, je wist van aanpakken. Wie zo veelzijdig is, is dat niet eerder een vakman dan een kunstenaar? Misschien, Frank, was dat het misverstand omtrent je creativiteit.
Was het om die geringschatting bij je thuisbasis dat Brugge van jou die collectie kunstwerken cadeau kreeg? We zijn ze blijven koesteren, alleszins. Af en toe bouwden we een gelegenheidstentoonstelling. In 2006, bijvoorbeeld, de vijftigste verjaardag van je sterfdatum.
Het Arentshuis, voorbehouden voor Frank Brangwyn, ik heb het nooit anders geweten. Tot nu, dus. Want nu het museumbeleid in handen is van een stel jonge beeldenstormers, zet Musea Brugge een punt achter zijn langstlopende tentoonstelling ooit. Een keuze die amper stof doet opwaaien, valt er wat voor te zeggen? Want komt er ooit iemand naar Brugge voor het werk van Frank Brangwyn?
En dus verlaat je werk het herenhuis aan de Dijver, waar het al die tijd thuis was. Het Arentshuis krijgt een bijdetijdse rol toegewezen, niks mis mee. De bovenverdieping, jouw stek, wacht nog op een invulling.
Maar je weet nooit, misschien gunnen we je collectie nog een tweede adem. Binnen afzienbare tijd in het aanbouw zijnde BRUSK-museum, ruimte zat, tenslotte. Dus Frank, jongen, tot nader order geen paniek.

… Ik herinner mij nog het museum-oude-stijl

Trouwens, dat het begrip ‘Arentshuis’ generaties lang gelinkt werd aan jouw naam, zo voor de hand liggend is dat niet. Je woonde of werkte er tenslotte nooit. Sommige Brugse huizen met een veel nauwere band met een kunstenaar hebben een ècht eigen verhaal. Een verhaal dat van pand tot pand danig kan verschillen.

Neem nu het geboortehuis van Guido Gezelle. Ontelbaar vele jaren was ook dat een museum omtrent de dichter. Ik herinner mij nog het museum-oude-stijl. Je werd er verondersteld, van bewondering in katzwijm te vallen bij het aanschouwen van een pen of een pijp die Gezelle ooit ter hand nam. Of bij een dodenmasker dat van de overleden schrijver was gemaakt. Geeuw!
Afstoffen, die handel, en dus mat het Gezelle-museum zich in recenter tijden een meer eigentijds imago aan. En omschreef zichzelf als ‘Gezellehuis‘. Maar ’t was geen avance, er kwam geen kat over de oude vloer. En dus laten die van Musea Brugge – zij weer – weten dat het Gezellehuis voortaan nog één dag per maand wordt opengesteld. Je hoort het goed, Frank, één dag per maand.
En, vriend Brangwyn, er is nog meer nieuws omtrent huizen. Over het Memlinghuis, met

In de vijftiende eeuw zou Hans Memling op dat perceel gewoond hebben …

name. Al heeft dat imposante pand in de Sint-Jorisstraat veel noten op zijn zang. In de vijftiende eeuw zou Hans Memling op dat perceel gewoond hebben, meer heeft het met de Vlaamse Primitief niet van doen. Het huis dat er vandaag staat is van veel recenter datum, dat zie je zo.

… Het atelier van Flori Van Acker …

Het Brugsch Handelsblad huisde er heel lang maar nu stond het te koop. Hallo, afficheverzamelaar? Een wel heel indrukwekkende locatie om de geschiedenis van de Brugse affiche te vertellen, toch? Te laat, ’t is verkocht! En aan een verzamelaar dan nog! Hij heet Paul De Grande en doet iets met antiek. Was onze afficheverzamelaar te traag of wist De Grande zijn passie deskundiger te verzilveren, zodat ie zich wèl een treffelijk bod kon veroorloven? Eén keer raden.

Maar er is nog hoop, er staat voorwaar nóg een kunsthuis te koop, in de Korte Vuldersstraat. Het atelier van Flori Van Acker, ooit befaamd Brugs schilder en als graficus zowat de vader van de Brugse affiche. Een wel héél geschikt oord om affiches te presenteren. Wat belet de verzamelaar om toe te happen? Toch weer niet zijn al te mager spaarvarken?

In afwachting blijft hij hier ten huize zijn collectie braaf ordenen in zijn affichekamer. Al deed recent nieuws hem toch weer even opkijken. Misschien moet hij maar een keer langsgaan bij die gasten van Musea Brugge. Hebben die niet, ergens aan de Dijver, een bovenverdieping waarvoor ze niet meteen een bestemming kunnen bedenken?
Ik hou je op de hoogte, Frank.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Over affiches verzamelen, Van boeken en schrijven, Van schilderen en plaasteren | 7 Comments

Tamsin en Tura

Na meer dan zestig jaar op de planken, neemt hij afscheid van het podium …
Will Tura en Brugge, en wat die twee met mekaar hadden.

Ze noemden mekaar bij hun voornaam, dat staat buiten kijf. Maar sprak Fernand zijn bondgenoot aan met ‘Arthur’ of met ‘Will’? Om dat uit te klaren kunnen we bij onze stadsgenoot Fernand niet meer terecht, hij overleed vijf jaar geleden. Gaan we bij Will Tura langs om meer te vernemen, krijgen we ongetwijfeld een uitgebreid antwoord. Fernand Tamsin en Arthur Blanckaert waren boezemvrienden.
Dus laat mij u vertellen over een bezige bij uit Brugge en een ook altijd bezige liedjesmaker uit Veurne. Mijn verhaal brengt ons naar een dag in de vroege jaren zestig. Fernand Tamsin, een frisse dertiger uit Sint-Kruis, combineert een schone job in de Gistfabriek met van alles en nog wat. En daar zal hij zijn hele leven mee doorgaan. Fernand heeft, zoals ze dat in plastisch Brugs uitdrukken, ‘geen zittend gat’.

In de loop der jaren treffen we hem bij het organiseren van jaarbeurzen in de beurshal, is hij actief bij het ‘Steunfonds voor Verlaten Kinderen’, bij de oprichting van wooneenheden voor mensen op leeftijd in zijn deelgemeente en bij de Brugse Vrije Radio. Hij is in de weer als vrijwillig bezoeker van gevangenen en terloops ook nog in de gemeenteraad. Of om Bram Vermeulen te parafraseren, in de rivier ‘Brugge’ verlegde Fernand Tamsin meer dan één steen.

Maar dit keer volgen we hem dus in zijn jonge gloriejaren. In Sint-Kruis gaat een spelavond door en ook daar is Fernand present. Bij aanvang belooft hij om bij verlies een optreden van Will Tura te regelen. Hij verliest en dus haalt hij het in die dagen prille tieneridool van ‘Eenzaam zonder jou’ naar het Schuttershof.
Fernand is onder de indruk van de jonge zanger. Van de gedreven muzikant die Gilbert Bécaud aanwijst als zijn groot voorbeeld. We zijn getuige van de aanzet tot een blijvende kameraadschap tussen de zanger en de Bruggeling die zich meer en meer als concertorganisator profileert.
De passage van Will Tura in Brugge groeit uit tot een traditie en die traditie tot een reeks verjaardagsbals. De eerste jaren gaan die door in het Schuttershof, maar wanneer een paar zomers later het Boudewijnpark opent, verhuist het jaarlijks bal naar het nieuwe pretpark, onderdeel van het Michel Van Maele-imperium. Niemand kijkt er dan ook van op, dat Paverko bij elk verjaardagsfeest een reuzentaart laat aanrukken.

… en terloops ook nog in de gemeenteraad.

We zien hoe Fernand de muzikant volgt doorheen zijn hele loopbaan. Met dat verjaardagsbal als rode draad. Terwijl Will Tura jaar na jaar de hits aan mekaar rijgt. Soms goeie, soms mindere. Ook wel een keer een hele flauwe. Neen, waarde lezer, dit stukje is niet geschreven door een volbloed fan.
Zijn bewonderaars dragen hem op handen gedragen, onvoorwaardelijk, maar door de liefhebber van de ‘betere muziek’ wordt hij smalend weggezet als smartlapzanger. Tot op een keer een handvol muzikanten uit het rockwereldje met een album vol Tura-covers op de proppen komt. Hela, zou Will Tura dan toch een gerespecteerd vakman wezen?
In Brugge zorgt Fernand bij elk verjaardagsbal voor lokale persaandacht. Elk jaar lees je wel ergens over honderden fans die in augustus naar de Oberbayernzaal afzakken. Over het verjaardagsgeschenk waarmee Fernand keer op keer ‘zijn’ zanger en het publiek verrast. Soms een voor de hand liggend geschenk, een andere maal iets meer origineel. Het zotste? Op een keer doet hij zijn idool – Will’s sterrenbeeld is ‘leeuw’ – een leeuwenwelp cadeau.

Een tussendoortje … Will Tura in de Gilde, de ‘volksschouwburg’. Ook een organisatie van Fernand Tamsin.

In de Oude Hoogweg in Sint-Kruis kijken de buren er al lang niet meer van op, wanneer laat in de nacht, na het jaarlijkse feest, Will Tura en zijn muzikanten nog even komen nakaarten bij Fernand en zijn vrouw.
En Fernand blijft doende. Bij het tiende bal regelt hij voor zijn beschermeling een ontvangst op het stadhuis. Enkele edities later krijgt Will Tura de titel ‘Brugs ereburger’ opgespeld. En wanneer hij bij zijn vijfentwintigste feest weer door de burgemeester wordt uitgenodigd, strooit beiaardier Aimé Lombaert een handvol van Tura’s melodieën over de stad uit. Enfin, de organisator legt zijn poulain in de watten.

Fernand Tamsin en Arthur Blanckaert en de weg die ze samen aflegden, het kan tellen. Hoe het was om in Fernand Tamsin’s schoenen te staan? Weet u wat ik mij afvraag? Of Fernand de zanger ook wel eens tegen de haren in streek. Wees hij hem ooit op de vaak gehoorde kritiek, dat Will Tura’s muziek soms leed onder bedenkelijke teksten waarmee de muzikant genoegen nam? Herinnerde hij Will dan aan zijn idool, de grote Gilbert Bécaud?

…. ’t was pas bij het bal van 1994, het dertigste op rij, dat hij en Will besloten om te eindigen in schoonheid.

Laten we wel wezen, niemand had het ooit aangedurfd om bij de Franse chansonnier voor de dag komen met een tenen krullend karamellenvers als ‘In mijn caravan ben ik superman’.
Maar misschien maakte het Fernand weinig uit, Will bleef successen boeken, hij bleef dat verjaardagsfeest organiseren. Al werden de twintigste editie en de vijfentwintigste door hem aangekondigd als ‘misschien wel de laatste’. Maar ’t was pas bij het bal van 1994, het dertigste op rij, dat hij en Will besloten om te eindigen in schoonheid.

In deze affichecollectie steekt één en ander dat zo’n bal aankondigt. En zodoende heeft de verzamelaar zich, om dit verhaal te reconstrueren, verdiept in de geschiedenis van Tamsin en Tura, twee kompanen die samen voor Brugse muziekhistorie zorgden. De tol die ondergetekende voor dat zoekwerk betaalt, een hele dag doorkomen met een lied van Will Tura in zijn hoofd, neemt hij er graag bij. Zelfs al is het zo’n hardnekkige oorwurm als ‘In mijn caravan ben ik superman’.

Posted in Het Brugge van toen, Van Brugse politiek, Van feesten en vieren, Van gitaren en drums, Van zingen en spelen | 13 Comments

Mmmonnikenwerk

Monniken’, het jongetje dat ik ooit was lag wel eens in de knoop met dat soort woorden, wanneer ze opdoken in een dictee. En ze doken vaak op in een dictee. Maar nu maken ze het wel heel bont. Want nu ik de regels omtrent dubbele medeklinkers onder de knie heb – doorgaans toch – lees ik op de website van onze stadsbibliotheek een link naar ‘Mmmonk’. Op zoek naar wat achter die link schuilt, merk ik dat het dan nog over schrijven gaat ook!

Schrijven, doen we het nog? ’t Zal wel zijn, de hele dag zijn we schrijvend in de weer. Op onze smartphone, in de eerste plaats. Shakespeare heb ik nooit doorploegd, maar dat hij Hamlet “Words, words, words” in de mond legt is mij bekend. Prins Hamlet bedoelt “Ach, ’t zijn maar woorden” en al verwijst hij niet naar TikTok of ander online geschrijf, toch is hij met zijn mijmering helemaal bij de tijd. Want allemaal overladen wij, de ene al vingervlugger dan de andere, het universum met ontelbaar veel getypte woorden, uur na uur en dag na dag. Kettingschrijvers zijn we geworden. Maar is al dat vingerspel wel schrijven? Of is dat alleen wat je op papier neerschrijft?
Een terugkeer naar pen en papier? Verwacht dat pleidooi niet van deze jongen, hij was nooit vlot van handschrift. Hij is van de dagen, toen er nog in elke schoolbank een inktpot stak. En linkshandig als hij was, leerde hij onder lichte dwang rechts schrijven. Dat werd vooral onhandig schrijven. Bij elk woord dat hij aanvatte, vroeg hij zich af hoe eraan te beginnen. Stamt zijn waakzaamheid omtrent de waarde van woorden uit die tijd?

Dus wat mij betreft, leve het klavier! Al droom ik, wanneer ik een fijn gevormd handschrift onder ogen krijg, heimelijk van schoonschrijftalent. Want dat imponeert, hé, zo’n vakkundig neergelegde tekst. En dan zwijgen we nog over kalligrafie.
We kennen in onze stad een paar schoonschrijvers die daar indruk mee maken. Brody in zijn eeuwenoude pand aan het Jan van Eyckplein, en Maud in de Sint-Clarastraat. En nog Brugs volk dat zich in de stille schaduw bekwaamt in kalligrafie.
En ja, we herinneren ons Jan, uiteraard, in het Oude Zomerstraatje. Een aantal verhalen geleden vertelden wij al over verzamelaar Jan Broes. En over zijn woonst, de thuis van ‘letterkunde’ in de meest letterlijke zin van dat woord. Al was ook de letterkunde van schrijvers hem lief. Van stadsgenoot Jan van der hoeven, onder anderen.
Misschien zijn ze u niet eerder opgevallen aan de Oude Burg, waar u onder die arcades van de stadshallen door wandelt, de beschreven gewelven. Met een gedicht van Jan van der Hoeven. Het laat zich moeizaam lezen, zo pal boven uw hoofd. Het staat er in het Nederlands, Engels, Frans, Duits en Spaans, elke taal in een ander lettertype.

Na al die jaren bladert het schrijfwerk af, laten we erop vertrouwen dat het restauratieteam dat binnenkort het belfort en de hallen aanpakt, ook kalligrafen in dienst heeft.

Ook elders in de binnenstad vinden we kalligrafie. De sterke woorden ‘Hou de liefde in ere’, die we vanuit de Philipstockstraat zien op een dichtgemetseld raam in de Keersstraat, wie schreef die daar ooit?
Zullen we ook ‘défense d’afficher’ vermelden? Jan Verhaeghe en steenkapper Pieter Boudens gaven die woorden ooit een plek op een zijgevel nabij de Ezelpoort. En Jan Verhaeghe zou zijn geëngageerde zelf niet zijn, mocht hij achter die ogenschijnlijk simpele boodschap geen ruime, maatschappijkritische boodschap bedenken.

Maar we zijn er nog niet, want wie langs de stadsvesten wandelt, vindt nog meer. Van Brody Neuenschwander, een paar gedichten uitgesneden in roestige poortjes in cortenstaal, aan de Begijnenvest en langs de Hendrik Consciencelaan.
En bij de Katelijnepoort, op de achtergevel van het Bargehuis, lezen we “Als je weggaat, kom je dan terug?” en “Als ik terug kom, ben je er dan?”, twee regels van dichter Robbert Ritmeester. Of hoe je veel kan zeggen met weinig woorden.
Schone letters, sierlijke en strakke, kalligrafie als verzamelnaam. Want, toegegeven, soms laat ik mij ook betrappen op enige bewondering voor de creativiteit van de betere graffitispuiter.

– foto ND –

Wat de vraag oproept, of kalligrafie al lang thuishoort in het straatbeeld. Het schrijven als ambachtelijke bezigheid is zo oud als de straat, maar het geprivilegieerde kransje dat het lezen en schrijven onder de knie had, wenste aan de straat allicht geen tijd of materiaal te verspillen. Het geschreven woord hoorde op kostbaar perkament, verlucht met exquise miniaturen en ingebonden in kostbare, leren boekbanden.
Het straatjesvolk kon je maar beter ongeletterd en dus braaf houden.
Het uitrollen van de boekdrukkunst, aan het einde van de middeleeuwen, was in dat verhaal uiteraard de hond in het kegelspel.

Gisteren liet ik mij toch maar bekoren door ‘Mmmonk’. Dat fantasiewoord staat voor ‘Middeleeuwse Monastieke Manuscripten’ ofte handschriften uit abdijen van heel lang geleden. Een online bibliotheek, propvol eeuwenoude geschriften. Sint-Bavo en Sint-Pieter, wat Gent betreft, en onze eigen Ter Doest en Ter Duinen, de abdijen waar ze geschreven werden zijn niet van de minste.
Ik ging er op verkenning en ’t was heerlijk verdwalen in een wereld van woorden, gebeden, verhalen, verbazende miniaturen en nog meer woorden. Neergepend door scribenten, schrijvers en overschrijvers die daar dagelijks mee in de weer waren. Zo’n beetje zoals wij op onze smartphone. Maar trager, veel trager. Waarbij ik mij afvraag, was de ganzenveer ter hand nemen ook weggelegd voor linkshandigen? Of werd hen ook op vermanende toon verteld dat ze maar beter rechts leerden schrijven?
Niet verwonderlijk dat het geduld waarmee dat werk werd uitgeoefend, spreekwoordelijk werd. Het werk van monnikken. Of neen, monikken. Of waren het monniken?

U verkent Mmmonk langs deze link: https://www.mmmonk.be/nl/

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van boeken en schrijven, Van schilderen en plaasteren | 8 Comments

De conciërges van Brugge

Hebt u het ook gehoord, dat de stad op zoek is naar een nieuwe conciërge voor het belfort en de stadshallen? De huidige conciërge gaat binnenkort met pensioen. Hoe die man hartverwarmend vertelt over zijn lotgevallen! En over het ruime appartement van waar hij al die jaren uitkeek over de Markt!
Dat ook de conciërges van het Groeningemuseum èn van het stadhuis de voorbije dagen enige persaandacht kregen, is uiteraard niet vreemd aan de belangstelling voor dit vacatureverhaal. ’t Is dan ook geen alledaagse bezigheid. Kan je op de vraag “Wat doe jij voor werk?” antwoorden “Ik ben conciërge van het Brugse belfort”, dan word je getrakteerd op verbaasde blikken.

Kan je leren voor conciërge? Hoe dan ook, om zich over ‘d Alletorre te ontfermen daagden enkele tientallen kandidaten op.
Conciërge, stond u ooit stil bij de warme klank van dat woord? De klankkleur van woorden, we gaan er achteloos aan voorbij. Alsof dat merkwaardige woord ‘klankkleur’ zonder enige reden in ons woordenboek terecht kwam. Echt waar, veel meer dan wij vermoeden, laten we ons meevoeren door het timbre van een woord.

… ook de conciërges van het Groeningemuseum èn van het stadhuis …

Een voorbeeld? Neem nu ‘snoep’. Dat woord heeft in zijn ondeugende klank iets van “Dat peuzelen we toch maar lekker stiekem naar binnen!” Al kan het niet tippen aan onze West-Vlaamse “spekken”. Da’s pas een klank om je vingers bij af te likken, toch?
Anderzijds kan de kleur van een woord ook behoorlijk tegenvallen. Zo vraagt ondergetekende zich wel eens af waar zijn aversie voor het woord ‘discipline’ vandaan komt. Omdat discipline niet meteen als een rode draad doorheen zijn bestaan loopt? Ook, ja, maar er is ook de kleur van dat vermaledijde woord. Klinkt ‘discipline’ niet alsof je het haalt in de apotheek? Op voorschrift van je huisarts, “Twee keer per dag een half pilletje discipline zal helpen”, hoor je hem bemoedigend mompelen, “Met een slokje water, liefst voor het eten.”.  In de bijsluiter, een handvol venijnige bijwerkingen.
Gelukkig gunt onze woordenschat ons soms de kans om, wanneer we iets benoemen, te kiezen uit twee woorden. Dan pas blijkt, hoezeer klankkleur de waarde van een woord bepaalt.
Want, even terug naar het begin van ons verhaal, er is ‘conciërge’ en er is ‘huisbewaarder’. Ze betekenen allebei hetzelfde. Maar je ziet hem zo voor je, de huisbewaarder. Een lange, schichtige vent die je vanachter muffe brilglazen achterdochtig gadeslaat. De onverholen tegenzin waarmee hij zijn sleutelbos uit de zak van zijn grijze stofjas opdiept.
En de conciërge? Ach, de goedige conciërge laat je met de glimlach binnen, vraagt wat hij of zij voor je kan doen en begint een babbeltje over ’t weer en de dingen van de dag.
Zal de verzamelaar die stelling even illustreren met een affiche?
Misschien kwam u vorige zomer ook langs in de stadsschouwburg voor ‘De schouwburg vertelt’. Het team van het Cultuurcentrum spaarde kosten nog moeite om hun paradepaardje, dat andere jaren in zomerslaap gaat, feestelijk uit te dossen. Al wie dat wou, kreeg de kans om alle uithoeken van de cultuurtempel te verkennen. En om dat feest kenbaar te maken, werd een affiche aangemaakt.
Welnu, de fraai uitgedoste dame die op de affiche dat jongetje wegwijs maakt in de schouwburg, wie is dat? Dat is Marilyn. En tot voor kort was Marilyn … conciërge in de schouwburg. Jarenlang stond zij als eerste en laatste paraat om de dagelijkse en nachtelijkse – bestaat het woord? – beslommeringen van ‘haar’ schouwburg te behartigen. En wat meer is, ook zij woonde op haar eigen werkplek.

De achterdeur van de schouwburg is niet enkel de artiesteningang, het was ook de voordeur van haar flatje. Wie kan zeggen dat Herman van Veen, Arno, Jan Delceir, Joan Baez of Irene Papas bij haar aanbelden? Marilyn kan het! En zeg nu zelf, wat voor uitstraling verwacht je van een conciërge? Het antwoord staat op deze affiche.
Was u, bij het lezen van dit verhaal, in uw verbeelding heel even conciërge in het belfort? Jammer, de vacature is afgesloten. Maar ik bedacht een plan. Misschien fluister ik de burgemeester een keer een voorstel toe. Heeft ook onze stad niet enige behoefte aan een conciërge? Iemand die, zoals van conciërges wordt verwacht , instaat voor van alles en nog wat? En weet u wat, ik ben uw man, burgemeester!
Mijn taken? Ach, een lijstje is gauw bedacht. Op koude winterdagen voorzie ik de koetsiers op de Markt van een verwarmende borrel. In zwoele zomertijden ga ik bij de bootjesmannen langs met ijsjes. En in het sashuis aan ’t Minnewater draai ik de kraan open als de reien wat water missen. En we voeren een gebruik van lang geleden weer in, laat op de avond sluit ik de stadspoorten. Voor dat soort dingen, burgemeester, is een conciërge onmisbaar, toch?
Welaan dan, ik sta paraat! De burgemeester en ik, we gooien het vast en zeker op een akkoordje. Tenminste, als hij mij niet aanspreekt met ‘huisbewaarder’. Of vraagt hoe het gesteld is met mijn discipline.

Posted in Het Brugge van nu, Over toneel, Van schilderen en plaasteren, Van zingen en spelen | 8 Comments

Verhuizen op z’n Brugs … en de Ronde

Het leven kent zijn ingrijpende gebeurtenissen. Soms is verhuizen daar één van.
Al zijn er mensen die nooit verhuizen. Misschien kent u, net als ik, lieden die hun hele leven onder hetzelfde dak slapen. En er zijn anderen die hun hand niet omdraaien voor een verhuis meer of minder. Misschien kent u, net als ik, mensen die meermaals … Maar ach, verloopt het bestaan van de ene meer intens dan dat van de andere? Leefden wij twee levens, dan maakten we beide keuzes en wisten we het.
Maar omtrent verhuizen staat één ding – we hadden nog een flauwe woordspeling op overschot – als een huis. De simpele vaststelling, namelijk, dat een reden om het te doen net zo makkelijk te verzinnen is als een reden om het te laten.
Verhuizen doe je doorgaans binnen een redelijke straal, pakweg van straat naar straat of van stad naar stad. Maar laten we ook niet voorbijgaan aan de langeafstands-verhuizer. De vluchteling, niet in de laatste plaats. Al durven ook bedrijven, dat hoeven wij u niet te vertellen, wel eens hun biezen pakken en elders neerstrijken. Op naar groener, meer lucratiever gras aan de overkant.

1998 … eerste start van de Ronde in Brugge

En kijk, hier bij ons in Brugge spelen zich in de komende tijd nog heel andere verhuisverhalen af. Misschien vernam u het al, niet ver van de Sint-Pietersplas wordt binnenkort het lint doorgeknipt van een gloednieuw woonzorgcentrum. En zo komt het dat de bewoners van het WZC in de voormalige Minnewaterkliniek van bij ’t begijnhof naar ginder worden overgebracht. Dat bracht de stad op een idee.
Het Huis van de Bruggeling, het is u allicht ook bekend, de huurprijs die ’t stad voor dat immense kantoor nabij ’t station betaalt, blijkt ietwat aan de hoge kant. Lees, is om koude rillingen van te krijgen. En dus versast dat ‘Huis van u en ik’ van zijn huidige stek naar de Minnewaterkliniek, wanneer die vrij komt.
In dat ‘Huis’, tot nader order aan ’t station, komt een heleboel Brugs volk over de vloer.

En daarom benut men in de inkomhal het overschot aan ruimte af en toe voor een infostand omtrent een initiatief dat de Bruggeling aanbelangt. Zoals onlangs nog, over de geplande nieuwe brug bij Steenbrugge. En wat begeestert in de komende weken het sportieve Brugge? U raadt het, de start van de Ronde van Vlaanderen.

’t Is op de eerste zondagochtend van april dat de dames en heren renners in de schaduw van ons belfort de voeten in de pedalen haken. En daarbij hoort, ook vooraf, de nodige tamtam. Er was in ’t concertgebouw al een babbelavond over de Ronde. In het stadhuis kan je momenteel je nieuwsgierige neus tegen de glazen stolp drukken met daarin de bronzen sculptuur die de winnaar straks meeneemt naar huis. Veelbelovend lijkt ons, de zondag voor de start, de ‘Ronde van Vlaanderen voor kinderen’. Niet dat ze het jonge grut de Berendries of de Koppenberg op sturen, neen.

De toekomst van onze wielersport krijgt de kans om zich te bewijzen op een parcours in ’t Minnewaterpark. Allen daarheen! De avond voor de Ronde, tenslotte, passeren de mannen van Soulsister langs het podium op de Markt.

En ook aan het Huis van de Bruggeling gaat de Ronde niet voorbij. Daar toont een verzamelaar, u kent hem, affiches die hij zocht en vond in zijn collectie. Dus om te zien hoe de start van de Ronde in Brugge doorheen de jaren werd aangekondigd, moet u bij ’t station nog even die weerbarstige roltrap trotseren. In afwachting van ‘de verhuis van het Huis’.
Al laat dat nog wel even op zich wachten, er is daar in de Minnewaterkliniek nog heel wat aan te passen en te renoveren.

Dat pand is, zegt men, ruim genoeg om ook nog andere initiatieven onderdak te bieden. En dus zal er ook nog wel plaats zijn voor dwergtentoonstellingen, zoals die over de Ronde, zeker?
Dat bracht ons op wat wij – bescheiden als we zijn – een lichtjes lumineus idee zouden noemen. Weet u waar ook af en toe kleine maar boeiende tentoonstellingen om aandacht vragen? In ’t stadsarchief op de Burg! Zouden die exposities meer belangstelling oogsten als de archivarissen ze straks in het Huis aan ’t Minnewater opbouwen? En als we die lijn even doortrekken … verhuizen we het hele archief naar de Minnewaterkliniek? Feest, want ruimte zat!
Soms is een verhuis goed voor een feestje. Feest, voor wie tijd maakt voor een vrolijke ‘housewarming’. En feest voor wie een krap huis inwisselt voor een ruimer. Feest, weliswaar pas na veel zweten en zwoegen.
En a propos, hoe zit dat met de Ronde? Die verhuist toch ook, straks?
Meer zelfs, vanaf nu wisselen onze stad en die aan de Schelde de startplaats onder mekaar. Dat wordt pas een verhuismarathon! Zucht, jaar na jaar, al dat over en weer zeulen met podia en weet ik veel! Sleurwerk voor Wouter Vandenhaute? Wisten we niet beter, dan hadden we te doen met die mens.

Posted in Het Brugge van nu, Van sport in 't algemeen, Van wielen en op weg zijn | 4 Comments

’t Nieuw begijnhof

Het Brugse begijnhof Ten Wijngaerde hult zich in stilzwijgen bij de vraag of het ook in vroeger tijden de charmante ‘flou artistique’ uitstraalde die vandaag van die plek uitgaat. Iets zegt mij dat het zich dat vertederende imago pas ging aanmeten in de late negentiende eeuw. En dat die gang van zaken minder van doen had met romantiek dan met de uitvinding die John Goffe Rand deed in de jaren veertig van die eeuw. Want was het niet de door hem bedachte verftube die het voor schilders mogelijk maakte om hun atelier te verlaten om ‘en plein air’ te gaan werken? En dat zullen ze geweten hebben, de begijntjes die na verloop van tijd almaar meer kunstenaars hun schildersezel zagen neerpoten onder de populieren van hun tuindorp.

Al verliep het leven in de begijnhoven van de Lage Landen niet altijd zo rimpelloos als die schilderijtjes laten uitschijnen.
Was het begin van de begijnenbeweging, ergens in de nevel van de middeleeuwen, op zich dan geen schoon verhaal? Vaag herinner ik mij hoe ons, kleine mannekes op de schoolbanken, werd verteld dat het allemaal begon met de kruistochten. Dat veel mannen die naar ‘t ‘Heilig Land’ trokken, ginder het leven lieten. Met hier bij ons een soort vrouwenoverschot als gevolg. En met de begijnhoven als opvanghuizen voor al die, ocharme, manloze vrouwen. Wat de meester op school vertelde leek ons ongemeen spannend, op de speelplaats triomfeerde die middag menig kruisvaarder. Wisten wij veel wat voor bloeddorstige plunderaars dat destijds waren.
Ach, hoe vaak herschrijft de geschiedenis zichzelf? Een gebrek aan echtgenoten na de kruistochten. Is het verhaal van de mensheid niet een aaneenschakeling van oorlogen waarvan mannen niet terugkeren?

Het verleden is veelal complexer dan wat wij er ons bij voorstellen. Zo ook het ontstaan van het Brugse begijnhof. Of liever, van Brugse begijnhoven, want zoals andere steden kende ook Brugge meer dan één begijnhof. Zo was er lange tijd eentje in de buurt van de Kruispoort. Het Sint-Obrechtsbegijnhof bleef bestaan tot het begin van de zeventiende eeuw.
Er waren niet alleen meerdere begijnhoven, begijnen hadden ook lang niet altijd een gunstige reputatie. Ons vertrouwde begijnhof kreeg dan wel vanouds de bescherming van gravinnen en hertogen, er waren ook tijden waarin begijnen met een scheef oog werden bekeken. ‘Begijntjes en kwezeltjes dansen niet’, leert ons een heel oud lied. Maar in verre, achterdochtige tijden werd over begijnen gefluisterd dat ze er een eigen invulling van de kerkelijke leer op nahielden. En zich daarbij aan mysterieuze liederen en dansen te buiten gingen. Loerden daar soms niet hekserij en ketterij om de hoek?

Er passeerden sinds die bizarre roddeltijden een handvol eeuwen. En ons begijnhof groeide uit tot schilderachtig kroonjuweel van onze binnenstad. Ook zonder begijntjes, al van in de jaren twintig huizen er benedictinessen, terwijl nogal wat huizen worden verhuurd. Al zijn die huurpanden voorbehouden voor alleenstaande vrouwen. Men wil allicht de oorspronkelijke invulling van de site koesteren.
Ligt het aan de zottigheid van onze wereld dat ook de kloostergemeenschap in ’t begijnhof de voorbije jaren is uitgedund tot een handvol zusters?

Dat die bejaarde nonnen het beheer van het domein overlaten aan de stedelijke overheid mag een historisch keerpunt heten. Voor het eerst sinds het ontstaan van Ten Wijngaerde is het reilen en zeilen er niet meer in handen van de vrouwen die er wonen.

En dat volstond voor onze plaatselijke pers om één en ander in vraag te stellen, je bent journalist of je bent het niet.
Kan de stad zich permitteren om wooneenheden enkel te verhuren aan alleenstaande vrouwen? Wat met meneren die er hun intrek willen nemen? Gezinnen?
Er is, vertelde mij één van de huurders, hoe dan ook een wachtlijst van mensen die er onderdak willen. En dat zijn, de spelregels indachtig zoals die tot voor kort golden, tot nu toe allemaal vrouwen. Houden zo, luidt het zelfzeker.

Maar, dames begijnhofbewoners, soms ontwaakt in mij weer het ondeugende jongetje dat op de speelplaats van toen enige krijgshaftige tegendraadsheid aan de dag legde. Kruisvaardertje met een heerlijke dosis verbeelding. Genoeg om zich voor de geest te halen wat hij al niet zou aanvangen met die hoek van zijn stad.
Mannen aan de macht in ’t begijnhof? Laat ons beginnen met, bij de hoofdingang, het museumhuisje. Dat smeekt om een droom van een bruine kroeg te worden, toch? Met in de zomer nu en dan een vrolijk concertje, tussen de bomen van het plein. Trouwens, de nieuwjaarsreceptie van ’t stad hoeft toch niet altijd op de Burg? En als straks de Ronde van Vlaanderen hier weer op gang wordt getrokken, zijn over de knokige kasseien van ’t begijnhof hobbelende renners dan geen uitgelezen voer voor televisiemakers? Waar de samenzang op oudejaarsavond doorgaat, daar kunnen we nog een keer nadenken, niet alles hoeft in één keer beslist.
In afwachting blijft het begijnhof zijn eigenste, heerlijk stille zelve. Een paar dagen geleden ging ik er nog een keer een kijkje nemen. De altijd weer adembenemende paaslelies lachten mij

toe en langs het pad naar de kerk had ik een babbel met een zuster die er al twintig jaar woont. We wensten mekaar een aangename zondag en ik vervolgde mijn wandeling. Mijn tomeloze plannen als beheerder van de site heb ik wijselijk verzwegen. Maar de passage van deze voortvarende nieuwlichter was de wijze populieren van het begijnhof niet ontgaan. Het leek hen ’t moment om hem een lesje te leren. Ik vervolgde mijn weg naar de poort en op mijn schouder liet, van hoog in een nog kale kruin, een duif iets achter.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van schilderen en plaasteren, Van zin, zen en zijn | 13 Comments

De vrouwen van Brugge

Wie is die vrouw, wou het Hollandse meisje weten, en ze wees naar het standbeeld, iets verderop op het pleintje bij de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Onverwachte vragen zijn het zout op de patatten van elke stadsgids, maar deze kwam pas echt als een verrassing.
De soutane die de bronzen versie van Guido Gezelle als priester draagt, had de jongedame zowaar op een dwaalspoor gebracht. Een kleed, toch? Neen, corrigeerde ik voorzichtig, dat is Gezelle, zowat de grootste dichter die wij hier in Brugge ooit hebben gekend. Er rinkelde een belletje doorheen het jonge Amsterdamse gezelschap, de naam van de schrijver klonk hen niet helemaal vreemd.
En dan mocht ik uitleggen dat de dichter ook priester was en dat pastoors vroeger allemaal zo’n lang gewaad droegen. Om zich te onderscheiden van gewone zondaars, permitteerde ik mij een gelegenheidsgrapje. Terwijl we verder wandelden langs de Dijver, bedacht ik ineens dat de best wel plezante vraag van daarnet eigenlijk de vinger op een oude wonde legt. Dat beschamend weinig standbeelden en gedenkplekken in onze stad verwijzen naar vrouwen. Brugge staat daarin niet alleen, het is een tekort waarop zowat alle steden en dorpen zich laten betrappen.

Versteende mannen bij de vleet, van Gezelle tot Maurice Sabbe en van Hans Memling tot koning Albert en nog een boel andere. Maar dames? Ja, Maria’s in ontelbare nissen, maar wereldse madammen in steen of brons tel je op één hand.
André Vanhoutryve maakte ooit in een paar boeken een inventaris op van standbeelden in onze stad. Wat vrouwelijke beelden betrof, vernoemt hij het borstbeeld van koningin Astrid, in de Botanieken Hof. En op het stille Muntpleintje dat forse ruiterbeeld, een amazone. Vanhoutryve omschrijft haar als Maria van Bourgondië, maar ze stelt op allegorische wijze Vlaanderen voor. Ook historici kunnen zich vergissen.
De bronzen bruid en haar gemaal die onder de bomen van de Burg werden neergepoot door Canestraro en Depuydt staan niet in zijn boek, die beeldengroep kwam er pas enkele jaren later. Net als de schriele vrouwen van Joz De Loose in de Kuipersstraat bij de stadsschouwburg. Maar, hoogst markant, ook de bronzen madammen van de fontein die toen wèl al het Zand domineerde gunde hij geen blik.
En het Marieke van Jacques Brel bij de Coupure, dat werd ingehuldigd een jaar voor ’t verschijnen van zijn boek, waarom liet Vanhoutryve dat achterwege? Toch niet omdat hij het jonge wicht te wulps dansen vond om tot de status van standbeeld op te klimmen? Mochten alleen voorbeeldige dames in zijn boek? Dat dateert nochtans van eind jaren tachtig, toch niet echt ‘den ouden tijd’?

In het Brugge van Gezelle, ja, daar kende de vrouw haar ondergeschikte plaats. Intussen staat zij een aardig stuk verder op de tijdslijn van emancipatie. Al was die lijn lang. Dat blijkt uit veel verhalen, sommige uit onverwachte hoek. Uit een afficheverzameling, bijvoorbeeld, waarin na enig zoeken een paar tot de verbeelding sprekende exemplaren aan het licht komen.
Ze brengen ons terug naar de sixties en dat mag niet verbazen. ’t Zijn niet voor niets de jaren die zich graag laten omschrijven als kolken van verandering. De affiche ‘Dynamiek in de man-vrouw verhouding‘ kondigt in de zomer van 1966 een lezing aan van Catherina Halkes. In het toenmalige Concertgebouw in de Sint-Jacobsstraat wordt het woord gevoerd door een Nederlandse met een reputatie. Op het vlak van vrouwenrechten neemt Halkes geen blad voor de mond. Ze staat, als theologe, op de barricaden als ’t gaat over de ondergeschikte plaats van de vrouw in de hiërarchie van de katholieke kerk. Al laat zij zich op de affiche aankondigen als ‘mevrouw Govaart-Halkes’, toch nog volgens de braaf traditionele etiquette van die dagen. Later zou ze de naam van haar man achterwege laten. En tenslotte ook van hem scheiden.
Twee jaar later gaat het in de Zuidzandstraat in de Concordia, thuis van de christelijke zuil, over ‘de plaats van de vrouw in de moderne maatschappij’. De avond wordt in geruststellende banen geleid door Manu Ruys, de latere hoofdredacteur van De Standaard. U leest het goed, een man.
Maar hoera, amper een paar jaar verder wordt Marie-Louise Vanrobaeys de eerste vrouw in het Brugse schepencollege. En al presenteert ook zij zich voorbeeldig met dubbele familienaam als ‘Maes-Vanrobaeys’, Marie-Louise verzet een Brugs baken.
Want de tijd en de plaats van de vrouw in onze westerse wereld staan niet stil. Waardoor, jaren later, Brugge heel even wordt opgeschrikt door enige onverwachte heisa. We schrijven december 1993. In de winkelstraten verschijnt een affiche. Waarop een jongedame die haar autootje probleemloos parkeert in de schaduw van het belfort, in die tijden kon dat zelfs nog op de Markt. Maar met parkeren heeft de opschudding niets van doen.

Des te meer met de wel heel nadrukkelijke belangstelling die de fotograaf aan de dag legt voor de welgevormde benen van het meisje. Werd zo’n frivoliteit in de jaren zestig wellicht nog als lekker jeugdig beoordeeld, dan oordelen de tijdsgeest en nogal wat zelfbewuste vrouwen in Brugge daar inmiddels anders over. Lezersbrieven laten er geen twijfel over bestaan, hier is sprake van een stoute, foute mannenblik.
De commotie is goed voor een interview in ’t Brugsch Handelsblad, met de zaakvoerder van het grafisch bureau dat de affiche bedacht. Het artikel leest als een lacherige mannen-onder-mekaar-babbel en het hek is helemaal van de dam. Ook krantenredacties hebben in die dagen nog een weg af te leggen.

Woensdag 8 maart is ‘Internationale Vrouwendag’, of dacht u dat we dit artikel zomaar schrijven? Ook in die eenentwintigste eeuw van ons staat het sleutelen aan de positie van de vrouw nog altijd op de to-do lijst van onze intussen multiculturele samenleving. Ja, wie vervelende vragen alleen maar vervelend vindt, haalt de schouders op. Doet alsof alles in kannen en kruiken is. Als was vrouwendiscriminatie alleen iets van ‘vreemde culturen’. Alsof er niet zoiets bestaat als een glazen plafond of erger.

Vrouwenemancipatie, werk van alle tijden? Ging daarom vorig najaar op de Burg die wel heel bijzondere reuzenparade door? De reuzin Calle Bezems werd er gedoopt. Calle Bezems heeft echt bestaan. Vier eeuwen geleden werd zij in Koolkerke als heks aangewezen. Het bracht haar op de brandstapel. Dat zij als reuzin in ere hersteld wordt is schoon. Jammer dan ook, van die affiche met twee schreeuwlelijkerds als campagnebeeld en niet met de betreurde vrouw zelf.
Wie over heksenvervolging en Calle Bezems meer wil vernemen kan een avond meemaken, komende vrijdag, de 10de, in de Hauwerstraat bij de nieuwe beurshal. In ‘De Brug’ brengen vertellers daar haar noodlotsverhaal weer tot leven.

Vrouwendag, straks, en deze meneer zit er hier over te schrijven als was het zijn verdienste. Zal hij dit tekstje maar best voorleggen aan wie, zoals elke week, dit schrijfsel als eerste onder ogen krijgt? Ze leest het met kritische blik. Wijst hem op een te lang uitgesponnen zin of een vergezochte vergelijking. Een spellingsfout, soms? Omtrent dit cursiefje geef ik haar het laatste woord, maar wellicht houdt zij het bij een zucht. Want zij en ik wonen sinds jaar en dag onder hetzelfde dak. En die zucht zegt, vrees ik, dat ook onder dat dak nog aardig wat werk aan de winkel is omtrent rolverdeling. Zou het?

Naast de vertelavond over Calle Bezems vindt u hier meer activiteiten rond International Vrouwendag in Brugge: https://www.brugge.be/internationale-vrouwendag

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Over welzijn en gezondheid, Van stoeten en processies, Van zin, zen en zijn | 9 Comments

Het Caïro van het Noorden

Uiteraard kwam met mijn metgezel de ontdekking van het graf van Toetanchamon, honderd jaar geleden, even ter sprake. Maar de vriendelijke man was zo enthousiast over Brugge dat wij het die middag niet meer hadden over de geschiedenis van zijn Egypte.
We hadden afgesproken aan de voet van het belfort, ik als gids, hij met zijn gezin als mijn gasten. Ze hadden hun dag gepland. Mevrouw zou met de twee kinderen iets lekkers proeven, later op de middag stond Historium op hun programma en dan een boottochtje. Pa poogde nog voorzichtig om zijn gezinnetje mee te tronen door de stad. Maar dochterlief, een meid op lentefeestleeftijd, vond twee uur achter zo’n gids aanlopen maar niks. Wie zou het haar kwalijk nemen? Kleine broer had honger en ma vond dat pa best met mij alleen op stap kon. Waarna de brave man besloot dat het goed was. Heimelijk vond hij dat misschien ook maar ’t beste. Zo zijn mannen, weten vrouwen. Als gids overkomt je niet elke dag zo’n één-op-één-rondleiding. Maar valt het gezelschap mee, dan verschuift dat soort wandeling algauw van formele gidsbeurt naar informele babbel.

In de mail die ik enkele dagen eerder ontving, las ik de naam van een klant met vermoedelijk niet-Europese achtergrond, meer kon ik er niet uit opmaken. Maar zoals ze zich voorstelden, leek het mij een vriendelijk stel.  Het vlotte Engels dat het koppel hanteerde liet mij verder in het ongewisse. Maar eenmaal op stap met mijn gast, vertelde hij ongevraagd meer over zijn gezin en zijn bezoek.
Bleek dat ik in het gezelschap was van een Egyptenaar. Maar onmiskenbaar eentje die de wereld kende. Omdat hij in nogal wat plekken op die wereld kwam èn omdat die wereld naar hem toe kwam, daar zorgde zijn job voor. Als voorman van een handvol vakantieresorts in zijn land, was hij vertrouwd met de toerist die Egypte aandoet om piramiden en dat soort oudheden te verkennen. Of om te zonnen aan één van die fameuze stranden van de Rode Zee. Meneer wist wat vandaag wereldwijd allemaal gaande is, dat zou die middag blijken. En mij verbazen.
Sprak ik over het Heilig Bloed of over de Duitse Hanze, het maakte niet uit, keer op keer verraste hij mij met een dosis ruimdenkende achtergrondkennis. De ooit in revolutietijden gesloopte Sint-Donaaskerk op de burg? Deed hem hoofdschuddend denken aan het vernietigen, in Afganistan, van historische sites door de radicale machthebbers daar. Michelangelo’s Madonna wou hij absoluut zien. En vertelde ik hem bij het standbeeld van Guido Gezelle over ons Vlaams, vroeg hij naar het hoe en waarom van de nationalistische tendensen in onze Belgische politiek. En over België gesproken, wou hij weten of ik voetballiefhebber ben. Om dan droogjes op te merken dat de Rode Duivels stilaan aan verjonging toe zijn.

Daar sta je dan, als stadsgids, een verbaasd vraagteken boven je hoofd. Aan de wandel met een Egyptenaar die meer af weet van wat zich bij ons afspeelt dan sommige van je landgenoten.
Na onze verkenning troffen we zijn vrouw en kinderen bij de Vismarkt. Het boottochtje vonden ze enig. De dag erna planden ze een dagje Parijs, vanuit hun hotel in Brussel. En kom ik ooit naar Egypte, zou meneer mij met plezier rondleiden, beloofde hij.
Thuis zocht ik op het net naar de vakantieoorden waar de man wellicht menige vinger in de pap heeft. Oorden met indrukwekkend Club Med-gehalte. ‘k Zal nog wat gidsbeurten mogen afwerken voor ik daarheen kan. Maar ’t leven is te kort om overal te geraken. En trouwens, hier in Brugge is meer Egypte te vinden dan mijn gast zou vermoeden. Misschien had ik hem daarop kunnen wijzen.

Tussen ‘Dead on the Nile’, de verfilming van Agatha Christie’s klassieker die in de jaren zeventig in Cinema Memling liep, en een handvol jaren geleden de expositie rond mummies en sarcofagen in Oud Sint-Jan, kwam ik het land van de farao’s wel vaker tegen in onze contreien. Soms houdt

Foto Beeldbank Brugge

dat verband met onze christelijke traditie. Neem nu Jozef en Maria met hun kleine op de dool, op de vlucht, jawel, naar Egypte. Dat droeve verhaal kennen we uiteraard van de Heilig-Bloedprocessie. En van nogal wat schilderijen en glasramen in onze kerken en musea. Maar niet enkel daar. In ons stadhuis, hoog aan ’t plafond van de

gotische zaal, zie je Jozef en zijn gezin met hun blijkbaar onafscheidelijke ezeltje. En wat doet dat charmante gevelsteentje op de zijgevel van dat huis aan de Spinolarei?
Al is in Brugge niet elke verwijzing naar Egypte van Bijbelse oorsprong. Van een wel heel ander kaliber, maar nadrukkelijk Egyptisch aangekleed, zeggen ze, is die geheimzinnige tempel in de Beenhouwersstraat. Maar daar komen alleen mijn lezers die lid zijn van de vrijmetselaarsloge. Mocht één van hen mij daar ooit een keer binnenloodsen, het zou mij boeien. Het interieur, bedoel ik, voor de loge wil ik passen.

Foto Kris Vandevorst

Verlaten we onze binnenstad, dan kunnen we terecht in Sint-Andries, bij ’t Forreyst. Ten tijde van Napoleon kregen dat kasteel en de bijhorende hoeve een opsmuk in Empire-stijl en daar kwam wat invloed vanuit Egypte bij kijken. Napoleon was zot van al wat de Egyptische cultuur betrof en Anselme de Peellaert, zo heette de bouwheer, dweepte met de Franse machthebber. Koesterde de hoop, bij één van de bezoeken van Napoleon aan onze stad, de grote leider op zijn landgoed te mogen ontvangen. Jammer, Anselme, je kreeg de keizer nooit over de vloer.
Maar we zijn er nog niet, er is nog meer in onze regio, iets verderop in Sijsele. Daar,

aan de voet van Oedelem Berg, rij je zo Egypte binnen. Of althans een straat met die naam.
Dus als die aardige meneer aan wie ik Brugge toonde ooit nog een keer hierheen komt, kan ik hem verrassen met nogal wat Egypte, hier bij ons. En ik wed, in Caïro hebben ze geen Bruggestraat. Hoewel. Om dat zeker te weten zou ik daarheen moeten. Dus misschien toch maar mijn bij het gidsen verdiende centen sparen …

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van stoeten en processies, Van toeristen | 8 Comments

Randy Newman en de muizen van de stadsschouwburg

In het concertgebouw is het zeer dikwijls feest,
je weet toch nog dat zelfs Randy Newman daar ooit is geweest?
Kon Kris De Bruyne, toen hij die woorden verzon voor zijn kleinkunstklassieker ‘Amsterdam’, dat lied niet net zo goed zingen over Brugge?
Maar neen, wat vertel je nu? In die jaren zeventig was in het behoedzame Brugge een passage van Randy Newman, de grote singer-songwriter, ondenkbaar, toch? En bovendien, we hadden hier toen helemaal geen concertgebouw!

Wel, geachte opmerkzame lezer, u hebt overschot van gelijk. Dat één van de meest spraakmakende liedjesmakers van die dagen er niet aan dacht om hier bij ons te passeren staat buiten kijf. Of dat aan hem lag of aan Brugge? Doe maar dat laatste, Brugge zag het allemaal niet zo groot. Amsterdam, dat was wat anders. In die stad, met zijn toen bijna mythische reputatie in het alternatieve wereldje, kreeg zo’n naam wèl een podium. Maar Brugge vond een brave kleinkunstavond al heel wat.
En toch wil ik u graag enigszins bijsturen. Want een concertgebouw, dat hadden we hier wel al, hoor. Even duiden. Vorig jaar vierde ons concertgebouw zijn twintigste verjaardag, dat hoeven wij u niet te melden. Maar in de binnenstad gaat u in de Sint-Jacobsstraat wel eens iets drinken in de Republiek, nog wat nakaarten over een film die u net zag in de Lumière, de cinema die daar ook thuis hoort. Wel, lang voor ons terracotta bouwwerk op het Zand noemde Brugge dat pand ‘het concertgebouw‘. Daar gingen concerten door, wat dacht u. Maar ook tentoonstellingen en af en toe een filmvoorstelling. Ooit vond ook een poppentheater er onderdak. In mijn herinnering doemt een smalle, lange zaal op, met vooraan een klein podium. En een paar optredens, een avond met Dimitri Van Toren, onder meer.

Maar singer-songwriter Randy Newman tokkelde nooit op zijn piano in de Sint-Jacobsstraat. Al draaiden we thuis op onze grammofoon wat graag ‘Sail Away’ en ‘Good Old Boys’, ijzersterke langspeelplaten van die grote meneer uit Amerika met zijn schijnbaar simpele liedjes. Soms hadden ze iets ouderwets, die deuntjes die Randy op zijn piano verzon, maar we konden niet altijd goed overweg met wàt hij zong. De taal van Shakespeare hadden we net genoeg onder de knie om in zijn teksten enige ironie te ontwaren. Maar die dubbele bodems doorgronden was veelal te hoog gegrepen. Wat alleen bijdroeg tot het raadselachtige van zijn oeuvre. Randy Newman zingt met een kwinkslag maar neemt intussen monkelend zijn toehoorders te grazen, de slimme sloeber.
Of hij te vergelijken is met iemand van bij ons? Jan De Wilde is bij mijn weten de enige die zich met ‘De naakte man’ aan een vertaling van een Newman-song waagde. 
Weet u wie mij met zijn gespeelde tegendraadsheid soms aan Randy Newman doet denken? ’t Is geenszins een muzikant, maar kent u Maarten Van Rossem, de Hollandse historicus-brompot die onder meer op tv graag zijn steevast originele zienswijze op van alles en nog wat verkondigt? Misschien zag u ooit zijn passage in Brugge, waarbij hij zich niet bepaald lovend uitliet over onze stad. Maar die gevatte woordenrijkdom van hem en de gave om daar iets zinnigs, niet zelden iets eigenzinnigs, mee te doen, dat talent deelt de norse geschiedkundige uit Utrecht met de liedjesschrijver uit Californië.

Maar Brugge zat niet op Randy Newman te wachten en allicht was dat wederzijds. En toch zou het ervan komen, de grootmeester van het schalkse lied in onze stad! Een eerste keer in de herfst van 1994, straks dertig jaar geleden, ’t was in de stadsschouwburg.
Randy Newman in de Brugse schouwburg en ik was er niet. Stond mijn agenda in de weg? Jammer, Newman had toen al een tiental, veelal spraakmakende platen op zijn naam en bijna evenveel keer prijkte die naam van hem als componist op de aftiteling van films. Dus zonde dat deze jongen zo’n avond miste. Volgende keer beter.

En u gelooft het amper, maar een tweede kans om de pianoman aan het werk te zien liet ondergetekende ook aan zijn neus voorbijgaan. Hoezo? Wie vroeg waarom uw dienaar verstek gaf, die avond in ‘t concertgebouw, hoorde hem iets mompelen dat hij in zijn vriendenkring vernam. Dat je bij zo’n concert, met Newman moederziel alleen aan zijn piano, toch de soms brede arrangementen mist die zijn muziek inkleuren. Is dat soort aarzeling u bekend? Omdat je zoveel verwacht, kan hetgeen er aan komt je alleen maar teleurstellen. Of is dat een dom vooroordeel?

Een derde keer zou ik toch een kaart aanschaffen, beloofde ik mezelf. Die derde keer zou er nu aankomen. In het programmaboekje van de stadsschouwburg staat dat Randy Newman naar Brugge komt op zondag 19 februari. Maar Randy komt niet. De muziekmaker herstelt van iets medisch, luidt het. ‘Het is voor zijn entourage niet duidelijk wanneer hij weer zal kunnen toeren’. Lees … ‘óf hij ooit weer zal kunnen toeren’. Want Newman wordt een dagje ouder. Hij en Maarten Van Rossem, allebei zagen ze die wereld waarop ze zo’n ironische kijk hebben voor het eerst in ’t najaar van 1943. Twee scherprechters, allebei onverbeterlijk mondig en speels cynisch, maar straks wel allebei tachtig. Maar toch, Randy lijkt mij een taaie, dus wie weet.
Zondag 19 februari in Brugge die stille. Vanavond zou Randy Newman zijn fijngeslepen songs aan de Brugse stadsschouwburg toevertrouwen. En ik zou erbij zijn, had ik mezelf beloofd.
Maar Randy blijft thuis, stuurt noodgedwongen zijn kat. Zijn kat? Als dat beest net zo doortrapt is als zijn baas, dan zijn de muizen van de stadsschouwburg gewaarschuwd.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van zingen en spelen | 10 Comments

Liedje voor een burgemeester … of twee

’t Is zondagochtend en er komt volk bijeen om te luisteren naar iemand die vooraan het woord voert, rara wat is het? De hoogmis? Neen, ’t Brugs Uurtje. Eens per maand krijgt iemand uit Brugge een micro onder de neus om te vertellen over zijn of haar leven. ’t Is in ’t Brugs en het duurt een uur, dat kon u al vermoeden. Dit keer hebben ze een grote vis gevangen, ereburgemeester Patrick Moenaert komt naar ‘zijn’ Brugs Uurtje.
Net wanneer ik op de koer aan ’t Bilkske een plekje zoek voor mijn fiets, komt zij voorzichtig door de poort, mijn richting uit. Martha is een vriendelijke dame op leeftijd en altijd in voor een babbel. En al helemaal als ’t over haar Brugge gaat.

… op een ‘Pandtfeeste’
in de Botanieken Hof

Of ik ’t gehoord heb dat Norbert overleden is, vraagt ze. Ja, ‘k weet het, en ik schrok even toen ik las dat onze Brugse zanger bij zijn overlijden vijfentachtig was, had hem iets jonger ingeschat. Ongetwijfeld omdat ik hem blijf herinneren als de fikse knaap die mij ooit charmeerde met dat ene ‘Liedje voor Mary-Ann’. Eén keer zag ik hem optreden, op een ‘Pandtfeeste’ in de Botanieken Hof, met zijn fameuze dansende Hey-meisjes. Maar sinds die zomermiddag reeg niet alleen ondergetekende de levensjaren aan mekaar, ook zangers worden oud.

De zaal barst uit haar voegen, veel Bruggelingen willen Patrick Moenaert horen, ook de regionale televisie komt meeluisteren. In het publiek, minder politiekers dan je zou verwachten? De moderator en de voormalige burgemeester maken er een gezapige ochtend van en het publiek lust Moenaert’s droge humor. De conditie uit zijn jonge jaren – als protesterend student in Leuven de politie ontlopen, het vergde wel wat! – is veraf, geeft hij mee en de toehoorders knikken begrijpend. De ere-burgemeester heeft moeite met zijn gezondheid, weet het publiek, het waardeert zijn komst des te meer.
Nog meer dan bij andere edities blijkt het Brugs Uurtje te kort om alles ter sprake te brengen. Maar dat met Patrick Moenaert niet wordt ingegaan op delicate politieke kwesties uit zijn lange loopbaan zal geen toeval zijn. Hoewel, de sage over het voetbalstadion passeert de revue en het Concertgebouw.
De nadagen van zijn carrière, met het ruisen binnen zijn partij omtrent zijn opvolging, blijven onbesproken. Dat deels door zijn terughoudendheid zijn opvolger Dirk de Fauw een legislatuur lang een socialistisch burgemeester moest laten voor gaan, blijft wijselijk toegedekt. Maar het applaus na zo’n luchtige ochtendbabbel klinkt warm en gemeend.
Martha en ik treffen mekaar aan de toog, achteraf. Ik trakteer haar op een porto en zij trakteert mij op wat ze weet over Norbert. Puzzelstukken van herinneringen, van haar en van mij, leggen we zorgzaam bijeen en dat leidt ons naar een merkwaardig verband. Een verband tussen de destijds populaire Brugse zanger en onze lokale politiek.
Even diep ademhalen, voor een sprong in de tijd èn een hap Brugse geschiedenis. We zijn in ‘t najaar van 1970, in een Brugge op de drempel van historische verkiezingen. Want de aloude binnenstad en zijn randgemeenten worden na die verkiezing Groot Brugge.

Op de CVP-lijst is de lijsttrekker Pierre Vandamme, uittredend burgemeester van het oude Brugge. Met in zijn kielzog, op plek twee, Michel Van Maele. De populaire burgemeester van Sint-Michiels, de ambitie in persoon, was aanvankelijk tegen de fusie maar kiest eieren voor zijn geld. En laat in de verkiezingscampagne dat geld vrolijk rollen. Organiseert voor zijn partij feestelijke meetings, in zalen en feesttenten in alle gemeenten die straks Groot Brugge vormen.
Ongetwijfeld tot zijn verbazing ziet Brugs burgervader Vandamme zijn kompaan alle spots en feestelijke aandacht op zichzelf richten. En op al die avonden houdt Michel Van Maele een muzikaal hoogtepunt achter de hand. Laat het podium aan zijn jonge achterneef Norbert, met zijn huppelende Héy-meisjes! En al wie langs komt krijgt een grammofoonplaatje mee naar huis. Niet ‘Liedje voor Mary-Ann’, wel een single waarop Norbert op de A-kant de lof zingt van Groot Brugge en achterom bezingt hij Michel Van Maele’s eigenste Boudewijnpark. Twee keer een draak van een lied met tenenkrullende tekst, maar de mensen keren huiswaarts met een gratis plaatje. Ze zijn content en Van Maele is dat ook. Pierre Vandamme?
En wat leren wij van zo’n geschiedenis? Wel, wij niet zoveel, maar misschien kan de partij van Patrick Moenaert en van onze huidige burgemeester er wat mee. Want, let u even op.

Wat is er te doen, volgend jaar in Brugge? ’t Zijn gemeenteraadsverkiezingen! En onze burgervader Dirk belooft aan zijn partij dat zijn gedoodverfde opvolger Franky Demon na vier jaar zijn sjerp mag overnemen. In de makkelijke veronderstelling, tenminste, dat Dirk zelf straks die job nog even voortzet.
Welnu, burgemeester Dirk, we beleven met z’n allen onzekere politieke tijden. Op de spreekwoordelijke kust staan kapers. Gij en Franky gaan het niet cadeau krijgen. Of het mij wat uit maakt laat ik hier geheel terzijde, maar als ge die sjerp wilt behouden en doorgeven aan uw partijgenoot, zal het een kwestie zijn van leep campagne voeren, straks. Dus laat feesttenten aanrukken en hou meetings! Zorg dat heel Brugge weet dat jullie ongeduldig staan te trappelen, jij en Franky! En, vooral, verzin alvast een tekst voor een lied! Eentje zoals dat van Michel Van Maele destijds, een eigenlof-lied.
Al verdelen jullie twee dit keer best wèl de spotlichten onder mekaar. Om schouder aan schouder jullie liedje te zingen. Een lied dat overtuigt om op twee kandidaten te stemmen … een tweestemmig lied!

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van Brugse politiek, Van zingen en spelen | 6 Comments

De filosofen van ’t sashuis

Wie schrijft, die blijft!’, herinnert u zich nog dat handvol woorden, titel van een televisieprogramma van lang geleden? Ze zijn mij altijd bijgebleven, die woorden. Wie schrijft, die blijft, ’t zou een keer waar moeten zijn!  Was zonder dat gezegde ooit één van deze cursiefjes verzonnen? Daar wil ik een keer over nadenken. Hoe dan ook, een mens moet in iets geloven. Dus twijfel is uit den boze, wie schrijft, die blijft.

En dan wandel je langs het Minnewater en passeer je voorbij het borstbeeld van Maurits Sabbe. En zoals altijd wanneer je daar langs komt, knik je de schrijver goeiedag. En zoals altijd vertikt Maurits het om je zelfs maar gewoon even aan te kijken. In gedachten verzonken kijkt hij onverstoord voor zich uit, één en al oog voor het sashuis.
En toch intrigeert die mens mij. Want niemand leest zijn boeken nog maar zowat elke Bruggeling kent zijn naam. Gewoon omdat zijn beeld daar altijd staat. En meer nog, omdat aan de andere kant van de stad een straat naar hem en zijn vader Julius is genoemd.

Maar hoe zou Maurits Sabbe als mens geweest zijn? Of liever, hoe zou hij zijn? Want op de sokkel van die buste bij het begijnhof staat dan wel dat hij overleed in 1938, maar daar geloof ik weinig van. Immers, wie schrijft, die blijft. Toch? En als Elvis, simpele volksjongen die volgens sommigen amper zijn eigen naam kon spellen, blijft bestaan, dan toch ook Maurits Sabbe?

En dan wandel je langs het Minnewater …

Dus ofwel is het waar wat op die sokkel staat, en klopt niets van die sinds lang gekoesterde woorden. Ofwel blijft wie schrijft en leeft Maurits nog. En dan woont ie, neem ik graag aan, nog altijd ergens hier in Brugge.
Mocht zijn adres u bekend zijn, dan kan u mij daar een plezier mee doen, waarde lezer. Of zijn telefoonnummer. Facebook kent zowaar een handvol Maurits Sabbes, maar de schrijver is daar niet bij. Misschien moet ik een keer langs TikTok of zo, maar daar verwacht ik weinig van. Jammer, ik zou wat graag een keer een praatje slaan met Maurits.
Want al oogt hij op zijn sokkel nog zo serieus, toch meen ik enige minzaamheid te ontwaren in zijn blik. En dus wou ik dit stukje schrijven. En ben ik ook iets van hem gaan lezen. Wellicht ruisen zijn oren nu. Iemand leest mij nog! Echt waar, Maurits, je bestseller ‘De filosoof van ’t Sashuis’ heeft voor mij geen geheimen meer.

En onder meer daarover zou ik het met hem hebben. Over dat boekje, een novelle eigenlijk, lang uitgesponnen is het werkje niet. Iemand met zijn status spreken we aan met “Meneer Sabbe”, beleefd opgevoed als we zijn. Waarna de schrijver, als mijn vermoeden omtrent zijn inborst klopt, meteen repliceert met “Ach, zeg maar gewoon Maurits!” Waarna hij in zijn kelder een fles jenever van de Gistfabriek opdiept. En voor we ’t goed beseffen zijn we vertrokken voor een paar uurtjes sappig Brugs. ’t Is waar, Maurits bracht een groot deel van zijn leven en loopbaan door in Antwerpen, onder meer als conservator bij Plantin-Moretus. Maar zijn hart en ziel bleven in Brugge, net als zijn repertoire. Zijn Brugse verhalen, veel later zou Bruggeling Maurits Balfoort daar de legendarische ‘De vorstinnen van Brugge’ rond bouwen. Het was overigens jaren daarvoor ook Balfoort die ‘De filosoof van ’t sashuis’ in een televisiefilm goot.

… doet hem denken aan de Brugse markten van weleer.

En zo zijn we weer beland bij dat sashuis van hem. Zou ik hem opbiechten dat ik zijn volkse vertelling eigenlijk maar dunnetjes vind? Dat ik het eigenlijk heel braafjes geschreven vind? Dat het mij met heimwee laat terugdenken aan de veel gretiger en gulziger woordenschat van die andere volksverteller, Felix Timmermans? Al is het een warme vertelling, over hoe de sasmeester, goedlachs dagdromend vrijgezel, door zijn boezemvriend op sleeptouw wordt genomen op zoek naar een vrouw. Om tenslotte – spoiler alert! – het hart te veroveren van het bevallige dochtertje van die vriend van hem.
Maurits zou mij geduldig aanhoren. Om dan, na zijn pijp zorgvuldig in zijn tinnen asbak uit te kloppen, te informeren naar het sashuis en wat daar nu eigenlijk gaande is. Tenslotte is de schrijver niet meer van de jongsten, komt niet meer zo vaak op straat.

En dan vertel ik hem graag over de frisse wind die sinds kort door de nu vaak openstaande deur van zijn geliefde sashuis waait. Over de Brugse makers die het eeuwenoude pand inpalmden. ‘Handmade in Brugge’ doopten zij hun ambachtsgroep en al zou Maurits verbaasd opkijken bij dat Engels, omtrent wat erachter schuilt zou hij instemmend knikken. Wat ik vertel doet hem denken aan de Brugse markten van weleer.
Al waren er ook andere plannen omtrent het sashuis. Aanvankelijk had een schepen van de stad er graag de drie gidsenverenigingen een eigen stek gegeven. Dat zou wat worden. De droom van Jo Berten, van toen hij voorzitter was van één van die gezelschappen, om alle gidsen weer onder één koepel samen te brengen, een stap dichterbij?
Maar wat er onderdak vond oogt zonder meer nog fraaier. Brugse ambachtsmensen die de handen in elkaar slaan om in het feeërieke huisje hun hier bij ons vervaardigde spullen aan te bieden, het lijkt mij een gezonde filosofie. Wie bedenkt een zinniger invulling?

Langs de oude sluisinstallatie struin je er van Brugse kletskoppen, de koekjes, langs glaskunst tot fraai bedachte sieraden. Van Brugse bieren – neen, Maurits, ’t Hamerken of Den Arend zijn daar niet meer bij – langs lekkers van de onvermijdelijke Dominique

Persoone tot een selectie uit hout gesneden kleinoden.
Tevreden vult Maurits andermaal onze glazen. Of de glimlach op zijn rimpelrijke gezicht iets met het gerstenat van doen heeft, laat ik graag in het midden. Hij belooft mij, als ik volgende keer langs zijn standbeeld passeer, op zijn minst een keer te knipogen. We verstaan mekaar, Maurits en ik, en heffen het glas. Op de filosofen van ’t sashuis.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van boeken en schrijven, Van film, Van proeven en smaken | 9 Comments

De Olivia Geerolf Vloer

Nooit gedacht dat ik op een dag een cursiefje zou vullen met een gedicht, maar kijk, het is van dat. Laat mij de lezer meteen geruststellen, ’t is geen schrijfsel van eigen hand. In de bib vond ik een dichtbundeltje van Jan van der Hoeven.  Of liever, ik vond het terug.
Waarom ik het jaren geleden al een keer las? Omdat een vriend mij vertelde met welke voldoening hij terugdacht aan zijn schooltijd, toen Jan van der Hoeven zijn leraar was. Hij vertelde over een boeiende mens met een brede kijk op de dingen. Nog een reden? Omdat uw dienaar als poëzie-leek zo’n bundeltje van amper een pink dik met weinig argwaan kan openslaan.
En wat mag de aanleiding zijn om het kleinood vandaag weer in huis te halen? Eigenlijk omwille van triest Brugs nieuws, het kwam u misschien al ter ore. Het overlijden, namelijk, van Olivia Geerolf.

Carmina Burana … vijfentwintig jaar Ballet Olivia Geerolf

Hoe zij verschijnt,
een scène maakt,
gegrepen uit de lucht,
alleen maar maat en
geen gewicht,
draagt en schraagt zij
van een lichaam het
heimelijk schrift,
een taalfabet van
hemelse kinese
haar ingewijd.

Er zijn in Brugge amper namen die zo spontaan aan dansen, aan ballet doen denken als die van Olivia. Dat leven van haar had best langer mogen duren – de balerina werd amper 73 – maar toch kan je stellen dat zij Brugge liet dansen, haar leven lang.
Welnu, ik herinnerde mij dat Jan van der Hoeven in ‘Vagant’, zo heet dat poëziebundeltje van hem, een handvol gedichten opdroeg aan Olivia. Ik koos voor u fragmenten van een paar van die gedichten. Gedichten in stukjes knippen, kan dat zomaar? Da’s zeker. Misschien vinden kenners zoiets des duivels, maar ik verontschuldig mij daar lekker niet voor. Als de dichter zich dichterlijke vrijheid mag veroorloven, dan mogen u en ik dat ook.

In de begrijpelijke zwerm aan reacties bij het overlijden van Olivia Geerolf trok eentje mijn aandacht. Die van een dame die zich Olivia herinnerde als peuter. Groei je op als dochter van de conciërge van de ‘muziekschool’ in de Sint-Jacobsstraat, waar gangen, muren en trappen muziek ademen, dan mag het weinig verbazen dat je op een dag aan het dansen gaat. Het verhaal gaat, dat kleine Olivia, springend en joelend, vertelde ‘Ikke ga palet doen!’ En palet deed ze!
En zoals Jan van der Hoeven de gave van het woord kreeg en naar zijn hand zette, zo ging Olivia aan de slag met haar danstalent. En vooral, ze viel anderen daarmee lastig. Gelukkig maar, kan iemand bij benadering schatten hoeveel stadsgenoten van haar leerden, het leven dansend te vieren? En of het nu om een Gouden Boomstoet, een Reiefeest, Heilig Bloedprocessie of een andere evocatie ging, als er gedanst werd in de straten van Brugge was Olivia in de buurt.

Meeting Bach … veertig jaar Ballet Olivia Geerolf

Een adel van bewegen,
een lente om de
lenden wentelend, zo
danig danst zij
een wonder
wervelkind,
steekt zij de
handen uit de vouwen,
schroeft op
,
spint en spant.

Behoort choreografe Olivia Geerolf tot het kransje van wereldnamen? Ach, zo’n vraag. Ja, Olivia vertelde graag over de scholing die ze kreeg van ene Sascha Ravinsky, Russisch choreograaf. En er is voor haar gezelschap muziek gecomponeerd door mensen met naam. Maar dat neemt niet weg dat zij vooral hier bij ons en als autodidact bereikte wat ze bereikte. Wie haar van dichtbij kende weet dat, samen met haar aanleg, haar doorzettingsvermogen haar maakten tot wie ze werd.En de rest is geschiedenis. Weliswaar vooral Brugse, maar toch geschiedenis. Het verhaal van een meisje dat op haar twintigste voor het eerst een choreografiegroep leidt in de Heilig Bloedprocessie. En datzelfde jaar, 1970, ook maar meteen haar eigen ‘Ballet Olivia Geerolf’ sticht. En neen, die dansgroep telt geen professionele dansers. Dus een tweede Anne Teresa De Keersmaeker is zij nooit geworden. Het deert Brugge niet, al die jaren heeft de stad zijn Olivia gekoesterd. ’t Is schoon geweest.
Maar voorbij is het verhaal niet. In de stad blijft een dansschool ‘Ballet Olivia Geerolf’ heten. En Jolien Smis is de leerlinge van haar die sinds enkele jaren bij de Heilig Bloedprocessie haar taak overnam.

En met wat vertraging … 2022,
vijftig jaar Ballet Olivia Geerolf

En dan is er ook nog iemand met een voorstel. Een knaap die over zijn stad nu en dan een blogje vult met een verhaal, die heeft een idee. Dat gaat als volgt.
Ergens in de stad halen ze dezer dagen een school neer. Bij het einde van de Boeveriestraat is een witgekalkte gevel het enige dat van de vakschole overeind blijft. Die school waar leerlingen les kregen van een man waar ze vandaag nog over praten. Een man die gedichten schreef. Voor een ballerina, onder meer. Welnu, op de plek waar die leraar zijn leerlingen begeesterde met zijn boeiende zelf, rijzen straks huizen uit de grond. Een nieuwe wijk. Met straten, veronderstel ik. Een paar groene pleintjes ook, mag ik hopen.

Ik stel mij voor hoe prominenten daar binnen een paar jaar lintjes knippen. Bij de inhuldiging van de gloednieuwe Jan van der Hoevenstraat. Met in die straat, hier en daar een handvol bordjes met flarden van gedichten. Of dat mag, zo’n flarden? De lezer weet beter. Ze gaan over een danseres, Olivia Geerolf heette ze. En de nieuwe straat leidt naar een even nieuw pleintje, midden de wijk. En op dat plein, een vloer. Die daar ligt en zal blijven liggen tot in lengte van dagen. En tot in lengte van dagen zullen mensen mekaar daar opzoeken, in die nieuwe wijk van ons. Om er het leven te vieren. Dansend. Op de Olivia Geerolf Vloer.

Posted in Het Brugge van nu, Van feesten en vieren, Van stoeten en processies, Van zingen en spelen | 14 Comments

Het autosalon en dat van ons

Een winteravond bij ons thuis. Mijn huisgenote en ik, braaf schouder aan schouder voor de buis, in ‘t salon. Wij hebben een salon, u wellicht ook? Zo’n nest waar u op adem komt na weer een te snel geleefde dag. Met een paar spullen waar u aan gehecht ben. Misschien met een kachel die ronkend vertelt dat het leven bij momenten best draaglijk kan wezen. En ook een tv, neem ik aan, die doet wat u hem afstandsbedieningsgewijs opdraagt.
Het was onze Brugse punkvoorman, Peter ‘can’t live in a living room’ Slabbynck, die zich lang geleden ergerde aan zo’n salon, de materie geworden burgerlijkheid. Iets zegt mij dat niet-meer-zo-jonge en allicht niet-meer-zo-boze Peter intussen ook wel een keer onderuit zakt, een handvol chips en de afstandsbediening binnen handbereik. Nu en dan een dosis avondluiheid in de divan, ’t is hem gegund.

“… Het ene salon is het andere niet.”
Auto Retro, Brugge 1988

Hela, haal ik hier het woord ‘divan’ van onder het stof? Voelt dat woord zich in ons dagdagelijks taalgebruik nog wel zo thuis als vroeger? Vroeger, toen de divan deel uitmaakte van ‘de salon’. En ‘de salon’ waren, eerder dan de plek in huis waar je de dag op zijn einde laat lopen, de zitmeubels in die ruimte. Toch?
Maar zoals wij de meubels in ons huis wel een keer een andere plaats toewijzen, zo worden in ons taalgebruik woorden soms naar een andere hoek verschoven. Komen onze noorderburen in beeld, die het over een bank hebben wanneer wij onze oude divan aanwijzen? En over een bankstel wanneer wij ons neervlijen in ’t salon?

Maar u treft ons dus in ons salon, waar Goedele Wachters in het avondnieuws het autosalon ter sprake brengt. Het ene salon is het andere niet. Zij heeft het over Chinese auto’s die u daar op de Heizel kunt bewonderen. Tenminste als auto’s bewonderen uw ding is. In de reportage die volgt vlijen een paar van die bewonderaars zich behaaglijk neer in zo’n glimmende bolide. Zo’n beetje zoals ik mij hier nestel voor de tv. Ze gaan almaar meer op mekaar lijken, de auto en het salon. De auto en het bankstel, zo u wil.
En wij, we vragen ons af wat onze keuze wordt, wanneer ooit het niet meer zo jonge bakje in onze garage ons in de steek laat. Een elektrisch speeltje of toch nog iets met ‘nafte’? Misschien een hybride, meent mijn huisgenote. Een hybride? Ineens zie ik in mijn verre herinnering een heel oud, zwartwit televisiebeeld. Ergens bij een waterloop laat kapitein Zeppos zijn cabrio gezapig de oever af rijden. En wij, jonge kijkertjes, zien stomverbaasd hoe het autootje de rivier op vaart … Een bootauto, o ja, zo’n hybride wil ik wel!
Grapjas, meent mijn divangenote, ga dan voor de tekenfilmauto van Fred Flintstone, destijds! Ze heeft gelijk, zo’n auto die op dreef komt door met je voeten over het wegdek te trappelen, het ultieme ecologisch verantwoorde rijtuig!

… Andere parkeerputten zouden volgen. 

Het autosalon laten we aan ons voorbij gaan, stilletjes hopend dat onze vierwieler nog even baan houdt, de centen die je voor een nieuwe ophoest zijn niet van de poes. Onlangs koos iemand in onze vriendenkring voor een deelauto. Dat is, zoals u weet, geen halve maar een hele auto die gebruikers met mekaar delen. De toekomst? Of valt er toch iets te zeggen omtrent een fijnmazig openbaar vervoer?
In afwachting blijven meneer en mevrouw De Consument nog wel een tijdje gehecht aan eigen voertuig in eigen garage. En mocht enige twijfel ons kwellen, is er altijd nog de sirenenzang van de reclame. Waarin u zich langs een adembenemend landschap laat meevoeren door uw droomvoertuig, door een bedwelmende soundtrack in, nou ja, vervoering gebracht. In een universum zonder tegenliggers, laat staan files.

Of valt er toch iets te zeggen
omtrent een fijnmazig openbaar vervoer?

Maar misschien gaat u langs op de Heizel en komt u thuis met zo’n gloednieuwe glimmerd.
Mijn auto mijn vrijheid’, tenslotte. Het was ooit een aardige slogan. In de dagen toen Brugge onder ’t Zilverpand zijn eerste ondergrondse parking kreeg.  We waren mee met onze tijd! Andere parkeerputten zouden volgen. Op de ring werd bij het station een hoge brug opgetrokken om koning auto te plezieren. Een brug die ze twee keer bouwden, de eerste poging liep aardig mis. Straks komen u en ik mekaar daar ongetwijfeld tegen, u in uw pronkstuk en ik in mijn overjaars modelletje. Bumper aan bumper tussen andere roerloze aanschuivers, spitsuur spelend. En mijmerend over dat betoverende landschap van in de reclame.
Laatst stelde iemand een boeiende vraag. Wat onze voorkeur wegdraagt, mobiliteit of elk onze eigen auto.
Het nieuws zit erop, Goedele wenst ons een fijne avond. Dat wordt het vast wel, zo’n avond in ’t salon. Met een goeie film of een boek. En aan onze voeten, in haar mand bij de boekenkast, een zalig snurkende hond. En bij de hand een fles die lonkt naar twee glanzende glazen. Zijn dat wat ze noemen saloncondities?

Posted in Het Brugge van nu, Van wielen en op weg zijn | 7 Comments

De wondertafel van ’t stadhuis en boeken per boot

‘Wanneer schrijft iemand een keer een boek over Brugge?’
Grapje, de lezer weet beter, inmiddels bouw je met Bruggeboeken een toren zo hoog als ‘t belfort. En er zijn zowaar stadsgenoten die alles aanschaffen wat over hun stad in boekvorm verschijnt! Bij het inschatten van de oplage van een nieuw boek over onze stad, zo gaat het verhaal, houden uitgevers rekening met dat voorspelbaar aantal ‘vaste klanten’.
Hoeveel boekbanden zo’n verzamelaar in huis heeft? Neem maar aan dat zo’n collectie een behoorlijke behuizing vergt. Alleen al met wat de voorbije paar jaar aan Bruggeboeken op de markt kwam vul je een redelijk schap. Dat laatste kan mijn boekenkast beamen. Al heeft mijn bescheiden stapel allerminst torenhoge ambities. Hoger dan een handvol treden van ’t belfort komt ie niet. Als afficheverzamelaar, stadsgids en bedenker van af en toe een Brugse vertelling trek ik mij aardig uit de slag met mijn overzichtelijke kast met Brugse titels.

En er zijn zowaar stadsgenoten
die alles aanschaffen
wat over hun stad in boekvorm verschijnt.

Terwijl in die kast nog altijd één en ander wacht op mijn leeslust. Zo haalde ik een paar jaar geleden ‘Brugge, een middeleeuwse metropool’ in huis. Samen met een paar dozijn auteurs van hier en elders zette Brugs historicus Jan Dumolyn zich aan ’t schrijven en ze verzonnen een lijvig boek. Ook dat vijfhonderdtal bladzijden bleef alsnog ongelezen. En inmiddels kreeg dat opus van Jan Dumolyn en co, terwijl het hier indrukwekkend staat te wezen, alweer gezelschap van jonger schrijfsel.
Oef, het recente ‘Brugge ongezien’ is vooral fotoboek, de lezer komt er in geen tijd doorheen. De jongste telg in huis, ‘Brugge, stad van water’, is andere koek. Dat boek van Jo Berten staat vol met woorden, niks illustratie. Dikke pech, dat wordt weer lezen!
Maar dat is toch wat de ware boekenwurm wil, gewoon lezen?
Wat is dat dan toch, dat ik mij bij dat soort non-fictie keer op keer betrap op stiekem uitkijken naar afbeeldingen? Een zielenknijper vindt het antwoord op die vraag ongetwijfeld in mijn prille kinderbestaan. Dat het allemaal de schuld is van mijn allereerste boekenervaring. Wat ik las èn zag in ‘De sissende sampan’ en ‘Het ei van Oktober’ en andere klassiekers van Suske en Wiske en Nero bepaalt tot vandaag hoe ik omga met boeken. Met alles wat papier aangaat. Het fascinerende samengaan van beeld en woord. Begon deze jongen daarom ooit met het verzamelen van affiches?

Maar ‘Brugge, stad van water’ is dus, ziehier een oud schoolwoord, een leesboek. Dat Jo Berten in zijn ‘eindwerk’ – zelf noemt hij het zijn laatste boek – de reien ter sprake brengt laat zich raden. Maar de achterflap – die lás ik tenminste al! – verwijst naar meer. Zoals naar een stad die een weg zocht en vond naar zee, met het Zwin en zijn voorhavens als stapstenen.
Gelukkig kan Jo het goed uitleggen, dus dat boek vol woorden zal wel meevallen. Straks zit hier iemand in een hoekje met een boekje. Een e-boek? Doe mij maar de papieren editie en het vertrouwde daarvan. Hoe het in mijn handen rust. Een goed bedacht kaftontwerp, de bladspiegel, de structuur van het papier, de gekozen letter.

Al laat ondergetekende zich ook met plezier inpalmen door de charme van digitale vindingen. Vooral waar hij die niet verwacht. Zoals laatst, in ons stadhuis. Tot voor kort deed het zaaltje dat daar aansluit op de grote gotische zaal zijn best om museum te zijn. Maar een troef was het allerminst. Eerder een museum, zo achterhaald dat het op zich museumstuk was geworden. Dat is nu wel even anders.
Vandaag word je er getrakteerd op een dosis ‘augmented reality’, het modewoord is u bekend.  Zeg maar ‘slim digitaal gestuurde informatie’. Die wordt heel dynamisch uitgerold over een heuse wondertafel, de grootte van een ruim bemeten feestdis.

Een tafel die u misschien bekend voorkomt. U bezocht een tijd geleden in ’t Zwin de tentoonstelling ‘Verdwenen Zwinhavens’? Daar toonde zo’n meubel het historische verhaal van onze kuststreek. Welnu, ’t is diezelfde tafel die nu een vaste stek kreeg in ons eigen stadhuis en hij staat daar goed. Inhoudelijk werd de getoonde verhaallijn aangepast, die loopt nu helemaal door het Zeebrugge van vandaag.

Ja, hier was volk te vinden dat zich
zo’n kostbaarheid permitteren kon.

Dat ik in ‘Brugge, stad van water’ van Jo Berten afbeeldingen mis? Niks erg, in ons stadhuis illustreren ze het boek langs een imposante, digitale weg! In wat er getoond wordt maakt vooral wat zich hier lang geleden afspeelde indruk. In die zo graag als ‘glorierijke middeleeuwen’ omschreven tijd, toen havenstad Brugge zich liet meevoeren in de vaart der volkeren. Toen trekschuiten vanuit Damme en Sluis alles wat niet te zwaar of te heet was, van en naar de stad verscheepten. Wol vooral, maar ook graan. En wijn en specerijen en pelzen en andere luxeproducten. Boeken?
Ja, hier was volk te vinden dat zich zo’n kostbaarheden permitteren kon. De heren van Gruuthuse en Bladelin, de Bourgondiërs van ‘t prinsenhof. En kanunnik Van der Paele, op dat schilderij van Jan van Eyck pronkt hij niet zomaar met zijn gebedenboek. En dus kan je er donder op zeggen dat ook boeken kwamen en gingen. Per boot? Stel u voor, hopelijk met de grootste zorg verpakt, de meest kostbare manuscripten vol delicate miniaturen, de woeste zee op!

En terwijl voor mijn ogen op een digitale tafel onze geschiedenis zich ontvouwt,
bedenk ik … op een dag opperde toen, in die stad van ons, een lezer voor het eerst
“Wanneer schrijft iemand een keer een boek over Brugge?”

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van boeken en schrijven, Zeebrugge, de haven | 11 Comments

Het Vlaanderen van Tom Waes en … LikeMe

Waar of wanneer dat lied mij voor het eerst kippenvel bezorgde, laat zich niet meer achterhalen. Wel herinner ik mij mijn verrassing omtrent de woorden en hoe die op hun plaats vielen. Over Will Tura kan je veel beweren, maar niet dat hij altijd de meest creatieve tekstschrijvers in huis haalde. Vandaar dat hij mij destijds verraste met zijn ‘Vlaanderen, mijn land’.
Marcel Leemans, woordzoeker van dienst, bedacht de niet onaardige openingszin
Uit de tijd geworpen,
vergeten paradijs
van duizend kleine dorpen
onder wolken, grauw en grijs’.
En al laat hij in zijn wel heel vleiende ode aan Vlaanderen hier en daar een schoolse zin binnensluipen, toch houdt hij je bij de les en als luisteraar vind je dat allerminst erg.

… benieuwd naar wat hij nog aanvangt met ‘onze’ geschiedenis.

Maar ’t is een lied van lang geleden en de wereld verzon sindsdien veel deuntjes die mij opvrolijkten of ontroerden. En zo was ik ‘Vlaanderen, mijn land’, het lied, eigenlijk wat vergeten. Maar, verrassing, een zomer of twee geleden hoorde je het zowaar af en toe weer op de radio. En zo zingt het soms opnieuw door mijn hoofd.

Vooral sinds op tv een zekere Tom Waes met zijn reeks ‘Het Verhaal van Vlaanderen’ een heleboel aandacht opeist. Zoals een degelijk bedachte liedjestekst dat doet, zo slaagt de vertelling van Tom Waes erin om onze, of althans mijn aandacht vast te houden. Wanneer u dit leest, zag u misschien net als ik al een paar afleveringen van het prestigieuze project van grootverdiener Tom en zijn team.
En ik ben best wel benieuwd naar wat hij nog aanvangt met ‘onze’ geschiedenis. Al kennen we er de grote lijnen van, we kregen ze op school ingelepeld. Het begrip ‘eindtermen’ was nog onbestaande, maar toch waren naast onze vaderlandse geschiedenis ook een handvol stichtelijke liederen verplichte schoolkost.
Van boven het krijtbord beluisterden de portretten van Boudewijn en Fabiola ons jongensgejoel dat moest doorgaan voor het Belgisch Volkslied. Was onze schoolmeester de Vlaamse gedachte genegen? Vermoedelijk wel, want naast de Brabançonne leerde hij ons ook zingen van ‘Ze zullen hem niet temmen’. Of Bo en Fab daar net zo content mee waren valt enigszins te betwijfelen. Maar wat zo’n Belgisch of Vlaams vaderlandslied in al hun zwaarwichtigheid betekenden, het kon de kleine prutsen die we waren weinig schelen. Wie zou ons ongelijk geven?

Van wat het Belgisch Volkslied ons leert kreeg ik het, eerlijk waar, nooit warm. Wat er heilig is aan ons ‘oh, heilig land der vaderen’ heb ik nooit echt gesnapt. En nog minder dat naast die ‘vaderen’ al onze ‘moederen’ gewoon onvermeld blijven.
En wat met die ‘fiere Vlaamse Leeuw’ van ons? We hadden een paar Vlaamsgezinde vrienden die ons meetroonden naar Diksmuide. We trokken er heen op onze eerste ‘grote fiets’ – kregen we die bij onze plechtige communie? In die tijd stroomde de weide bij de IJzertoren nog elk jaar nog één zomerzondag vol met een massa volk, dat imponeerde geweldig. Maar ’t was wel daar dat ik mij realiseerde dat de woorden van de Vlaamse Leeuw, het lied van klauwen en tanden in al hun weerbarstigheid, niet mijn woorden waren.

… dat die leeuw die we Vlaams noemen, zoals wel meer heraldische beesten, van oosterse komaf zou zijn.

Later waren er de avonturen en avonduren van ons jongensleven. Waarin wij ons bekwaamden, zoals het jonge knapen en deernen betaamt, in toogfilosofie. Daagden mekaar uit over Vlaming zijn, Bruggeling, Belg, Europeeër. En hoe later op de avond, met hoe meer overtuiging we wereldburgers werden. Met voor elk wereldprobleem een oplossing, de onze.
En we lachten, weet u nog, met Leterme die, toen iemand hem onverwacht en français naar de Brabançonne vroeg, ocharme de tekst van de Marseillaise stamelde. Anderzijds, iemand van ons meende dat die leeuw die we Vlaams noemen, zoals wel meer heraldische beesten, van oosterse komaf zou zijn. Of dat klopt? Een mens mag het leven dankbaar zijn omdat het ons leert relativeren.

Doch ziet, sinds kort doet men toch weer een beroep op ons aloude Vlaams bewustzijn. Om na te denken over een ‘Vlaamse canon‘. Dat gaat, als ik het goed begrijp, over een opsomming van alles wat een Vlaming over Vlaanderen hoort te weten. Serieuze mannen en vrouwen buigen zich over dat vraagstuk. En ander serieus volk heeft daar dan weer kritische bedenkingen bij. Want wie spint daar garen van? En wat komt er allemaal op zo’n lijst?

Zullen we even? Wij gaan voor de frietkoten aan de Brugse halletoren, vooreerst. Breydel en de Coninck staat er hoe dan ook op, zeker? Of we Tom Waes, onze Rode Ridder van ’t moment, op de lijst willen valt te betwijfelen. Maar nu we het toch over tv hebben, wat met een klassieker als ‘FC De Kampioenen‘? Da’s oppassen. Stel je voor dat in een verre toekomst iemand die canon onder ogen krijgt en gaat geloven dat de doorsnee Vlaming door ’t leven ging zoals Xavier of Pascalleke dat doen. Hoewel … misschien is daar wat van aan.
De Vlaamse Leeuw, het beest en het lied, eisen in de geloofsbelijdenis van hun volk ongetwijfeld hun plek op. Compleet met klauwen, tanden en andere werkingsmiddelen. Maar, hier komt ie, deze jongen heeft een voorstel. En hij meent het nog ook. Ik had het net over een lied dat ik ooit hoorde op een langspeelplaat van Will Tura. Wel, als de brullende leeuw op de lijst mag, dan ook ‘Vlaanderen, mijn land’!
Want al is het land dat daarin bezongen wordt veel schoner dan het echte ooit was of zal zijn, het vertelt over een Vlaanderen waar ik wil leven. En, naar ik hoop, u ook.

En er is meer. Ik vertelde dat het lied een paar jaar geleden weer opdook op de radio. Maar het was ineens niet meer Will Tura die het zong, neen. Een bende jonge gasten van vandaag bracht het. Ze noemen zich LikeMe en wie hier bij ons jong is kent ze. Van op tv, wat dacht u. Ik zal u niet tegenspreken als u ze omschrijft als een marketingproduct, zoals er vandaag in medialand wel meer te vinden zijn. De fleur van de jeugd en kleurrijk in menig opzicht, ze zouden niet misstaan in een promo voor tandpasta. Maar de leute

waarmee ze dat oude liedje zingen, uitgelaten als wonnen ze net de lotto, daar durf ik onbeschaamd voor smelten. Trouwens, van hun vrolijk wervelende danspasjes kon ik zelfs in mijn meest vitale jeugdjaren alleen maar dromen.
LikeMe, die zotte dozen, zingen een lied waar ik blij van word, over een Vlaanderen waar ik blij van word. Of ik me Vlaming voel? Toch op zijn minst voor de duur van zo’n lied.

Vlaanderen, mijn land‘, hier staat het: https://www.youtube.com/watch?v=WSjNMliFrWQ

Posted in Het Brugge van nu, Van feesten en vieren, Van gitaren en drums, Van zingen en spelen | 14 Comments