Posted in Zonder categorie, voorlopig | Leave a comment

Gruuthuse … een blad meer of minder

Hoe onze spreektaal groeit en bloeit, ’t is een plezier om horen. Onze jongelui en de woorden die ze bedenken, overnemen van mekaar en van de rappers op hun smartphone. Taal is een klimplant, ze heeft nood aan ruimte en  nu en dan kan wat snoeien geen kwaad. Verdorde woorden vallen op de grond en blijven daar liggen.
Neem nu die goeie ouwe spreekwoorden, wie benut ze nog? ‘Ja maar, meneer, elk woord is toch een spreek-woord?’
Probeer maar een keer ‘schoenmaker, blijf bij uw leest’. Schoenmaker, dat lukt nog best, maar om te tonen wat een leest is moet je naar ’t volkskundemuseum. En om ‘zoals het klokje thuis tikt …’ uit te leggen adviseer ik een knus eethuis in de Sint-Jacobsstraat, de patron heeft er een zwak voor ouderwetse wekkers.
Al is van nieuwerwetse woorden de houdbaarheidsdatum niet zelden aan de magere kant. Om dat met zo’n belegen uitdrukking te duiden, nieuwe mesjes snijden goed!‘ En de woordenschat van vroeger? Soms gewoon een schat aan woorden, meent opa. Volgt u even.

  • Printpapier
    Er zijn van die woorden die ons meenemen op een reis door de tijd. Zoals de woorden die sinds enkele weken onderdak vonden in het Gruuthusemuseum. Een belangwekkende aanwinst, al gaat het om een enkel blad. Een blad met daarop een miniatuur en een handvol handgeschreven zinnen. Woorden die best wat moeite vragen om te lezen omdat ze meer dan vijfhonderd jaar geleden werden neergepend, samen met het miniatuurtje dat erbij staat.
    Maar ’t is vooral het levensverhaal van het document dat een rol speelt. Een hoofdrol en da’s maar goed ook, anders zou ’t moeilijk uit te leggen zijn dat zoveel centen werden opgehoest om het dingetje aan te schaffen.
… een blad ter grootte van
doordeweeks printpapier …

Bij ons thuis staat een spaarvarkentje dat heel soms door ondergetekende wat lichter wordt gemaakt. Om dan stillekes een oude affiche in huis te halen. Maar 35.000 euro voor een blad ter grootte van doordeweeks printpapier, ècht welkom zou hij bij thuiskomst niet zijn.
Het gaat hier dan ook om een document met hoogst boeiende Brugse pedigree. ’t zit namelijk zo. Lodewijk van Gruuthuse, die lang geleden woonde in dat museum dat nu zijn naam draagt, verzamelde boeken. Hij haalde er, zegt men, een paar honderd in  huis. Misschien hebt u er zelf wel meer in uw kast, maar in zijn tijd kocht je die dingen niet in de winkel om de hoek. Met het maken van een boek, woord voor woord neergeschreven met zo’n ganzenveer en dan handmatig van prenten voorzien, waren ze algauw enkele maanden zoet. Een boek kostte een treffelijk stenen huis. Lodewijk was een rijk mens en – antieke wijsheid!wie het breed heeft laat het breed hangen.
Welnu, ooit in een ver verleden, knipte een stiekemerd een folio uit zo’n boek. En zo komt voor één keer uit Gruuthuse’s collectie een beeldschoon blad met miniatuur op een veiling en wij, Bruggelingen, kopen dat. Niet meer dan een papiertje, maar – belegen spreekwoord!wie het kleine niet eert is ’t grote niet weerd!
Een volledig boekwerk zou natuurlijk nog straffer zijn, da’s waar. Maar – we vonden er nog eentje! beter één vogel in de hand dan tien in de lucht! Dit kleinood is een te koesteren aanvulling van de ruime collectie oude geschriften die hier ter stede bewaard worden. Dus ja, een blad meer of minder maakt een verschil. Ook al is één zo’n blaadje een peulschil in vergelijking met het enige echte …

Voorjaar 2013, het Gruuthusehandschrift keert terug naar Brugge … voor even.
  • Gruuthusehandschrijft
    Oeps, nu herinnert de schrijver van dit cursiefje zich toch wel ineens dat bewogen verhaal over het ‘Gruuthusehandschrift’, zeker! Die ferme bundel gedichten, liederen en gebeden, dat was nog een keer schrijfkunst!
    Even opfrissen hoe het zit en zat met die verzameling.
    Kreeg u ooit les over de geschiedenis van onze taal, dan herinnert u zich mogelijks ‘Egidius, waer bestu bleven …’, schoolvoorbeeld van ons Middelnederlands. Iconische woorden uit die schriftuur van ’t begin van de jaren veertienhonderd. Generaties lang was die kostbare stapel papieren erfgoed in handen van wat ze een vooraanstaande Brugse familie noemen.  
    En op een schone dag, inmiddels bijna twintig jaar geleden, besloot die familie het geschrift te gelde te maken.
    Maar, u gelooft het amper, Brugge bleef aan de zijlijn toekijken. Of kreeg, volgens andere bronnen, geen eerlijk aanbod.
    Verdween het literaire juweel in de kluis van een rijke Amerikaan, het had niemand verbaasd, maar zo’n vaart liep het niet. Maar dat de Hollanders van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag ermee vandoor gingen zorgde in Brugge voor zelden waargenomen verontwaardiging. Even trilde onze stad op zijn literaire grondvesten. Onvergefelijke blunder, klonk het her en der. Wiens blunder? In een ambiance waarbij iedereen naar iedereen wijsvingerde was dat moeilijk uit te maken.
  • Liefde en devotie
    Als om ons te troosten kwam het iconische Gruuthusehandschrift in 2013 nog één keer naar Brugge, voor ‘Liefde en devotie‘, een tentoonstelling in het huis waar het eigenlijk thuis hoort. Om dan voorgoed terug te keren naar Den Haag,.
    Niks aan te verhelpen – voorouderlijke certitude gedane zaken nemen geen keer. Mochten stadhuis en musea het kunnen herdoen, ’t was misschien anders verlopen. Blijkt alweer – komt ie!ieder huisje heeft zijn kruisjeieder stadhuisje, ieder Gruuthuisje.
Het is even zoeken in Gruuthuse, de vitrine die het pas verworven juweeltje kreeg toegewezen kan bezwaarlijk een podiumplaats genoemd. Maar schoon is het wel.
Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van boeken en schrijven, Van Brugse politiek | 3 Comments

Een brief aan de Sint, de echte.

Waarde Sinterklaas,
uw brievenbus puilt rond deze tijd uit van de briefjes van snotneuzen die u om een speelgoedgunst vragen, een antwoord op dit schrijven van mij zal allicht even op zich laten wachten. Alle begrip!
Al zullen mijn woorden u vast wel opvallen tussen alle zeemzoete rijmpjes en brave verzoekjes. Want ik hoef niks van u, u mag uw speelgoed houden. Trouwens, die spelconsoles zijn niet echt de speeltjes waar deze grijzende knar als klein manneke van droomde. De spitstechnologie van toen, dat was de viewmaster. Een plastieken doosje met twee venstertjes waardoor je kleurenprenten in dieptezicht kon zien. Landschappen en beelden uit tekenfilms. ‘k Liet mij vertellen dat ze die dingetjes tegenwoordig weer maken. Ik kreeg best veel van u, elk jaar, maar nooit een viewmaster. Ergens in mijn kinderherinnering schuilt nog lichte teleurstelling daaromtrent. Maar ’t is u inmiddels vergeven.

Want de reden waarom ik het woord tot u richt is van een heel ander allooi. Ik ben namelijk op zoek naar uw levensverhaal. Ik geloof immers dat u echt bestaat. Of toch minstens dat u echt bestond. Heb het opgezocht en dus wil ik bij u even checken of wat het internet mij leerde overeen komt met de historische waarheid. Gaat u er even bij zitten op uw aloude troon, ziehier de informatie waarover ik beschik.
Toen u het levenslicht zag, zo ergens rond 270 na Christus, was men op uw geboorteplek, het Turkse Patara, nog niet zo begaan met geboorteaktes, dus daar kunnen we naar fluiten. Ook die stad zelf ging later verloren, door zijn inwoners verlaten na een zoveelste oorlog in de regio. Van vrienden van mij zag ik vakantiefoto’s uit Antalya, die streek van u. Lag het daar toen ook vol zonnebaders, schouder aan schouder op het zomerse strand?
U moet zowat in de fleur van uw leven geweest zijn, toen in Rome keizer Constantijn de baan vrij maakte voor het christendom. U stamde uit een gegoede familie, misschien hielp dat wel om het tot bisschop van Myra te schoppen.

Op een veelluik in ons eigen Groeningemuseum troont u in vol ornaat, mijter op het hoofd en bisschopsstaf in de hand. Die verrassend gladgeschoren kin is even wennen. Van de kleinere panelen van het schilderij ontbreekt er eentje. Er worden een paar van uw heldendaden uit de doeken gedaan, vandaar allicht uw niet weinig zelfvoldane blik.
Eén van die verhalen gaat over een hongersnood. U liet een boot, volgeladen met graan, langs komen. Flink van u, maar ook niet meer dan dat.

Echt straf is de vertelling over een slager die drie jonge gasten slachtte, als waren het varkens. U moeide zich met de zaak en bracht de slachtoffers weer tot leven. Da’s al mirakelkunde voor gevorderden.

Een rare historie vind ik die omtrent een arme meneer die zich geen bruidsschat voor zijn dochters kon veroorloven. Dat was voor vaders destijds onmisbaar om hun meiskes aan een man te helpen. Bij die mens gooide u stiekem een volle geldbeugel over de haag. Wie weet waar die deernen anders terecht kwamen.
En op termijn was het dat verhaal over die meiskes dat uw imago van kindervriend inkleurde.
Of toch vriend van de brave kindjes. Herinneringen, daar zijn ze weer, van op de speelplaats in mijn kleutertijd. Een lange, magere man in uw gezelschap heeft een zwart aangezicht. Raar, alleen zijn oren zijn zo bleek als die van mij. Hij heeft zowaar een jutezak bij, waarin misschien wel één of twee stoute kinderen passen. Ik vind die meneer niet leuk.
Het sleutelmoment in mijn leven, waarop ik doorzag dat niet u, in hoogst eigen persoon, maar wel een ‘hulpsint’ op school langs kwam, herinner ik mij niet meer. Wat volgde waren jaren van ongeloof omtrent Sinterklaas. Maar inmiddels kwam ik tot inkeer. Dus al heb ik door dat het dit keer weer zo’n ‘hulpsint‘ was die in Brugge door de burgemeester werd verwelkomd, u hebt echt bestaan. Ik kan met de hand op het hart zeggen dat ik in Sinterklaas geloof.
Dus mocht u op uw terugweg, als alles is uitgedeeld aan alle brave kindjes, in het ruim van uw stoomboot nog een viewmaster op overschot vinden, u weet wie er blij mee te maken.

Posted in Het Brugge van nu, Van feesten en vieren | 11 Comments

Hoe afval de wereld redt

’t Was een zomers middaguur in Veules-les-Roses, stadje dat zich nestelt in een vallei, uitgeschuurd op de Normandische krijtkust. Zo’n moment, een ogenblik in de echte betekenis van het woord. Wij keken mekaar aan en wisten, dat is het! Wat daar stond, in de smalle vitrine van het rijhuis in de enige hoofdstraat, hoorde bij ons.
De bescheiden kunstgalerij was dicht op het middaguur en dus wandelden we door, onze vrienden en wij, langs de tamelijk pittoreske Rue Victor Hugo die naar zee leidt, waar een betonnen zoutwaterzwembad en een banale parking de verwachtingen van de bezoeker temperen. In de enige brasserie ging van de karaf wijn meer charme uit dan van het visschoteltje dat er werd geserveerd.
Terug naar onze prooi. Die stond er nog. Kon moeilijk anders, de uitbaatster opende pas haar deur. Wat we op het oog hadden was van Vincent Prieur. Een kennis van de galerijhoudster die, zo vertelde zij, spullen assembleerde die hij vond op zijn wandelingen aan de voet van de krijtrotsen. Aangespoeld tuig. Plankjes, resten van een zeildoek, een blikken doos. Vincent, de strandjutter. Kunstwerken van de kust, kustwerken. En zo nu en dan benutte hij wel een keer iets dat hij opraapte in de velden, hoog boven de zee. Een roestige rest van een landbouwwerktuig, een eind touw. Vincent verzamelde afval.

Dat zijn creaties niet onbetaalbaar waren, was een opluchting. Niet dat het ons verbaasde, geen van ons had zijn naam ooit gehoord en iets liet vermoeden dat hij eerder regionale bekendheid genoot. Trouwens, hoe zot kunt ge zijn, kunst maken van rommel. Maar ‘Le Bateau‘ was ons ding, had ons hart gestolen. Ons hart en dat van de boekenkast waarop het kunstwerkje, eenmaal bij ons thuis, zou aanmeren.
En hoe gaat dat, van dan af hou je zo’n naam in het oog. Leer je dat Vincent Prieur vrolijk doorgaat met het verzinnen van warme, speelse figuren, ineen gezet met gebruikte materialen. En zo kwam het dat we op een dag nog iets van hem in huis haalden. Sindsdien kijkt, vanop haar sokkel in onze huiskamer, ‘Diva de la Mer’ trots op ons neer. Haar rok een restant van een visnet, een kind of een pop klemt ze wat onhandig in de ene hand, de andere reikt naar de vis boven haar hoofd. Nu nog uitkijken naar een gelegenheid om de kunstenaar zelf naar hier te halen.
Stel dat hij nu in Brugge langs komt, nemen wij hem op sleeptouw. Op sleeptouw, de strandjutter zou zo’n scheepsterm op prijs stellen, hoe vertaal je dat naar ’t Frans? Hoe dan ook, op naar een paar Brugse museumlocaties! Om hem voor te stellen aan Strook.

Affiche voor de jongste cd èn een tournee
van het Zesde Metaal, een creatie van Strook.

Noem het stoutmoedig van ondergetekende, om onze stadsgenoot Stefaan De Croock, die als Strook door het leven gaat, als een Brugs equivalent van Vincent Prieur aan te wijzen. Of andersom. Strook, u kent zijn werk ongetwijfeld. Alleen als u nooit over ’t Zand passeert ontging u zijn kunstwerk op de zijgevel van een kroeg bij de Speelmansrei. Een wel heel buitenmaats portret is het. Een man, een vrouw? Maakt niet uit en een blije of zorgelijke blik kan je niet aflezen van het wezenloze silhouet. Maar je kan je niet van de indruk ontdoen dat je wordt aangekeken. Je bent gezien. Da’s iets van Strook, van wie nu een reeks kunstwerken overwinteren in Groeninge, op de zolder van het Sint-Janshospitaal en in de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Die creaties zijn goed voor een paar heel lovende recensies met ronkende omschrijvingen. Voor u gelezen in een heel serieuze krant, hou u vast: ‘Zijn werken zijn gefragmenteerd en kubistisch versplinterd, en tonen zijn zoektocht naar verweerde texturen en het ­visuele effect van doorleefde materialen.’ Chapeau, Strook!
Terwijl Vincent Prieur bij zijn vertrouwde sculpturen blijft is Strook van meerdere markten thuis, maar zijn meest herkenbare werk is opgebouwd uit planken. Gebruikt en weggegooid hout waarover hij zich graag ontfermt. Het onbestemde portret bij het Zand is zo eentje en u vindt er een op een platenhoes van ’t Zesde Metaal. En ook de hoog geprezen tentoonstelling in Brugse kunsthuizen toont vooral figuren, gemaakt van afgedankt hout. En al kan Vincent Prieur niet, zoals Strook, uitpakken met tentoonstellingen van Stockholm tot helemaal in Montreal, allebei zijn ze onvervalste restverwerkers.
Kan kunst de wereld redden? Dat blijft de vraag. Maar als daar iets van aan is, zijn alvast twee kunstenaars goed op weg om die aardbol van ons te redden met … afval. Ze klaren die klus elk op hun manier en kunstenaars tegen mekaar afwegen houdt geen steek. Maar al acht ik Strook hoogst authentiek, ik heb een boontje voor Vincent Prieur. Als kenner vind ik zijn werken gefragmenteerd en kubistisch versplinterd, ze tonen zijn zoektocht naar verweerde texturen en het ­visuele effect van doorleefde materialen. Ik kan het toch wel schoon uitleggen, hé!

Posted in Het Brugge van nu, Van schilderen en plaasteren | 6 Comments

De boekenbeurs komt naar Brugge!

De nieuwe bijbel en de koning
Ze hebben de bijbel herschreven! Allez, ’t is te zeggen, er verscheen een nieuwe Nederlandse vertaling. Daar was veel om te doen en wie niet hoog oploopt met de christelijke handleiding vond al die persaandacht omgekeerd evenredig met de nieuwswaarde. Een bewering die wij niet in de mond durven nemen, voorbeeldig èn katholiek opgevoed als we zijn.
Maar ’t is waar, dat de nieuwe bijbel redelijk wat mediabelangstelling kreeg is voorzichtig uitgedrukt. Onze  noorderburen trommelden zelfs hun koning Willem Alexander op om feestelijk het eerste exemplaar aan hem te overhandigen. Menig debuterend auteur zou domme dingen doen voor een fractie van de aandacht die de jongste bijbelvertaling te beurt viel.

Een staatshoofd dat zich laat inhuren om zo’n geloofsboek te promoten, je kan er aan de toog een aardig boompje over opzetten. Met de scheiding van kerk en staat als dorstige inzet. Wat ons herinnert aan een recent voorval in ons eigenste Brugge.

De nieuwe Aspe en de burgemeester
’t Is van een andere orde, maar de presentatie èn ‘verkoop in primeur’ van het laatste boek van onze betreurde Pieter Aspe, wedden dat ook dat nieuws u niet ontging?  ’t Was in de gotische zaal van het stadhuis. Het Brugse politieke wereldje tekende present, de burgemeester voorop. Voor hen een thuismatch, tenslotte. Gewillig stonden ze schouder aan schouder met lieden van de uitgeverij. Iemand met ondeugend karakter stelde de vraag, terloops, sinds wanneer boekenverkopers commercie mogen doen in het stadhuis… Die bedenking komt uiteraard niet van ons, aan zo’n stoute gedachten bezondigen wij ons niet, om het bij bijbels jargon te houden. Onze brave opvoeding, u weet wel.
Trouwens, wat die bijbel betreft … of ik het exemplaar in mijn bescheiden boekenkast vervang door de recente ‘revisited’ editie, valt nog te bezien. Het ‘boek der boeken’ staat bij mij hoe dan ook op de plank, voorbehouden voor ‘boeken die ik nog moet lezen’. En het staat daar lang niet alleen, maar hou dat stil.

De nieuwe boekenbeurs en … de koning?
Want ongelezen leesvoer, ik heb er nogal wat in huis. Allemaal de schuld van de boekenbeurs in Antwerpen. Wij trokken er graag naartoe, maar ’t was altijd weer prijs. Want al lieten wij ons nooit betrappen in een wachtrij voor een handtekening van Bart Van Loo of Lize Spit, toch kon het boekenfeest ons verleiden. Tot uren leesplezier, maar ook tot de aanschaf van boekbanden die alleen maar staan schoon te wezen in dat meubel van ons.
En tussen al die ongelezen lectuur zit ik hier op mijn letterklavier … schrijvertje te spelen. Wat is de papieren droom van al wie plezier beleeft aan het bijeen harken van woorden? Bladeren doorheen een zelf geschreven boek! Al neem je ‘le plaisir de se voir imprimer’ vandaag met een digitale korrel zout. Heeft het digitale geweld van deze tijd ook schuld aan het droeve einde van de Antwerpse boekenbeurs?
Er wordt weliswaar moedig geprobeerd om dat beursverhaal nieuw leven in te blazen, ook daar in de stad aan de Schelde, maar …

De gotische zaal … in de negentiende eeuw in gebruik als bibliotheek.

Ziehier een zot idee omtrent die avond rond Pieter Aspe in ons stadhuis. Wat als dat nu een keer de aanzet was tot iets heel nieuws? Wat te denken van een boekenbeurs in een stadhuis? In het onze! Het zal u verbazen, maar de gotische zaal zou die boeken verrassend graag zien komen. Hoezo?
Wel, even een alinea geschiedenis. Omtrent de nasleep van de Franse revolutie, hier bij ons. Rare tijden. Alom worden kloosters opgedoekt. En met boeken uit kloosterbibliotheken vullen ze voor de eerste keer een openbare bibliotheek. En die bib vind je in de jaren achttienhonderd … in ’t stadhuis! Zo’n boekenbeurs is voor de gotische zaal ‘a trip down memory lane’!
Welaan dan, de burgemeester overhalen, ons schepen van Cultuur zot maken en de klus is geklaard. Vergeet die van Antwerpen, de boekenbeurs is gewoon van Brugge!
De gotische zaal, één boekendorp! In de benedenzaal signeren schrijvers hun nieuwste boek. En het kabinet van de burgemeester? Met dat stemmige tuintje achterin, de gedroomde cafetaria!
En dan is ’t moment aangebroken voor dat boek van mij. ‘k Heb er vandaag nog niet het minste idee van waarover het zal gaan, maar het wordt met veel poeha aangekondigd. De Hollanders hebben daar een koning voor! U vindt het hoog gegrepen om voor de voorstelling van mijn debuut onze eigen Filip uit te nodigen? Mij goed, zijn zusje Delphine is ook welkom.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van boeken en schrijven, Van Brugse politiek | 13 Comments

Elf november … de jongen en de oorlog

Straks, elf november, gedenken wij het einde van vier jaar zinloze gruwel.
Geen Brugse vertelling, deze week.

Maar het verhaal dat wij met u willen delen, het verhaal van Willem Baute, is dat van heel veel jongens van zijn generatie, ook hier in Brugge.

Zes jaar geleden, een tentoonstelling herinnert Brugge aan
de oorlogstijden van 1914-1918 …

Kleit, juli 1914
De toekomst komt per velo. Althans in het dorp waar Willem met zijn broers en zussen opgroeit. Ja, een paar automobielen zijn er ook, verderop in Maldegem. De burgemeester, die op ’t kasteel woont, heeft er een en de notaris. En sinds kort ook meneer doktoor.
Maar bij hen thuis in Kleit ga je te voet. Of op zondag met paard en sjees naar de hoogmis. Al heeft Willem’s broer Cyriel een paar jolige vrienden die zich een velo aanschaften, onlangs. Het is me wat, je rijdt op zondagnamiddag naar de kermis van wel twee dorpen verderop en je komt toch nog op een christelijk uur weer thuis. Willem en Cyriel hebben geen velo, met een gezin van twaalf hebben vader en moeder wel andere dingen om geld aan uit te geven.

Willem is een brave jongen, geen losbol. Dus wie weet, later, als hij een paar jaar centen spaart, kan hij zich ook zo’n tweewieler permitteren. Ze maken nu velo’s met achterop een plankje waarop je kan zitten om mee te rijden. Clementientje, de dochter van twee hofsteden verderop, zou die dat durven? En zou hij het haar durven vragen?

Maar op een zonnige zomermorgen komt de garde het hof opgereden. Op zijn velo, ja. Hij heeft een brief van de burgemeester bij waarin staat dat Willem en Cyriel naar ’t leger moeten. ’t Gaat oorlog worden, vreest de garde. Op aanraden van meneer pastoor gaan de jongens eerst nog biechten, ge weet nooit. Willem biecht een paar kleine onnozelheden. Wat hij droomt van Clementine, daarover zwijgt hij.
Vader zwijgt ook, als zijn jongens een paar dagen later weggaan, maar hij vloekt in zichzelf. Moeder en Willem’s lievelingszus Celina wenen stillekes. De broers, te voet op weg naar ’t station van Maldegem, passeren aan Clementientje’s woonst maar het meisje laat zich niet zien.

Diksmuide, dinsdag 4 december 1917
Het ziet ernaar uit dat het een koude, stille dag wordt, daar in de loopgraven aan de IJzer. Koude dagen hebben ze al gehad, de voorbije weken. Een stille is een keer welkom. Hoewel, wat heet welkom. Verveling, kilte, modder, ratten. In de verte, wat schoten af en toe. Willem heeft het gehad met die oorlog. Net als zijn lotgenoten, ze zijn het allemaal zat. Spuugzat, en dat spugen mag je behoorlijk letterlijk nemen. Hebben te veel gezien, te veel makkers met open wonden, kermend van de pijn tot het over is, voor goed. En zelf schieten, soms. Misschien schoot Willem al een paar keer raak, zeker weet hij het niet.
Wat hij wel weet is van zijn broer. Dat hij dood is. Al meer dan een jaar is ’t geleden maar ’t lijkt nog van gisteren dat ze het hem kwamen zeggen. “Mort au champ d’honneur!” had de adjudant gezegd. “Gesneuveld”, wilde een kameraad voor hem vertalen, maar Willem wist wat het wil zeggen. Dood, wil het zeggen, vermoord. Champ d’honneur of gesneuveld, mijn voeten! Cyriel was een jaar ouder dan hijzelf. Een jaar minder jong.
Willem denkt elke dag aan zijn broer. Aan zijn broer en aan pa en ma. Aan Celina en de anderen. Zou Clementientje nog aan hem denken? En dan, ineens, een obus. Een streep, dwars over de staalblauwe middaghemel. Een knal, onthutsend dichtbij dit keer. Helse hoofdpijn, heel even. En dan niets meer.
In een loopgracht bij Diksmuide buigen jonge mannen zich over hun strijdmakker. Het is voorbij.

Oeren, augustus 2021
Oeren is een vlekje, een eind onder Veurne. Tussen een handvol boerderijen zet een gedrongen kerkje zich schrap in de poldergrond. In ‘De Leute’, het enige maar gekende café, hielden we eerder al een paar keer halt, maar ‘t is gesloten vandaag. In het kerkje loopt een tentoonstelling, droef ogende sculpturen. Op het kerkhof, een schort groot, is één van de oorlogsgraven dat van Willem, mijn grootoom. ‘Willem Baute‘ staat erop, een geboortedatum, een sterfdag, 14 december 1917. Net drieëntwintig geworden.
De jongeman die hij was en bleef, blijft hier voor goed. In een boerendorp, klein genoeg om hem aan zijn thuis te herinneren. Al zou hij veel liever naar daar terugkeren. Met de velo, stel je voor. Terug naar Kleit. Waar Clementientje op hem wacht, ongetwijfeld.

Een geboorteakte, een oorlogsgraf, een gedachteniskaartje. ‘Willem Baute’ staat erop …
Posted in Het Brugge van toen | 9 Comments

Allerzielen en archeologen …

Misschien overwegen nog wel een paar Bruggelingen wat vannacht in mijn slaapgedachten langs kwam. Of ben ik de enige sentimentele ziel die zich voorneemt om een bloem neer te leggen waar archeologen al de hele zomer geduldig speuren op wat ooit het Onze Lieve Vrouw Kerkhof was? Eén bloem, een witte. Een teken van leven aan stadsgenoten die in lang vervlogen dagen het leven lieten en daar werden begraven. Eeuwige rust, althans tot in die eeuw van ons. Die tijd waarin wij, rusteloze zielen, koste wat kost het verleden willen ontraadselen. Een teken van verontschuldiging ook, sorry voor ’t verstoren van jullie rustplaats.

Zo’n opgravingssite aan de voet van een hoofdkerk in een middeleeuwse stad is voor wie archeologie nauw aan het hart ligt, het klinkt bizar, een godsgeschenk. Maandenlang de kans krijgen om de graven met alles errond en erin onder de loep te nemen, de wensdroom van alle archeologen. Al vindt niet iedereen dat vanzelfsprekend. Wij herinneren ons enige wrevel toen jaren geleden bij die andere kerk, de Sint-Salvatorskathedraal, stoffelijke resten werden geborgen. Of daar altijd de nodige eerbied aan te pas kwam, daaromtrent ontstond wat commotie.

De stedelijke begraafplaats in Assebroek, ’t oet kerkof an de Steenbrugse Wandelinge … dankbare plek voor nostalgische fotografie …

Delven op een begraafplaats, voor de hand liggend mag het nooit worden. Of hoe het aloude begrip ‘grafdelver’ ineens een heel andere betekenis krijgt. Maar weten wat was en hoe het was, misschien helpt het om onszelf in een ruimer tijdskader te plaatsen. Om te beseffen dat ook wij ooit verleden zullen zijn. ‘Gedenk, o mens … ‘, weet je nog, Aswoensdag, het askruisje?
Houden we daarom ook vast aan die traditie om tussen de eerste herfstbladeren bloemen neer te leggen bij wie ons dierbaar is? Allerzielen, ‘alle zielen’, een zwijgmoment, één keer in het wentelen van de seizoenen.
Wat iemands plaats-voor-goed op deze aardbol ook mag zijn, een graf, een urne, een strooiweide of de golven van de zee, het blijven plekken waar we hem of haar gedenken. En dat is goed. Maar voor elk van ons verschillend. Voor sommigen in uw en mijn omgeving is het bezoeken van een begraafplaats een regelmatig herhaald ritueel. Maar het terugdenken kan zich aandienen op elke plaats, op elk moment, menen anderen voor wie een graf enkel het oord is waar ooit afscheid werd genomen.
En al rekent ondergetekende zich eerder tot die laatsten, toch staat ook hij dezer dagen, samen met wie hem lief is, stil voor een grafsteen of een urnenzuil. Om zwijgend te zeggen wat hij niet zeggen kan.
En om dan terug te keren naar het leven, naar alledag. Al houdt hij in ’t passeren door de binnenstad misschien toch ook even halt bij een buitenmaats diepe put nabij een kerk. Dat heeft ie zichzelf beloofd, ergens in het sluimeren van de nacht. Toen doorheen zijn dichterlijke nevelgedachten ook wat weke verzen dwaalden …
’t Deed goed dat hij ze weer kon oproepen, bij ’t ontwaken.

“Ik wou dat ze vertelden
van alle liefde die jij gaf,
maar nergens zwijgen bloemen
zoals de bloemen bij jouw graf …”

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Onze huisdichter, Van zin, zen en zijn | 6 Comments

Een fontein op ’t Zand … Triënnale 2024

Waarom verbaast het mij amper dat op dit nachtelijk uur het hek in de tuinmuur van het Gezellemuseum gewoon open staat? Natasha glimlacht en gaat mij voor, de in het duister gehulde tuin van het museum in. Stilzwijgend, zoals ze mij eerder die nacht stilzwijgend stond op te wachten onder het raam van onze slaapkamer.
Ik ken Natasha nog niet zo lang. Ze is een standbeeld in het begijnhof, daar door een Poolse kunstenares neergezet naar aanleiding van de Triënnale. Het beeld van een strijdvaardig ogende jongedame heeft, zo las ik, iets van doen met het voormalig communistische regime in Polen. Maar vannacht is ze de Natasha die mij meeneemt, de stad door, helemaal naar de Rolweg. En ik gehoorzaam, volgzaam en zonder
iets te vragen, zoals mijn hond bij onze dagelijkse wandeling.


In de museumtuin staan twee figuren te praten. Ik herken Roger Raveel en James Ensor. Ze knikken ons vriendelijk toe. Maar Natasha stapt met vaste tred om de immense, rode stelling heen die hier al de hele zomer de huizenhoge dennenboom omsluit. Ook iets van de Triënnale. Gedwee volg ik haar op de ijzeren treden, langs de zware takken die in het duister nog forser lijken dan overdag.
Helemaal boven, waar anders een weids uitzicht wacht, omringt ons een dichte nevel. En dan weet ik waarom Natasha mij hierheen bracht. Ze wijst mij de nachtelijke nevel en daaruit doemt de Triënnale op …

de eerstvolgende Triënnale.

De Triënnale van 2024 wordt anders. Dat begint bij de keuze van een curator die  het festival aanstuurt. Voor deze editie vragen ze het aan een blogger. Eentje die verhalen verzint over de stad, iets met Brugse affiches. De blogger denkt er even over na, maar tenslotte stemt hij toe. En ja, ze zullen het geweten hebben. De curator van dienst pakt uit met een oude droom van hem.

… voor een sculptuur van
Nick Ervinck.

In de stad worden alle standbeelden van hun sokkel gelicht en tijdelijk opgeborgen. Jan van Eyck en Simon Stevin,
de Heilige Nepomucenus op de brug aan de Dijver
en Hans Memling op de Woensdagmarkt.
Op de vrijgekomen sokkels krijgen kunstenaars alle ruimte om hun ding te doen. Op de Markt hebben Breydel en de Coninck plaats gemaakt voor een sculptuur van Nick Ervinck. Guido Gezelle’s sokkel is voor werk van een leerlinge van de academie. De gelijkenis tussen het beeld dat zij kapt en Delphine Lecompte zorgt voor commotie. Een kunstenaar krijgt de kleine sokkel van Frank Van Acker’s buste aan de Vismarkt, maar hij laat die leeg. Burgemeesters behoeven geen standbeelden, meent hij. In dat najaar van 2024 zijn ’t gemeenteraadsverkiezingen.

Een fontein op het zand? Kunst behoeft geen eeuwigheidswaarde,
meent Jan Verhaeghe.

En op ’t Zand … tja, op het Zand komt een nieuwe sokkel. Een grote, platte schijf, midden op het plein. Onze eigen Jan Verhaeghe mag er iets neerzetten. En hij bedenkt een fontein. Een fontein op het Zand, hoe komt ie erbij. Niet in brons, neen, om één of andere reden is Jan niet zo aan brons. Een zot spektakelding wordt het, met kleurrijke beelden eromheen, helemaal in … papier maché. Tegen ’t eind van de zomer ziet het kunstwerk er helemaal anders uit. Het water van een fontein en papier maché, geen voor de hand liggend huwelijk, maar dit kunstwerk behoeft geen eeuwigheidswaarde, meent Jan Verhaeghe.

Het begint zachtjes te regenen. Van hoog op de stelling keren wij terug naar beneden. Rommelt in de verte de donder? Terug in de tuin knikt Natasha mij nog even toe en wenkt Raveel en Ensor die er nog aan de praat zijn. Samen gaan zij binnen in het geboortehuis van de dichter. In de tuin is het pikdonker, maar op de kasseien van de Rolweg valt druilerig licht uit de oude lantaarns.

M’n liefste kwam mij wekken, ze zei ‘je sliep zo diep’
Ik wou m’n droom vertellen, ik vond de woorden niet
.

Jan De Wilde en Lieven Tavernier, ‘de verdwenen karavaan’

Posted in Het Brugge van nu, Van schilderen en plaasteren | 12 Comments

Van ‘Lastige Bruggeling’ tot … brave ‘EXit’ ?

’t Is van heel lang geleden. Niet van toen de dieren nog spraken, we gaan niet overdrijven, maar in Torhout ging wel nog elk jaar een zomers muziekfestival door. Op een keer stond daar Tom Robinson op het podium, een inmiddels wat vergeten maar toen bekende en redelijk militante Brit. Van één van zijn songs herinner ik mij de rake quote “It’s there in the paper, it must be the truth!”. Burgerlijke goedgelovigheid, in één snedige zin gevat. Dat weet ik nog, want we waren erbij, die keer op de weide van Rock Torhout. ‘Het staat in mijn gazet, ’t moèt wel waar zijn!’, zoiets.
Kranten verschenen in die verre dagen alleen op papier. Niemand las het nieuws op zijn IPad. Dat de IPad nog niet bestond was daar niet vreemd aan. IPhone, laptop, internet, ’t moest allemaal nog verzonnen worden.
Maar papieren dagbladen waren er dus wel al, die zijn nóg ouder dan Rock Torhout. Ze zijn zelfs, en dat wil wat zeggen, ouder dan ondergetekende.  Die herinnert zich Het Volk, ’t gazetje dat de facteur bij ons aan huis bracht. Een gehoorzaam katholiek blad, meneer pastoor gaf ongetwijfeld zijn zegen over het abonnement dat we erop hadden. Het klein grut dat we waren keek vooral uit naar ’t Kapoentje, een wekelijks stripkrantje dat erbij hoorde, en in de zomer naar de Tour-fratsen van Thomas Pips. Braaf dagblad, brave humor.

Een eigenzinnig blad vereist een eigenzinnige affiche

Leest en verspreidt de Roode Vaan, dagblad der Communistische Partij van België!”, tussen oude papieren vond ik laatst nog een vergeeld, vooroorlogs pamflet. Dat het hier ooit bleef rondslingeren, mijn voorbeeldige vader zaliger had ongetwijfeld meewarig het hoofd geschud. Zoals hij deed bij de aanblik van de Lastige Bruggeling, stadskrant die ik als puber leerde kennen.  Niks communistisch maar wel lekker tegendraads. Onlangs vertelde ik hier al een keer hoe we in onze schooltijd dat stoute blaadje helemaal ’t einde vonden. Het eigengereide ding bleef niet bestaan, versmoord in de veranderende tijdsgeest van de jaren tachtig. Al overleefden de jonge gasten die het blad vol schreven die tijden wel, de meesten kwamen nog behoorlijk terecht ook.
Zoals de Lastige Bruggeling, zo vullen ze geen blad meer. ‘t Zou ook amper nog opvallen. De stoutmoedige pennenridders van toen waren softies in vergelijking met al het grove dat je vandaag leest op je pc. Weinig is minder sociaal dan onze sociale media.
Speelden in de loop der jaren nog Brugse tijdschriften mee in de marge? Welja, grijzende

De Uitkrant kondigt in 2002 affiche-gewijs zijn digitale ‘wedergeboorte’ aan …
En een promo-affiche uit 2010 van Bruges Inside Out.
Exit op affiche, bij het verschijnen van nummer 100 en bij een verjaardagsfeestje …

Bruggelingen herinneren zich ‘Kan’t? Magazine’ of de ‘Uitkrant’. En je mag van jongere leeftijd zijn om je ‘Bruges Inside Out’ of zijn opvolger ‘BLVRD magazine’ voor de geest te halen. Zien wij nog eentje over ’t hoofd? O ja, stadskrantje ‘De Commeere‘.

Maar tegen de standvastigheid van EXit, maandblad vol nuttigs over al wat in Brugge pretendeert cultuur te zijn, daar kan weinig tegen optornen. De eerste EXit, in januari 1995 goed voor één enkel gevouwen blad, was de aanzet tot intussen meer dan driehonderd nummers, elke maand goed voor ruim dertig pagina’s. Hoe noem je zoiets, een vaste waarde?
En ja, soms hoor je wel een keer de verzuchting dat het er allemaal zo braaf in staat. Toch vaag heimwee naar de Lastige?  Toegegeven, op venijnige schrijfsels zal je EXit niet betrappen. Maar informatief is het blad wel.
Zo hebben ze ’t deze maand over een blog van een afficheverzamelaar. Niet van belang, zo’n fait divers? Geachte lezer, ’t  staat in den EXit, dus het hééft belang! En twijfelt u aan wat ze erover schrijven, remember de wijsheid van de liedjeszanger … It’s there in the paper, it must be the truth!

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Over affiches verzamelen, Van boeken en schrijven | 6 Comments

Brugge viert 125 jaar Cinema Lumière

Waarde filmliefhebbers van Lumière,
jullie hebben zopas vijfentwintig kaarsjes uitgeblazen. Want evenveel jaren geleden werd de eerste film gedraaid in wat jullie daar in de Sint-Jacobsstraat de ‘
rode zaal’ noemen. Naast dat kaarsjesblazen vulden vooral films jullie feestweekend. Mogelijks kwam daar ook het knallen van een kurk of twee aan te pas. Een kwarteeuw filmgeluk, je zou voor minder felicitaties verdienen. Dus bij deze, gefeliciteerd en wel van harte.
Maar sta ons toe jullie meteen ook te wijzen op een kanjer van een rekenfout. Want vijfentwintig jaar Lumière, da’s een misrekening. Bij deze enige duiding.

Najaar 1996 … Lumière’s allereerste promotie-affiche

Het leek een Brugse zaterdag als een andere. Met in de ochtend de wekelijkse markt op de Markt. En voor het station op ’t Zand de vertrouwde koetsen, wachtend op wie ergens heen wou. Of toch op wie zich zo’n rit kon permitteren. Want het waren moeilijke tijden. Voor de dompelaars in de schamele achterafstraatjes die ze ‘fortjes’ noemden, maar ook voor de doorsnee Bruggeling was het leven geen lachertje. In kerken en kapellen werd zorgelijk gebeden door vrome volksvrouwen, terwijl hun werkloze mannen hun miserie verdronken aan de toog van ’t café om de hoek.
Al was er beterschap op komst. Dat beloofden de hoge heren van ’t stadhuis. Die zomer was het graven van een nieuw kanaal aangevat. Die waterweg zou Brugge verbinden met de zee, zoals in lang vervlogen tijden. Een grote haven moest de stad er weer bovenop helpen en dat was lang geen overbodige luxe.

Die dag die er zo gewoontjes uit zag, toen is het gebeurd. In de ochtend kwam een foorkramer iets drinken in de Keizerlijke Arend, bekend etablissement in de Vlamingstraat, tegenover de schouwburg. Die mens was daar met de patron aan de babbel geraakt. De foorkramer, zo’n welbespraakte Hollander, pochte dat hij in Parijs iets nieuws had gekocht. Een cinématographe, een ding waarmee hij ‘beweegende photografieën’ kon laten zien. En ’t moet zijn dat die meneer Krüger, zo heette hij,  van aanpakken wist. Want om zo’n ding te laten draaien èn oplichten was ‘eletriek’ van doen en dat hadden we nog niet hier bij ons. De man moet dus ook een soort generator benut hebben.

2006 … Stadsbibliotheek Lumière viert
zijn tiende verjaardag.

Hoe dan ook, die zaterdag kon je in de Keizerlijke Arend voor het eerst in Brugge ‘beweegende photografieën’ zien. Dat het nieuwe spektakel over de tong ging, ge ziet dat van hier. Alleen al om de toegangsprijs. Je hoestte vijftig centiemen, een halve frank, op om er in te mogen. Een lange werkdag over haar kussen gebogen bracht een Brugse kantwerkster één frank op. Maar wie er was zag  prenten uit Parijs, mensen, koetsen, een trein. En ze bewogen, echt waar. Sommigen fluisterden dat er ook iets te zien was uit de Moulin Rouge, maar ge moogt niet altijd geloven wat de mensen vertellen.

Tot hier, waarde filmliefhebber, onze flashback. Het scenario keert terug naar vandaag. Najaar 2021, Stadsbioscoop Lumière is nog aan ’t bekomen van zijn verjaardagsfeest. Het feest was op zijn plaats, maar ’t had groter gemogen.
Want, o ja, dat vergaten we te vertellen. Die dag waarop Brugge de uitvinding van de gebroeders Lumière leerde kennen was de zesde september van 1896.
Dat Lumière hier voor ’t eerst over de tong ging, da’s precies honderdvijfentwintig jaar geleden!
Ge hebt uw feest veel te bescheiden gevierd. Die vijfentwintig kaarsen die jullie uitbliezen, al was dat met recht en reden, ’t mochten er honderd meer geweest zijn.

Alle nieuws over stadsbioscoop Lumière vindt u hier: www.lumiere-brugge.be


Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van film | 4 Comments

Michel Van Maele, honderd

’t Is omdat ik het werk van de vuilnisophalers met achting gadesla dat ik ons papierafval zorgvuldig met touw omspan voor ik het ’s morgens neerzet op de stoep. Als onverschrokken schildknapen van de ophaalwagen marcheren ze door onze straat, de mannen die onze overdaad aan overbodigheden in de muil van het afvalmonster kieperen. Al dat papier dat we met z’n allen van de hand doen!
En dan zwijg ik nog over de stapel knipsels waarvan deze verstokte Brugge-verzamelaar zich al tijden afvraagt wanneer hij ze eindelijk een keer op straat zal zetten. Ergens in een uithoek van onze woonst, een torentje van wankel gestapelde kartonnen dozen propvol krantenpapier, van toen je nog papier van doen had om informatie te bewaren.  Nieuws van vroeger, ooit min of meer geordend per onderwerp.
Zoals dit hier, een mapje met knipsels over Michel Van Maele. Was die mens niet in 2003 overleden, dan vierde hij dezer dagen zijn honderdste verjaardag. Weinig stadsgenoten drukten hun stempel op Brugge zoals Michel Van Maele dat deed. Met de dadendrang waarmee burgemeester-zakenman Van Maele door het leven stapte vul je makkelijk een paar doorsnee mensenlevens. Dat hij zich met al die ondernemingszin een paar keer serieus misrekende is deel van het verhaal dat inmiddels uitgebreid is gedocumenteerd. En niet enkel in die oude gazetten van mij.

Pierre Vandamme en Michel Van Maele, schouder aan schouder, althans voor de verkiezingen …

Een samenvatting? Begin er maar eens aan. Over die jongeman die burgemeester werd, niet van Brugge maar van het toen nog landelijke Sint-Michiels dat hij liet uitdeinen met woonwijken die zich schaarden rond KMO-bedrijven en een nieuw recreatiedomein, het Boudewijnpark. Hoe hij omtrent de fusie met Groot Brugge eerst tegen en dan heel erg voor was. Wie hem van dichtbij meemaakte, weet nog dat Van Maele’s mening zich wel vaker zo’n lepe ommezwaai permitteerde. En ’t legde hem vaak geen windeieren.
Want kort na de eerste verkiezingen van dat nieuwe Brugge liet zijn populariteit hem toe om partijgenoot Pierre Vandamme de burgemeesterssjerp te ontfutselen. Bij de inhuldigingsstoet die hij zich liet welgevallen, de laatste in de geschiedenis van de stad, werd hij in een koets vergezeld door Brugs senator Frank Van Acker, de socialist die hem een handvol jaren later op zijn beurt een politieke hak zou zetten. Maar voor het zo ver was zette Van Maele de bakens uit. Waarbij de zakenman politicus speelde en andersom. Hij haalde het Brugs voetbal uit financiële miserie, realiseerde het Olympiastadion, het Zilverpand en andere Alberthallen, dronk voor het oog van de pers ostentatief een glas van het door hem gezuiverde water van de reien, liet de stad Beisbroek en de Zeven Torentjes kopen en pakte uit met een structuurplan voor de binnenstad.

En Van Maele droomde. Van een watertram op de Brugse binnenwateren, op het Zand zou daartoe de overwelfde reie weer open gelegd worden. Elders in de stad kan je ze nog aanwijzen, de bruggen die hij liet herbouwen met die watertram voor ogen. Om maar te zeggen, Van Maele zat niet stil.
Maar dat niet stil zitten geen garantie is voor blijvend succes leerde hij … net iets te laat. Hoe politiek en commercie soms wel héél dicht tegen mekaar aan hurkten, ’t begon op te vallen. En dat een stout stadskrantje dat Lastige Bruggeling heette, één en ander tegen ’t licht hield omtrent grondspeculatie en dat soort zaken hielp niet echt.  Vriend en tegenstander werd zenuwachtig, waarna in 1976 een monstercoalitie een einde maakte aan zijn korte loopbaan als Brugs burgervader.

De fratsen van Michel Van Maele spreken nog altijd tot de verbeelding van minder jonge stadsgenoten. Soms is aan de toog zo’n oud verhaal nog goed voor enig gegniffel. Over de in Van Maele’s tijd uitgetekende Expressweg en hoe die zich bij de Koning Albertlaan ineens met zo’n hele wijde bocht langs Sint-Michiels heen buigt. Iets met een onteigening die voor een connectie van de burgemeester erg ongelegen kwam? ” ’t is van horen zeggen, maar …” Of iets over af en toe een scheve schaats. Michel Van Maele, man van de wereld, ook dat. Bij zijn overlijden noteert een plaatselijk verslaggever, bij het vernoemen van de echtgenote van de oud-burgemeester, de gevleugelde woorden: ‘Hij had bij haar geen kinderen’.
Niet langer dan vijf jaar droeg zakenman Van Maele in Brugge de burgemeesterssjerp. We kennen lieden die meer tijd  nodig hebben om minder te realiseren. Politici?
Vriend en tegenstrever herinneren zich Michel Van Maele, die door zijn entourage tot in lengten van dagen als ‘burgemeester’ werd aangesproken, als man die al wie hij ontmoette kon thuiswijzen. Of dat toch nastreefde. Ons kent ons, zoals het eraan toe ging in de plattelandsgemeenschap waar hij als jonge knaap zijn bewogen loopbaan aanvatte.
Wedden dat hij ze bij naam kende, de vuilnisophalers die in zijn straat passeerden?

Posted in Het Brugge van toen, Van Brugs voetbal, Van Brugse politiek | 14 Comments

Met de lijnbus naar ’t leven …

Naar Brugge kwam je met de bus.
De schooljongetjes die wij waren, net onze plechtige communie gedaan
in dat  buitendorp van ons, op weg naar de grote school.
De bus reed bij de Kruispoort ’t stad in.
Er was nog tweerichtingsverkeer in de Langestraat, stel het u vandaag een keer voor.
Meestal stapten wij af bij de Molenbrug, de
Meulebrugge,
om dan langs de Sint-Annarei naar ’t college te slenteren.
Was de bus wat vroeger, gingen we er ook wel een keer af bij de Kruispoort,
en dan door het nog slaperige Sint-Anna naar de Potterierei.
En soms begon die tocht met de ‘beklimming’
van de molenterp van de Bonne Chieremolen, bij de stadspoort.

Daar stonden ze, in de ochtendkilte, onder die roerloze molenwieken,
een paar jongetjes met voor zich een heel leven
en aan hun voeten een uit zijn slaap ontwakende stad.
Eén van hen dacht toen, of tenminste, vandaag gelooft hij graag dat hij dat toen dacht,
dat is hier een schone plek.
Een schone plek, misschien, om te leven.
En hoe gaat dat, je groeit op,

gaat dus naar een school in Brugge.
En dan naar een andere school.

Omdat het je in die ene wat te moeilijk wordt, je bent lang geen bolleboos.
Je leert een meisje kennen waarvan je meent dat het je lief is
en dan een ander dat zowaar ook zelf heel even vindt dat ze je lief is.
En dan nog eentje waarvan je denkt dat het je lief is,
maar dat blijkt dan niet te kloppen, het is je vrouw.
En je trouwt en vindt een huis dat je thuis wordt.
En werk vind je ook.
In die stad die van jou is, intussen.
Soms leid je mensen rond die de stad komen bezoeken.
En van die plek waar je woont ga je wat spullen opzij leggen.
Affiches, vooral, en na verloop van tijd wordt dat meer dan zomaar opzij leggen.
Affiches van een stad die je graag in je armen sluit.
Zoals je ook wel een keer … je vrouw in je armen sluit?
Neen, niet zo. Of toch, zo ongeveer.

Een stad die je soms doet sakkeren om wat ie uitspookt.
Zoals je ook wel een keer …
?

Vandaag schrijf je een stukje over die stad van jou.
Want inmiddels weet je wel zeker …
dat is hier geen onaardige plek. Om te leven.

Posted in Het Brugge van toen, Over affiches verzamelen, Van wielen en op weg zijn | 5 Comments

Zeven letters voor Jan Broes

“Wie weinig weet en dat weet,
heeft dat alvast voor op wie alles meent te weten.”
Had iemand die woorden geduldig in steen gekapt, of met zorg toevertrouwd aan handgeschept papier, kregen ze misschien wel een plek bij Jan Broes in de Oude Zomerstraat. Tussen al het kostbaar schoonschrift waar Jan zijn leven en zijn huis mee vulde. Dat pand van hem, aan het eind van dat doodlopende straatje in de Oude Burg, stelde hij met lange tussenpozen open voor al wie kalligrafie genegen was. Keer op keer proefde je er van verrassende, ontwapenende, soms ontroerende schriftkunst. En van het interieur, dat aangaf dat Jan in alles authenticiteit voorop stelde. Een huis, bijgevolg, waaraan de tijd leek voorbij te gaan.

De imposante schermgevel van zijn huis De Zomere palmt nadrukkelijk de Oude Zomerstraat in. Maar omdat je zoveel schoonheid niet verwacht in zo’n niemendallig straatje, bestaat de kans dat je er achteloos voorbij passeert wanneer je langs de Oude Burg komt. Zelf stop ik er altijd even, wanneer ik bezoekers meeneem doorheen de stad. Om hen te wijzen op dat laatmiddeleeuwse baksteenjuweel, in een stille hoek weggestopt voor de haastige toeristenzwerm die zich verderop aan ander schoons vergaapt. Dan vertel ik over Jan, zijn letterverzameling en het huis. Over zo’n schermgevel, bedoeld om het huis hoger te laten lijken dan het in werkelijkheid is. Achter die slanke gevel schuilt immers een minder hoog dak dat ook genoegen zou nemen met een wat lagere voorgevel. Je buren imponeren, ook in de vijftiende eeuw wist men er al weg mee.

’t Was op een middag, enkele jaren geleden, dat Jan en ik mekaar op de hoek van zijn straatje tegen ’t lijf liepen. Nou ja, liepen, zo gehaast was Jan doorgaans niet en ook ik neem graag mijn tijd. Hoe dan ook, we kwamen mekaar tegen. Hij herkende mij en sprak me aan. Of ik een momentje had? Ja dus, benieuwd als ik was naar wat Jan me wilde zeggen. ’t Was dat hij zich ergerde aan wat stadsgidsen vaak menen te weten over die fameuze schermgevel van zijn woonst. Dan vertellen ze dat achter de gevel een dak schuilt dat lager is. Dat klopt, maar dan verkondigen ze ook dat de houten luiken helemaal bovenaan gewoon uitgeven op de open lucht. Dat daar geen zolder of wat dan ook achter steekt. “Maar zoveel lager is dat dak niet, die zolder is er wèl! Dat is dus niet waar, hé, ge moogt dat niet vertellen!”
En ja, ik moest bekennen dat ook ik dat verhaal voor waar aannam, al die keren dat ik er langs kwam. Meer zelfs, ik meende het zeker te weten. Jan zuchtte maar bleef zijn vriendelijke zelf. Zijn verontwaardiging hield hij voor zich.

Dat had anders gekund, want als Jan Broes verontwaardigd was, dan was dat met enige overtuiging. Dat herinnerde ik mij van toen hij nog veel langer geleden, in het verre jaar 1990, mee aan de wieg stond van een beweging die onze stad lichtjes op zijn middeleeuwse grondvesten liet daveren.

SOS voor een leefbaar Brugge’, zo heette het initiatief. Een groepje voortrekkers kreeg een ferm deel van de Brugse bevolking mee in een bewustmakingsactie. Die ging over de vermeende roekeloosheid van de stedelijke overheid omtrent het omgaan met waardevol erfgoed. En in één adem ook over de opgang van het massatoerisme. Toen al.  Ik zie de affiches nog, aan honderden Brugse vensterramen. En ik zie, en hoor vooral, Jan nog zijn punt maken, op een avond in een volgelopen Hof van Watervliet. Sarcastisch en spottend verraste ons zijn pleidooi dat je niet verwachtte van een mens die in letters vooral schoonheid zocht.

Zijn naam stond in de krant, intussen bijna twee  jaar geleden. Een overlijden. ‘Jan Broes’, een naam, goed voor zeven letters waar ik even stil van werd. Het voorbije Open Monumentenweekend leerde ons dat Jan’ s familie De Zomere restaureert. Ze doen dat grondig en dat is goed. In de aanloop tot dat weekend gaven ze mij de kans om mij te vergewissen van hetgeen Jan die keer vertelde. En ja, hoor, daar stond ik, met de verbaasde ogen van een ongelovige Thomas, op het zoldertje achter de houten vensterluiken.

Wanneer ik langs de Oude Zomerstraat voorbij kom hou ik graag even halt, maakt niet uit of ik alleen ben of in gezelschap. Maar indien wel, dan vertel ik over een man, Jan Broes heette hij, over zijn passie voor letters, geschreven, gekapt of geborsteld. En over zijn huis, met die schermgevel waarvan de bovenste luiken gewoon uitgeven op een zolder.

“Wie weet dat wat hij meent te weten niet altijd waar is,
heeft dat alvast voor op wie zich alwetend waant.”

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van boeken en schrijven, Van Brugse politiek, Van schilderen en plaasteren, Van toeristen | 3 Comments

Jens Keukeleire op de vélocipède

Ze hebben ’t hem gezegd, dat het wereldkampioenschap tijdrijden naar Brugge komt. Van onze grote poëet werd enig enthousiasme verwacht, op zijn minst een lofdicht, maar aan zijn blik te oordelen is dat een vergissing. Hij kijkt weliswaar al sip sinds ze hem op die sokkel in de schaduw van de Onze-Lieve-Vrouwekerk hebben gezet, maar nu hij weet heeft van al die wielerdrukte is dat er weinig op verbeterd. Wij vragen ons af hoe dat komt.
Het antwoord vernemen wij op de tentoonstelling ‘Een droomploeg voor het WK’ in ’t stadsarchief op de Burg. Daar vinden wij een gazetje waarin Guido Gezelle in ’t jaar 1869 zijn gedacht op papier zet over de fiets. De vélocipède, zo noemde men dat nieuwerwetse ding. Het mag verbazen, maar in Guido’s tijd werd met zo’n tuigen nu en dan al een keer om ter rapst gereden werd.

Die mannen peizen dat dat niet en is, alsan dat gedurig werken met  hunne voeten, dat is wel een bètje faliganter als te voete gaen’,
meent Gezelle, en ook:
Ze gaen in eene gemeente van onze provincie concours houden van vélocipèden.
En ’t gaen pryzen te winnen zyn voor degene die de zeerste kunnen ryen …’
Om te besluiten met
Alzoo moeten werken met hunne beenen, tot dat zy lam zyn, allons donc!

Enfin, we zien Gezelle, argwanend tegenover ’t nieuwe fenomeen, nog niet meteen Renaat Schotte-gewijs achterop een moto verslag uitbrengen van wat de coureurs ervan bakken.  Nochtans, in versvorm, ‘t ware een wereldprimeur.

Maar op die kleine tentoonstelling in ’t archief gaat het vooral over een troepje Bruggelingen die wèl met de nodige geestdrift met de koers bezig zijn of waren. Stuk voor stuk renners van wie de namen meer dan een keer klonken door de megafoon bij de eindstreep. Sommige namen zijn verneveld in de tijd, zoals je op tv tijdens een mistige bergrit van een eenzame renner enkel het silhouet ontwaart. Coureurs van soms heel ver terug, zoals Kamiel Van de Casteele die bijna honderd jaar geleden ritten won in de Tour. Of van minder lang geleden, Georges Vandenberghe, naam uit de jaren zestig, uitblinker in de Ronde van Frankrijk èn die van Italië. In zijn eigen Dudzele werden Georges’ overwinningen in 2018, vijftig jaar na datum, nog in herinnering gebracht. En Guido Reybrouck en Wilfried David, mannen die meer wonnen dan je hier kan oplijsten. En natuurlijk Jens Keukeleire, van wie we volgens kenners het laatste wielerexploot nog niet hebben gezien.

Neem uw tijd als u langs gaat op de tentoonstelling, ’t is een kleine ruimte die ze inpalmt maar die zit vol curiosa en schone verhalen. U hoeft er dus niet enkel langs te gaan voor het handvol wieleraffiches uit een Brugse collectie. Trouwens, zelf blijkt de verzamelaar die ze uitleende helemaal geen koerskenner.
Al laveert hij heel frequent en met plezier tweewielig door de straten van onze stad. Soms content gelijk een ritwinnaar, met in de achterzakken van zijn vélocipède een paar rollen affiches waarmee hij zijn collectie kan aanvullen. Passeert hij langs de Onze-Lieve-Vrouwekerk, schudt een meneer op een sokkel meewarig het bronzen hoofd.

Een droomploeg voor het WK – negen Brugse wielerhelden‘, de tentoonstelling, loopt nog tot zondag 14 november in het Brugse stadsarchief op de Burg.
https://www.brugge.be/expo-een-droomploeg-voor-het-wk-9-brugse-wielerhelden

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van sport in 't algemeen, Van wielen en op weg zijn | 8 Comments

Sportzot met jenever

We waren met een handvol stadsgidsen uitgenodigd bij ‘International Flavors & Fragrances Inc’.
Eigenlijk gingen we gewoon langs in de Gistfabriek, maar met zo’n mondvol Engels in de eerste zin van ons tekstje weet de lezer meteen: hola, dat gaat hier om serieuze connecties! En ’t is niet gelogen wat hierboven staat, vandaag heet het bedrijf bij de Dampoort ècht zo. Bent u al lang Bruggeling, dan weet u natuurlijk nog die naam van lang geleden. ‘Nederlandse Gist & Spiritusfabriek’ roept het beeld op van het overweldigende fabrieksgebouw, die reus met z’n voeten in de Langerei, het gevaarte werd in de jaren tachtig gesloopt. En natuurlijk ook van de jeneverfles, destijds in elke dressoir in elke living van Brugge en omstreken.
Al had de reden van ons bezoek, ietwat tot onze spijt, niks met jenever te maken. Omdat ze daar het stoken van geestrijke drank al lang hebben afgezworen. Er worden nu enzymen aangemaakt, dat klinkt niet als iets voor in een borrelglas. Al garanderen ze ons dat je hun enzymen in alle mogelijke etenswaren en dagdagelijkse spullen vindt. Van cornflakes tot zeep en weet ik veel, en geloof het of niet, enzymen zijn op zich echt der naturen zelve. Biotechnologie heet zoiets.
Maar u wil weten wat stadsgidsen te zoeken hadden in de Gistfabriek. Wel, tijdens het Open Monumenten Weekend, het tweede weekend van september, zijn wij daar present om u en al wie langs komt rond te leiden in het imposante kantoorgebouw. Dat er

kantoren bestaan die ’n bezoek waard zijn, ’t is aan ons om u daarvan te overtuigen.
De vriendelijke meneer die ons die middag ontving wist boeiende verhalen over het leven in en rond de fabriek, wij zullen ons best doen om ze te onthouden tegen dat u langs komt. Over een familiezaak van dertien in een dozijn die uitgroeide tot een bedrijf dat meetelde in Brugge. Over bloeitijden met veel volk aan ’t werk langs perioden van inkrimping en terug.
Maar ook over de sociale geschiedenis van een fabriek die haar stempel drukte op het Brugse volksleven. Niet dat het in en rond die fabriek altijd allemaal ‘suiker en zeem’ was, waar is dat wel zo, maar wie er zijn boterham verdiende genoot van een opvallend arsenaal aan vrijetijdsactiviteiten. Niet in de laatste plaats als ’t op sport aan kwam.

De heerlijk ouderwetste trots waarmee een schare mannen, fier in het gelid en borst vooruit, posteren op de affiche ‘Leven rond de fabriek’ laat daar geen twijfel over bestaan. De tentoonstelling liep destijds in het stadsarchief en vertelde over bedrijfssport, maar ook over allerlei sociale en culturele activiteiten bij grote bedrijven. Bij de Gistfabriek ging dat van een voetbalploeg over een naaischool voor de dochters van ‘t werkvolk, een harmonie en een bibliotheek tot een vakantiekolonie in Heist.
Keurgroep voor turners Rust Roest’ van de Gistfabriek werd in ’t jaar 1930 op foto gezet. Maar de cataloog van de tentoonstelling vermeldt de Gistfabriek al voor de Eerste Wereldoorlog als voorloper bij het organiseren van activiteiten buiten de fabrieksmuren.
We zijn al een eind in onze eigen eeuw aangeland, dat soort bedrijfsbinding kennen we niet meer. Maar aan ’t Zuidervaartje op Sint-Kruis heet nog altijd een sportveld ‘Rust Roest’.  En als turnliefhebber kan u tot vandaag terecht bij een clubje met de naam ‘Koninklijke Turnkring Rust Roest’. Da’s dus de erfgenaam van de stoere venten op de affiche.
Stel, een frisse najaarszondag in ’t jaar 1930. Zo’n gast van op de foto blijft, nadat hij zich een middagje ferm in ’t zweet zwoegt, nog wat nakaarten in de kantine aan ‘t Zuidervaartje. Waar hij met zijn sportmaten een frisse dreupel van eigen stokerij achterover slaat. Sportzot met jenever.
Tijdens het Open Monumentenweekend verwelkomen wij u bij ‘International Flavors & Fragrances Inc’. Enfin, de Gistfabriek. Met een markant verhaal over een hoogst markant kantoorgebouw. Alleen het dreupelglas zal u erbij moeten verzinnen.

Het schitterende art deco interieur van het kantoorgebouw van de Gistfabriek is toegankelijk op zaterdag 11 september van 14 tot 18 uur en op zondag 12 september van 10 tot 13 uur en van 14 tot 18 uur. Tijdens het Open Monumentenweekend is op sommige locaties vooraf reserveren nodig, in de Gistfabriek is dat niet het geval.

Posted in Het Brugge van toen, Van sport in 't algemeen | 5 Comments

De Triënnale als eksperiment

U leest het goed, waarde lezer, het staat er gewoon verkeerd. Het moet ‘experiment’ zijn, in de titel hierboven. Deelname aan het Groot Dictee Der Nederlandse Taal kan de schrijver van dit stukje dan ook maar beter, om bij toepasselijke termen te blijven, ‘op zijn buik schrijven’. Trouwens, weet u dat deze bedreven spellingsdwaler voor het nalezen van zijn schrijfsels iemand in dienst heeft? ’t Is weliswaar degene met wie hij sinds jaar en dag tafel en bed deelt, maar toch, haar bijdrage tot het min of meer leesbaar houden van wat hier staat mag niet worden onderschat. En zodoende heeft ze dan ook meteen de flater opgemerkt!
Maar ditmaal kan de auteur zijn blunder verantwoorden. Voor één keer heeft zijn nonchalance er niks mee te maken, ‘t is met opzet gedaan! Hoezo? Wel, ’t is een kwestie van inspiratie. Inspiratie die hij vond in teksten over de Triënnale.


Niet over degene die nu loopt en haar twee voorgangers, neen. Wel over de tentoonstellingen van héél veel zomers geleden. De oer-Triënnales, die ons een halve eeuw terugvoeren in de tijd.
Drie op een rij waren het er en kijk hier, de affiches van de tweede in die reeks, die ging door in de zomer van 1971. Drie affiches voor één kunstfestival. De ene was van de hand van Roger Raveel, de andere van Paul Mara. En nog eentje werd bedacht door Boudewijn Van Houcke. Drie kunstenaars die uiteraard ook op die tentoonstelling in de stadshallen nieuw werk presenteerden.
Om over die triënnale ’t één en ander te vertellen, ging uw dienaar op zoek in publicaties uit die periode. Onder meer in ‘Ons Erfdeel’, gerespecteerd tijdschrift als ’t op cultuur aan komt. In één van die periodieken leest hij een recensie, Bruggeling Fernand Bonneure schreef ze. En hoe.
Tot vrolijke verbazing van ondergetekende word je met die commentaar niet enkel teruggevoerd naar de kunstwereld van toen. Er is ook de spelling van toen! Of toch de schijfwijze zoals die in bepaalde middens werd gekoesterd.
Progressieve spelling was een kind van de jaren zestig, toen alles wat anders kon ook anders moest. Een weliswaar moedige maar roekeloze poging om de dingen min of meer te schrijven zoals je ze uitsprak. Met een warme voorliefde voor de letter ‘k‘. De ‘c‘, de ‘x‘ en andere moeilijkdoeners hadden afgedaan. En enigszins tot mijn verbazing ging ook Fernand Bonneure, gerespecteerd auteur in zijn tijd, vrolijk mee in dat verhaal.
Zonder blozen noemt hij de expositie “voor het toeristische Brugge een attraktie en voor allen een onderwerp voor diskussie. Hij vindt “de katalogus van de Triënnale een puik dokument.” En de tentoongestelde werken van Pierre Alechinsky roemt hij als “sterk gekondenseerde komposities. Verder vindt hij dat de triënnale “een groot konglomeraat vertoonde van allerhande konstrukties”.
Hij schrijft over het hele gebeuren “met respekt, al relativeert hij de fameuze konfrontatie tussen Roger Raveel en de toenmalige burgemeester omtrent Raveel’s houten zwanen op de reien. Hij heeft het over hoe “… een drietal keer door Roger Raveel gefabrikeerde zwanen te water werden gelaten, daarna ontvreemd en uiteindelijk weer geplaatst, telkens met de pers erbij, goed voor een item op de televisie!”
De Triënnales van toen, ’t is een vergeelde herinnering aan spraakmakende tentoonstellingen. En die progressieve spelling, och ja, ze hield niet lang stand. Was het gewoon tè vermoeiend om er konsekwent mee door te gaan? Maar toch, na al die jaren geeft ze mij een bemoedigend schouderklopje. Zo van, “Zó van levensbelang is al dat korrekt schrijven nu ook weer niet!
Dus, geachte lezer, al schaam ik me amper voor een enkel spellingsfoutje, hierbij alsnog mijn ekskuses.
En die correctie-lezeres van mij? Die hou ik toch nog maar even in de buurt. ’t Zou eenzaam zijn, anders, aan tafel en in bed.

Posted in Het Brugge van toen, Van boeken en schrijven, Van schilderen en plaasteren | 4 Comments

Terug naar Monnikerede

Van sommige vertellingen lijkt het alsof ze er altijd waren. Dat van Atlantis, bijvoorbeeld, verzon iemand die legende of is ze zo oud als de mensen zelf? Of, wie weet, is het verhaal gewoon waar.
Wanneer hoorde ik voor het eerst van het land dat lang geleden verzonk in de diepten van de zee? Misschien toen onze leraar Nederlands met zijn lijst ‘verplichte auteurs’ kwam aanzetten. Eén boek volstond, meenden nogal wat klasgenoten. Uitlezen dat ding, verslagje schrijven en gedaan. Maar eentje was danig onder de indruk van ‘De komst van Joachim Stiller’. En zo kwam het dat, terwijl zijn sportieve makkers gingen voetballen en de strevers blokten voor het naderende examen, uw dienaar nog een boek las van Hubert Lampo. En nog één en nog één. Ook ‘Terugkeer naar Atlantis’.
Op zijn schoolrapport blonken  nooit straffe cijfers en aan hem ging geen voetbaltalent verloren, maar hoe dat zat met dat mythische werelddeel Atlantis, dat kon hij wel uit de doeken doen.

Hij vond een lied over Atlantis op een plaat van de vriendelijke troubadour Donovan en was helemaal verkocht. En toen het kleinkunstige tweetal Miek en Roel het Verdronken Land van Saeftinghe bezong, leerde hij dat zo’n verloren-land-mythe ook hier bij ons leeft. Niet verder dan wat verderop, langs de Westerschelde, is Saeftinghe een plek waar het wassende water zijn eigen ding doet met slikken en schorren en van die dingen. En met een legende over een verzwolgen dorp waarvan je bij stormnachten de klokken hoort luiden. Echt waar, voor wie ’t gelooft.

Wat bracht deze week Atlantis weer in mijn gedachten? Wij keerden naar Brugge terug van in het Zwin. We zagen er de expositie ‘Verdwenen Zwinhavens’ over de geschiedenis van de Zwingeul waarvan het natuurreservaat bij Knokke de verre erfgenaam is. De tentoonstelling vertelt over Hoeke, Damme en Sluis, ooit de voorhavens van wereldhaven Brugge. Over hoe het Zwin het lage land binnendrong tussen Sluis en Muide. Dat gehucht heet vandaag Sint-Anna ter Muiden, de stompe bakstenen kerktoren zie je een eind voor je Sluis binnen rijdt.
Maar er is meer. Of liever, er is meer dat er niet meer is en het heet Monnikerede. Dat was zo’n beetje het kneusje onder de Zwinhavens. Maar wel eentje met stadsrechten, het had enig belang. ’t Vraagt nogal wat goeie wil om ons dat stadje voor de geest te halen, want er bleef niets van overeind.

In de zomer van 1970 liep in het stadhuis van Damme een tentoonstelling over het havenverleden van de stad.

Waar gaan we zoeken? Wel, langs de Damse Vaart, een eind voorbij de Siphon, waar de vaart de Stinker en de Blinker kruist, is de brug naar Oostkerke. Een weg die daar door de velden krinkelt heet, heel verrassend, Krinkeldijk. Daar ergens, onder de graszoden, rust wat rest van Monnikerede. Een dorp, zo zouden we het vandaag noemen, maar met ferme koopmanshuizen en een stadhuis, een kapel ook. En een haventje. En dus allicht ook wat kroegen en zo.  De naam verwijst naar de monniken van Ter Doest die er wat eigendommen hadden. Kroegen?
Maar met een verzandend Zwin een haven draaiende houden lukte niet en het stadje kwijnde weg, werd verlaten. De laatste resten Monnikerede verdronken later in de Damse Vaart die Napoleon liet graven.
Weet je wat, als daar bij winters nacht en ontij de stormwind over de velden raast ga ik een keer post vatten langs de Krinkeldijk. Op mijn dooie eentje, zie mij daar staan, ge moet wat over hebben voor de geschiedenis van uw streek. Want wie weet, ontwaar ik doorheen de gierende wind de klokken van Monnikerede … Ik hou u op de hoogte, beloofd. Stel u voor, midden de Oostkerkse weiden, ons eigen Atlantis.

‘Verdwenen Zwinhavens’ loopt nog tot het eerste weekend van november in de exporuimte van het Zwin.
Er is ook een fietsroute aan het project verbonden.

https://www.zwin.be/nl/verdwenen-zwinhavens


Posted in Het Brugge van toen | 4 Comments

De scheve kapel van Sint-Andries

Zullen wij het een keer hebben over ons zondige leventje?
Arme zondaars’, zegt het u nog iets? Doet ‘Bid voor ons, arme zondaars’ ergens licht schijnen in uw memorie, dan is het aannemelijk dat u al redelijk wat jaren op deze aardbol vertoeft. Lang genoeg om u de tijd te herinneren toen elke brave katholiek die woorden prevelde, bij tijd en wijle. Maar zoals de uitdrukking ‘bij tijd en wijle’ weg deemsterde uit ons woordenarsenaal, zo verging het ook dat gebedje, het aloude Weesgegroet.
De godvruchtige lieden die mij in mijn kindertijd omringden waren geen pilaarbijters, tussen soep en patatten werd wel een keer lacherig gedaan over wat de pastoor had verteld in de zondagspreek. Maar de katholieke waarden in twijfel trekken, ho maar! Pas later, de schoolbanken van het dorpsschooltje ontgroeid, gingen we dingen in vraag stellen. De mompelende, al wat verschrompelde pater van wie we godsdienstles kregen probeerden we wat graag in ’t nauw te babbelden. Neem nu die hoogdag, midden augustus, Onze Lieve Vrouw Hemelvaart. Iemand in de klas wist te zeggen dat in de bijbel niks te vinden is over die hemelvaart van Maria. En gij nu! We werden er niet katholieker door, maar leerden wel dat gelijk hebben en gelijk krijgen niet altijd synchroon lopen.

Bent u zo’n medemens die makkelijk de schouders ophaalt bij ‘geloofsdingen’? ’t Is u van harte gegund. Ook deze jongen leerde de waarde van het relativeren almaar hoger inschatten. Maar toch krijg je hem nog makkelijk mee bij een rondje keuvelen over de waarden des levens.
Het was dan ook niet enkel als verzamelaar dat hij deze week aan de Onze-Lieve-Vrouwekerk een curieuze affiche opmerkte. Ook wat ze vertelde trok zijn aandacht. Ze had het over concerten op de hoogdag waarover wij het net hadden. Ook wie niet zo vertrouwd is met oude muziek weet, het ensemble Currende en het dirigeerstokje van Erik Van Nevel staan garant voor meerstemmigheid van het betere soort. En dus begeeft uw dienaar zich op zondag nog een keer ter kerke. Al gaat het om muziek met een heel serieus elan.
De affiche toont een schilderij uit de genoemde kerk, het is van de Brugse grootmeester Adriaen Isanbrant. De Heilige Maagd, omringd door zeven taferelen, de ‘Zeven Smarten’. Smarten? Zeven? Welja, zeven sombere momenten uit haar leven. Het lijden van haar Zoon komt daarbij uiteraard uitgebreid in beeld. Weet je waar je die zeven droefheden nog kan zien? Bij de kapel van Onze Lieve Vrouw van ’t Boompje, op Sint-Andries. Een kapel, beeldschoon omringd door een aureool van oude bomen en alleen al daarvoor een bezoekje waard. Bij die kapel is een tuin met daarin acht bakstenen zuiltjes. Vakkundige voorstellingen van die Zeven Smarten. En op dat achtste zuiltje, wat staat daarop? Warempel, de Hemelvaart van Onze Lieve Vrouw!

Verborgen parel … de kapel van ’t Boompje

Vraagt u naar wat rest van al het paapse dat de schrijver van dit stukje als kind meekreeg, dan verzint hij maar moeizaam een antwoord . Of toch, een poging.
Misschien is de kapel van ’t Boompje in Sint-Andries u niet bekend maar passeert u er wel een keer langs de Gistelse Steenweg. Wel, niet ver van de Platse zie je vlakbij het Boeverbos een ander kapelletje. In heel Brugge vind je niet één ander bouwwerk dat sinds lang zo is scheef gezakt. De scheve kapel van Sint-Andries, men komt er met schroom over de drempel, benauwd dat elke stap die men zet het bakstenen bouwwerkje finaal uit balans haalt.
Dus op de vraag hoe het gesteld is met de fundamenten van al dat katholieke uit mijn kindertijd? Ewel, dit kadulle bouwwerk komt aardig in de buurt.
En toch, op die zomerse hoogdag in Brugge’s grootste kerk genieten van polyfonie die me in hemelse stemming brengt, voor even, het is mij een waar genoegen. Om dan, eenmaal weer op de profane straatstenen, met gulzige goesting terug te keren naar dat zalig zondige leventje van ons.

… en een architecturaal curiosum … de scheve kapel van Sint-Andries.
Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Over affiches verzamelen, Van feesten en vieren, Van schilderen en plaasteren, Van zin, zen en zijn | 14 Comments

Vier keer Guido Depraetere

Ha, ’t is weer met Studio Barcka in de Groene Poorte!
’t Waren de jaren van bals en fuiven waarop dj’s plaatjes draaiden en die muziekjes aan mekaar babbelden, zonder meer. De deejay van vandaag droomt van festivalweiden vol juichende fans, maar dit verhaal is nog van toen je zelf je platendraaiers en boxen naar het podium sleurde, loodzware koffers vol grammofoonplaten uit de koffer van je autootje hees en voor de rest van de avond gewoon je ding deed.

De grote zalen in het Brugse, ’t Schuttershof, het Jagershof, de Oberbayern-zaal van ’t Boudewijnpark en de sporthal van de Groene Poorte, werden week na week ingepalmd door fuiven van jeugdverenigingen en studentenclubs. En zo’n avond volgde eigenlijk een redelijk vast stramien. Een paar stevige dansdeuntjes, een paar keer ‘den Bamba’ ofte de ‘kuskesdans’ en nu en dan een slow om mekaar een keer goed vast te pakken.
Kwestie dat al dat jong dansvolk toch vroeg of laat van straat zou geraken. De dj’s van dienst kenden hun stiel. Met als misschien wel de meest gevraagde discoploeg de gasten van Studio Barcka.
Die jongens koesterden nauwlettend hun imago van net iets deftiger discobar. Ze draaiden alle hits, maar dat af en toe ook een braaf walsje of een tango door de zaal zou klinken, met Barcka kon je daar donder op zeggen. En steevast in maatpak en met vlinderdas koketteerden ze maar al te graag met dat imago. En al werd soms lacherig gedaan over Barcka, de burgermannetjes, populair waren ze wel.
Eén van die Barcka-knapen in smoking was Guido Depraetere.
De jonge Guido was daarenboven van wel meer markten thuis. Ook de politieke markt boeide hem, hij sleet twee legislaturen in de gemeenteraad. Sommigen zagen hem daar ongetwijfeld in doorgroeien, maar een mens zijn leven is soms een samenloop van kansen en keuzes. En zo gebeurde het dat een talentenjacht onze Guido aan een stiel bij de toenmalige BRT hielp. Waar hij Mike Verdrengh leerde kennen en wat daaruit volgde, dat is u mogelijks bekend.
Want toen op een winteravond van het jaar 1989 de eerste beelden van de commerciële zender VTM op Vlaanderen werden losgelaten was dat aan Mike en Guido te danken. Of te wijten, naargelang wie daar zijn mening over gaf. Want de opstart van een Vlaams commercieel televisiekanaal deed nogal wat stof opwaaien.
Je neus ophalen voor de volkse nieuwe zender, het werd bon ton in bepaalde middens. En ’t moet gezegd, in zijn begindagen deed VTM niet bijster veel moeite om dat beeld bij te sturen. Presenteerde Guido week na week een show waarin bekende Vlamingen overjaarse moppen tapten? Meer had de kritische kijker niet van doen om smalend neer te kijken op zoveel goedkope leute. En eerlijk waar, zo’n programmareeks schipperde tussen grappig en belachelijk. Maar ’t was anderzijds wel het programma waarin Baziel zijn vaste stek vond.
Baziel, zowat Guido’s alter ego, was de niet al te snuggere maar des te meer ontwapenende hoofdrol in talloze onnozele grappen. Guido en moppen tappen, het ging goed samen. Al was Baziel niet Guido’s vinding, naar men zegt kreeg het figuurtje al in de jaren zestig in onze contreien de hoofdrol in ‘kluchtjes aan de toog’. Maar dankzij Guido Depraetere kreeg het ventje landelijke bekendheid èn een wekelijkse cartoon in ’t Brugsch Handelsblad. En stond Baziel, ofte Guido, met een avondvullend moppenprogramma in onze stadsschouwburg.

Deze week is ’t vijftien zomers geleden dat Guido Depraetere ons, veel te vroeg, verliet. Het laat zich raden dat hij nog een heleboel pijlen op zijn vindingrijke boog had. Of grappen om uit zijn mouw te schudden. Maar ’t heeft niet mogen zijn.
Ken je dat kluchtje van die vier Bruggelingen? Er waren een keer een dj, een politieker, een televisiemaker en een moppentapper. Ze heetten alle vier Guido Depraetere …

Posted in Het Brugge van toen, Van Brugse politiek, Van feesten en vieren | 8 Comments

Beach Rock, Zeebrugge 1996 … een trouwfeest

’t Was vijfentwintig jaar geleden aardig zomerweer, eind juli.
Die lome namiddag wachtte het jeugdhuis van een Oost-Vlaams dorp geduldig op de avondambiance die bij zo’n plek hoort. Maar ’t was zo’n zonnige zaterdag waarop je liever buiten bent, Tijl, de knaap achter de tap verwachtte een kalme shift. Een groepje vrienden kwam langs, nog een pint pakken voor ze naar Zeebrugge trokken.
‘Naar Zeebrugge?’
‘Jawel, er is daar een festival.’
‘Ha, wist ik niet.’ 
‘’t Wordt wellicht leutig. En à propos, Jakoba komt ook. Je weet wel, dat meiske uit Gullegem, ze zit bij mij op school, je was met haar aan de praat, een paar weken geleden in Gent op dat straatfeest.’
Het komt voor dat woordcombinaties een bel laten rinkelen. Die keer waren dat ‘Gent’, ‘straatfeest’ en ‘Jacoba’. Ja, dat was een leuke babbel geweest, die avond. En zo kwam het dat Tijl die keer de handdoek zowat letterlijk in de ring gooide, de bar van jeugdkroeg De Cramme overliet aan een vriend en naar Zeebrugge trok. Voor, zoals gezegd, zo’n zomerdag die je beter buiten kon slijten. Aan zee, bijvoorbeeld, met kameraden en muziek. En met een voorraad wijn, binnen gesmokkeld in een fruitsapkarton, flessen mochten niet op het festivalstrand.

En al doet de arrogante kop van Johnny Rotten van de Sex Pistols het tegendeel vermoeden, er stond ook schoon volk op de affiche. Belga Beach Festival, dat sinds een paar jaar was herdoopt in Axion Beach Rock, had al eerder ferme namen op zijn lijstje. Op eerdere edities, eerst in De Panne en dan nogal wat jaren in Zeebrugge, stonden Van Morrison, Rod Stewart, Depeche Mode en Simple Minds daar op het strand. Naast vele anderen, zoals dat dan heet. Vele anderen en jaar na jaar tienduizenden bezoekers.
Schoon volk, dus, dat vond ook Tijl, want ja, ze was er ook, je weet wel, Jakoba. En het komt voor dat ook muziek een belletje doet rinkelen. Welk deuntje het die avond was, we weten het niet, maar Lou Reed die zijn slome ‘Perfect day’ aanheft, da’s natuurlijk een binnenkopper.

En ineens spoelt dan, middenin dit verhaal, de tijdslijn een eind door.
Een kwarteeuw, naar de net iets minder zonnige julimaand van 2021. In de mailbox van een Brugs afficheverzamelaar zit een vraag. De afzender vertelt over een bevriend koppel, Jakoba en Tijl. Die werden lang geleden een stel op een zomernacht aan zee, op een rockfestival. En die twee gaan nu, al die jaren en drie kinderen later, toch wel trouwen, zeker! En dat

doen ze dag op dag vijfentwintig jaar na dat rockfeest op het strand van Zeebrugge. Of ik de vriend-afzender misschien aan de festivalaffiche kan helpen? Hij wil er de trouwers mee verrassen, de sloeber.
Deze verzamelaar krijgt wel vaker een vraag over een affiche. Omdat ze zeldzaam is of mooi. De Axion Beach-affiche anno 1996 is niet de meest schilderachtige in mijn collectie. Maar Tijl en Jacoba, de ‘jonge trouwers‘, kunnen ermee leven, dat zie je zo.
En wat ons betreft doen ze dat nog een heleboel jaren.

Een toemaatje …
Een aanrader. Vijf jaar geleden, Jakoba en Tijl waren twintig jaar samen, bedachten hun drie jonge spruiten een filmverslag over Axion Beach Rock, 1996 … https://www.facebook.com/tijl.dewitte/videos/1371727926173922


Posted in Over affiches verzamelen, Van feesten en vieren, Van gitaren en drums, Van zingen en spelen | 2 Comments