Jacob van Maerlant … of van Snellegem?

Nu het onlangs in het avondnieuws door de steevast  betrouwbare Goedele Wachters werd bevestigd, weten we zeker dat ons vermoeden klopt. Het nieuwsanker had het over de jonge generatie die niet meer omkijkt naar Facebook. Het jonge grut, zo meldde Goedele, vindt nieuwe wegen.  Er is Instagram en er is TikTok en wellicht nog vondsten waarvan ondergetekende het bestaan niet eens vermoedt. Uw dienaar, namelijk, is zelf niet meer van de meest jeugdigen. En dat is nu deel van het verhaal, zie. Want vandaag de dag komt iederéén langs op Facebook. En pa en ma, opa en oma die meelezen, zit je daar als jonge snaak op te wachten? Wegwezen, dus, van dat sociaal netwerk voor oudjes! Binnen afzienbare tijd legt de voorlaatste lezer van dat achterhaalde ding er het bijltje bij neer en dan is er voor de allerlaatste gebruiker ook niks meer aan. Waarna het lege Facebook zelfs geen plaats krijgt in de geschiedenisboeken, want tegen dan bestaan die ook niet meer.

In afwachting doet deze ouwe jongen zich geregeld tegoed aan diepzinnige wijsheden van zijn mede-Facebookbejaarden. Tot zijn niet geringe verbazing komt hij daar op een dag zelfs ene Jacob van Maerlant tegen. Echt waar, tik de naam van de ‘vader der Dietse dichtren algader’ in het zoekvakje en Facebook brengt u bij een pagina van de schrijver uit vervlogen tijden. Zelf werd hij voor die digitale dingen net iets te vroeg geboren, maar hij speelt hier wel de hoofdrol in een hoogst boeiende discussie. We vertellen daar zo meteen graag meer over, want het is ’t één en ’t ander.

… dan slaat een stenen Jacob u vanop zijn sokkel met zuinige blik gade.

Jacob van Maerlant, dus. Misschien is het lang geleden dat u in de lessen Nederlands leerde over de dertiende-eeuwse auteur die nogal wat mijlpalen op zijn naam heeft staan. ‘Der naturen bloeme‘, ‘Spieghel Historiael‘ en nog een boel klassieke werken. En al lezen wij die al lang niet meer, in onze contreien blijft hij prominent present. Een kwarteeuw geleden liep in Damme de redelijk indrukwekkende expositie ‘De middeleeuwse wereld op schrift‘, over van Maerlant en zijn immense oeuvre. En nuttigt u een glas op een terras in zomers Damme, dan slaat een stenen Jacob u vanop zijn sokkel met zuinige blik gade. Vlakbij is een straat naar hem genoemd, net als op andere plaatsen. Zo kreeg hij in Brugge, op Sint-Jozef, een zijstraat van de Dudzeelse Steenweg. We zien de schrijver aan het werk op één van de muurschilderingen in de gotische zaal van het stadhuis. En nog in Brugge werd zijn naam gegeven aan het ‘kamgebouw’, het gedrocht dat bij het station het plein aan de

balkonrotonde domineert. Architectuur waarmee ooit in stalinistische regimes prijzen werden gewonnen. Als ’t waar is dat van Maerlant onder de kerktoren van Damme begraven ligt, weten wij meteen waar hij zich omdraait in zijn graf.

En ja, dan is er dus dat hoogst boeiende twistpunt waarover wij net berichtten. Kenners zijn het namelijk sinds lang behoorlijk oneens over de levensloop van onze auteur. Over zijn twee levenslopen, eigenlijk, want wat de ene kenner stellig beweert wordt door de andere met nog meer stelligheid weerlegd. Een hoogst boeiend kluwen dat wij hier voor u graag op een heel kort rijtje zetten.

… op één van de muurschilderingen
in de gotische zaal …

Het laaiende enthousiasme dat het traditionele levensverhaal van Jacob van Maerlant een kwarteeuw geleden ten deel viel had van doen met ‘Maerlant’s wereld’, een vuistdik boek van Frits van Oostrom. Aan de bevindingen van Hollander Frits, historisch letterkundige van opleiding, viel niet te twijfelen.
Ingrediënten voor het schrijven van een bestseller? Een goed verhaal en dat vlot kunnen vertellen. Over hoe Jacob van Maerlant rond 1230 in het Brugse geboren werd en wellicht in de kapittelschool van Sint-Donaas zijn opleiding kreeg. Hoe hij op middelbare leeftijd helemaal naar het plaatsje Maerlant op het Hollandse eiland Oost-Voorne trok. Waar hij, meesterwerken schrijvend en onderwijzend, in dienst trad van Floris de vijfde, graaf van Holland en Zeeland. Frits van Oostrom windt er geen doekjes om: van Maerlant’s talent kwam tot bloei bij en dankzij onze noorderburen.
En ja, zijn laatste levensjaren bracht Jacob door in Damme, waar hij overleed.

Tot zover Jacob’s eerste levensverhaal. Zijn tweede staat daar behoorlijk diametraal tegenover. Dat iemand uit de buurt van Snellegem zich hier op Facebook opwerpt als pleitbezorger mag niet verbazen. Op de pagina waarop hij dat verhaal bepleit komt het oude dorp namelijk héél nadrukkelijk op de voorgrond. Snellegem en … het zo mogelijk nog meer bescheiden Zuienkerke, of all places. Jacob zou oorspronkelijk uit dat buitendorp afkomstig zijn. Want in heel oude handschriften wordt hij ‘Jacob van Merlant’ genoemd. En hoe heette een plek in de buurt van Zuienkerke? Merlant!
Uitgebreid wordt uitgelegd dat lang geleden Jozef Noterdaeme, pastoor van Snellegem en historicus, het bij het rechte eind had. De priester zag Jacob van Maerlant in Snellegem als klerk in dienst van de heren van Rode. ’t Was hier bij ons in Snellegem, misschien wel op het Oosthof, dat de grootmeester een flink deel van zijn geschriften bijeen pende. Op Oost-Voorne, een eilandje van twee keer niks, had de schrijver niks te zoeken.
Geschiedenisles op Facebook! Wie een andere mening is toegedaan, Frits van Oostrom voorop, krijgt op de ‘Jacob van Maerlant’-pagina de wind fors van voren, wat zo’n tweespalt voor de

… misschien wel op het Oosthof

geboeide lezer alleen maar meer de moeite waard maakt. Beide partijen staan weliswaar niet op z’n middeleeuws met getrokken zwaarden tegenover mekaar, met tegengestelde meningen des te meer. Wordt ongetwijfeld vervolgd.
Alleen dat van Maerlant in Damme zijn laatste verzen aan het perkament toevertrouwde, daar zijn beide stellingen het over eens.

We stellen ons voor hoe Jacob van Maerlant zelf gniffelend toekijkt op het geredetwist over zijn curriculum. Was de grote schrijver nog onder ons, dan nam hij ongetwijfeld de ganzenveer ter hand om orde op zaken te stellen. Of was hij mee met onze tijd en klom hij in zijn digitale pen? Op Facebook? Toch niet op Twitter, mogen wij hopen?

Posted in Het Brugge van toen, Van boeken en schrijven | 2 Comments

Van Arno geleerd

Mijn beste Arno,
sinds jij de tocht aanvatte naar je moeder hierboven, een pad waarvan je al een tijd vertelde dat het op jou wachtte, gaat het met de dagen zoals voorheen. Ze gaan voorbij. Maar elk van die dagen was er wel een moment waarop ik aan jou dacht. En laat mij het maar meteen bekennen, telkens sloop daar iets van spijt doorheen. Spijt, omdat ik in al die jaren het bestaan van een waardevol mens, van jou, als zo heel gewoon en vanzelfsprekend beschouwde.

1981 – TC Matic op Rock Torhout …
1995 – Arno op het Rudd-Rock festivalletje

En daarom ben ik gaan uitvissen wanneer het was, die ene keer dat ik jou op een podium bezig zag en hoorde. ’t Was een zomerse zaterdagmiddag in 1981. We gingen voor de derde keer op rij naar Rock Torhout. Op de affiche van het jaarlijkse festival lees ik zeven namen en in die lang vervlogen tijden gold zo’n aanbod zonder meer als een hoogdag. Jaar na jaar trok dan ook meer jong volk naar de weide. De affiche van die keer herinnert mij aan Dire Straits dat de festivaldag zou afsluiten. We hadden hen daar een paar zomers eerder leren kennen als verfijnde melodiemakers, dus dat zou leuk worden. Ook Robert Palmer was er en de wat somber ogende jongens van The Cure. En Elvis Costello. Vroeger op de dag was een reggaegroepje geboekt, maar dat kwam niet opdagen. De voormiddag was voor The Undertones maar eerst mocht een jonge Belgische groep aantreden. Het festivalpubliek opwarmen, dat was op zich al een benijdenswaardige eer voor jongens van bij ons.

1998 – in de Cactus Club-kelder in de St-Jacobsstraat

We waren doende met het uitkiezen van een goeie plek, ergens midden de weide, waar we ons neer vleiden. Met zicht op het podium waar dat groepje, TC Matic, al volop bezig was. Ze hadden net hun eerste album uit, het toen nog normbepalende Humo liep hoog op met TC Matic en we zongen allemaal mee met die ene radiohit van hen. Oh La La La, c’est magnifique!, ging het. We vonden dat de frontman, Arno Hintjens, dat goed deed en keken uit naar de echte, grote namen, later op die zomerdag. Dat ruim veertig jaar en een glorierijke carrière later jouw overlijden voor zo’n rilling doorheen

Vaak in de Magdalenazaal …
Soms in de stadsschouwburg …

het muzieklandschap zou zorgen, niet één van ons kon dat toen vermoeden.
Ik zou je nooit meer terug zien, Arno. Maar door al die jaren heen trok jij op tijd en stond mijn aandacht. Met muziekskes uit het hart, af en toe. Met een interview waarover wij het achteraf met enig plezier hadden aan de toog. Dien Arno, ’t is mij toch wel ene, hé! Jouw babbels met een woordenschat die alleen van jou kon zijn.

Op het Cactusfestival, in 2008 …

Zoals de songs die je bedacht ook alleen de jouwe waren. Met optredens ook, veel optredens. Ook hier bij ons in Brugge, leert mij mijn affichecollectie. Van het Rudd-Rock-festivalletje in ’t Boudewijnpark tot in de Cactus Club-kelder in de Sint-Jacobsstraat. Later vaak in de Magdalenazaal en soms in de stadsschouwburg.

Eén keer op het Cactusfestival, ook. Maar ik was nooit van de partij. En nu vind ik dat jammer, zo gaat dat.
Vrienden van ons vertellen over een concert van jou, onlangs in Oostende, je laatste keer op een podium. Zij vertelden over jou en hoe jij op jouw beurt vertelde over je moeder die op je wachtte.
En dan komt het nieuws dat je naar haar toe ging. En realiseert een mens zich, Arno is weg. Voor altijd. En ook dat vind ik nu jammer, zo gaat dat.

Enfin, Arno, laat me jou toch maar vooral dankbaar zijn. Ja, ik weet het, dat gaat hier even de sentimentele toer op. Je zou dat weglachen met zo’n welgemeende godverdomme die je leerde aan de vistrap in je thuishaven. Maar dit wou ik je nog meegeven. Met jouw weggaan leerde je mij, de aanwezigheid van ferme, authentieke mensen nooit meer vanzelfsprekend te vinden.
Merci voor wie je was, Arno.

Posted in Het Brugge van nu, Van 't Cactusfestival, Van gitaren en drums, Van zin, zen en zijn, Van zingen en spelen | 13 Comments

Van Frank Van Acker tot Juan Vives, een beeldverhaal

Jawel, ’t is al dertig jaar geleden dat het nieuws door de stad gonsde …

Sinds wanneer kijkt het borstbeeld van Frank Van Acker peinzend voor zich uit, daar aan de vismarkt? Wij hebben het voor u uitgezocht, nu we even stilstaan bij het overlijden van de burgemeester, in het voorjaar van 1992. Jawel, ’t is al dertig jaar geleden dat het nieuws door de stad gonsde … ‘De burgemeester is dood!’ Frank Van Acker werd amper 63.
Een jaar later werd het beeld onthuld. Op een plek waar het vooral toeristen nieuwsgierig maakt. Deze week nog zag ik een stel vrolijke jongelui zich rond Frank scharen voor een groepsfoto. Giechelend legde eentje haar arm om de hals van de bronzen burgemeester. Waarna zij de woorden op de sokkel, ‘Minister van Staat, burgemeester van Brugge’ probeerde te ontcijferen. De Bruggeling wandelt het beeld achteloos voorbij, weten dat het er staat volstaat.

Eén van onze
meest iconische Bruggelingen …

Haast nooit komt zo’n beeld in het nieuws. Wel die keer, het borstbeeld van Frank’s vader Achiel Van Acker, aan de Joseph Ryelandtzaal in de Ezelstraat. Eén van onze meest iconische Bruggelingen, een paar zomers geleden door één of andere sukkel beklad met een spuitbus.
Frank Van Acker’s hoofd bleef gespaard van zo’n bedenkelijke aandacht. Al kon hij er tijdens zijn leven van meespreken, van besmeurd worden. Toen met de nodige tamtam het Sint-Amandsstraatje als eerste autovrije straat werd ingehuldigd was niet elke neringdoener daar content mee. Eén van hen stond klaar met tomaten, bestemd voor de passerende burgervader. De aanslag werd op het nippertje door de arm der wet verijdeld.
Minder historisch correct is het toogverhaal over zijn borstbeeld aan de vismarkt. Waarom hij daar toch ietwat sip kijkt? Ha, da’s omdat de burgemeester, hoewel altijd te vinden voor culinair genot, niet van vis hield! Of dat waar is, vroegen wij hem graag zelf, maar borstbeelden zijn doorgaans eerder zwijgzaam.
En daarnaast vinden wij ook iets bizar aan zo’n sculpturen. Een borstbeeld is, zegt men, de sculpturale tegenhanger van  het portret. En toch. Ze kunnen het zelf niet helpen, maar is het u nooit opgevallen hoezeer borstbeelden lichaamstaal missen?

… Maurits Sabbe, zoon van …

Desondanks telt onze binnenstad meer van die bustes dan u zo voor de vuist zou opnoemen. Wie van aan het station de stad in wandelt langs de vesten, langs de Poertoren aan het Minnewater, komt één van de oudste tegen. Het stelt Hendrik Pickery voor en die was beeldhouwer. Da’s dus een beeld van een beeldhouwer. Het werd in 1901 gekapt door zijn zoon Gustaaf, ‘t beeldhouwen zat in de familie.
Nog bij het Minnewater vind je vlakbij het sashuis Maurits Sabbe, zoon van Julius met wie hij elders in de stad een straatnaam deelt. Op zijn boeken, die al lang niemand meer leest, was lang geleden de tv-reeks ‘De vorstinnen van Brugge‘ gebaseerd.
Enkele jaren geleden werd nog zo’n borstbeeld ingehuldigd op de site Oud Sint-Jan. De meneer die daar gewichtig staat te wezen heette Thomas Van den Berghe, maar in die zeventiende eeuw waarin hij leefde werd je naam verbasterd naar het Latijn. Toch als je lang naar school was geweest. En Thomas Montanus zat best lang op de schoolbanken, hij werd dokter. Pardon, medicus meldt zijn sokkel. En in het Sint-Janshospitaal zou hij een prominent figuur zijn geweest. Zijn torso staat er sinds de zomer van 2015.

… was één van de gangmakers van het daar nieuw te bouwen ziekenhuis.

Borstbeelden zijn inmiddels echt wel passé, dit wordt allicht het laatste in de rij, dachten wij. We dachten fout. Vorig jaar werd, schouder aan schouder met dokter Montanus, nóg eentje onthuld. Voor Isaac De Meyer, ook een arts, maar wel in de jaren achttienhonderd. Was één van de gangmakers van het daar toen nieuw te bouwen ziekenhuis. Stond ook aan de wieg van de opleiding van vroedvrouwen, wat je niet meteen verwacht van een voormalig legerarts in dienst van Napoleon.

Over vrouwen gesproken, de enige dame op onze lijst is koningin Astrid. In de volksmond steevast botanieken hof genoemd, heet het park na de tragische dood van de koningin in 1935 Koningin Astridpark. In haar park kreeg de vorstin een hoekje toegewezen dat in de loop der tijden zo schaduwrijk werd dat je er passeert zonder haar op te merken. Vorige zomer voelde ook een ander borstbeeld zich uit het zicht verdrongen. In de tuin van het geboortehuis van Guido Gezelle trekt de buste van de dichter meteen de aandacht. Maar met de Triënnale stond Guido’s beeld wat schuw verdoken onder de fameuze stelling die om de immense dennenboom heen was opgetrokken.

In de tuin van het geboortehuis
van Guido Gezelle …

Maar kom, Guido, ge moet niet klagen, ge hebt elders in de stad ook een ècht, volwaardig standbeeld. En al vertelde Pieter Aspe in ‘De Midasmoorden’ over een bomaanslag op dat beeld, in ’t echt blijft het tot nader order gewoon overeind.

Besluiten willen we met het borstbeeld dat ons het meest nauw aan het hart ligt. In de schaduw van de kerktoren van Onze Lieve Vrouw, waar horden toeristen het Bonifaciusbrugje versmachten. Juan Vives aanschouwt het tafereel met diepzinnige blik, vanonder het lommer van een donkere boomkruin. De grote Vives, filosoof met naar de normen van de vroege zestiende eeuw ongehoorde voorstellen. Hoe ver kan een mens zijn tijd vooruit zijn? Heel ver, wanneer je het geven van aalmoezen wil vervangen door het aanbieden van scholing voor wie arm is.  Wanneer je pleit voor onderwijs voor meisjes. Wanneer je als pacifist nadenkt over de waarde van een eensgezind Europa.
Verdient Juan Vives zo’n borstbeeld? Neen, naar onze altijd weer bescheiden mening moeten

we Juan, in plaats van zo’n bescheiden uithoek, de ultieme ereplaats gunnen. Hoort de grootste humanist die ooit in onze stad leefde, visionair buiten categorie, niet gewoon midden op de Brugse Markt?
En wat dan met dat standbeeld van die twee sloebers die er nu staan? Voorstellen zijn welkom.

Je vindt ze ruim verspreid doorheen de stad, maar op zoek naar borstbeelden zou je een aardige fietstocht kunnen bedenken. Een toer met aan elk beeld het bijhorend verhaal. En met een vertelsel over de beeldhouwer die het maakte. Nu nog een naam bedenken voor een thematocht langs borstbeelden en hun makers. Die makers, hoe noem je die? Hoe klinkt borstbeeldhouwers?

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van boeken en schrijven, Van schilderen en plaasteren, Van toeristen | 10 Comments

‘Brugge in affiches’ in … ’s Hertogenbosch

“Namens ‘Design Museum ’s Hertogenbosch’ wil ik informeren
naar drie bijzondere affiches in uw collectie.”

Het bericht dat zo’n jaar geleden in mijn mailbox belandde ging verder met
“Graag zouden wij deze affiches tentoonstellen in onze aankomende expositie ‘Goth, Designing Darkness’, van oktober 2021 tot april 2022.”

Er komt wel eens iets van ‘Brugge in affiches’ op een Brugse expositie terecht. En een paar maal kon ik met een ruimere selectie uitpakken. De verzamelaar grijpt graag elke kans om ‘zijn collectie te ontsluiten’, zoals dat in vaktermen heet. Al blijven die gelegenheden tot nu toe ‘thuismatchen’. Serieus aangepakt, keer op keer, maar toch met groot ‘ons kent ons’-gehalte, het mag er wat informeel aan toe gaan.
Maar die mail van dat museum in ’s Hertogenbosch, ‘Den Bosch’ zoals ze in Holland zeggen, was andere koek. Een vraag vanuit zowat het meest gereputeerde designmuseum van de Lage Landen! Mag deze bescheiden verzamelaar eventjes verbaasd opkijken?

Bovendien vroegen ze niet naar een paar doorsnee affiches. Neen, ze hadden hun deskundig oog laten vallen op enkele bijzonderheden die ik in huis heb. En al zijn die geen fortuinen waard, waardevol zijn ze wel. Waardevol en niet makkelijk te vinden. Vooroorlogs lithografisch vakmanschap, deskundig ingekaderd en in dit huis gekoesterd.
Ervaring met zo’n uitleenavontuur? Hebben we niet. Het leek ons tijd voor  een hulplijn. Uitkijken naar ervaringsdeskundigheid bracht mij bij onze voormalige stadsarchivaris. Noël Geirnaert, oude bekende.
Uiteraard, mijn beste Noël, ligt in het voorgaande de nadruk op ‘bekende’, ge ziet dat van hier. Wij kennen mekaar al van toen je in het begin van je loopbaan voor de schoolbanken stond waarop deze jongen zijn tijd doorbracht. En dus vroeg ik je graag om raad.
Dat ik dat met enig zelfvertrouwen mocht aanvatten, klonk je overduidelijke antwoord. ‘Jij bent de bruikleengever, Pol, de spelregels bepaal jij!’

Materiaal uitlenen voor een tentoonstelling brengt geen centen op, maar je leert er wel wat van. Dat je je als bruikleengever een paar praktische aardigheden kan permitteren. En dat een ‘verzekering van spijker tot spijker’ precies is wat je denkt dat het is. Je spullen worden door de ontlener verzekerd van ’t moment waarop hij ze in handen neemt tot wanneer ze weer bij jou thuis hun plaats innemen.

En dat ophalen en terugbrengen, ’t is me wat! Ons straatje schrok zich die ochtend een breuk toen het werd ingepalmd door een kanjer van een camion mèt aanhangwagen. Een gespecialiseerd team, op toer om waardevol materiaal naar Den Bosch te brengen. Ineens kregen de paar kaders in onze leefkamer het elan van delicaat te behandelen kunststukken,

deskundig ondergebracht in een vrachtwagen met constante temperatuur en luchtvochtigheid. Nou, moe!

Wij gingen langs in het telkens weer charmante Den Bosch. De recente architectuur van het Designmuseum eist er zijn plaats op, midden het oude stadscentrum. ‘Goth, Designing Darkness’, de tentoonstelling, vertelt over gothic. Ze gaat op zoek naar het verband tussen drie stromingen uit heel verschillende periodes van de westerse cultuur. Klinkt zwaar op de hand en dat is het ook. Vooreerst is er gotiek, de kunststroming die de middeleeuwen domineerde. Met neogotiek, de retrostijl die vanaf de negentiende eeuw opgang maakte, is de link makkelijk te leggen. Maar dan is er ook nog ‘gothic’.
Was u jong in de jaren tachtig van vorige eeuw? Wie weet, dweepte u met muziek van onder meer Siouxsie and the Banshees en vooral The Cure. En ging u in dat geval misschien als ‘gothic’ door uw toenmalig bestaan. Droeg u zwarte kleren en make-up en haartooi die verwezen naar donkerte en drama. Beter dan de cataloog van de tentoonstelling kunnen wij de subcultuur ‘gothic’ amper omschrijven. ‘Goth is een levensstijl vol onbestemd verlangen naar de donkere kant van het leven’, staat er te lezen.

Een Belgisch luik op de expositie? Enkele etsen uit het begin van vorige eeuw, van de Gentse Jules De Bruycker en … drie affiches van een Brugs verzamelaar. En die verzamelaar zag dat

het goed was. Dat zijn pronkstukken een eervolle plek toebedeeld kregen. Apetrots word je ervan, zeg dat ik het gezegd heb.
Alles koek en ei? Laat ons de cataloog noemen als lichte teleurstelling. Daarin wordt veel verteld over het thema van de tentoonstelling, maar een echte cataloog, waarin al het tentoongestelde stuk voor stuk wordt vermeld en getoond is het niet.  Maar kom, ‘selden is volmaect de feeste’ lang geleden schreef een Brugs rederijker het al.

De tentoonstelling in Den Bosch sluit dit weekend haar deuren. Binnenkort keren mijn koesteraffiches naar huis terug. Veilig en wel teruggebracht, na een verrassende trip ‘van spijker tot spijker’.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Over affiches verzamelen | 13 Comments

Bierfestivalgangers …

Het leek ons best wel een opwindend vooruitzicht. We waren benieuwd èn vijftien jaar jonger dan vandaag, toen we in dat najaar van 2007 achter het belfort gezwind de steile trap op gingen naar de hallenzalen. Voor het eerst kreeg het oude Brugge daar een bierfestival, een beurs met niks dan variaties op het geliefde gerstenat! En dan nog in dat imposante interieur van zo’n middeleeuws monument, zalig! Het werd de aanzet van een jaarlijkse culinaire traditie. Waarbij ook ondergetekende graag een plekje in zijn agenda vrij houdt voor het bijschaven van zijn bierkunde. Drinken om te leren, hé.

Al is de proeverij na al die jaren de stadshallen ontgroeid, helaas. Omdat almaar meer brouwers opdaagden die iets lekkers aanboden. De tol van het succes, zo je wil, want zo authentiek als daar ‘onder d’alletorre’,  onder dat stoere gebinte dat eeuwen geschiedenis ademt, wordt het nooit meer. Waren we van slechte wil, dan stuurden wij onze kat. Maar wij hebben geen kat, dus zijn we straks zelf weer van de partij. Nu voor de eerste keer in de nieuwe beurshal, of volgens het boekje het ‘Beurs-, Meeting- en Congrescentrum‘.

Trouwens, sinds die eerste editie kreeg het bierfeest al meer locaties toegewezen, het ging van hot naar her. Een toertje langs de plekken waar de bierslijters jaar na jaar neerstreken heeft iets van een kroegentocht. Die begint, zoals gemeld, in de hallen van ’t belfort, het is er aangenaam toeven. Je moet er weliswaar de trappen op, maar eenmaal boven wacht een ambiance van schuimend genot tussen die massieve muren die al eeuwen dat hoge balkenspel dragen, je waant je in de grootste bruine kroeg van ‘t stad. Het waren de eerste vijf jaargangen die daar doorgingen.
Eén keer werd daar trouwens een kalenderjaar overgeslagen. In zijn eerste levensjaren palmt het bierdrinkfestijn een weekend in ’t najaar in, tot het voorstel komt voor een datum vroeger in het jaar, in de voor Brugge kalme februarimaand. Dat vergt wat gedoe bij het overschakelen, want als zo’n beurs doorgaat in september en ’t jaar daarop al meteen weer in februari, liggen die twee wel héél dicht bijeen. Een minder goed idee en dus slaan we na september 2010 even een jaartje over. Om in februari 2012 met evenveel goesting de draad, of liever het glas, weer op te nemen.

En de belangstelling voor het bierweekend groeit, van bescheiden fles tot ferme magnum. Het keurslijf van de nochtans ruime stadshallen wordt te krap en de brouwers verhuizen naar de beurshal, de bunker aan de Hauwerstraat. Het contrast met de charme van het eerste onderkomen? We hoeven het u niet uit te leggen.
Maar kijk, bij zijn tiende verjaardag wordt het bierfeest ook daar de deur gewezen. De

beurshal speelt met zijn omgeving nog even decor voor ‘De dag’, die dramaserie op tv, waarna het lompe gebouw onder de sloophamer gaat.
Noodgedwongen kiest het bierfestijn dan maar vanaf 2017 voor een feesttent, jawel, op de Markt. Met, als was het een voetnoot, ook een paar brouwers in ’t Provinciaal Hof. En zowaar ook een handvol proefstanden, je gelooft het amper, in de bovenzalen van ’t belfort. Het volgende jaar komt een tent op de Markt èn een tweede op de Burg.

En dan, bij editie 2020, komt het nieuw aangelegde Zand vrij en wordt daar een kanjer van een tentencomplex opgetrokken. In februari, zoals gebruikelijk, en een paar weekends later komt een virusje langs en valt het doek over al wat leutig is. En ja, de winter daarna, vorig jaar, trekt datzelfde euvel gewoon een streep door het Bierfestival.

Maar dit jaar, dit weekend, is het feest terug van weggeweest! Ons bierfestival, in de vers gebouwde beurshal, dit keer. En of we content zijn! Al zal het wellicht altijd wat blijven smeulen, dat heimwee naar het geboortehuis van het bierfeest, het belfort en zijn hallen.
Doch niet getreurd, bierliefhebber, laat dat het ‘leren over bieren‘ niet in de weg staan. Want, lezer, laat daar geen twijfel over bestaan, ’t zijn altijd weer leerrijke dagen!
En vooral, onderschat zo’n leerproces niet! Wie er nooit bij was stelt zich amper voor hoe je na zo’n biercursus huiswaarts keert met een hoofd vol gewichtige bierwijsheid! Het komt voor, dat een cursist moeite heeft om zich met al die verworven kennis staande te houden.
We herinneren ons, uit de belfort-jaren, bij het buitenkomen van de beurs, die steile trap die je afdaalt, beladen met zoveel bierkunde. Dat vergde, toegegeven, soms enige voorzichtigheid.
Ze heeft alvast haar gelijkvloers mee, die nieuwe beurshal.
Mochten wij mekaar daar tegenkomen, waarde lezer, dan klinken we daarop!

Posted in Het Brugge van nu, Van feesten en vieren, Van proeven en smaken | 9 Comments

De weledele heer Pieter Bladelin en een Brugs café …

Ze staat in onze garage, mijn boekenkast. Met haar glazen aangezicht tegen de witgekalkte muur, ietwat beteuterd, mist ze de boeken die ze sinds jaar en dag voor mij bewaart. En die boeken missen hun vertrouwde onderkomen, waar ze schouder aan schouder kennis bewaren. Een paar weken geleden verhuisde ik al die papieren wijsheid, lukraak geborgen in van die lompe bananendozen, naar een hoek van onze slaapkamer.  Een veilige schuilplaats, nu onze woonst wordt ingepalmd door tegelleggers, loodgieters en andere  vaklui. Ze wachten er geduldig, mijn boeken. Dat zijn ze gewoon, met wachten brengen boeken hun levensjaren door, toch?

En zo kan het geschieden dat ik op een frisse ochtend naar de stadsbibliotheek fiets, om een boek waarvan ik weet dat ik het zelf in huis heb, maar niet in welk van die onhandig te doorzoeken kartonnen dozen. In de bib vind ik niet wat ik zoek, maar soms is vinden wat je niet zoekt ook leuk. En dus keer ik tevreden terug met in mijn fietstas ‘Karel de Stoute, pracht en praal in Bourgondië’, de cataloog van die tentoonstelling in Groeninge, alweer

‘… die tentoonstelling in Groeninge …’
’t Was in 2009, één tentoonstelling, goed voor drie affiches.

wat jaren geleden. Misschien lees ik daarin ook wel één en ander omtrent de ‘Schat van het Gulden Vlies’ en de plannen die er ooit waren om die kostbaarheden in een Brugs museum onder te brengen.

’t Was in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog, heel ongewone tijden. De ‘Spaanse griep’ sloeg wild om zich heen en op het schaakbord van de wereldpolitiek werden rekeningen vereffend.
Het begrip ‘herstelbetaling’ viel. Wie de oorlog verliest, betaalt het gelag. Die verliezers, dat waren uiteraard vooral onze oosterburen. Maar er waren nog stoute leerlingen. Ook Oostenrijk-Hongarije, dat bizarre ‘keizerrijkje’ dat na de oorlog werd opgedoekt, kreeg een slecht rapport. Het was de herstelbetaling van dat ‘land’ dat hier in Brugge een luide bel deed rinkelen. En wel hierom.
In Wenen bewaarden ze sinds lang de ‘Schat van het Gulden Vlies’. Het Gulden Vlies, die hoogst prestigieuze ridderorde, zat er blijkbaar warm in. Sinds haar stichting, in de vijftiende eeuw hier in Brugge, verzamelde het herenclubje allerlei kostbaars. Met edelstenen belegde, gouden halssnoeren en kruisen, gewaden in karmozijn fluweel en satijn, steevast met goud geborduurd. Exquise sieraden, gesierd met robijnen, saffieren en parels. Handschriften met beeldige miniaturen en wat al nog meer.
In het begin van de eeuw, bij de opening van de nieuwe haven van

‘… Hier bij ons hadden wij al een keer één en ander van die ‘schat’ kunnen bewonderen.’

Zeebrugge, hadden wij op een tentoonstelling al een keer één en ander van die ‘schat’ kunnen bewonderen, waarna alles weer naar Wenen verhuisde.
Welnu, misschien kon al dat schoons wel van pas komen als herstelbetaling aan ons kleine landje dat toch een flink deel van de oorlogsmiserie had doorstaan?
En toen kwam Brugge in beeld. Pieter Bladelin, in Bourgondische tijden thesaurier ofte schatbewaarder van de orde, die mens zijn stadspaleis staat hier nog altijd overeind. Een meer geschikt onderkomen was moeilijk denkbaar, toch? Die spullen komen gewoon weer thuis! Likkebaardend zag Brugge uit naar de komst van zoveel kostbaarheden. Tijd voor … een nieuw museum!

Deze stad is er vanouds eentje met bijdehandse middenstanders. Zodoende mag het niet verbazen dat vlakbij dat Hof van Bladelin in de Naaldenstraat, op de hoek van de Grauwwerkersstraat, een herbergier op een idee kwam. Een spraakmakend museum, hier vlak om de hoek? Dat worden fijne tijden, jongens! Laat ons de gouden koe bij de horens vatten, voortaan heet mijn café ‘In ’t Nieuw Museum’!

… voortaan heet mijn café
‘In ’t Nieuw Museum’!
– foto ‘Beeldbank Brugge’ –

’t Nieuw museum is er nooit gekomen. Althans niet het museum voor de schat,  die bleef goed en wel in Wenen. Maar ’t Nieuw Museum, het café, werd een klassieker in het Brugse caféwereldje.
Al bleef de kroeg niet op de plek waar het allemaal begon. Jaren geleden verhuisde de toenmalige patron zijn café en nam de naam mee. Weer naar een straathoek, weliswaar, maar wel een heel eind verderop, die van de Hooistraat en de Ganzenstraat. Waar de herberg zich het Bourgondisch verhaal achter zijn naam herinnert. Het zal de meeste gasten die er over de vloer komen een zorg wezen, zolang wat in hun glas komt of op hun bord maar bourgondisch oogt en smaakt.

Inmiddels zien mijn boeken, net als ik, uit naar het moment waarop ik ze weer in hun kast opberg, elk op hun vertrouwde schap. Al nam ik mij voor, nu ik dit caféverhaal hier neerschrijf, een plekje vrij te houden. In mijn kennissenkring weet ik iemand die een boek schreef. Over Brugse cafés en de historie achter al die gevels. Het boek wacht al even op een uitgever, heb ik begrepen. Dat komt goed, ooit. Boeken zijn goed in wachten, weet ik inmiddels.

Posted in Het Brugge van toen, Van schilderen en plaasteren | 8 Comments

Nieuws uit het stadsarchief … Jan D’hondt verjaart, voor de zestigste keer.

Stadsarchivaris Jan D’hondt wordt zestig …een terugblik, een voorstel.

Een keer terugkeren naar vroeger tijden, dat hoef je een archivaris doorgaans geen twee keer te vragen. Zodoende, Jan, hier gaan we.
In de prille jaren tachtig staat in een muziekblad iets over Mick Jagger. Over de frontman van de Rolling Stones zijn veertigste verjaardag. Zeg nu zelf, merkt een alert journalist op, kan je op die gezapige leeftijd nog op een geloofwaardige manier rocker zijn?
Die bedenking komt niet uit de lucht vallen, er is meer gaande. Voor het eerst in het nog jonge bestaan van de popmuziek zet een nieuwe generatie, die van jou, zich af tegen de oudere. Die zelfvoldane hippies met hun lang haar en nog langere, pretentieus uitgesponnen muziek! De folkies met hun belerende liedjes en die dure rockhelden en hun zweverige, pretentieuze langspeelplaten, foert ermee! Echte muziek hoeft niet virtuoos te zijn. Meer zelfs, hoe beperkter je kunde, hoe authentieker! Punk, meneer, punk is de toekomst! En misschien is er wel geen toekomst, alleen punk!

Intussen is in Sint-Kruis plechtige communicant Jantje uitgegroeid tot puber Jan. Je schoolmakkers van ’t OLVA zie je elk weekend terug bij de scouts. En ‘achter d’uren‘ zijn jullie al even in de weer met een rockgroepje. Of toch iets dat daarvoor doorgaat. De slungel achter de microfoon heet Peter Slabbynck, Geert Maertens kent een paar gitaarakkoorden en Luc De Prest heeft een drumstel. En de basgitaar, die hou jij vast, Jan. Samen op verkenning, met valse noten en andere, doorheen de muziekwereld.

Rockgroepje … met de gistfabriek als ‘grootsteeds’ decor. De knaap op de voorgrond is bassist Jan.

“We repeteren een keer bij Jan thuis. Het enige dat we die namiddag spelen, is het refrein van ‘We will rock you’ van Queen. Dat duurt tot Jan’s ma vraagt of we daar eindelijk mee op kunnen houden.”

Een vrij podium in Sint-Elooi, aloud café langs de Moerkerkse Steenweg, is jullie eerste publiek. Dat doet deugd en er wordt zowaar verder gerepeteerd. Ongegeneerd omtrent muzikale beperkingen, zoals het hoort. Op één van die keren spelen jullie wat nummers van hier en daar en ineens roept de bassist van dienst, tussen het stoere rockgeweld door: ‘Zo rap niet, gasten, ik kan niet volgen!’ Jan, we nemen allemaal wel een keer woorden in de mond die ons in lengte van dagen achtervolgen.

En intussen groeit de muzikale goesting van Red Zebra, het groepje dat zijn plek zal vinden in de Belgische rockgeschiedenis. Dat gaat zo. Op een keer amuseren jullie zich met een zelf bedachte rif, zo’n haakse gitaardreun die in je oren blijft hangen. Peter bedenkt er woorden bij.
I can’t live in a living room’ komt op de B-kant van jullie eerste single. Maar groeit uit tot blijver, het iconische lijflied van Red Zebra is een feit.

En dan zijn er van die momenten in ’t leven waarop we moeten kiezen. Voor de bassist van Red Zebra is zo’n moment gekomen. ’t Secundair zit erop, de unief lonkt. Jan gaat geschiedenis studeren in Gent. Teksten van Tacitus en Huizinga liggen hem toch beter dan die van zijn vriend Peter, zo blijkt. En dus hangt Jan zijn basgitaar aan de wilgen. Opgroeien, heet dat.

‘Ik was 18 in ’80’, een tentoonstelling …

We zijn heel veel jaren verder, anno vorige zomer. In het Brugse stadsarchief loopt ‘Ik was 18 in 80’. Op je vertrouwde werkplek een tentoonstelling over je eigen jonge jaren, ‘t is wat, hé! Maar in die professionele biotoop van jou werden wel meer exposities gebouwd sinds je er lang geleden neerstreek, dus dit kan er ook nog wel bij. En dan is er die verzamelaar die al lange tijd in de weer is met affiches van onze stad, hij sprak je laatst aan, weet je nog? Hij polste naar de

… in die professionele biotoop van jou werden wel meer exposities gebouwd

haalbaarheid van een tentoonstelling over Brugse affiches. Als hoofdarchivaris krijg je ongetwijfeld om de haverklap een voorstel in die zin. Maar ‘t hoeft niet voor morgen, Jan, neem je tijd. Tijd heb je, overigens, laat je niet misleiden door die zestig. Hoe relatief is leeftijd!
Ooit, in een ver verleden, vroeg iemand zich af of Mick Jagger als veertiger zijn status als rockheld nog kon waarmaken. Mick nadert de tachtig en deze zomer gaat ie op tournee met zijn groepje. De Rolling Stones, je weet wel, het Red Zebra van de jaren zestig.
En o ja, voor ik het vergeet, Jan, gefeliciteerd met je verjaardag!

Dat ik voor dit verhaal mijn licht opstak bij ‘Brupop!’ en ‘Brupop backstage’, twee naslagwerken van Antoine De Clerck, dat zal de auteur in kwestie mij niet kwalijk nemen. Allez, dat mag ik hopen, Antoine!

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Over affiches verzamelen, Van gitaren en drums, Van zingen en spelen | 5 Comments

Oorlog en vrede … van de Kemmelberg tot Brugge

Lang geleden was de oorlog lang geleden. Het was in de herfst van 1978.
De Groote Oorlog lag zestig jaar achter ons. Dat werd herdacht, die keer. Herdacht, maar als nooit voorheen.
Wanneer we die novemberzondag vanuit het Brugse naar Kemmel rijden, hebben we alleen een vaag vermoeden van wat we kunnen verwachten van een middag ‘Nooit brengt een oorlog vrede’.
En wat we vermoeden is geenszins wat gebracht wordt, daar in die hoge hangaar in het dorp bij de Kemmelberg. De oorlog wordt geëvoceerd. Maar zonder heldendicht, zonder klaroengeschal. Wel is er toneel. Of neen, dat simpele woord ‘toneel’ vergaat in het niets bij wat wij die middag te zien en te horen krijgen. Hoe omschrijf je het?

Kemmel, november 1978 …
Het campagnebeeld was van cartoonist GAL.

Een podium waarop acteurs, met tientallen zijn ze, het beste van zichzelf geven. Niet allemaal klassespelers, lang niet, wel vrouwen en mannen van vlees en bloed. Mensen uit de straat, mensen zoals wij, toeschouwers, die verbaasd en stil worden van zoveel eerlijke verhalen en naar de keel grijpende scènes. Een volksspel, kortom. Zang, gesproken woord, dans. Strijdlust, verdriet ook. Ellende. Boosheid. Hoop.
De Elfnovembergroep, zo heet het gezelschap, telt achter de schermen ook een paar gekende namen, Wannes Van de Velde is één van hen. En choreografe Lea Daan, een destijds ook in Brugge gekende naam. Samen kiezen zij voor een verhaal dat ons, alleen al om zijn verloop, verrast. De oorlog wordt verteld, ja, maar dan van einde naar begin. Van overwinningsroes, helemaal terug tot de overmoedige fanfare bij de mobilisatie.
Op het einde van het stuk, de oorlog is nog niet begonnen,  wordt in Parijs een man vermoord. Het is Jean Jaurès, de pacifistische voorman die de arbeidende bevolking waarschuwt en oproept tot vrede. Doodgeschoten met een Kruppgeweer. Krupp, de wapenfabrikant die we eerder in het verhaal, dus later in de oorlog, leerden kennen als één van de slokkoppen voor wie oorlog staat voor winst. Achterom denken, het is ergens goed voor.
Al laat het verhaal zich niet betrappen op naïviteit. Want ook de gewone man die, soms

‘Nooit brengt een oorlog vrede’, de langspeelplaat.

ongewild, van de oorlogsellende van anderen profiteert, wordt te kijk gezet. Oorlog is van elk van ons.

’t Is avond, we rijden terug naar Brugge, met op de achterbank de langspeelplaat met daarop ‘Nooit brengt een oorlog vrede’. Gezongen en vertelde verhalen waar je je klein bij voelt. Of een enkele keer heel groot, wanneer op het einde alle acteurs het podium inpalmen voor een samenzang, meeslepend als een koraal uit een klassiek oratorium. Al komt de soms schriele, volkse zang van deze gelegenheidsstemmen niet eens in de schaduw van het Grote Repertoire, toch omschrijft ‘oratorium’ misschien nog het best wat ‘Nooit brengt een oorlog vrede’ is. Was.

Die oorlogen, we gaven ze een volgnummer, de Eerste, de Tweede, hoe zot.
Wel organiseren wij af en toe iets om ze niet te vergeten, die tijden. Zoals die tentoonstelling in

Drie affiches, één tentoonstelling,
’14-18 Oorlog in beeld – Brugge in oorlog’.

de stadshallen, enkele jaren geleden. Toen de oorlog lang geleden was. Tot nu. Zal ook nu gelden, zoals die keer in Kemmel werd beweerd, dat oorlog nooit vrede brengt?

‘Nooit brengt een oorlog vrede’, het slotlied, hoort u hier … www.newfolksounds.nl/wp-content/uploads/2013/08/Elf-Novembergroep-Nooit-brengt-een-oorlog-vrede.mp3

Posted in Het Brugge van toen, Over oorlog | 11 Comments

De kleine reus van Lissewege

Zoals de huizen zich scharen rond een toren die met geruststellende stoerheid waakt over het oude land, weinig dorpen doen het Lissewege na. Je zou voor minder een heimatlied aanheffen. ‘Heimwee doet ons hart verlangen‘, iets van die strekking.
Al is Lissewege vooral een plek om in de zomer naartoe te fietsen voor een ijsje op een terras of iets met een schuimkraag of ander culinair genot. Of voor ‘Beelden in het Witte Dorp’, elke zomer een hele resem kunstwerken van groot en van meer bescheiden formaat. En laat ons de dingen even bij naam noemen, van redelijk en soms ook meer bescheiden artistiek gehalte.

De reus
Maar is Lissewege niet bovenal een betekenisvolle voetnoot in het verhaal dat de geschiedenis van dit land bij de Noordzee vertelt? Een beeld op het plein bij de kerk herinnert daaraan. Zo’n bronzen figuur waarin je de hand van Jef Claerhout herkent. Soms word je vrolijk van zijn creaties, soms ook niet. Van de norse knaap die hij hier neerzette al helemaal niet.

Een vent in een lange pij, sandalen aan de voeten en in zijn ene hand een joekel van een zwaard. De holle blik en wijd open mond waarmee hij vanonder zijn capuchon naar de einder tuurt, voorspelt niets geruststellends. Aan zijn voeten een stel ruiters en wat voetvolk. Hun nietigheid, ze reiken niet eens tot zijn knieën, laat er geen twijfel over bestaan … hier staat een reus!
Willem van Saeftinghe’ vermeldt de sokkel, daar moeten we het mee doen. Maar vlakbij, op een gedenksteen in een gevel, lees je meer. ‘Lekenbroeder van de cisterciënzerabdij Ter Doest, heldhaftig Vlaams strijder in de Guldensporenslag, zou gestorven zijn bij de belegering van het eiland Rhodos.’ Van een slagveld bij Kortrijk naar een rotsig eiland voor de Turkse kust, nieuwsgierigheid wordt ons deel.

Postuur
Willem had een postuur waar je met louter ontzag naar opkeek en zijn vechtlust was evenredig met de omvang van dat buitenmaatse lijf. Zo leerden wij hem kennen van onze schoolmeester die er een handje van weg had om ons te boeien met zo’n vertellingen.  De reus van Lissewege, pas op, daar is hij! In onze jongensjaren, waarin helden steevast welkom waren, proefden zo’n verhalen als lekkernijen. Maar wie lang leeft kan wat leren, bijvoorbeeld dat mensen nooit alleen maar imago zijn.
Wie Willem van Saeftinghe was, dat weten we, maar hoe hij was? Was hij, met al zijn forse en zijn colère, een voortrekker, iemand die alleman op sleeptouw nam? Maar wat als ik in hem veeleer een meeloper zie? Een simpele gast die kastanjes uit het vuur mocht halen voor anderen die veilig buiten beeld en buiten schot bleven, nuttige idioot in de ogen van wie slim was en leep. Was hij zo iemand, heb je bijna met hem te doen.
In de befaamde cisterciënzerabdij Ter Doest, op een boogscheut van Lissewege, was Willem dus één van de lekenbroeders, het voetvolk van de abdijgemeenschap. De werkers. Met zo’n status, of liever het gebrek eraan, kwam je niet in de annalen van de geschiedenis. Maar Willem, die vocht zich gezwind naar een plaats in de geschiedschrijving.

De veldslag
Een veldslag in de zomer van 1302. Willem van Saeftinghe gaat ongezien woest tekeer. Licht de opperbevelhebber van de Franse legers eigenhandig uit het zadel, waarna de arme edelman door Willem’s medestanders deskundig wordt gemolesteerd.
Zag u ooit de muurschilderingen in de raadzaal van het Brugse stadhuis? Dat tafereel met de terugkeer van de Brugse strijders na hun krachtproef tegen de Franse ridders! Met pontificaal centraal in beeld, Willem op zijn strakke ros, euforisch wuivend naar een jubelend

ontvangstcomité. Geen twijfel mogelijk, met zijn medespelers heeft hij zopas Paris Saint-Germain verslagen met forfaitcijfers en onze spits-lekenbroeder heeft de fraaiste doelpunten op zijn naam! Het zijn Willem van Saeftinghe’s ‘fifteen minutes of fame’, maar het kan verkeren.

Weinig jaren later, het gaat de abdij van Ter Doest niet voor de wind. Dat de abt ook nog Fransgezind is komt de ambiance binnen de abdijmuren niet ten goede. Van het een komt het ander, opstand van de lekenbroeders. En raad eens wie in dat rumoer voor het meeste tumult zorgt? Jawel, weer hij.
De abt raakt levensgevaarlijk gewond, een monnik laat het leven. Willem van Saeftinghe moet wegvluchten uit Ter Doest, verschanst zich in de kerktoren van Lissewege. Nadat hij door medestanders wordt ontzet lijkt het tij even te keren maar Willem wordt ‘in de ban van de kerk geslagen’. Dat doet geen zeer, maar is in die dagen zowat het ergste wat een sterveling kan overkomen. Even dreigt eeuwige verdoemenis maar Pauselijke absolutie brengt soelaas. Als boetedoening wordt Willem van Saeftinghe mee gestuurd op een kruistocht, zoals de onzalige roof- en plundertochten naar het Heilig Land vanouds worden benoemd. Wie zei daar iets over kastanjes uit het vuur halen?
Tijdens die lange helletocht veroveren ze Rhodos. Daar, op dat eiland, op een zuiderse Groeningekouter, legt de vechter er, wellicht letterlijk, het bijltje bij neer.

In al haar glorie is ze een herinnering …

De schuur
Zoals de schuur van Ter Doest zich trots verheft boven malse weiden, een orgelpunt in het zingen van de polderwind, weinig schuren doen het haar na. In al haar glorie is ze een herinnering aan een legendarische cisterciënzerabdij van eeuwen geleden. Waar niets van overblijft. Dachten we, tot we kort geleden scanbeelden te zien kregen van een weiland, vlakbij. Aan het licht kwam het integrale grondplan van de middeleeuwse abdijsite. Archeologen kijken reikhalzend uit naar het vele moois dat op hen wacht.

De aarde
Ze zeggen dat de aarde, onze wereldbol, meer voelt, meer ervaart dan wij kunnen vermoeden. In de maanden die komen, wanneer op een stuk grasland bij Lissewege eeuwenoude verhalen worden opgediept, zal ze rillen, moeder aarde. Een rillen dat, wie weet, zich laat voelen tot op een schrale weide, ver weg op een zuiders eiland.
Zou hij die daar ergens onder dorre zoden rust, voelen wat gaande is? Dat we de plek waar hij zijn bewogen levensdagen doorbracht, ontsluiten? Zou hij weten, de kleine reus van Lissewege, dat hij nog bij naam wordt genoemd, op de voet van dat standbeeld bij de oude toren?

Posted in Het Brugge van toen | 10 Comments

Koop een keer een kerk

Jan Hoet had het bij het rechte eind. De kunstkenner pakte wel vaker uit met markante overwegingen, maar wat hij toen zei is mij bijgebleven. Wellicht omdat hij het die keer over iets anders had dan zijn dada, het artistieke wereldje. Gewichtig was het onderwerp wel, Jan Hoet sprak over zijn afscheid van dit bestaan. Een fel betoog, zoals je dat van de alweer acht jaar geleden overleden kunstpaus kon verwachten. Een boodschap, zo leek het, aan al wie om één of andere reden neerkijkt op kerkelijke tradities.
Als ik doodga, aldus Jan, wil ik dat ze afscheid van mij nemen in een kerk. Kerken, zo meende hij, zijn veel meer dan alleen plekken waar een gemeenschap volgens een vastgeroest stramien met geloof bezig is. Want ook los van dat godvruchtige, zag hij in de westerse cultuur het kerkgebouw als ankerpunt bij de sleutelmomenten van het leven. In dat traditionele denkpatroon komen wij keer op keer bijeen in dat ene gebouw. Bij een geboorte, bij het kiezen voor een levenspartner, en tenslotte om voorgoed afscheid te nemen. En vooral, hij zag geen enkele andere plaats die weerkerende taak op zich nemen.
Een rouwdienst in zo’n afgepoeierd uitvaartcentrum? Jan huiverde bij de gedachte.

… en in het altijd al koele plattelandskerkje …

Die lijn waarop Jan Hoet wees, vind ik tot nu toe ook terug in dat leven van mij, van bij het prille begin. ‘k Heb het van  horen zeggen, maar toch kan ik vertellen van mijn kerkbezoek in mijn eerste levensdagen. ’t Was zo’n februarimaand zoals ze er geen meer maken. Het vroor dat het kraakte en in het altijd al koele plattelandskerkje was het zo koud dat de meid van de pastoor in de sacristie het doopwater een weinig opwarmde boven een gasvuurtje. ‘Meneer pastoor, dat klein, teer boeleke gaat ge toch niet dopen met dat ijskoud water, zeker!’ Waar een bazige pastoorsmeid goed voor is.
En ergens in een stoffig fotoalbum kijkt deze jongen, in een ongemakkelijk kostuumpje, ernstig voor zich uit, hij houdt een ferm boek in zijn hand. Zijn ‘plechtige communie‘. Andermaal een ijkpunt, de kindertijd voorbij.
Ook  ’t moment waarop mijn wederhelft en ik op gewichtige toon verklaarden dat we iets serieus van plan waren, trouwen namelijk, stonden wij twee braaf vooraan in een kerk. En mochten wij op het laatste Jan Hoet’s gedachtegang doortrekken – graag nog even tijd om daarover na te denken, dank u – worden wij ook dan nog één keer in een kerkgebouw binnengebracht.
Dus ja, Hoet had een punt. Traditioneel is een kerk de plaats waar we samenkomen bij wat er in ’t leven echt toe doet. Laten wij dus samen, pleitte felle Jan, ook wie het christendom achter zich laat, onze kerken die rol laten vervullen.

De sloop van Sint-Donaas was goed voor een uitgebreide uitverkoop van bouwmaterialen.

Al zou ik de dag van vandaag niet graag kerkgebouw zijn. Je staat als kerk al lang niet meer in ’t midden en bovendien zijn ze met te veel. Ook in onze Brugse contreien gonzen geruchten omtrent overbodige gebedshuizen. Waar is de schone tijd, toen kerk zijn een job voor ’t leven was! Hoewel. Ook in dat verhaal bevestigt een uitzondering wel een keer de regel. Daar herinnert Brugge zich een buitengewoon spectaculair voorbeeld van.
’t Was op het eind van de jaren zeventienhonderd. In de schoolboeken staat dat die van Parijs in hun revolutiegewoel de Bastille bestormden. En als ’t stormde in de stad aan de Seine, dan stak ook hier bij ons een stevige wind op. En zo kwam het dat in Brugge de oproerkraaiers een volledige kathedraal, Sint-Donaas op de Burg, steen voor steen sloopten. Amper een handvol jaren later was de revolutie overgewaaid, gooide Napoleon het op een akkoordje met de paus, machthebbers ondereen. Maar voor Brugge kwam dat onderonsje te laat, weg was Sint-Donaas. Ondergronds kunnen we de funderingen van dat monument verkennen, een magere troost.
Vandaag zijn de verschuivingen omtrent kerken aan geen kanten te vergelijken met toen. Goddank, zeggen we dan. Maar wat nu verschuift kan ook tellen. Er ligt stilaan stof op het woord ‘kerkganger’, langs de Potterierei worden in ’t Grootseminarie al een tijd geen priesters meer opgeleid en nogal wat kerkgebouwen blijven verweesd achter.

Bruges Celebratioins, ‘middeleeuws’ spektakel in de Jezuïetenkerk.

Zo’n verlaten gebedshuis een functie toekennen, het vergt nogal wat. Verbeelding, onder meer. En centen vooral. De Jezuïetenkerk in de Vlamingstraat, jaren geleden ingepalmd door een spektakelorganisatie die er ‘historische’ banketten organiseerde voor al wie een avondje middeleeuwer wou spelen? Het is daar al sinds tijden verbazend stil.
Laatst stond in de krant dat Jan De Cock, internationaal gerenommeerd kunstenaar, straks weg gaat uit het herenhuis dat hij huurt langs de Spinolarei. Mogelijks palmt hij met zijn atelier-annex-opleidingsproject de kleine Heilige Familiekerk in ’t Bilkske in.

En het Brugse kerkenfeuilleton kent nog afleveringen. Volgt u even? In de stadsrand plant de Emmaüsparochie de bouw van … een nieuwe kerk! Een gebedshuis dat voldoet aan de behoeften van een geloofsgemeenschap in de eenentwintigste eeuw, zo ongeveer klinkt de gewichtige uitleg. Wie zijn wij om ons daarmee te moeien? Vast staat, dat in

dat plan een handvol bestaande kerken hun functie verliezen. Een paar staan straks te koop. Maar hoe dan ook, binnenkort is zo’n kerk … tijd voor een nieuw woord, ‘ex-kerk‘?
Eentje ervan, het eerder jonge Sint-Willibord, wordt ingepalmd door een nabije school.
De parochiekerk van Sint-Andries, ooit het gebedshuis van de middeleeuwse Sint-Andriesabdij, zou een invulling krijgen die verband houdt met erfgoedwerking.
Sint-Baafs, lieten wij ons vertellen, blijft als gebouw alvast overeind. De samengang van kerk en pastorie in één ontwerp uit de jaren dertig zou enige architecturale waarde hebben.

Troost u, Brugge, ’t is overal van dat en hopelijk leren we uit goede en mindere keuzes die ze elders maken. En stilaan went de gedachte. Kerken die geen kerk meer zijn? Gewoon ‘ex-kerken’.
Of wij iets meenemen van het verhaal van Jan Hoet? Dat vroeg ik mij af, toen ik een paar dagen geleden toch even schrok. In een krant las ik over de sluiting van een parochiekerkje, ergens te lande. Waar lang geleden een pastoorsmeid een kommetje water opwarmde, vooraleer een moeder haar pasgeborene zorgzaam boven de doopvont hield.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van feesten en vieren, Van zin, zen en zijn | 22 Comments

De dieven van het concertgebouw

Voor elk van ons houdt het bestaan een paar zekerheden in petto. Dat is vooreerst, of eigenlijk na alles, het bijltje dat we er vroeg of – maar liever – laat bij neerleggen. En voorafgaand aan dat doorgaans spijtige voorval, onze niet te ontlopen verjaardagen. Zo’n dag viel mij onlangs andermaal te beurt. Ook dit keer kon een enthousiast knallende kurk de nuchtere vaststelling van het verouderingsproces niet overstemmen.
Wees content dat ge zover geraakt!’, fluisterde het brave engeltje op mijn rechter schouder. Terwijl in mijn andere oor het duiveltje van dienst kwam aanzetten met een voor zijn doen verrassende boodschap. ‘Soms kan een verjaardag ook opluchtend nieuws zijn!’, wist hij grinnikend te melden. Ik was op mijn hoede, maar liet hem verstaan dat ik geen benul had van wat hij bedoelde. ‘Welaan dan, wend u tot uw advocaat!’, klonk het betweterig en weg was ie.
Uit mijn kelder diepte ik een ontgonnen fles advocaat op en zette mij aan het nadenken. Over het mogelijks ‘opluchtende’ van verjaardagen.

Dat ons concertgebouw dezer dagen zijn twintigste verjaardag viert, da’s alleszins aangenaam nieuws. Al was twintig jaar geleden niet iedereen even enthousiast over het dominante bouwsel, vandaag kunnen we ons die hoek van ’t Zand nog amper voorstellen zonder. We kunnen er ons laven aan culturele fijnproeverij en hoeven we Anima Eterna of Anna Teresa De Keersmaeker even niet, lopen we er binnen voor Bart Peters of Natalia.

De gevels van het nog onvoltooide concertgebouw, wachtend op hun terracotta tegels

Maar begon Duivelmans daarnet over een advocaat? Waar was dat voor nodig? Warempel, na een paar glaasjes begon het mij te dagen. Misdrijven, daarover ging het! Wie ooit iets mispeuterde heeft kan er alle baat bij hebben dat … foute dingen verjaren! Maar wat dan nog, zeuren over misdaad en advocatuur, tegen deze brave ziel die niet eens overweg kan met een vliegenmepper? Het vergde nog een glaasje advocaat om dat uit te klaren.
Geestrijk vocht gunt een mens een weliswaar minder scherpe, maar des te ruimere kijk op het leven. Kortom, het leert hem dat ook hij niet zonder zonde is. Dat gemijmer levert bovendien plezante herinneringen op en niet zelden is het meest plezante hetgeen eigenlijk niet hoort. Zo kent wie ondergetekende kent, ook zijn zwak voor verbodstekens. Verboden toegang na zonsondergang, meer uitnodigend kan een melding amper, toch?

Zo was er ooit in Brugge een nieuw gebouw dat werd opgetrokken. Het was hoog en breed en bloosde als een rijpe appel. Al wie enigszins begaan was met de stad kwam regelmatig langs om de vorderingen van het bouwwerk op te volgen. Rond de ruime bouwwerf kwamen van die  hoge dranghekkens. Kwestie van ongenode gasten te weren, alle begrip. Je hoefde ook niet op de werf, vanop afstand kreeg je best wel een idee van wat het worden zou. Een imposant monument van architecten die kozen voor wanden, bedekt met terracotta tegels. En tegen de gevels hoge, slanke zuilen, opgetrokken uit holle stenen van hetzelfde zachtrode aardewerk. Daar was enige commotie rond, toen kort voor de eindafwerking nogal wat van dat tegelwerk tijdens een stormnacht vrolijk naar beneden donderde.
Van dag op dag werd de bouwwerf talk of the town. Meer zelfs, tot ver buiten de stad wist alleman, in Brugge hebben ze een nieuw concertgebouw met vliegende tegels!

De stapel tegels en holle stenen die daar lag, op een dag, naast een opzij geschoven dranghekken bij de uitweg van de werf en waar niemand naar omkeek, was dat afgekeurd materiaal of hadden ze er teveel? We zullen het nimmer weten. Wel weten we van een hoogst merkwaardig fenomeen dat zich voordeed. Na een week of wat bleek hier en daar een stedeling

… misschien vind je ze nog wel bij een paar fervente bewonderaars

zo’n steen of een tegel in huis te hebben. Een souvenirtje, meneer, omdat we trots zijn op ons nieuw concertgebouw! Bruggelingen zijn creatieve zielen, bleek toen iemand op het idee kwam om zo’n terracotta tegel te benutten als ‘onderlegger’ om iets warms op de eettafel neer te zetten.
’t Moet zijn dat die stiekem meegenomen tegels en holle stukken aardewerk overbodig waren, want achteraf ontbrak nergens op de gevels ook maar één tegel. Intussen is het concertgebouw twintig jaren jong en nog altijd zit alles op zijn plek.
En de overtolligheden van toen? Misschien vind je ze nog wel thuis bij een paar fervente bewonderaars van Brugge’s meest indrukwekkende eigentijdse monument.
Diefstal, toch? Ach kom, schenk ons nog een borrel advocaat in, van sommige dingen is ’t gewoon geruststellend dat ze al lang verjaarden.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van feesten en vieren, Van gitaren en drums, Van zingen en spelen | 25 Comments

Een beurshal voor plezier en … politiek!

In de zomer van 1967 is het lint dat wordt geknipt bij de opening van de Brugse jaarbeurs meteen ook dat van de glimmend nieuwe beurshal in de Hauwerstraat. De opstart van die beurshal komt geen dag te vroeg. Het Brugge van toen reikt amper verder dan zijn vesten en kijkt met argwaan naar het succes van jonge, grote zalen in de randgemeenten. ’t Jagershof in Sint-Andries, in Sint-Kruis het Schuttershof en niet in het minst het florerende Boudewijnpark. Met de beurshal zou de stad al dat zalengeweld van antwoord dienen.

‘Met de beurshal zou de stad al dat zalengeweld van antwoord dienen …
De foto vonden we op ‘Beeldbank Brugge’

Om het elan van het jonge bouwsel luister bij te zetten wordt in het  najaar van 1968 een eerste ‘Brugse Parade’ gehouden. Het spektakel met zang, dans en andere leutige dingen is een initiatief, het zal u weinig verbazen, van het ‘comité voor Initiatief’. Dat comité, dat vandaag nog altijd … nou ja, initiatieven neemt, presenteert zich in lekker progressieve spelling als ‘komitee’ op de affiches en in de kranten van toen.
Oude kranten en hun onschatbare waarde! In onze collectie steken een handvol affiches die de ‘Brugse Parade’ aankondigen. Als grafiek zijn het kinderen van hun tijd, maar de markante historie erachter kan pas worden opgediept met wat de krantenjongens van weleer nalieten op vergeeld krantenpapier.

‘Als grafiek zijn het kinderen van hun tijd …

In hun gazetten lees je over tien jaarlijkse edities van de Brugse Parade. Keer op keer een avond met optredens van al wie zich in Brugge in het zweet werkt bij dansschool of turnkring, of in de weer is bij harmonie of fanfare.  Onder leiding van broeder Maurits Warnier vrolijkt de Speelschaar van de Frères er het publiek op met een origineel ‘Brugse Parade’-kenwijsje.
Uiteraard stond zo’n programma met op het podium een boel Brugse gezichten ook garant voor veel publiek in de zaal.

Mag het verbazen dat onze politici, ook mensen tenslotte, niet te verlegen waren om zo’n volkstoeloop nu en dan te benutten voor eigen glorie? Zo lezen wij omtrent de Parade van 1970 in het Burgerwelzijn over Fernand Traen. Bij het einde van de Parade wordt de schepen voor Cultuur, tot zijn eigen grote verbazing, geloven wij graag, op het podium geroepen om een woordje te placeren.  Enkele weken voor de gemeenteraadsverkiezingen? Een mens kan het minder treffen. Die eerste verkiezingen voor het nieuwe Groot Brugge zorgen voor een legendarische tweespalt binnen de dominante CVP. Michel Van Maele, tweede op de kieslijst van zijn partij, steekt met zijn voorkeurstemmen burgemeester Pierre Vandamme rechts voorbij en trekt de lakens naar zich toe. Tijdens de eerstvolgende Brugse Parade wordt hulde gebracht aan Pierre Vandamme, ‘naar aanleiding van diens ambtsneerlegging’. ’t Moet toch een wat wrang moment geweest zijn, die avond in de beurshal.
En voordat u de christendemocraten, als grootste partij in ’t stad, verdenkt van een monopolie op de Brugse Parade, dan spreekt de editie van 1973 dat tegen. Dat jaar wordt socialistisch voorman en voormalig premier Achiel Van Acker bij zijn vijfenzeventigste verjaardag in de bloemen gezet.
Twee edities later is tussen de show van een turngezelschap en het aantreden van een volksdansgroep nog plaats voor een huldiging van een ereschepen, Cyriel De Meester, maar op de formule van de Parade komt stilaan wat ruis. Naarmate de jaren zeventig voorbij glijden heeft het publiek het gehad met elke keer weer dezelfde fanfares en voorspelbare danspasjes. Het doorgaans brave Burgerwelzijn laat omtrent de variétéformule een niet mis te verstaan ballonnetje op: ‘Ieder jaar wordt hetzelfde programma voorgeschoteld, men zal in de toekomst moeten zorgen voor iets origineler.
’t Is schoon geweest, in het najaar van 1977 blaast de Speelschaar van de Frères een laatste keer het kenwijsje van de Brugse Parade. Voor alles is een tijd, ook in Brugge. Weinig later weerklinkt in diezelfde beurshal een ietwat andere speelschaar. Zichzelf noemen ze Red Zebra en hun kenwijsje ‘I can’t live in a living room’.

Een toemaatje …
Op een site van de Noordzee Brass  Band vonden wij zowaar een audio-link naar het ‘Brugse Parade’-deuntje waarmee destijds de Speelschaar aantrad. De mars staat op naam van Bruggeling Emiel De Cloedt … http://www.noordzeebrassband.com/aidio.html

Posted in Het Brugge van toen, Van Brugse politiek, Van feesten en vieren, Van gitaren en drums, Van zingen en spelen | 13 Comments

Je brood verdienen in de Jozefienen

Is op een school die geen school meer is, de speelplaats nog speelplaats?  De openstaande poort van ’t VTI in de Boeveriestraat lokt mij naar binnen. Daar staat mijn verbaasde, nostalgische ik, midden de voor altijd lege koer van een spookschool.
En ik herinner mij, wat ik laatst langs deze weg vertelde over een jongeling die er lang geleden zijn weg zocht en vond. Hoe hij er leerde over transistoren en geïntegreerde schakelingen, maar veel meer nog over hoe je het leven leeft. Maar aan alles komt een eind. Is een schooljongen die geen school meer loopt nog schooljongen? Neen, dus.

Voorjaar 1983 … de Jozefienen, in Zilverstraat èn Noordzandstraat, pakken voor het eerst uit met een opendeurdag.

Nieuwe weg, enige onzekerheid. Uitkijken naar een baan. En in afwachting, die zomer, nog een vakantiejob voor een maand. Of bijna een maand, want op een dag, een telefoon.
Iemand van de school waar de jongen net weg ging, of hij even langs kon komen. Was hij niet van plan zo’n avondcursus te volgen die uitzicht gaf op iets in ’t onderwijs? Wel, in een andere school kwam een baan vrij en die was misschien iets voor hem.

In de Jozefienen in de Zilverstraat, hadden ze een taallabo of twee. In zo’n lokaal hokken leerlingen in afzonderlijke cabines, elk voorzien van koptelefoon en micro. Met de leerkracht aan een soort mengpaneel om elke leerling individueel te volgen of bij te sturen. Een verre voorafspiegeling van het online-lesgeven van vandaag, maar dan in de klas.
Welnu, de taallabo’s van de Jozefienen werkten zelden naar behoren. En naast onwillige taallabo’s hadden ze er dus ook een baan beschikbaar.
En dus werd aangeklopt bij ’t VTI, of ze een kandidaat ‘studiemeester’ konden leveren, eentje die afwist van volt en van weerstanden.

En zo belandde op ’t secretariaat in de Zilverstraat een jongeman die studiemeester mocht spelen èn uitpakken met zijn technisch talent. Na een jaar of wat werden de taallabo’s opgedoekt. Omdat ze weinig toevoegden aan het les geven? Om hun belabberde kwaliteit? Of lag het – hou dat onder ons! – aan de technische kunde van de jongeman?

Een gids in een Brugse school,
dan is een rondleiding niet te vermijden.

De taalklassen gingen, de jongeman bleef. In de Jozefienen, voor een job die hem paste. Al was dat in een school die, toen hij er begon, eind jaren zeventig, nog iets had van een klooster, met alleen meisjes, braaf in uniform. Met in het lerarenkorps nog een paar laatste nonnen. Maar zoals de wereld verandert, zo veranderen scholen.
Alles altijd koek en ei, daar in de Zilverstraat? Ge ziet dat van hier, maar je trof er wel collega’s als klankbord en leerlingen als toetsstenen. Een paar schooljaren geleden sloot de inmiddels grijzende knaap dan ook zijn loopbaan af in een school die thuis is in hier en nu.
Een school waarvan de middeleeuwse kern hem in de loop van zijn werkjaren boeiende histories onthulde. Histories waarmee hij als stadsgids al wie dat wou meenam ‘op zoek naar de schilderskapel’.
En dan zwijgen we nog over de rol die zijn werkplek speelde bij de opstart van een collectie Brugse affiches.
U begrijpt, waarde lezer, van iemand die ooit, tot zijn verbazing maar tot zijn voldoening, vanuit ’t VTI in de Zilverstraat belandde, hebt u nog een paar warme verhalen tegoed.
’t Heeft onvermoede gevolgen, je brood verdienen in de Jozefienen.

Hoe de jongeman uit dit verhaal ooit als knaap van in ’t college op de ‘vakschole’ terecht kwam leest u hier: https://bruggeinaffiches.be/blog/naar-de-vakschole/

Posted in Het Brugge van toen | 14 Comments

Arno Brys en inspiratie … ‘professor Zonnebloem in Brugge’

Sommige woorden dragen zo’n positieve energie met zich mee, wanneer je ze hoort of leest brengen ze alleen maar warmte aan. Laten we één van onze favorieten, ‘inspiratie’ als voorbeeld nemen. Dat woord kan toch alleen maar een aangenaam gevoel oproepen?
Tenzij je het naar je hand zet, dan kom je meteen in een ander straatje terecht.
In onze schooltijd, meer dan een half leven geleden, had een klasgenoot van ons een bijzondere aanleg voor spieken. De knaap grossierde in spiekbriefjes en werd hij betrapt, kwam hij steevast met ‘Dat was niet om te spieken, meneer, dat was om inspiratie op te doen!’ Ja, rad van tong was ie ook wel.
Maar dat neemt niet weg dat het zo’n fraai woord is, inspiratie
Kunst is tien procent inspiratie en negentig procent transpiratie’, wie bedacht ook alweer dat onverslijtbare zinnetje? En toch, al geloven we graag dat wij al onze ideeën zelf verzinnen, in het leven van alledag is inspiratie hetgeen u en ik mekaar cadeau doen. Telkens opnieuw en veelal zonder erbij stil te staan.

Brugge, het station, 1939
Wij nemen u mee naar het Brugge van eind jaren dertig van vorige eeuw. Schilder René De Pauw legt de laatste hand aan zijn wandschilderingen in de lokettenhal van het pas gebouwde station. Hij noemt het werk ‘Mijn landeken ter ere’ en het is een overrompelende, over drie hoge wanden uitgevouwen evocatie van al wat dat landeken te bieden heeft. De prentjes uit de schoolboeken van die tijd, maar dan meer dan kamerbreed uitgesmeerd, je kan ze vandaag nog altijd bewonderen in dat station van ons.
Dat doet in die dagen ook een kleine jongetje dat midden de nog naar verse verf riekende ruimte met open mond de taferelen staat af te speuren. Verwonderd zoekt hij naar wat hij misschien herkent. Ooit zou blijken hoe bepalend dat panorama van René De Pauw is op het kijken van Arno Brys, zo heette het ventje. Inspiratie kent geen minimumleeftijd.

De jonge Arno Brys krijgt in 1964 een solotentoonstelling in ’t Huidevettershuis …

De opleiding  van Arno Brys brengt hem later in contact met leermeesters die hem de goesting in volkskunst en historische verhalen bijbrengen. Ook die invloed en zijn bewondering voor onder meer James Ensor zullen zijn artistieke levensloop bepalen. Als graficus, tekenaar en artistieke duizendpoot bouwt hij een oeuvre dat zich in alle rust ontvouwt, buiten de marges van nieuwerwetse stromingen. Welkom in de wereld van Arno Brys, ambachtsman.

En zodoende klinkt in het voorjaar van 1964 de naam op de affiche van de tentoonstelling in het Huidevettershuis al redelijk bekend. Arno Brys heeft rond die tijd hier bij ons en elders al aardig zijn pittoreske stempel gedrukt op een veelheid aan festiviteiten. En zou dat in de jaren die volgen blijven doen.
Dat de verzamelaar de nadruk legt op affiches van Arno Brys doet meer dan afbreuk aan een

rits aan ander creatief werk van de vakman. Vlaggen, kostuums, reuzen en praalwagens, decors, verzin het en hij ving er ooit iets mee aan.

Van inspiratie, nog een keer
En zullen wij ’t nog een keer hebben over inspiratie? Omtrent de kunstwereld zal u van ons maar heel af en toe een voorzichtige overweging vernemen. Maar ook een bescheiden mening is een mening.

Zoals over de inmiddels tot vloeibaar brons teruggebrachte fonteinbeelden van op het Zand, weet u nog? Wie ze mist vindt van het betreffende artiestenkoppel op meerdere plekken in onze stad nog een paar zo’n donkere beelden. Welnu, naar onze nederige mening hebben de makers van die fontein het werk van Brys  goed, zeg maar héél goed gekend. De in Bourgondische gewaden gehulde jonkvrouwen van Arno Brys zijn verre tantes van de kokette meisjes op de fontein! De middeleeuwse freules op hun ranke paard, de bronzen jongedames op hun stalen ros …
Dat er naast vriendelijke woorden ook venijnige bestaan, ’t zal wel wezen. Als tegenhanger van ons geliefde ‘inspiratie‘ presenteert zich dan maar al te graag het gênante ‘plagiaat‘. Maar laat ons mild wezen. De kleine Arno Brys was destijds toch ook niet aan ‘t spieken, daar in ’t station van Brugge? Dus laten we maar aannemen, ook wie die bronzen  dames ontwierp valt niets te verwijten.
Dat is niet spieken, meneer, da’s inspiratie opdoen!

Arno en de goden
Trouwens, waarde lezer, onlangs namen wij ons voor om het gevleugelde woord ‘inspiratie‘ voortaan enkel nog met devote eerbied in de mond te nemen.
En wel hierom … Zetten wij het portret van Arno Brys naast dat van Kuifje’s professor Zonnebloem. Wat valt hieruit te concluderen? Het toont hoe zelfs de goden zich, bij het boetseren van de mens Arno Brys, lieten inspireren. Door de tekenkunst van grootmeester Hergé, met name.
Wat u en mij, en zo te zien ook de professor verbaast.
Maar het leert ons, ‘inspiratie’ klinkt niet alleen schoon, het komt zelfs de goden van pas!

De portretfoto van Arno Brys is van de hand van Kurt Vansteelandt

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Over affiches verzamelen, Van schilderen en plaasteren, Van stoeten en processies | 11 Comments

Allochtoon in Brugge

Over allochtonen
Dit keer hebben wij het over allochtonen, het moest er een keer van komen. Lieden van elders die zich hier nestelen, die noemen wij allochtonen, toch? Wel, over zo’n mensen hebben wij het.
Neem nu de vader van mijn overbuurvrouw, laten we hem Eduard noemen. Eduard is een mens op leeftijd, woont al tientallen jaren in het Brugse. Al sinds hij trouwde met een meiske van hier. Hij woont hier, werkte hier, voedde hier zijn kinderen op.

Lokale radio’s, in hun begindagen lachten we ermee. Het regionaal accent waar presentatoren zich wel een keer aan bezondigden is vandaag helemaal ‘bon ton’, zelfs in ‘serieuze’ media …

Welnu, van zo iemand verwacht je dat hij inmiddels onze taal machtig is. Toch? Wel, in Eduard’s geval mag u daar een streep door trekken. Tot vandaag, en ongetwijfeld tot in lengte van dagen, weigert hij onze taal te spreken. Is het onwil? Onkunde? Hoe dan ook, nooit komt één woord van hier bij ons over Eduard’s lippen. Het heeft iets onverzettelijks, de manier waarop hij ze koestert, de taal van zijn voorvaderen. Eduard, namelijk, is en blijft een Oost-Vlaming in hart en nieren. Zijn Lovendegems lijkt heilig voor hem en dat hoor je aan elk woord dat hij in de mond neemt. Nooit laat hij zich betrappen op ook maar één West-Vlaamse klank.

Het is iets merkwaardigs omtrent wie vanuit eigen habitat andere oorden opzoekt. Taalkundig onderzoek leert dat zo iemand met de jaren veelal onbewust het dialect van zijn nieuwe leefomgeving grotendeels overneemt. Maar niet onze Eduard, dus.
Eduard, de regel-bevestigende uitzondering!
Waarom die vaststelling mij zo bezighoudt? Wel, ik zal het u hier verklappen. Zelf ben ik namelijk ook helemaal geen geboren en getogen Bruggeling.

Buitendorp
Stel u even voor, lang geleden, in de velden tussen Sijsele en Maldegem, een dorp. Een vlek, op de kaart goed voor een paar wegen die mekaar kruisten, weinig meer dan dat. Net groot genoeg om parochie te zijn, klein genoeg opdat iedereen alles over iedereen zou weten. Daar, in dat buitendorp, halvelings verscholen achter de bossen voorbij Sijsele, groeide ik op. Meer zelfs, daar bracht mijn moeder mij ter wereld in het huis waar dat opgroeien plaats vond. In het plaatselijke jongensschooltje leerde ik tellen, lezen en met zo’n vlekkerige pen moeizaam woorden op papier zetten.

’t Brugs Uurtje, ankerpunt voor dialect-liefhebbers, over Karel De Wolf, Brugs apotheker en volkskundige.

Het dialect dat we er spraken leunde tegen dat van Sijsele aan maar was toch net anders. Tè Oost-Vlaams om West-Vlaams te zijn en andersom. Maar riep je luid onder onze Oost-Vlaamse kerktoren, hoorden ze het twee velden verderop en die lagen in West-Vlaanderen. En zodoende trok ik na mijn Plechtige Communie, als klein ukkie, naar school in Brugge. De dagelijkse lijnbus bracht mij bij schoolkameraadjes met een ander dialect, Brugs. Hoe zou dat gegaan zijn, mijn woorden die stilletjes die klanken overnamen? Na een paar schooljaren lachte mijn zus mij ermee uit, zei dat ik Brugs brabbelde van zodra de Kruispoort in zicht kwam. Wou dat ik de klok kon terugdraaien om dat na te gaan, maar dat lukt niet.

En ook al kregen we op ’t college ingelepeld hoezeer het Algemeen Beschaafd Nederlands de deur naar onze toekomst zou openen, al waren het de dagen van ‘Hier spreekt men Nederlands’ op de televisie, op de speelplaats klonken onze jongenspraat, ons lachen en ruzie maken in ’t Brugs. Brugge werd mijn schoolplek, mijn werkplek, later. Ik vond er mijn wederhelft, de stad werd mijn woonplek. En Brugs mijn spreektaal. Een jong verplante boom drinkt het water uit de grond waaraan zijn wortels zich hechten.

Hoe ver staat het Brugse dialect van vandaag af
van het vooroorlogse Brugs?

Brugs of …
Wat ik te vertellen heb, vandaag vertel ik dat in ‘t Brugs. Of niet? Wel, het komt voor, niet vaak, maar toch, dat een echte Bruggeling mij betrapt. Heel soms laat hier of daar een verdwaalde klinker uit mijn kindertijd mij toch door de mand doet vallen. “Gie zie gin Bruggelink, gie!”, krijg ik dan te horen. Eens temeer klopt wat iemand mij onlangs in herinnering bracht, iets wat Louis Verbeeck wist: ‘Je kan de jongen wel uit het dorp halen, maar niet het dorp uit de jongen’.

Daar is niks verkeerd mee. Misschien kan ik nog wat leren van Eduard, inwijkeling uit het exotische Lovendegem. Dat je je inpast in je leefwereld, je doet maar.
Maar wat blijft voor altijd je moedertaal? Euh … de taal die je moeder sprak?
Ter overweging, voor de allochtoon in mij.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van boeken en schrijven | 19 Comments

Naar de ‘vakschole’

De stilte van een verlaten speelplaats tijdens een vakantie, zo’n stilte is het. Alleen het kraken van de sneeuw onder zijn voeten en het onzekere kloppen van zijn hart. De kleine jongen heeft zonet de deur van de studiezaal van het college achter zich dichtgetrokken, hij zou er nooit meer terugkomen. Onder zijn arm, wat handboeken en schriften die wellicht niet meer van pas komen in die andere school waar hij na de kerstvakantie naartoe gaat. Want hier, in het college aan de Potterierei, lukt het hem niet meer.

De oudste VTI-affiche in de collectie. De ‘vakschole’ had ooit in de Groene Poorte een afdeling. Maar ons verhaal speelt zich in de Boeveriestraat.

Dat hij niet als de Einstein van zijn generatie in de wieg is gelegd, dat kan je opmaken uit wat zijn schoolrapporten over die paar collegejaren vertellen. Ligt het aan zijn verstrooide hoofd, al te zeer ingepalmd door zijn  dromerige jongensverbeelding? Of is hij gewoon niet begaafd genoeg? Dat het minstens deels aan dat laatste ligt, daarover bestaat weinig twijfel. Hoe dan ook, het gaat niet meer in ’t moderne, in Sint-Leo.
Wat beslissen, een halve eeuw geleden, brave mensen wiens zoontje ‘niet mee kan’ in ’t college? Kan hij maar best een stiel leren, toch? En zo begint een nieuwe tijd. Voor een  jongen van vijftien die nog alles te leren heeft. Over ’t leven, vooral.

De ‘vakschole’ in de Boeveriestraat, na een kerstvakantie, begin jaren zeventig. Een jongensschool, net als zijn vorige. Maar een andere wereld. Moeizaam zoekt de jongen zijn weg. Wennen aan andere leraars die met andere woorden praten over andere onderwerpen. Andere vrienden maken. Zo’n dingen vergen tijd, het ene nog meer dan het andere. Of hij graag naar school gaat? Vraagt iemand het, haalt hij zijn schouders op. Maar op zijn rapporten staan goeie cijfers, al blijft hij wat onhandig als ’t over techniek gaat. En in een ‘Vrij Technisch Instituut’ gaat het daar wel eens over.
Maar de jongen groeit op. Het getwijfel, eigen aan dat opgroeien, weet hij veelal aardig te camoufleren. Je bent niet voor niks puber.

Het VTI is in de vroege jaren zeventig, de dagen van dit verhaal, een jongensschool. Tijd voor verandering, meent een affiche van een kwarteeuw geleden, 1997.

En intussen ontmoet hij in een grote school als het VTI lesgevers van allerlei slag. Manieren van naar de wereld kijken, goed voor een ruime staalkaart. Vakleerkrachten, goeie en andere, die opstaan en gaan slapen met een hoofd vol technische uitdagingen. Dioden en bipolaire transistoren, elektronisch spul waarmee zijn klasgenoten vaak met meer enthousiasme doende zijn dan hijzelf. De jongen leert, kortom, een vak omdat het zo hoort.
Maar hij leert er veel meer dan dat. Want er is ook de leraar die gedichten voordraagt. Er is het ene schooljaar de pater die een vooroorlogs soort godsdienstles geeft. Maar in het volgende de jonge, linkse priester met een indrukwekkend enthousiasme voor de Bevrijdingstheologie. Er is de buitensporig Vlaamsgezinde leraar met zijn Groot-Nederlandse droom, die bij aanvang van elk eerste lesuur, als een soort gebed,  steevast een strofe uit het Wilhelmus prevelt. En die stampvoetend van woede te keer gaat tegen de militanten van Amada, jonge Maoïsten die aan de schoolpoort de revolutie prediken. En die nuchtere maar geëngageerde leraar die voor de leerlingen buitenlandse zomerreizen organiseert. De leraar Nederlands, ook, die de jongen de weg wijst naar Harry Mulisch en Hubert Lampo. Boeken waarin het voor een adolescent somber en tegelijk heerlijk verdwalen is.
En er zijn vooral ook de schoolvrienden. Kameraden om in bruine kroegen mee door te bomen over de wereld en hoe die te veranderen. En vaker nog over kommer en kwel van ’t jongensleven. Over meiskes en liefdesverdriet. En dat vak dat hij leert? Ach, wat hij daarmee aanvangt, dat ziet hij later wel.
Op een kille speelplaats stapt een kleine jongen voorzichtig door de sneeuw. Weet hij veel, dat het de eerste stappen zijn langs een pad dat hem veel later,
als ‘grote mens’, op de juiste plek zal brengen.
Maar daarover vertelt hij vast nog wel, een volgende keer.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen | 15 Comments

Beurshal? Beurshalle? … Beurzalle?

Ach, kijk eens  hier, wij vonden een vergeelde foto van de beurshal! Of van de beurshalle, weet u wat eigenlijk correct was? Wàs, want het weinig fraaie maar des te meer vertrouwde ding is uit de Hauwerstraat weggegomd, nog even en we zuchten iets in de aard van ‘Ach ja, waar is den tijd!’. Maar troost en verheugt u, Brugge, de vrijgekomen ruimte is sinds kort ingepalmd door een splintergloednagelnieuw bouwwerk! De beurshal is dood, leve de beurshal!

De beurshal in 1975 … stoere bunker.
De foto is thuis in de stedelijke archiefcollectie Beeldbank Brugge.

Het werd iets polyvalent waar onze stad beretrots op mag zijn, luidt het. En ge zult zien, omdat het nieuw gebouw ook een nieuwe naam kreeg, neemt niet één Bruggeling ooit nog het woord beurshal in de mond! Voortaan hebben u en ik het, volkomen spontaan en heel gewoontjes, over …
‘Gaat ge mee, zaterdag, naar de schlagerparade?’
‘Ha, ’t zal wel zijn! En waar is ‘t?’
‘’t Is in het Beurs-, Meeting- en Congrescentrum!’

Laat maar. Wedden voor een Brugse Zot, ’t mag ook een bak zijn, dat wat op dat plein staat tot in lengten van jaren beurshal heet? Trouwens, hebben wij het, in ’t schoon Brugs, niet veeleer over de beurzalle, zo’n beetje zoals we ons belfort d’alletorre noemen? Dat Brugs van ons, laten we dat verder soigneren!
Kan u zich herinneren wanneer u voor het laatst in de beurshal bent geweest? Dat u er ooit langs kwam, daar valt niet aan te twijfelen. ’t Zou lastig zoeken zijn naar een Bruggeling die er nooit over de vloer kwam. In deze schone stede is een waslijst aan gebouwen een bezoek meer dan waard. Van ons beeldige stadhuis over het middeleeuwse Sint-Janshospitaal en van de grootse Onze-Lieve-Vrouwekerk tot de geheimzinnige Jeruzalemkapel. Maar of àlle Bruggelingen kunnen zeggen dat ze elk van die zo wonderlijke monumenten van binnen hebben gezien, daar bestaat weinig zekerheid omtrent. De beurshal, dat is iets anders! Dat het lelijke ding in de loop van zijn bestaan gewoon iederéén over de vloer kreeg, ook daar willen we die Brugse Zot van hierboven ook wel op inzetten. Over een bak valt te onderhandelen.

Enkele weken geleden kreeg ik van ’t Brugsch Handelsblad het verzoek om iets aan te vangen met affiches over de beurshal. Zes vertellingen, telkens met een affiche erbij. Een makkie voor de verzamelaar. Makkie? Dat wàs helemaal geen makkie, dat was zweten! Niet om een half dozijn van die affiches te vinden, wel om tientallen andere nièt te selecteren! De beurshal stond een halve eeuw overeind en wat er in al die jaren allemaal doorging is goed voor een stapel affichemateriaal!
Jammer, jammer, sprak de verzamelaar bij het voltrekken van die verscheurende keuze van zo weinig affiches, die van de jaarbeurs van 1967 ontbreekt in mijn collectie! Da’s zonde, want die zomer was de beurs de vuurdoop voor het toen blinkend nieuwe beursgebouw.
Op de oudste beurshal-affiche in deze collectie prijkt ‘1968’, het tweede werkjaar van het beursgebouw, dat kan toch ook al tellen, hé. Ze staat hier bij de andere affiches die de krant haalden.
Doch, waarde lezer, mocht de affiche van die jaarbeurs van 1967 ergens bij u op zolder in de weg liggen, dan is de eerder vermelde Brugse Zot van u. Een bak?
In de krant zal uw affiche niet meer komen, maar er wacht haar alsnog een gloriemoment. Want hier is een blog waarop we met meer kunnen uitpakken dan een krantenpagina dragen kan. En als de dingen volgens ’t boekske verlopen, halen wij in de komende weken, met wat tussenpozen, nog wat herinneringen op aan het verdwenen beurspand in de Hauwerstraat.
Noem het een eerbetoon aan Brugge’s nieuwe Beurs, Meeting- en Congrescentrum, onze goesting om hier binnenkort één en ander te vertellen over de vroegere beurshal.
Beurshal? Ge wilt zeggen de beurzalle?

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen | 16 Comments

Er was eens … een jaar in Brugge

Er was eens een jaar dat aarzelend begon. Jaren zijn als mensen, vatten ze iets nieuws aan, hebben ze nood aan een schouderklopje. Maar zijn voorgangers gaven het nieuwe jaar geen schouderklopjes. Ze fronsten de wenkbrauwen en waarschuwden, ‘Ge weet niet waar ge aan begint! Wat is het dat je verwacht? Dat om middernacht, wanneer je eerste uur geslagen is, vanop ’t Zand gejuich en vrolijke samenzang je welkom heten? Knallende champagnekurken, overstemd door het gejoel van feestvierders en het gedreun van de klokken van het belfort? Wij weten er alles van, maak je maar op voor een koude douche!
Ach, jaren zijn als mensen, laten zich makkelijk en graag verleiden tot enig leedvermaak.

Het jonge jaar haalde diep adem en zette voorzichtig zijn eerste stappen. Aan de eerste dagen vroeg het of ze het naar hun zin hadden. Hun antwoord klonk twijfelend. Ze hadden zich hun bestaan als eerste dagen anders voorgesteld. Drukke winkelstraten en feestzalen en restaurants vol families en vrienden die aan lange feesttafels gezwind klinken op al het schone dat komen zou. Maar het was allemaal zo anders verlopen, zo stil.
Het jaar zette zijn weg verder, zwijgzaam en ietwat somber van gemoed. De jaarlijkse nieuwjaarsdrink die Bruggelingen samenbracht was alvast geschorst, daar werd het jaar alvast niet vrolijk van. Het bierfestival, in april? En alles wat de lente brengt en de zomer?

Maar na de eerste dagen kwamen weken langs. Die vertelden dat het, wie weet, toch nog goed kon komen met het jaar. Maar dat zoiets enkel zou mogelijk zijn met de hulp van maanden. Het jaar schrok. Maanden? Jawel, een handvol maanden zouden het jaar door de winter heen helpen.
En zoals u inmiddels weet, jaren zijn als mensen. Ze hebben tijd nodig om boven zichzelf uit te stijgen. En ja hoor, met de steun van die enkele maanden was het dat waar het jaar tenslotte in slaagde. Want de maanden hielpen de koude winter voorbijgaan.
Langs de Dijver kleurden de linden groen en op het jonge Zand klonk het gejoel van een kermis. En op een zonnige middag trok een eeuwenoude processie door de straten van de stad. Over het water van de reien gleden bootjes vol wuivende bezoekers en in het Minnewaterpark zorgde de zomer voor een onvergetelijk weekend vol muziek.
En twintig jaar na zijn grote dagen als Europese Hoofdstad toonde het oude Brugge weer zijn schoonheid aan de wereld. Een wereld die herademde, net als het jaar dat ooit zo onzeker begon.
En er klonk, voorzichtig maar warm, applaus … van zijn voorgangers. Want jaren, dat hoeven wij u niet meer te vertellen, jaren zijn als mensen.

Posted in Het Brugge van nu, Van feesten en vieren | 5 Comments

Het verhaal van de oude engel

Mocht kerstmis niet bestaan, we zouden het bedenken. Maar het feest, ouder dan de straat, wordt al veel langer gevierd dan wij vermoeden. Dat weten vorsers. Vorsers zijn mensen die vorsen, het woord bestaat! Vorsen is de dingen wetenschappelijk bestuderen. Dus als simpele ziel geef je vorsers maar beter gelijk.

Die vorsers, dus, weten dat lang voor er sprake was van dat kind in zijn kribbe, een oeroude traditie ‘midwinterfeest’ heette. En toen kwam het christendom dat al die heidense gebruiken op de schop wilde. Maar als ’t op feesten aan kwam, lukte dat voor geen meter. En dus dachten ze, wat je niet weg krijgt kan je maar beter inpalmen. En Kerstmis was geboren, om even een toepasselijk werkwoord te benutten.
Laten we dus maar braaf aannemen dat Jezus is geboren op dat midwinterfeest. Van welk jaar?
We vroegen het een historicus. Dat is iemand die het verleden wetenschappelijk bestudeert. Juist, ja, een vorser. In de boeken die hij gebruikt om te vorsen is nooit sprake van ‘het jaar nul’. Wel van ‘het jaar één‘ voor Christus en ‘het jaar één‘ erna. Vraag ons dus niet, in welk jaar Jezus is geboren, we weten het niet en we verstaan het niet. We zijn geen vorsers, tenslotte.
Maar het in goed gezelschap ontkurken van een goeie fles kan volstaan om daar met genoegen een winteravond over door te bomen. Mijn moeder, het brave mens, zou haar oude hoofd schudden mocht ze mij bezig horen. Maar mijn moeder is niet meer onder ons. Een handvol jaren geleden ging ze weg, ergens heen. Het is met de hemel als met kerst, bestaat hij niet, moeten we hem  bedenken. Want als iemand hem verdient, is zij het.

Je ma is weg en wat blijft zijn herinneringen. En wat spullen op zolder waarvan je denkt, tegen beter weten in, dit kan ooit nog van pas komen.  Waarom dan dat ene beeldje, die plaasteren engel, amper een handpalm groot, beneden bleef? Vraag het mij niet. Ook niet waarom ik het sokkeltje timmerde van waar hij in de woonkamer op ons neerkijkt. De engel hoorde bij de kerststal, thuis. Met een snaarinstrument, iets wat op een gamba lijkt, begeleidt hij zijn eigen zang, daar laat zijn open mondje geen twijfel over bestaan.
Mijn moeder was, zoals veel moeders van haar tijd, kerkelijk omdat het zo hoorde. Op zondag naar de mis en geen vlees op vrijdag. En met kerst een stalletje met beeldjes. Maria, Jozef en de traditionele figuren eromheen, waren wat schriel en magertjes uitgevoerd. Ouderwets maar niet oud. Alleen die ene engel oogde, vergeleken met zijn stalgenoten, wat ronder, gezonder. Hij hoorde onmiskenbaar ooit bij een vroegere kerststal. Een oude engel. Worden engelen oud? Elk jaar, wanneer mijn moeder de schoendoos met kerstbeelden bovenhaalde, was ik blij hem terug te zien. Al heb ik nooit geweten waarom.
Maar de oude engel en ik, we verstaan mekaar. Wij weten wie we missen, met kerst.

Posted in Het Brugge van toen, Van feesten en vieren, Van zin, zen en zijn, Van zingen en spelen | 11 Comments

Een brief aan Willem Vermandere

Meneer Vermandere, beste Willem,
U hoef ik het niet te vertellen, maar kunstenaars zijn veelal lieden met meer dan één creatieve hoek eraf. Wij kennen u als zanger, onze West-Vlaamse bard, als man van veel grafiek èn als beeldhouwer. Maar ook in uw muzikale zelf schuilt meer dan ‘alleen maar’ de zanger. Altijd al heb ik een boontje voor Willem de melancholicus, dromend op zijn klarinet of mijmerend van schoonheid en vrede, van oorlog en heimwee. Maar we kunnen ook niet om de flegmatieke Willem heen, die met kwieke kwinkslagen de zotte wereld te kijk zet.

Welnu, laatst bedacht ik, misschien moet die plezante zanger maar een keer iets bedenken over archeologen. Het was “k Plante ne keer patatten dat mij op het idee bracht, dat lied waarin u vertelt over hoe bij u thuis ineens, uit het niets, landmeters uit de grond komen gekropen. Van aardappelteelt komt niks in huis, de sloebers leggen dwars door uw lochting een autoweg aan. Het zal een mens maar overkomen. Welnu, die landmeters in uw moestuin, die hebben iets gemeen met archeologen, toch?
Want net als die van wegenbouwers is ook de geestdrift van archeologen lang niet altijd naar ieders goesting! ‘Archeologen, meneer, ge ziet ze liever gaan dan komen! Wacht maar, ge zult er niet om lachen als ze ineens opdagen op de plek waar ge iets wilt bouwen!’ Bouwen? Halt! Daar zijn eerst de archeologen met hun talent voor grondig graven! Grondig, flauwer woordspeling konden we niet meteen bedenken. Rond hetgeen ze vinden, wat scherven en lappen leer, verzinnen ze een heel vertellement over hoe uitzonderlijk oud het is, wat het ooit was en waartoe het diende.

En over zo’n spullen houden ze dan congressen. Zoals die keer, hier in Brugge. ’t Was in 1997, vertelt de affiche. Van overal kwamen ze, palmden de stad in. Repten zich van de stadshallen naar hier of daar een zaal in de binnenstad. Archeologen op weg naar lezingen van … nou ja, archeologen.
Rare lieden. Steek een spade in de grond en ze staan op uw erf, houden u wekenlang van uw werk af om elke morzeltje grond uit te pluizen. En omdat gij dat kunt, vraag ik u een keer om een liedjestekst. Willem, wij rekenen op u! Neem ze op de korrel, die gravers in oude grond!
Zoals laatst nog, aan de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Er werd een stuk straat opgebroken en voilà, ze waren niet in te tomen! Met enige onrust keek het oude kerkgebouw neer op de metersdiepe put aan zijn voeten. Ze gaan hier toch niet al tè dicht tegen mijn funderingen beginnen graven?
Die van archeologie, sapristi!
Maar toch. Al vindt lang niet iedereen het makkelijk om horen, soms lukt het die heren en dames om ons met hun vondsten te verbazen. Deze zomer was dat zo, daar in de Mariastraat.
Opgravingen op een middeleeuwse begraafplaats, daar begin je aan met de nodige omzichtigheid. Wat hielp was de wetenschap dat de ondergrond dit keer bijzondere verhalen zou prijsgeven. Wat hij ook deed. En met elke week een middag waarop iedereen

‘Verhalen uit de ondergrond, Brugge in het jaar 1000’, onder de balken op één van de Gruuthusezolders.

welkom was om de vorderingen op te volgen, werd onze belangstelling aangescherpt. We staken veel op over het verleden van die plek en bij momenten sprak dat verleden echt wel tot onze verbeelding.
Dus ja, dag in, dag uit op handen en voeten met schopjes en borsteltjes in de weer zijn, in een put zo diep als een huis hoog is, misschien heeft het toch meer waarde dan we graag toegeven? Ga ik met mijn verzoek om een spotlied te kort door de bocht?
Maar in mijn gedachten zie ik u in de stilte van uw atelier, daar in Steenkerke. U legt uw beitels aan de kant en gaat zitten. Tijd voor een lied? Maar ’t is niet Willem de grapjas die zijn gitaar op schoot neemt, neen. Het is de melancholieke Willem. Hij mijmert over onze verre voorvaders en voormoeders en hoe ze leefden, in die tijd van hen, in die stad van ons.
Bedankt, hé, Willem.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van schilderen en plaasteren, Van zingen en spelen | 7 Comments