Arno Brys en inspiratie … ‘professor Zonnebloem in Brugge’

Sommige woorden dragen zo’n positieve energie met zich mee, wanneer je ze hoort of leest brengen ze alleen maar warmte aan. Laten we één van onze favorieten, ‘inspiratie’ als voorbeeld nemen. Dat woord kan toch alleen maar een aangenaam gevoel oproepen?
Tenzij je het naar je hand zet, dan kom je meteen in een ander straatje terecht.
In onze schooltijd, meer dan een half leven geleden, had een klasgenoot van ons een bijzondere aanleg voor spieken. De knaap grossierde in spiekbriefjes en werd hij betrapt, kwam hij steevast met ‘Dat was niet om te spieken, meneer, dat was om inspiratie op te doen!’ Ja, rad van tong was ie ook wel.
Maar dat neemt niet weg dat het zo’n fraai woord is, inspiratie
Kunst is tien procent inspiratie en negentig procent transpiratie’, wie bedacht ook alweer dat onverslijtbare zinnetje? En toch, al geloven we graag dat wij al onze ideeën zelf verzinnen, in het leven van alledag is inspiratie hetgeen u en ik mekaar cadeau doen. Telkens opnieuw en veelal zonder erbij stil te staan.

Brugge, het station, 1939
Wij nemen u mee naar het Brugge van eind jaren dertig van vorige eeuw. Schilder René De Pauw legt de laatste hand aan zijn wandschilderingen in de lokettenhal van het pas gebouwde station. Hij noemt het werk ‘Mijn landeken ter ere’ en het is een overrompelende, over drie hoge wanden uitgevouwen evocatie van al wat dat landeken te bieden heeft. De prentjes uit de schoolboeken van die tijd, maar dan meer dan kamerbreed uitgesmeerd, je kan ze vandaag nog altijd bewonderen in dat station van ons.
Dat doet in die dagen ook een kleine jongetje dat midden de nog naar verse verf riekende ruimte met open mond de taferelen staat af te speuren. Verwonderd zoekt hij naar wat hij misschien herkent. Ooit zou blijken hoe bepalend dat panorama van René De Pauw is op het kijken van Arno Brys, zo heette het ventje. Inspiratie kent geen minimumleeftijd.

De jonge Arno Brys krijgt in 1964 een solotentoonstelling in ’t Huidevettershuis …

De opleiding  van Arno Brys brengt hem later in contact met leermeesters die hem de goesting in volkskunst en historische verhalen bijbrengen. Ook die invloed en zijn bewondering voor onder meer James Ensor zullen zijn artistieke levensloop bepalen. Als graficus, tekenaar en artistieke duizendpoot bouwt hij een oeuvre dat zich in alle rust ontvouwt, buiten de marges van nieuwerwetse stromingen. Welkom in de wereld van Arno Brys, ambachtsman.

En zodoende klinkt in het voorjaar van 1964 de naam op de affiche van de tentoonstelling in het Huidevettershuis al redelijk bekend. Arno Brys heeft rond die tijd hier bij ons en elders al aardig zijn pittoreske stempel gedrukt op een veelheid aan festiviteiten. En zou dat in de jaren die volgen blijven doen.
Dat de verzamelaar de nadruk legt op affiches van Arno Brys doet meer dan afbreuk aan een

rits aan ander creatief werk van de vakman. Vlaggen, kostuums, reuzen en praalwagens, decors, verzin het en hij ving er ooit iets mee aan.

Van inspiratie, nog een keer
En zullen wij ’t nog een keer hebben over inspiratie? Omtrent de kunstwereld zal u van ons maar heel af en toe een voorzichtige overweging vernemen. Maar ook een bescheiden mening is een mening.

Zoals over de inmiddels tot vloeibaar brons teruggebrachte fonteinbeelden van op het Zand, weet u nog? Wie ze mist vindt van het betreffende artiestenkoppel op meerdere plekken in onze stad nog een paar zo’n donkere beelden. Welnu, naar onze nederige mening hebben de makers van die fontein het werk van Brys  goed, zeg maar héél goed gekend. De in Bourgondische gewaden gehulde jonkvrouwen van Arno Brys zijn verre tantes van de kokette meisjes op de fontein! De middeleeuwse freules op hun ranke paard, de bronzen jongedames op hun stalen ros …
Dat er naast vriendelijke woorden ook venijnige bestaan, ’t zal wel wezen. Als tegenhanger van ons geliefde ‘inspiratie‘ presenteert zich dan maar al te graag het gênante ‘plagiaat‘. Maar laat ons mild wezen. De kleine Arno Brys was destijds toch ook niet aan ‘t spieken, daar in ’t station van Brugge? Dus laten we maar aannemen, ook wie die bronzen  dames ontwierp valt niets te verwijten.
Dat is niet spieken, meneer, da’s inspiratie opdoen!

Arno en de goden
Trouwens, waarde lezer, onlangs namen wij ons voor om het gevleugelde woord ‘inspiratie‘ voortaan enkel nog met devote eerbied in de mond te nemen.
En wel hierom … Zetten wij het portret van Arno Brys naast dat van Kuifje’s professor Zonnebloem. Wat valt hieruit te concluderen? Het toont hoe zelfs de goden zich, bij het boetseren van de mens Arno Brys, lieten inspireren. Door de tekenkunst van grootmeester Hergé, met name.
Wat u en mij, en zo te zien ook de professor verbaast.
Maar het leert ons, ‘inspiratie’ klinkt niet alleen schoon, het komt zelfs de goden van pas!

De portretfoto van Arno Brys is van de hand van Kurt Vansteelandt

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Over affiches verzamelen, Van schilderen en plaasteren, Van stoeten en processies | 11 Comments

Allochtoon in Brugge

Over allochtonen
Dit keer hebben wij het over allochtonen, het moest er een keer van komen. Lieden van elders die zich hier nestelen, die noemen wij allochtonen, toch? Wel, over zo’n mensen hebben wij het.
Neem nu de vader van mijn overbuurvrouw, laten we hem Eduard noemen. Eduard is een mens op leeftijd, woont al tientallen jaren in het Brugse. Al sinds hij trouwde met een meiske van hier. Hij woont hier, werkte hier, voedde hier zijn kinderen op.

Lokale radio’s, in hun begindagen lachten we ermee. Het regionaal accent waar presentatoren zich wel een keer aan bezondigden is vandaag helemaal ‘bon ton’, zelfs in ‘serieuze’ media …

Welnu, van zo iemand verwacht je dat hij inmiddels onze taal machtig is. Toch? Wel, in Eduard’s geval mag u daar een streep door trekken. Tot vandaag, en ongetwijfeld tot in lengte van dagen, weigert hij onze taal te spreken. Is het onwil? Onkunde? Hoe dan ook, nooit komt één woord van hier bij ons over Eduard’s lippen. Het heeft iets onverzettelijks, de manier waarop hij ze koestert, de taal van zijn voorvaderen. Eduard, namelijk, is en blijft een Oost-Vlaming in hart en nieren. Zijn Lovendegems lijkt heilig voor hem en dat hoor je aan elk woord dat hij in de mond neemt. Nooit laat hij zich betrappen op ook maar één West-Vlaamse klank.

Het is iets merkwaardigs omtrent wie vanuit eigen habitat andere oorden opzoekt. Taalkundig onderzoek leert dat zo iemand met de jaren veelal onbewust het dialect van zijn nieuwe leefomgeving grotendeels overneemt. Maar niet onze Eduard, dus.
Eduard, de regel-bevestigende uitzondering!
Waarom die vaststelling mij zo bezighoudt? Wel, ik zal het u hier verklappen. Zelf ben ik namelijk ook helemaal geen geboren en getogen Bruggeling.

Buitendorp
Stel u even voor, lang geleden, in de velden tussen Sijsele en Maldegem, een dorp. Een vlek, op de kaart goed voor een paar wegen die mekaar kruisten, weinig meer dan dat. Net groot genoeg om parochie te zijn, klein genoeg opdat iedereen alles over iedereen zou weten. Daar, in dat buitendorp, halvelings verscholen achter de bossen voorbij Sijsele, groeide ik op. Meer zelfs, daar bracht mijn moeder mij ter wereld in het huis waar dat opgroeien plaats vond. In het plaatselijke jongensschooltje leerde ik tellen, lezen en met zo’n vlekkerige pen moeizaam woorden op papier zetten.

’t Brugs Uurtje, ankerpunt voor dialect-liefhebbers, over Karel De Wolf, Brugs apotheker en volkskundige.

Het dialect dat we er spraken leunde tegen dat van Sijsele aan maar was toch net anders. Tè Oost-Vlaams om West-Vlaams te zijn en andersom. Maar riep je luid onder onze Oost-Vlaamse kerktoren, hoorden ze het twee velden verderop en die lagen in West-Vlaanderen. En zodoende trok ik na mijn Plechtige Communie, als klein ukkie, naar school in Brugge. De dagelijkse lijnbus bracht mij bij schoolkameraadjes met een ander dialect, Brugs. Hoe zou dat gegaan zijn, mijn woorden die stilletjes die klanken overnamen? Na een paar schooljaren lachte mijn zus mij ermee uit, zei dat ik Brugs brabbelde van zodra de Kruispoort in zicht kwam. Wou dat ik de klok kon terugdraaien om dat na te gaan, maar dat lukt niet.

En ook al kregen we op ’t college ingelepeld hoezeer het Algemeen Beschaafd Nederlands de deur naar onze toekomst zou openen, al waren het de dagen van ‘Hier spreekt men Nederlands’ op de televisie, op de speelplaats klonken onze jongenspraat, ons lachen en ruzie maken in ’t Brugs. Brugge werd mijn schoolplek, mijn werkplek, later. Ik vond er mijn wederhelft, de stad werd mijn woonplek. En Brugs mijn spreektaal. Een jong verplante boom drinkt het water uit de grond waaraan zijn wortels zich hechten.

Hoe ver staat het Brugse dialect van vandaag af
van het vooroorlogse Brugs?

Brugs of …
Wat ik te vertellen heb, vandaag vertel ik dat in ‘t Brugs. Of niet? Wel, het komt voor, niet vaak, maar toch, dat een echte Bruggeling mij betrapt. Heel soms laat hier of daar een verdwaalde klinker uit mijn kindertijd mij toch door de mand doet vallen. “Gie zie gin Bruggelink, gie!”, krijg ik dan te horen. Eens temeer klopt wat iemand mij onlangs in herinnering bracht, iets wat Louis Verbeeck wist: ‘Je kan de jongen wel uit het dorp halen, maar niet het dorp uit de jongen’.

Daar is niks verkeerd mee. Misschien kan ik nog wat leren van Eduard, inwijkeling uit het exotische Lovendegem. Dat je je inpast in je leefwereld, je doet maar.
Maar wat blijft voor altijd je moedertaal? Euh … de taal die je moeder sprak?
Ter overweging, voor de allochtoon in mij.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van boeken en schrijven | 19 Comments

Naar de ‘vakschole’

De stilte van een verlaten speelplaats tijdens een vakantie, zo’n stilte is het. Alleen het kraken van de sneeuw onder zijn voeten en het onzekere kloppen van zijn hart. De kleine jongen heeft zonet de deur van de studiezaal van het college achter zich dichtgetrokken, hij zou er nooit meer terugkomen. Onder zijn arm, wat handboeken en schriften die wellicht niet meer van pas komen in die andere school waar hij na de kerstvakantie naartoe gaat. Want hier, in het college aan de Potterierei, lukt het hem niet meer.

De oudste VTI-affiche in de collectie. De ‘vakschole’ had ooit in de Groene Poorte een afdeling. Maar ons verhaal speelt zich in de Boeveriestraat.

Dat hij niet als de Einstein van zijn generatie in de wieg is gelegd, dat kan je opmaken uit wat zijn schoolrapporten over die paar collegejaren vertellen. Ligt het aan zijn verstrooide hoofd, al te zeer ingepalmd door zijn  dromerige jongensverbeelding? Of is hij gewoon niet begaafd genoeg? Dat het minstens deels aan dat laatste ligt, daarover bestaat weinig twijfel. Hoe dan ook, het gaat niet meer in ’t moderne, in Sint-Leo.
Wat beslissen, een halve eeuw geleden, brave mensen wiens zoontje ‘niet mee kan’ in ’t college? Kan hij maar best een stiel leren, toch? En zo begint een nieuwe tijd. Voor een  jongen van vijftien die nog alles te leren heeft. Over ’t leven, vooral.

De ‘vakschole’ in de Boeveriestraat, na een kerstvakantie, begin jaren zeventig. Een jongensschool, net als zijn vorige. Maar een andere wereld. Moeizaam zoekt de jongen zijn weg. Wennen aan andere leraars die met andere woorden praten over andere onderwerpen. Andere vrienden maken. Zo’n dingen vergen tijd, het ene nog meer dan het andere. Of hij graag naar school gaat? Vraagt iemand het, haalt hij zijn schouders op. Maar op zijn rapporten staan goeie cijfers, al blijft hij wat onhandig als ’t over techniek gaat. En in een ‘Vrij Technisch Instituut’ gaat het daar wel eens over.
Maar de jongen groeit op. Het getwijfel, eigen aan dat opgroeien, weet hij veelal aardig te camoufleren. Je bent niet voor niks puber.

Het VTI is in de vroege jaren zeventig, de dagen van dit verhaal, een jongensschool. Tijd voor verandering, meent een affiche van een kwarteeuw geleden, 1997.

En intussen ontmoet hij in een grote school als het VTI lesgevers van allerlei slag. Manieren van naar de wereld kijken, goed voor een ruime staalkaart. Vakleerkrachten, goeie en andere, die opstaan en gaan slapen met een hoofd vol technische uitdagingen. Dioden en bipolaire transistoren, elektronisch spul waarmee zijn klasgenoten vaak met meer enthousiasme doende zijn dan hijzelf. De jongen leert, kortom, een vak omdat het zo hoort.
Maar hij leert er veel meer dan dat. Want er is ook de leraar die gedichten voordraagt. Er is het ene schooljaar de pater die een vooroorlogs soort godsdienstles geeft. Maar in het volgende de jonge, linkse priester met een indrukwekkend enthousiasme voor de Bevrijdingstheologie. Er is de buitensporig Vlaamsgezinde leraar met zijn Groot-Nederlandse droom, die bij aanvang van elk eerste lesuur, als een soort gebed,  steevast een strofe uit het Wilhelmus prevelt. En die stampvoetend van woede te keer gaat tegen de militanten van Amada, jonge Maoïsten die aan de schoolpoort de revolutie prediken. En die nuchtere maar geëngageerde leraar die voor de leerlingen buitenlandse zomerreizen organiseert. De leraar Nederlands, ook, die de jongen de weg wijst naar Harry Mulisch en Hubert Lampo. Boeken waarin het voor een adolescent somber en tegelijk heerlijk verdwalen is.
En er zijn vooral ook de schoolvrienden. Kameraden om in bruine kroegen mee door te bomen over de wereld en hoe die te veranderen. En vaker nog over kommer en kwel van ’t jongensleven. Over meiskes en liefdesverdriet. En dat vak dat hij leert? Ach, wat hij daarmee aanvangt, dat ziet hij later wel.
Op een kille speelplaats stapt een kleine jongen voorzichtig door de sneeuw. Weet hij veel, dat het de eerste stappen zijn langs een pad dat hem veel later,
als ‘grote mens’, op de juiste plek zal brengen.
Maar daarover vertelt hij vast nog wel, een volgende keer.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen | 15 Comments

Beurshal? Beurshalle? … Beurzalle?

Ach, kijk eens  hier, wij vonden een vergeelde foto van de beurshal! Of van de beurshalle, weet u wat eigenlijk correct was? Wàs, want het weinig fraaie maar des te meer vertrouwde ding is uit de Hauwerstraat weggegomd, nog even en we zuchten iets in de aard van ‘Ach ja, waar is den tijd!’. Maar troost en verheugt u, Brugge, de vrijgekomen ruimte is sinds kort ingepalmd door een splintergloednagelnieuw bouwwerk! De beurshal is dood, leve de beurshal!

De beurshal in 1975 … stoere bunker.
De foto is thuis in de stedelijke archiefcollectie Beeldbank Brugge.

Het werd iets polyvalent waar onze stad beretrots op mag zijn, luidt het. En ge zult zien, omdat het nieuw gebouw ook een nieuwe naam kreeg, neemt niet één Bruggeling ooit nog het woord beurshal in de mond! Voortaan hebben u en ik het, volkomen spontaan en heel gewoontjes, over …
‘Gaat ge mee, zaterdag, naar de schlagerparade?’
‘Ha, ’t zal wel zijn! En waar is ‘t?’
‘’t Is in het Beurs-, Meeting- en Congrescentrum!’

Laat maar. Wedden voor een Brugse Zot, ’t mag ook een bak zijn, dat wat op dat plein staat tot in lengten van jaren beurshal heet? Trouwens, hebben wij het, in ’t schoon Brugs, niet veeleer over de beurzalle, zo’n beetje zoals we ons belfort d’alletorre noemen? Dat Brugs van ons, laten we dat verder soigneren!
Kan u zich herinneren wanneer u voor het laatst in de beurshal bent geweest? Dat u er ooit langs kwam, daar valt niet aan te twijfelen. ’t Zou lastig zoeken zijn naar een Bruggeling die er nooit over de vloer kwam. In deze schone stede is een waslijst aan gebouwen een bezoek meer dan waard. Van ons beeldige stadhuis over het middeleeuwse Sint-Janshospitaal en van de grootse Onze-Lieve-Vrouwekerk tot de geheimzinnige Jeruzalemkapel. Maar of àlle Bruggelingen kunnen zeggen dat ze elk van die zo wonderlijke monumenten van binnen hebben gezien, daar bestaat weinig zekerheid omtrent. De beurshal, dat is iets anders! Dat het lelijke ding in de loop van zijn bestaan gewoon iederéén over de vloer kreeg, ook daar willen we die Brugse Zot van hierboven ook wel op inzetten. Over een bak valt te onderhandelen.

Enkele weken geleden kreeg ik van ’t Brugsch Handelsblad het verzoek om iets aan te vangen met affiches over de beurshal. Zes vertellingen, telkens met een affiche erbij. Een makkie voor de verzamelaar. Makkie? Dat wàs helemaal geen makkie, dat was zweten! Niet om een half dozijn van die affiches te vinden, wel om tientallen andere nièt te selecteren! De beurshal stond een halve eeuw overeind en wat er in al die jaren allemaal doorging is goed voor een stapel affichemateriaal!
Jammer, jammer, sprak de verzamelaar bij het voltrekken van die verscheurende keuze van zo weinig affiches, die van de jaarbeurs van 1967 ontbreekt in mijn collectie! Da’s zonde, want die zomer was de beurs de vuurdoop voor het toen blinkend nieuwe beursgebouw.
Op de oudste beurshal-affiche in deze collectie prijkt ‘1968’, het tweede werkjaar van het beursgebouw, dat kan toch ook al tellen, hé. Ze staat hier bij de andere affiches die de krant haalden.
Doch, waarde lezer, mocht de affiche van die jaarbeurs van 1967 ergens bij u op zolder in de weg liggen, dan is de eerder vermelde Brugse Zot van u. Een bak?
In de krant zal uw affiche niet meer komen, maar er wacht haar alsnog een gloriemoment. Want hier is een blog waarop we met meer kunnen uitpakken dan een krantenpagina dragen kan. En als de dingen volgens ’t boekske verlopen, halen wij in de komende weken, met wat tussenpozen, nog wat herinneringen op aan het verdwenen beurspand in de Hauwerstraat.
Noem het een eerbetoon aan Brugge’s nieuwe Beurs, Meeting- en Congrescentrum, onze goesting om hier binnenkort één en ander te vertellen over de vroegere beurshal.
Beurshal? Ge wilt zeggen de beurzalle?

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen | 16 Comments

Er was eens … een jaar in Brugge

Er was eens een jaar dat aarzelend begon. Jaren zijn als mensen, vatten ze iets nieuws aan, hebben ze nood aan een schouderklopje. Maar zijn voorgangers gaven het nieuwe jaar geen schouderklopjes. Ze fronsten de wenkbrauwen en waarschuwden, ‘Ge weet niet waar ge aan begint! Wat is het dat je verwacht? Dat om middernacht, wanneer je eerste uur geslagen is, vanop ’t Zand gejuich en vrolijke samenzang je welkom heten? Knallende champagnekurken, overstemd door het gejoel van feestvierders en het gedreun van de klokken van het belfort? Wij weten er alles van, maak je maar op voor een koude douche!
Ach, jaren zijn als mensen, laten zich makkelijk en graag verleiden tot enig leedvermaak.

Het jonge jaar haalde diep adem en zette voorzichtig zijn eerste stappen. Aan de eerste dagen vroeg het of ze het naar hun zin hadden. Hun antwoord klonk twijfelend. Ze hadden zich hun bestaan als eerste dagen anders voorgesteld. Drukke winkelstraten en feestzalen en restaurants vol families en vrienden die aan lange feesttafels gezwind klinken op al het schone dat komen zou. Maar het was allemaal zo anders verlopen, zo stil.
Het jaar zette zijn weg verder, zwijgzaam en ietwat somber van gemoed. De jaarlijkse nieuwjaarsdrink die Bruggelingen samenbracht was alvast geschorst, daar werd het jaar alvast niet vrolijk van. Het bierfestival, in april? En alles wat de lente brengt en de zomer?

Maar na de eerste dagen kwamen weken langs. Die vertelden dat het, wie weet, toch nog goed kon komen met het jaar. Maar dat zoiets enkel zou mogelijk zijn met de hulp van maanden. Het jaar schrok. Maanden? Jawel, een handvol maanden zouden het jaar door de winter heen helpen.
En zoals u inmiddels weet, jaren zijn als mensen. Ze hebben tijd nodig om boven zichzelf uit te stijgen. En ja hoor, met de steun van die enkele maanden was het dat waar het jaar tenslotte in slaagde. Want de maanden hielpen de koude winter voorbijgaan.
Langs de Dijver kleurden de linden groen en op het jonge Zand klonk het gejoel van een kermis. En op een zonnige middag trok een eeuwenoude processie door de straten van de stad. Over het water van de reien gleden bootjes vol wuivende bezoekers en in het Minnewaterpark zorgde de zomer voor een onvergetelijk weekend vol muziek.
En twintig jaar na zijn grote dagen als Europese Hoofdstad toonde het oude Brugge weer zijn schoonheid aan de wereld. Een wereld die herademde, net als het jaar dat ooit zo onzeker begon.
En er klonk, voorzichtig maar warm, applaus … van zijn voorgangers. Want jaren, dat hoeven wij u niet meer te vertellen, jaren zijn als mensen.

Posted in Het Brugge van nu, Van feesten en vieren | 5 Comments

Het verhaal van de oude engel

Mocht kerstmis niet bestaan, we zouden het bedenken. Maar het feest, ouder dan de straat, wordt al veel langer gevierd dan wij vermoeden. Dat weten vorsers. Vorsers zijn mensen die vorsen, het woord bestaat! Vorsen is de dingen wetenschappelijk bestuderen. Dus als simpele ziel geef je vorsers maar beter gelijk.

Die vorsers, dus, weten dat lang voor er sprake was van dat kind in zijn kribbe, een oeroude traditie ‘midwinterfeest’ heette. En toen kwam het christendom dat al die heidense gebruiken op de schop wilde. Maar als ’t op feesten aan kwam, lukte dat voor geen meter. En dus dachten ze, wat je niet weg krijgt kan je maar beter inpalmen. En Kerstmis was geboren, om even een toepasselijk werkwoord te benutten.
Laten we dus maar braaf aannemen dat Jezus is geboren op dat midwinterfeest. Van welk jaar?
We vroegen het een historicus. Dat is iemand die het verleden wetenschappelijk bestudeert. Juist, ja, een vorser. In de boeken die hij gebruikt om te vorsen is nooit sprake van ‘het jaar nul’. Wel van ‘het jaar één‘ voor Christus en ‘het jaar één‘ erna. Vraag ons dus niet, in welk jaar Jezus is geboren, we weten het niet en we verstaan het niet. We zijn geen vorsers, tenslotte.
Maar het in goed gezelschap ontkurken van een goeie fles kan volstaan om daar met genoegen een winteravond over door te bomen. Mijn moeder, het brave mens, zou haar oude hoofd schudden mocht ze mij bezig horen. Maar mijn moeder is niet meer onder ons. Een handvol jaren geleden ging ze weg, ergens heen. Het is met de hemel als met kerst, bestaat hij niet, moeten we hem  bedenken. Want als iemand hem verdient, is zij het.

Je ma is weg en wat blijft zijn herinneringen. En wat spullen op zolder waarvan je denkt, tegen beter weten in, dit kan ooit nog van pas komen.  Waarom dan dat ene beeldje, die plaasteren engel, amper een handpalm groot, beneden bleef? Vraag het mij niet. Ook niet waarom ik het sokkeltje timmerde van waar hij in de woonkamer op ons neerkijkt. De engel hoorde bij de kerststal, thuis. Met een snaarinstrument, iets wat op een gamba lijkt, begeleidt hij zijn eigen zang, daar laat zijn open mondje geen twijfel over bestaan.
Mijn moeder was, zoals veel moeders van haar tijd, kerkelijk omdat het zo hoorde. Op zondag naar de mis en geen vlees op vrijdag. En met kerst een stalletje met beeldjes. Maria, Jozef en de traditionele figuren eromheen, waren wat schriel en magertjes uitgevoerd. Ouderwets maar niet oud. Alleen die ene engel oogde, vergeleken met zijn stalgenoten, wat ronder, gezonder. Hij hoorde onmiskenbaar ooit bij een vroegere kerststal. Een oude engel. Worden engelen oud? Elk jaar, wanneer mijn moeder de schoendoos met kerstbeelden bovenhaalde, was ik blij hem terug te zien. Al heb ik nooit geweten waarom.
Maar de oude engel en ik, we verstaan mekaar. Wij weten wie we missen, met kerst.

Posted in Het Brugge van toen, Van feesten en vieren, Van zin, zen en zijn, Van zingen en spelen | 11 Comments

Een brief aan Willem Vermandere

Meneer Vermandere, beste Willem,
U hoef ik het niet te vertellen, maar kunstenaars zijn veelal lieden met meer dan één creatieve hoek eraf. Wij kennen u als zanger, onze West-Vlaamse bard, als man van veel grafiek èn als beeldhouwer. Maar ook in uw muzikale zelf schuilt meer dan ‘alleen maar’ de zanger. Altijd al heb ik een boontje voor Willem de melancholicus, dromend op zijn klarinet of mijmerend van schoonheid en vrede, van oorlog en heimwee. Maar we kunnen ook niet om de flegmatieke Willem heen, die met kwieke kwinkslagen de zotte wereld te kijk zet.

Welnu, laatst bedacht ik, misschien moet die plezante zanger maar een keer iets bedenken over archeologen. Het was “k Plante ne keer patatten dat mij op het idee bracht, dat lied waarin u vertelt over hoe bij u thuis ineens, uit het niets, landmeters uit de grond komen gekropen. Van aardappelteelt komt niks in huis, de sloebers leggen dwars door uw lochting een autoweg aan. Het zal een mens maar overkomen. Welnu, die landmeters in uw moestuin, die hebben iets gemeen met archeologen, toch?
Want net als die van wegenbouwers is ook de geestdrift van archeologen lang niet altijd naar ieders goesting! ‘Archeologen, meneer, ge ziet ze liever gaan dan komen! Wacht maar, ge zult er niet om lachen als ze ineens opdagen op de plek waar ge iets wilt bouwen!’ Bouwen? Halt! Daar zijn eerst de archeologen met hun talent voor grondig graven! Grondig, flauwer woordspeling konden we niet meteen bedenken. Rond hetgeen ze vinden, wat scherven en lappen leer, verzinnen ze een heel vertellement over hoe uitzonderlijk oud het is, wat het ooit was en waartoe het diende.

En over zo’n spullen houden ze dan congressen. Zoals die keer, hier in Brugge. ’t Was in 1997, vertelt de affiche. Van overal kwamen ze, palmden de stad in. Repten zich van de stadshallen naar hier of daar een zaal in de binnenstad. Archeologen op weg naar lezingen van … nou ja, archeologen.
Rare lieden. Steek een spade in de grond en ze staan op uw erf, houden u wekenlang van uw werk af om elke morzeltje grond uit te pluizen. En omdat gij dat kunt, vraag ik u een keer om een liedjestekst. Willem, wij rekenen op u! Neem ze op de korrel, die gravers in oude grond!
Zoals laatst nog, aan de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Er werd een stuk straat opgebroken en voilà, ze waren niet in te tomen! Met enige onrust keek het oude kerkgebouw neer op de metersdiepe put aan zijn voeten. Ze gaan hier toch niet al tè dicht tegen mijn funderingen beginnen graven?
Die van archeologie, sapristi!
Maar toch. Al vindt lang niet iedereen het makkelijk om horen, soms lukt het die heren en dames om ons met hun vondsten te verbazen. Deze zomer was dat zo, daar in de Mariastraat.
Opgravingen op een middeleeuwse begraafplaats, daar begin je aan met de nodige omzichtigheid. Wat hielp was de wetenschap dat de ondergrond dit keer bijzondere verhalen zou prijsgeven. Wat hij ook deed. En met elke week een middag waarop iedereen

‘Verhalen uit de ondergrond, Brugge in het jaar 1000’, onder de balken op één van de Gruuthusezolders.

welkom was om de vorderingen op te volgen, werd onze belangstelling aangescherpt. We staken veel op over het verleden van die plek en bij momenten sprak dat verleden echt wel tot onze verbeelding.
Dus ja, dag in, dag uit op handen en voeten met schopjes en borsteltjes in de weer zijn, in een put zo diep als een huis hoog is, misschien heeft het toch meer waarde dan we graag toegeven? Ga ik met mijn verzoek om een spotlied te kort door de bocht?
Maar in mijn gedachten zie ik u in de stilte van uw atelier, daar in Steenkerke. U legt uw beitels aan de kant en gaat zitten. Tijd voor een lied? Maar ’t is niet Willem de grapjas die zijn gitaar op schoot neemt, neen. Het is de melancholieke Willem. Hij mijmert over onze verre voorvaders en voormoeders en hoe ze leefden, in die tijd van hen, in die stad van ons.
Bedankt, hé, Willem.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van schilderen en plaasteren, Van zingen en spelen | 7 Comments

Bruggeling wint de lotto … niet

Een week of wat geleden, op de Burg in Brugge. Een plein, overrompeld door buitenmaatse vrachtwagens, er is amper doorkomen aan. Er hangt nervositeit in de lucht. Kisten worden het stadhuis binnengebracht. Gewichtig materiaal, letterlijk en figuurlijk. In de gotische zaal lopen lieden af en aan die zich ten volle bewust zijn van hun eigenwaarde. En neen, voor één keer zijn dat geen politiekers. Al is onze burgemeester in de buurt en die oogt  trots als won hij net het groot lot. En dat is geen toeval, want die van Euromillions gaan hier hun trekking organiseren. Daarvoor palmen ze ons stadhuis in. En op het moment suprême gaan ze de wekkering van onze trotse beiaard het zwijgen opleggen, hoor ik dat goed? Ja, ik hoor het goed. De trillingen van de klokken zouden het resultaat van de trekking kunnen beïnvloeden. Niets aan het toeval overgelaten, begrijpt u. Pardon? Is toeval niet de belangrijkste spelregel bij elke loterij?

Een miljoen vijfhonderdduizend … in de jaren negentig een behoorlijke stapel Belgische franken.

Dat het team van Euromillions met de hele santeboetiek vanuit Parijs naar hier komt, daar hebben ze een goeie reden voor, vertelt de burgemeester. Hoezo?

Speel op de beurs
Misschien omdat Bruggelingen al van in de jaren stillekens heel erg bij de pinken zijn als ’t om centen gaat? Al in de middeleeuwen, de gloriejaren van onze stad, werd hier een  soort handelsbeurs gehouden. Dat was in de Vlamingstraat, vlakbij een herberg, Ter Beurze. Het woord ‘beurs’ bestaat in een heleboel talen en zou  afgeleid zijn van die naam. De kastelein van die kroeg speelde slim de rol van bemiddelaar voor kooplui die van heinde en verre langskwamen met hun beugel vol vreemde munten. Bij het begin van zo’n samenkomst werd een bel geluid om iedereen tot de orde te roepen.
U kent het hoogst markante schouwspel op Wall Street. Bij de dagelijkse aanvang van de beurs staan daar op een podium een stel pipo’s, blij als, nou ja, als wonnen ze de lotto. Gewoon omdat ze die dag aan de beurt zijn voor het luiden van de openingsbel. Klinkt daar in New York de echo van de middeleeuwse beursbel uit onze Vlamingstraat?

Koop een lotje
En wacht, we zijn er nog niet, als het over poen gaat heeft Brugge het patent op nóg een curiositeit. Wie daar meer over wil weten kan terecht op een tentoonstelling in ’t stadsarchief. Dat is op de Burg die inmiddels is bevrijd van ronkende camions. Die zijn met heel hun bazaar weer naar Parijs, het plein is weer van u en mij en de kerstboom. De kleine expositie in ’t archief gaat over … een tombola.

Tussen al hun paperassen vonden de vorsers van ’t stadsarchief een document waaruit blijkt dat in 1441 hier bij ons een kansspel doorging waaraan Jan en alleman kon deelnemen. Een truc van de stad om de stadskas te spijzen. Die kas, namelijk, was leeg. Dat was de schuld van Filips de Goede, Bourgondisch hertog. Filips had getoond dat hij, als iets hem niet zinde, lang niet zo braaf was als zijn bijnaam liet uitschijnen. Na een uit de hand gelopen conflict met Brugge legde hij de stedelingen een kanjer van een boete op en die woog jarenlang op de begroting van de stad. Met het kansspel werd de doorsnee Bruggeling over de streep gehaald om die nood te helpen lenigen. En zo gebeurde het, dat in Brugge de allereerste loterij in de westerse geschiedenis doorging. Waren we niet rijk, we waren vindingrijk!
En voilà, omdat Brugge zoveel jaren geleden voor die primeur zorgde, wilden de heren en dames van Euromillions hier een keer hun genummerde balletjes laten rollen. Om uit te maken wie honderddertig miljoen euro wint. Dat is een dertien met zeven nullen er achteraan.

Aankoopbonnen of … een fiets. Eén fiets.
Een elektrische? In 1995, wat dacht u?

Win (g)een miljoen
Deelnemen mag dan belangrijker zijn dan winnen, tot nader order blijft winnen plezanter. Bij ‘t klaverjassen, op een kwisavond in de wijkschool of bij Club of Cercle. Of in de komende dagen, chance bij één of andere kerstloting van onze Brugse neringdoeners.
Maar stel, op een ochtend ontwaakt u in het besef dat uw bankrekening gebukt gaat onder meerdere miljoenen … zijn al uw zorgen daarmee van de baan? Zonder centen fluitend de dag doorkomen lijkt me moeilijk. Moeilijker, alleszins, dan content zijn met gewoon rond komen. Of buitenmatige welstand de hemel op aarde brengt zal ik allicht nooit kunnen vertellen. Mocht het er ooit van komen, dan hou ik u op de hoogte.
In afwachting, ons moraallesje van de week: ‘Rijk ben je als je gelukkig bent, andersom valt nog te bezien …

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van feesten en vieren, Van zin, zen en zijn | 11 Comments

Gruuthuse … een blad meer of minder

Hoe onze spreektaal groeit en bloeit, ’t is een plezier om horen. Onze jongelui en de woorden die ze bedenken, overnemen van mekaar en van de rappers op hun smartphone. Taal is een klimplant, ze heeft nood aan ruimte en  nu en dan kan wat snoeien geen kwaad. Verdorde woorden vallen op de grond en blijven daar liggen.
Neem nu die goeie ouwe spreekwoorden, wie benut ze nog? ‘Ja maar, meneer, elk woord is toch een spreek-woord?’
Probeer maar een keer ‘schoenmaker, blijf bij uw leest’. Schoenmaker, dat lukt nog best, maar om te tonen wat een leest is moet je naar ’t volkskundemuseum. En om ‘zoals het klokje thuis tikt …’ uit te leggen adviseer ik een knus eethuis in de Sint-Jacobsstraat, de patron heeft er een zwak voor ouderwetse wekkers.
Al is van nieuwerwetse woorden de houdbaarheidsdatum niet zelden aan de magere kant. Om dat met zo’n belegen uitdrukking te duiden, nieuwe mesjes snijden goed!‘ En de woordenschat van vroeger? Soms gewoon een schat aan woorden, meent opa. Volgt u even.

  • Printpapier
    Er zijn van die woorden die ons meenemen op een reis door de tijd. Zoals de woorden die sinds enkele weken onderdak vonden in het Gruuthusemuseum. Een belangwekkende aanwinst, al gaat het om een enkel blad. Een blad met daarop een miniatuur en een handvol handgeschreven zinnen. Woorden die best wat moeite vragen om te lezen omdat ze meer dan vijfhonderd jaar geleden werden neergepend, samen met het miniatuurtje dat erbij staat.
    Maar ’t is vooral het levensverhaal van het document dat een rol speelt. Een hoofdrol en da’s maar goed ook, anders zou ’t moeilijk uit te leggen zijn dat zoveel centen werden opgehoest om het dingetje aan te schaffen.
… een blad ter grootte van
doordeweeks printpapier …

Bij ons thuis staat een spaarvarkentje dat heel soms door ondergetekende wat lichter wordt gemaakt. Om dan stillekes een oude affiche in huis te halen. Maar 35.000 euro voor een blad ter grootte van doordeweeks printpapier, ècht welkom zou hij bij thuiskomst niet zijn.
Het gaat hier dan ook om een document met hoogst boeiende Brugse pedigree. ’t zit namelijk zo. Lodewijk van Gruuthuse, die lang geleden woonde in dat museum dat nu zijn naam draagt, verzamelde boeken. Hij haalde er, zegt men, een paar honderd in  huis. Misschien hebt u er zelf wel meer in uw kast, maar in zijn tijd kocht je die dingen niet in de winkel om de hoek. Met het maken van een boek, woord voor woord neergeschreven met zo’n ganzenveer en dan handmatig van prenten voorzien, waren ze algauw enkele maanden zoet. Een boek kostte een treffelijk stenen huis. Lodewijk was een rijk mens en – antieke wijsheid!wie het breed heeft laat het breed hangen.
Welnu, ooit in een ver verleden, knipte een stiekemerd een folio uit zo’n boek. En zo komt voor één keer uit Gruuthuse’s collectie een beeldschoon blad met miniatuur op een veiling en wij, Bruggelingen, kopen dat. Niet meer dan een papiertje, maar – belegen spreekwoord!wie het kleine niet eert is ’t grote niet weerd!
Een volledig boekwerk zou natuurlijk nog straffer zijn, da’s waar. Maar – we vonden er nog eentje! beter één vogel in de hand dan tien in de lucht! Dit kleinood is een te koesteren aanvulling van de ruime collectie oude geschriften die hier ter stede bewaard worden. Dus ja, een blad meer of minder maakt een verschil. Ook al is één zo’n blaadje een peulschil in vergelijking met het enige echte …

Voorjaar 2013, het Gruuthusehandschrift keert terug naar Brugge … voor even.
  • Gruuthusehandschrijft
    Oeps, nu herinnert de schrijver van dit cursiefje zich toch wel ineens dat bewogen verhaal over het ‘Gruuthusehandschrift’, zeker! Die ferme bundel gedichten, liederen en gebeden, dat was nog een keer schrijfkunst!
    Even opfrissen hoe het zit en zat met die verzameling.
    Kreeg u ooit les over de geschiedenis van onze taal, dan herinnert u zich mogelijks ‘Egidius, waer bestu bleven …’, schoolvoorbeeld van ons Middelnederlands. Iconische woorden uit die schriftuur van ’t begin van de jaren veertienhonderd. Generaties lang was die kostbare stapel papieren erfgoed in handen van wat ze een vooraanstaande Brugse familie noemen.  
    En op een schone dag, inmiddels bijna twintig jaar geleden, besloot die familie het geschrift te gelde te maken.
    Maar, u gelooft het amper, Brugge bleef aan de zijlijn toekijken. Of kreeg, volgens andere bronnen, geen eerlijk aanbod.
    Verdween het literaire juweel in de kluis van een rijke Amerikaan, het had niemand verbaasd, maar zo’n vaart liep het niet. Maar dat de Hollanders van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag ermee vandoor gingen zorgde in Brugge voor zelden waargenomen verontwaardiging. Even trilde onze stad op zijn literaire grondvesten. Onvergefelijke blunder, klonk het her en der. Wiens blunder? In een ambiance waarbij iedereen naar iedereen wijsvingerde was dat moeilijk uit te maken.
  • Liefde en devotie
    Als om ons te troosten kwam het iconische Gruuthusehandschrift in 2013 nog één keer naar Brugge, voor ‘Liefde en devotie‘, een tentoonstelling in het huis waar het eigenlijk thuis hoort. Om dan voorgoed terug te keren naar Den Haag,.
    Niks aan te verhelpen – voorouderlijke certitude gedane zaken nemen geen keer. Mochten stadhuis en musea het kunnen herdoen, ’t was misschien anders verlopen. Blijkt alweer – komt ie!ieder huisje heeft zijn kruisjeieder stadhuisje, ieder Gruuthuisje.
Het is even zoeken in Gruuthuse, de vitrine die het pas verworven juweeltje kreeg toegewezen kan bezwaarlijk een podiumplaats genoemd. Maar schoon is het wel.
Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van boeken en schrijven, Van Brugse politiek | 5 Comments

Een brief aan de Sint, de echte.

Waarde Sinterklaas,
uw brievenbus puilt rond deze tijd uit van de briefjes van snotneuzen die u om een speelgoedgunst vragen, een antwoord op dit schrijven van mij zal allicht even op zich laten wachten. Alle begrip!
Al zullen mijn woorden u vast wel opvallen tussen alle zeemzoete rijmpjes en brave verzoekjes. Want ik hoef niks van u, u mag uw speelgoed houden. Trouwens, die spelconsoles zijn niet echt de speeltjes waar deze grijzende knar als klein manneke van droomde. De spitstechnologie van toen, dat was de viewmaster. Een plastieken doosje met twee venstertjes waardoor je kleurenprenten in dieptezicht kon zien. Landschappen en beelden uit tekenfilms. ‘k Liet mij vertellen dat ze die dingetjes tegenwoordig weer maken. Ik kreeg best veel van u, elk jaar, maar nooit een viewmaster. Ergens in mijn kinderherinnering schuilt nog lichte teleurstelling daaromtrent. Maar ’t is u inmiddels vergeven.

Want de reden waarom ik het woord tot u richt is van een heel ander allooi. Ik ben namelijk op zoek naar uw levensverhaal. Ik geloof immers dat u echt bestaat. Of toch minstens dat u echt bestond. Heb het opgezocht en dus wil ik bij u even checken of wat het internet mij leerde overeen komt met de historische waarheid. Gaat u er even bij zitten op uw aloude troon, ziehier de informatie waarover ik beschik.
Toen u het levenslicht zag, zo ergens rond 270 na Christus, was men op uw geboorteplek, het Turkse Patara, nog niet zo begaan met geboorteaktes, dus daar kunnen we naar fluiten. Ook die stad zelf ging later verloren, door zijn inwoners verlaten na een zoveelste oorlog in de regio. Van vrienden van mij zag ik vakantiefoto’s uit Antalya, die streek van u. Lag het daar toen ook vol zonnebaders, schouder aan schouder op het zomerse strand?
U moet zowat in de fleur van uw leven geweest zijn, toen in Rome keizer Constantijn de baan vrij maakte voor het christendom. U stamde uit een gegoede familie, misschien hielp dat wel om het tot bisschop van Myra te schoppen.

Op een veelluik in ons eigen Groeningemuseum troont u in vol ornaat, mijter op het hoofd en bisschopsstaf in de hand. Die verrassend gladgeschoren kin is even wennen. Van de kleinere panelen van het schilderij ontbreekt er eentje. Er worden een paar van uw heldendaden uit de doeken gedaan, vandaar allicht uw niet weinig zelfvoldane blik.
Eén van die verhalen gaat over een hongersnood. U liet een boot, volgeladen met graan, langs komen. Flink van u, maar ook niet meer dan dat.

Echt straf is de vertelling over een slager die drie jonge gasten slachtte, als waren het varkens. U moeide zich met de zaak en bracht de slachtoffers weer tot leven. Da’s al mirakelkunde voor gevorderden.

Een rare historie vind ik die omtrent een arme meneer die zich geen bruidsschat voor zijn dochters kon veroorloven. Dat was voor vaders destijds onmisbaar om hun meiskes aan een man te helpen. Bij die mens gooide u stiekem een volle geldbeugel over de haag. Wie weet waar die deernen anders terecht kwamen.
En op termijn was het dat verhaal over die meiskes dat uw imago van kindervriend inkleurde.
Of toch vriend van de brave kindjes. Herinneringen, daar zijn ze weer, van op de speelplaats in mijn kleutertijd. Een lange, magere man in uw gezelschap heeft een zwart aangezicht. Raar, alleen zijn oren zijn zo bleek als die van mij. Hij heeft zowaar een jutezak bij, waarin misschien wel één of twee stoute kinderen passen. Ik vind die meneer niet leuk.
Het sleutelmoment in mijn leven, waarop ik doorzag dat niet u, in hoogst eigen persoon, maar wel een ‘hulpsint’ op school langs kwam, herinner ik mij niet meer. Wat volgde waren jaren van ongeloof omtrent Sinterklaas. Maar inmiddels kwam ik tot inkeer. Dus al heb ik door dat het dit keer weer zo’n ‘hulpsint‘ was die in Brugge door de burgemeester werd verwelkomd, u hebt echt bestaan. Ik kan met de hand op het hart zeggen dat ik in Sinterklaas geloof.
Dus mocht u op uw terugweg, als alles is uitgedeeld aan alle brave kindjes, in het ruim van uw stoomboot nog een viewmaster op overschot vinden, u weet wie er blij mee te maken.

Posted in Het Brugge van nu, Van feesten en vieren | 11 Comments

Posted in Zonder categorie, voorlopig | Leave a comment

Hoe afval de wereld redt

’t Was een zomers middaguur in Veules-les-Roses, stadje dat zich nestelt in een vallei, uitgeschuurd op de Normandische krijtkust. Zo’n moment, een ogenblik in de echte betekenis van het woord. Wij keken mekaar aan en wisten, dat is het! Wat daar stond, in de smalle vitrine van het rijhuis in de enige hoofdstraat, hoorde bij ons.
De bescheiden kunstgalerij was dicht op het middaguur en dus wandelden we door, onze vrienden en wij, langs de tamelijk pittoreske Rue Victor Hugo die naar zee leidt, waar een betonnen zoutwaterzwembad en een banale parking de verwachtingen van de bezoeker temperen. In de enige brasserie ging van de karaf wijn meer charme uit dan van het visschoteltje dat er werd geserveerd.
Terug naar onze prooi. Die stond er nog. Kon moeilijk anders, de uitbaatster opende pas haar deur. Wat we op het oog hadden was van Vincent Prieur. Een kennis van de galerijhoudster die, zo vertelde zij, spullen assembleerde die hij vond op zijn wandelingen aan de voet van de krijtrotsen. Aangespoeld tuig. Plankjes, resten van een zeildoek, een blikken doos. Vincent, de strandjutter. Kunstwerken van de kust, kustwerken. En zo nu en dan benutte hij wel een keer iets dat hij opraapte in de velden, hoog boven de zee. Een roestige rest van een landbouwwerktuig, een eind touw. Vincent verzamelde afval.

Dat zijn creaties niet onbetaalbaar waren, was een opluchting. Niet dat het ons verbaasde, geen van ons had zijn naam ooit gehoord en iets liet vermoeden dat hij eerder regionale bekendheid genoot. Trouwens, hoe zot kunt ge zijn, kunst maken van rommel. Maar ‘Le Bateau‘ was ons ding, had ons hart gestolen. Ons hart en dat van de boekenkast waarop het kunstwerkje, eenmaal bij ons thuis, zou aanmeren.
En hoe gaat dat, van dan af hou je zo’n naam in het oog. Leer je dat Vincent Prieur vrolijk doorgaat met het verzinnen van warme, speelse figuren, ineen gezet met gebruikte materialen. En zo kwam het dat we op een dag nog iets van hem in huis haalden. Sindsdien kijkt, vanop haar sokkel in onze huiskamer, ‘Diva de la Mer’ trots op ons neer. Haar rok een restant van een visnet, een kind of een pop klemt ze wat onhandig in de ene hand, de andere reikt naar de vis boven haar hoofd. Nu nog uitkijken naar een gelegenheid om de kunstenaar zelf naar hier te halen.
Stel dat hij nu in Brugge langs komt, nemen wij hem op sleeptouw. Op sleeptouw, de strandjutter zou zo’n scheepsterm op prijs stellen, hoe vertaal je dat naar ’t Frans? Hoe dan ook, op naar een paar Brugse museumlocaties! Om hem voor te stellen aan Strook.

Affiche voor de jongste cd èn een tournee
van het Zesde Metaal, een creatie van Strook.

Noem het stoutmoedig van ondergetekende, om onze stadsgenoot Stefaan De Croock, die als Strook door het leven gaat, als een Brugs equivalent van Vincent Prieur aan te wijzen. Of andersom. Strook, u kent zijn werk ongetwijfeld. Alleen als u nooit over ’t Zand passeert ontging u zijn kunstwerk op de zijgevel van een kroeg bij de Speelmansrei. Een wel heel buitenmaats portret is het. Een man, een vrouw? Maakt niet uit en een blije of zorgelijke blik kan je niet aflezen van het wezenloze silhouet. Maar je kan je niet van de indruk ontdoen dat je wordt aangekeken. Je bent gezien. Da’s iets van Strook, van wie nu een reeks kunstwerken overwinteren in Groeninge, op de zolder van het Sint-Janshospitaal en in de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Die creaties zijn goed voor een paar heel lovende recensies met ronkende omschrijvingen. Voor u gelezen in een heel serieuze krant, hou u vast: ‘Zijn werken zijn gefragmenteerd en kubistisch versplinterd, en tonen zijn zoektocht naar verweerde texturen en het ­visuele effect van doorleefde materialen.’ Chapeau, Strook!
Terwijl Vincent Prieur bij zijn vertrouwde sculpturen blijft is Strook van meerdere markten thuis, maar zijn meest herkenbare werk is opgebouwd uit planken. Gebruikt en weggegooid hout waarover hij zich graag ontfermt. Het onbestemde portret bij het Zand is zo eentje en u vindt er een op een platenhoes van ’t Zesde Metaal. En ook de hoog geprezen tentoonstelling in Brugse kunsthuizen toont vooral figuren, gemaakt van afgedankt hout. En al kan Vincent Prieur niet, zoals Strook, uitpakken met tentoonstellingen van Stockholm tot helemaal in Montreal, allebei zijn ze onvervalste restverwerkers.
Kan kunst de wereld redden? Dat blijft de vraag. Maar als daar iets van aan is, zijn alvast twee kunstenaars goed op weg om die aardbol van ons te redden met … afval. Ze klaren die klus elk op hun manier en kunstenaars tegen mekaar afwegen houdt geen steek. Maar al acht ik Strook hoogst authentiek, ik heb een boontje voor Vincent Prieur. Als kenner vind ik zijn werken gefragmenteerd en kubistisch versplinterd, ze tonen zijn zoektocht naar verweerde texturen en het ­visuele effect van doorleefde materialen. Ik kan het toch wel schoon uitleggen, hé!

Posted in Het Brugge van nu, Van schilderen en plaasteren | 6 Comments

De boekenbeurs komt naar Brugge!

De nieuwe bijbel en de koning
Ze hebben de bijbel herschreven! Allez, ’t is te zeggen, er verscheen een nieuwe Nederlandse vertaling. Daar was veel om te doen en wie niet hoog oploopt met de christelijke handleiding vond al die persaandacht omgekeerd evenredig met de nieuwswaarde. Een bewering die wij niet in de mond durven nemen, voorbeeldig èn katholiek opgevoed als we zijn.
Maar ’t is waar, dat de nieuwe bijbel redelijk wat mediabelangstelling kreeg is voorzichtig uitgedrukt. Onze  noorderburen trommelden zelfs hun koning Willem Alexander op om feestelijk het eerste exemplaar aan hem te overhandigen. Menig debuterend auteur zou domme dingen doen voor een fractie van de aandacht die de jongste bijbelvertaling te beurt viel.

Een staatshoofd dat zich laat inhuren om zo’n geloofsboek te promoten, je kan er aan de toog een aardig boompje over opzetten. Met de scheiding van kerk en staat als dorstige inzet. Wat ons herinnert aan een recent voorval in ons eigenste Brugge.

De nieuwe Aspe en de burgemeester
’t Is van een andere orde, maar de presentatie èn ‘verkoop in primeur’ van het laatste boek van onze betreurde Pieter Aspe, wedden dat ook dat nieuws u niet ontging?  ’t Was in de gotische zaal van het stadhuis. Het Brugse politieke wereldje tekende present, de burgemeester voorop. Voor hen een thuismatch, tenslotte. Gewillig stonden ze schouder aan schouder met lieden van de uitgeverij. Iemand met ondeugend karakter stelde de vraag, terloops, sinds wanneer boekenverkopers commercie mogen doen in het stadhuis… Die bedenking komt uiteraard niet van ons, aan zo’n stoute gedachten bezondigen wij ons niet, om het bij bijbels jargon te houden. Onze brave opvoeding, u weet wel.
Trouwens, wat die bijbel betreft … of ik het exemplaar in mijn bescheiden boekenkast vervang door de recente ‘revisited’ editie, valt nog te bezien. Het ‘boek der boeken’ staat bij mij hoe dan ook op de plank, voorbehouden voor ‘boeken die ik nog moet lezen’. En het staat daar lang niet alleen, maar hou dat stil.

De nieuwe boekenbeurs en … de koning?
Want ongelezen leesvoer, ik heb er nogal wat in huis. Allemaal de schuld van de boekenbeurs in Antwerpen. Wij trokken er graag naartoe, maar ’t was altijd weer prijs. Want al lieten wij ons nooit betrappen in een wachtrij voor een handtekening van Bart Van Loo of Lize Spit, toch kon het boekenfeest ons verleiden. Tot uren leesplezier, maar ook tot de aanschaf van boekbanden die alleen maar staan schoon te wezen in dat meubel van ons.
En tussen al die ongelezen lectuur zit ik hier op mijn letterklavier … schrijvertje te spelen. Wat is de papieren droom van al wie plezier beleeft aan het bijeen harken van woorden? Bladeren doorheen een zelf geschreven boek! Al neem je ‘le plaisir de se voir imprimer’ vandaag met een digitale korrel zout. Heeft het digitale geweld van deze tijd ook schuld aan het droeve einde van de Antwerpse boekenbeurs?
Er wordt weliswaar moedig geprobeerd om dat beursverhaal nieuw leven in te blazen, ook daar in de stad aan de Schelde, maar …

De gotische zaal … in de negentiende eeuw in gebruik als bibliotheek.

Ziehier een zot idee omtrent die avond rond Pieter Aspe in ons stadhuis. Wat als dat nu een keer de aanzet was tot iets heel nieuws? Wat te denken van een boekenbeurs in een stadhuis? In het onze! Het zal u verbazen, maar de gotische zaal zou die boeken verrassend graag zien komen. Hoezo?
Wel, even een alinea geschiedenis. Omtrent de nasleep van de Franse revolutie, hier bij ons. Rare tijden. Alom worden kloosters opgedoekt. En met boeken uit kloosterbibliotheken vullen ze voor de eerste keer een openbare bibliotheek. En die bib vind je in de jaren achttienhonderd … in ’t stadhuis! Zo’n boekenbeurs is voor de gotische zaal ‘a trip down memory lane’!
Welaan dan, de burgemeester overhalen, ons schepen van Cultuur zot maken en de klus is geklaard. Vergeet die van Antwerpen, de boekenbeurs is gewoon van Brugge!
De gotische zaal, één boekendorp! In de benedenzaal signeren schrijvers hun nieuwste boek. En het kabinet van de burgemeester? Met dat stemmige tuintje achterin, de gedroomde cafetaria!
En dan is ’t moment aangebroken voor dat boek van mij. ‘k Heb er vandaag nog niet het minste idee van waarover het zal gaan, maar het wordt met veel poeha aangekondigd. De Hollanders hebben daar een koning voor! U vindt het hoog gegrepen om voor de voorstelling van mijn debuut onze eigen Filip uit te nodigen? Mij goed, zijn zusje Delphine is ook welkom.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van boeken en schrijven, Van Brugse politiek | 13 Comments

Elf november … de jongen en de oorlog

Straks, elf november, gedenken wij het einde van vier jaar zinloze gruwel.
Geen Brugse vertelling, deze week.

Maar het verhaal dat wij met u willen delen, het verhaal van Willem Baute, is dat van heel veel jongens van zijn generatie, ook hier in Brugge.

Zes jaar geleden, een tentoonstelling herinnert Brugge aan
de oorlogstijden van 1914-1918 …

Kleit, juli 1914
De toekomst komt per velo. Althans in het dorp waar Willem met zijn broers en zussen opgroeit. Ja, een paar automobielen zijn er ook, verderop in Maldegem. De burgemeester, die op ’t kasteel woont, heeft er een en de notaris. En sinds kort ook meneer doktoor.
Maar bij hen thuis in Kleit ga je te voet. Of op zondag met paard en sjees naar de hoogmis. Al heeft Willem’s broer Cyriel een paar jolige vrienden die zich een velo aanschaften, onlangs. Het is me wat, je rijdt op zondagnamiddag naar de kermis van wel twee dorpen verderop en je komt toch nog op een christelijk uur weer thuis. Willem en Cyriel hebben geen velo, met een gezin van twaalf hebben vader en moeder wel andere dingen om geld aan uit te geven.

Willem is een brave jongen, geen losbol. Dus wie weet, later, als hij een paar jaar centen spaart, kan hij zich ook zo’n tweewieler permitteren. Ze maken nu velo’s met achterop een plankje waarop je kan zitten om mee te rijden. Clementientje, de dochter van twee hofsteden verderop, zou die dat durven? En zou hij het haar durven vragen?

Maar op een zonnige zomermorgen komt de garde het hof opgereden. Op zijn velo, ja. Hij heeft een brief van de burgemeester bij waarin staat dat Willem en Cyriel naar ’t leger moeten. ’t Gaat oorlog worden, vreest de garde. Op aanraden van meneer pastoor gaan de jongens eerst nog biechten, ge weet nooit. Willem biecht een paar kleine onnozelheden. Wat hij droomt van Clementine, daarover zwijgt hij.
Vader zwijgt ook, als zijn jongens een paar dagen later weggaan, maar hij vloekt in zichzelf. Moeder en Willem’s lievelingszus Celina wenen stillekes. De broers, te voet op weg naar ’t station van Maldegem, passeren aan Clementientje’s woonst maar het meisje laat zich niet zien.

Diksmuide, dinsdag 4 december 1917
Het ziet ernaar uit dat het een koude, stille dag wordt, daar in de loopgraven aan de IJzer. Koude dagen hebben ze al gehad, de voorbije weken. Een stille is een keer welkom. Hoewel, wat heet welkom. Verveling, kilte, modder, ratten. In de verte, wat schoten af en toe. Willem heeft het gehad met die oorlog. Net als zijn lotgenoten, ze zijn het allemaal zat. Spuugzat, en dat spugen mag je behoorlijk letterlijk nemen. Hebben te veel gezien, te veel makkers met open wonden, kermend van de pijn tot het over is, voor goed. En zelf schieten, soms. Misschien schoot Willem al een paar keer raak, zeker weet hij het niet.
Wat hij wel weet is van zijn broer. Dat hij dood is. Al meer dan een jaar is ’t geleden maar ’t lijkt nog van gisteren dat ze het hem kwamen zeggen. “Mort au champ d’honneur!” had de adjudant gezegd. “Gesneuveld”, wilde een kameraad voor hem vertalen, maar Willem wist wat het wil zeggen. Dood, wil het zeggen, vermoord. Champ d’honneur of gesneuveld, mijn voeten! Cyriel was een jaar ouder dan hijzelf. Een jaar minder jong.
Willem denkt elke dag aan zijn broer. Aan zijn broer en aan pa en ma. Aan Celina en de anderen. Zou Clementientje nog aan hem denken? En dan, ineens, een obus. Een streep, dwars over de staalblauwe middaghemel. Een knal, onthutsend dichtbij dit keer. Helse hoofdpijn, heel even. En dan niets meer.
In een loopgracht bij Diksmuide buigen jonge mannen zich over hun strijdmakker. Het is voorbij.

Oeren, augustus 2021
Oeren is een vlekje, een eind onder Veurne. Tussen een handvol boerderijen zet een gedrongen kerkje zich schrap in de poldergrond. In ‘De Leute’, het enige maar gekende café, hielden we eerder al een paar keer halt, maar ‘t is gesloten vandaag. In het kerkje loopt een tentoonstelling, droef ogende sculpturen. Op het kerkhof, een schort groot, is één van de oorlogsgraven dat van Willem, mijn grootoom. ‘Willem Baute‘ staat erop, een geboortedatum, een sterfdag, 14 december 1917. Net drieëntwintig geworden.
De jongeman die hij was en bleef, blijft hier voor goed. In een boerendorp, klein genoeg om hem aan zijn thuis te herinneren. Al zou hij veel liever naar daar terugkeren. Met de velo, stel je voor. Terug naar Kleit. Waar Clementientje op hem wacht, ongetwijfeld.

Een geboorteakte, een oorlogsgraf, een gedachteniskaartje. ‘Willem Baute’ staat erop …
Posted in Het Brugge van toen, Over oorlog | 10 Comments

Allerzielen en archeologen …

Misschien overwegen nog wel een paar Bruggelingen wat vannacht in mijn slaapgedachten langs kwam. Of ben ik de enige sentimentele ziel die zich voorneemt om een bloem neer te leggen waar archeologen al de hele zomer geduldig speuren op wat ooit het Onze Lieve Vrouw Kerkhof was? Eén bloem, een witte. Een teken van leven aan stadsgenoten die in lang vervlogen dagen het leven lieten en daar werden begraven. Eeuwige rust, althans tot in die eeuw van ons. Die tijd waarin wij, rusteloze zielen, koste wat kost het verleden willen ontraadselen. Een teken van verontschuldiging ook, sorry voor ’t verstoren van jullie rustplaats.

Zo’n opgravingssite aan de voet van een hoofdkerk in een middeleeuwse stad is voor wie archeologie nauw aan het hart ligt, het klinkt bizar, een godsgeschenk. Maandenlang de kans krijgen om de graven met alles errond en erin onder de loep te nemen, de wensdroom van alle archeologen. Al vindt niet iedereen dat vanzelfsprekend. Wij herinneren ons enige wrevel toen jaren geleden bij die andere kerk, de Sint-Salvatorskathedraal, stoffelijke resten werden geborgen. Of daar altijd de nodige eerbied aan te pas kwam, daaromtrent ontstond wat commotie.

De stedelijke begraafplaats in Assebroek, ’t oet kerkof an de Steenbrugse Wandelinge … dankbare plek voor nostalgische fotografie …

Delven op een begraafplaats, voor de hand liggend mag het nooit worden. Of hoe het aloude begrip ‘grafdelver’ ineens een heel andere betekenis krijgt. Maar weten wat was en hoe het was, misschien helpt het om onszelf in een ruimer tijdskader te plaatsen. Om te beseffen dat ook wij ooit verleden zullen zijn. ‘Gedenk, o mens … ‘, weet je nog, Aswoensdag, het askruisje?
Houden we daarom ook vast aan die traditie om tussen de eerste herfstbladeren bloemen neer te leggen bij wie ons dierbaar is? Allerzielen, ‘alle zielen’, een zwijgmoment, één keer in het wentelen van de seizoenen.
Wat iemands plaats-voor-goed op deze aardbol ook mag zijn, een graf, een urne, een strooiweide of de golven van de zee, het blijven plekken waar we hem of haar gedenken. En dat is goed. Maar voor elk van ons verschillend. Voor sommigen in uw en mijn omgeving is het bezoeken van een begraafplaats een regelmatig herhaald ritueel. Maar het terugdenken kan zich aandienen op elke plaats, op elk moment, menen anderen voor wie een graf enkel het oord is waar ooit afscheid werd genomen.
En al rekent ondergetekende zich eerder tot die laatsten, toch staat ook hij dezer dagen, samen met wie hem lief is, stil voor een grafsteen of een urnenzuil. Om zwijgend te zeggen wat hij niet zeggen kan.
En om dan terug te keren naar het leven, naar alledag. Al houdt hij in ’t passeren door de binnenstad misschien toch ook even halt bij een buitenmaats diepe put nabij een kerk. Dat heeft ie zichzelf beloofd, ergens in het sluimeren van de nacht. Toen doorheen zijn dichterlijke nevelgedachten ook wat weke verzen dwaalden …
’t Deed goed dat hij ze weer kon oproepen, bij ’t ontwaken.

“Ik wou dat ze vertelden
van alle liefde die jij gaf,
maar nergens zwijgen bloemen
zoals de bloemen bij jouw graf …”

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Onze huisdichter, Van zin, zen en zijn | 6 Comments

Een fontein op ’t Zand … Triënnale 2024

Waarom verbaast het mij amper dat op dit nachtelijk uur het hek in de tuinmuur van het Gezellemuseum gewoon open staat? Natasha glimlacht en gaat mij voor, de in het duister gehulde tuin van het museum in. Stilzwijgend, zoals ze mij eerder die nacht stilzwijgend stond op te wachten onder het raam van onze slaapkamer.
Ik ken Natasha nog niet zo lang. Ze is een standbeeld in het begijnhof, daar door een Poolse kunstenares neergezet naar aanleiding van de Triënnale. Het beeld van een strijdvaardig ogende jongedame heeft, zo las ik, iets van doen met het voormalig communistische regime in Polen. Maar vannacht is ze de Natasha die mij meeneemt, de stad door, helemaal naar de Rolweg. En ik gehoorzaam, volgzaam en zonder
iets te vragen, zoals mijn hond bij onze dagelijkse wandeling.


In de museumtuin staan twee figuren te praten. Ik herken Roger Raveel en James Ensor. Ze knikken ons vriendelijk toe. Maar Natasha stapt met vaste tred om de immense, rode stelling heen die hier al de hele zomer de huizenhoge dennenboom omsluit. Ook iets van de Triënnale. Gedwee volg ik haar op de ijzeren treden, langs de zware takken die in het duister nog forser lijken dan overdag.
Helemaal boven, waar anders een weids uitzicht wacht, omringt ons een dichte nevel. En dan weet ik waarom Natasha mij hierheen bracht. Ze wijst mij de nachtelijke nevel en daaruit doemt de Triënnale op …

de eerstvolgende Triënnale.

De Triënnale van 2024 wordt anders. Dat begint bij de keuze van een curator die  het festival aanstuurt. Voor deze editie vragen ze het aan een blogger. Eentje die verhalen verzint over de stad, iets met Brugse affiches. De blogger denkt er even over na, maar tenslotte stemt hij toe. En ja, ze zullen het geweten hebben. De curator van dienst pakt uit met een oude droom van hem.

… voor een sculptuur van
Nick Ervinck.

In de stad worden alle standbeelden van hun sokkel gelicht en tijdelijk opgeborgen. Jan van Eyck en Simon Stevin,
de Heilige Nepomucenus op de brug aan de Dijver
en Hans Memling op de Woensdagmarkt.
Op de vrijgekomen sokkels krijgen kunstenaars alle ruimte om hun ding te doen. Op de Markt hebben Breydel en de Coninck plaats gemaakt voor een sculptuur van Nick Ervinck. Guido Gezelle’s sokkel is voor werk van een leerlinge van de academie. De gelijkenis tussen het beeld dat zij kapt en Delphine Lecompte zorgt voor commotie. Een kunstenaar krijgt de kleine sokkel van Frank Van Acker’s buste aan de Vismarkt, maar hij laat die leeg. Burgemeesters behoeven geen standbeelden, meent hij. In dat najaar van 2024 zijn ’t gemeenteraadsverkiezingen.

Een fontein op het zand? Kunst behoeft geen eeuwigheidswaarde,
meent Jan Verhaeghe.

En op ’t Zand … tja, op het Zand komt een nieuwe sokkel. Een grote, platte schijf, midden op het plein. Onze eigen Jan Verhaeghe mag er iets neerzetten. En hij bedenkt een fontein. Een fontein op het Zand, hoe komt ie erbij. Niet in brons, neen, om één of andere reden is Jan niet zo aan brons. Een zot spektakelding wordt het, met kleurrijke beelden eromheen, helemaal in … papier maché. Tegen ’t eind van de zomer ziet het kunstwerk er helemaal anders uit. Het water van een fontein en papier maché, geen voor de hand liggend huwelijk, maar dit kunstwerk behoeft geen eeuwigheidswaarde, meent Jan Verhaeghe.

Het begint zachtjes te regenen. Van hoog op de stelling keren wij terug naar beneden. Rommelt in de verte de donder? Terug in de tuin knikt Natasha mij nog even toe en wenkt Raveel en Ensor die er nog aan de praat zijn. Samen gaan zij binnen in het geboortehuis van de dichter. In de tuin is het pikdonker, maar op de kasseien van de Rolweg valt druilerig licht uit de oude lantaarns.

M’n liefste kwam mij wekken, ze zei ‘je sliep zo diep’
Ik wou m’n droom vertellen, ik vond de woorden niet
.

Jan De Wilde en Lieven Tavernier, ‘de verdwenen karavaan’

Posted in Het Brugge van nu, Van schilderen en plaasteren | 12 Comments

Van ‘Lastige Bruggeling’ tot … brave ‘EXit’ ?

’t Is van heel lang geleden. Niet van toen de dieren nog spraken, we gaan niet overdrijven, maar in Torhout ging wel nog elk jaar een zomers muziekfestival door. Op een keer stond daar Tom Robinson op het podium, een inmiddels wat vergeten maar toen bekende en redelijk militante Brit. Van één van zijn songs herinner ik mij de rake quote “It’s there in the paper, it must be the truth!”. Burgerlijke goedgelovigheid, in één snedige zin gevat. Dat weet ik nog, want we waren erbij, die keer op de weide van Rock Torhout. ‘Het staat in mijn gazet, ’t moèt wel waar zijn!’, zoiets.
Kranten verschenen in die verre dagen alleen op papier. Niemand las het nieuws op zijn IPad. Dat de IPad nog niet bestond was daar niet vreemd aan. IPhone, laptop, internet, ’t moest allemaal nog verzonnen worden.
Maar papieren dagbladen waren er dus wel al, die zijn nóg ouder dan Rock Torhout. Ze zijn zelfs, en dat wil wat zeggen, ouder dan ondergetekende.  Die herinnert zich Het Volk, ’t gazetje dat de facteur bij ons aan huis bracht. Een gehoorzaam katholiek blad, meneer pastoor gaf ongetwijfeld zijn zegen over het abonnement dat we erop hadden. Het klein grut dat we waren keek vooral uit naar ’t Kapoentje, een wekelijks stripkrantje dat erbij hoorde, en in de zomer naar de Tour-fratsen van Thomas Pips. Braaf dagblad, brave humor.

Een eigenzinnig blad vereist een eigenzinnige affiche

Leest en verspreidt de Roode Vaan, dagblad der Communistische Partij van België!”, tussen oude papieren vond ik laatst nog een vergeeld, vooroorlogs pamflet. Dat het hier ooit bleef rondslingeren, mijn voorbeeldige vader zaliger had ongetwijfeld meewarig het hoofd geschud. Zoals hij deed bij de aanblik van de Lastige Bruggeling, stadskrant die ik als puber leerde kennen.  Niks communistisch maar wel lekker tegendraads. Onlangs vertelde ik hier al een keer hoe we in onze schooltijd dat stoute blaadje helemaal ’t einde vonden. Het eigengereide ding bleef niet bestaan, versmoord in de veranderende tijdsgeest van de jaren tachtig. Al overleefden de jonge gasten die het blad vol schreven die tijden wel, de meesten kwamen nog behoorlijk terecht ook.
Zoals de Lastige Bruggeling, zo vullen ze geen blad meer. ‘t Zou ook amper nog opvallen. De stoutmoedige pennenridders van toen waren softies in vergelijking met al het grove dat je vandaag leest op je pc. Weinig is minder sociaal dan onze sociale media.
Speelden in de loop der jaren nog Brugse tijdschriften mee in de marge? Welja, grijzende

De Uitkrant kondigt in 2002 affiche-gewijs zijn digitale ‘wedergeboorte’ aan …
En een promo-affiche uit 2010 van Bruges Inside Out.
Exit op affiche, bij het verschijnen van nummer 100 en bij een verjaardagsfeestje …

Bruggelingen herinneren zich ‘Kan’t? Magazine’ of de ‘Uitkrant’. En je mag van jongere leeftijd zijn om je ‘Bruges Inside Out’ of zijn opvolger ‘BLVRD magazine’ voor de geest te halen. Zien wij nog eentje over ’t hoofd? O ja, stadskrantje ‘De Commeere‘.

Maar tegen de standvastigheid van EXit, maandblad vol nuttigs over al wat in Brugge pretendeert cultuur te zijn, daar kan weinig tegen optornen. De eerste EXit, in januari 1995 goed voor één enkel gevouwen blad, was de aanzet tot intussen meer dan driehonderd nummers, elke maand goed voor ruim dertig pagina’s. Hoe noem je zoiets, een vaste waarde?
En ja, soms hoor je wel een keer de verzuchting dat het er allemaal zo braaf in staat. Toch vaag heimwee naar de Lastige?  Toegegeven, op venijnige schrijfsels zal je EXit niet betrappen. Maar informatief is het blad wel.
Zo hebben ze ’t deze maand over een blog van een afficheverzamelaar. Niet van belang, zo’n fait divers? Geachte lezer, ’t  staat in den EXit, dus het hééft belang! En twijfelt u aan wat ze erover schrijven, remember de wijsheid van de liedjeszanger … It’s there in the paper, it must be the truth!

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Over affiches verzamelen, Van boeken en schrijven | 6 Comments

Brugge viert 125 jaar Cinema Lumière

Waarde filmliefhebbers van Lumière,
jullie hebben zopas vijfentwintig kaarsjes uitgeblazen. Want evenveel jaren geleden werd de eerste film gedraaid in wat jullie daar in de Sint-Jacobsstraat de ‘
rode zaal’ noemen. Naast dat kaarsjesblazen vulden vooral films jullie feestweekend. Mogelijks kwam daar ook het knallen van een kurk of twee aan te pas. Een kwarteeuw filmgeluk, je zou voor minder felicitaties verdienen. Dus bij deze, gefeliciteerd en wel van harte.
Maar sta ons toe jullie meteen ook te wijzen op een kanjer van een rekenfout. Want vijfentwintig jaar Lumière, da’s een misrekening. Bij deze enige duiding.

Najaar 1996 … Lumière’s allereerste promotie-affiche

Het leek een Brugse zaterdag als een andere. Met in de ochtend de wekelijkse markt op de Markt. En voor het station op ’t Zand de vertrouwde koetsen, wachtend op wie ergens heen wou. Of toch op wie zich zo’n rit kon permitteren. Want het waren moeilijke tijden. Voor de dompelaars in de schamele achterafstraatjes die ze ‘fortjes’ noemden, maar ook voor de doorsnee Bruggeling was het leven geen lachertje. In kerken en kapellen werd zorgelijk gebeden door vrome volksvrouwen, terwijl hun werkloze mannen hun miserie verdronken aan de toog van ’t café om de hoek.
Al was er beterschap op komst. Dat beloofden de hoge heren van ’t stadhuis. Die zomer was het graven van een nieuw kanaal aangevat. Die waterweg zou Brugge verbinden met de zee, zoals in lang vervlogen tijden. Een grote haven moest de stad er weer bovenop helpen en dat was lang geen overbodige luxe.

Die dag die er zo gewoontjes uit zag, toen is het gebeurd. In de ochtend kwam een foorkramer iets drinken in de Keizerlijke Arend, bekend etablissement in de Vlamingstraat, tegenover de schouwburg. Die mens was daar met de patron aan de babbel geraakt. De foorkramer, zo’n welbespraakte Hollander, pochte dat hij in Parijs iets nieuws had gekocht. Een cinématographe, een ding waarmee hij ‘beweegende photografieën’ kon laten zien. En ’t moet zijn dat die meneer Krüger, zo heette hij,  van aanpakken wist. Want om zo’n ding te laten draaien èn oplichten was ‘eletriek’ van doen en dat hadden we nog niet hier bij ons. De man moet dus ook een soort generator benut hebben.

2006 … Stadsbibliotheek Lumière viert
zijn tiende verjaardag.

Hoe dan ook, die zaterdag kon je in de Keizerlijke Arend voor het eerst in Brugge ‘beweegende photografieën’ zien. Dat het nieuwe spektakel over de tong ging, ge ziet dat van hier. Alleen al om de toegangsprijs. Je hoestte vijftig centiemen, een halve frank, op om er in te mogen. Een lange werkdag over haar kussen gebogen bracht een Brugse kantwerkster één frank op. Maar wie er was zag  prenten uit Parijs, mensen, koetsen, een trein. En ze bewogen, echt waar. Sommigen fluisterden dat er ook iets te zien was uit de Moulin Rouge, maar ge moogt niet altijd geloven wat de mensen vertellen.

Tot hier, waarde filmliefhebber, onze flashback. Het scenario keert terug naar vandaag. Najaar 2021, Stadsbioscoop Lumière is nog aan ’t bekomen van zijn verjaardagsfeest. Het feest was op zijn plaats, maar ’t had groter gemogen.
Want, o ja, dat vergaten we te vertellen. Die dag waarop Brugge de uitvinding van de gebroeders Lumière leerde kennen was de zesde september van 1896.
Dat Lumière hier voor ’t eerst over de tong ging, da’s precies honderdvijfentwintig jaar geleden!
Ge hebt uw feest veel te bescheiden gevierd. Die vijfentwintig kaarsen die jullie uitbliezen, al was dat met recht en reden, ’t mochten er honderd meer geweest zijn.

Alle nieuws over stadsbioscoop Lumière vindt u hier: www.lumiere-brugge.be


Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van film | 4 Comments

Michel Van Maele, honderd

’t Is omdat ik het werk van de vuilnisophalers met achting gadesla dat ik ons papierafval zorgvuldig met touw omspan voor ik het ’s morgens neerzet op de stoep. Als onverschrokken schildknapen van de ophaalwagen marcheren ze door onze straat, de mannen die onze overdaad aan overbodigheden in de muil van het afvalmonster kieperen. Al dat papier dat we met z’n allen van de hand doen!
En dan zwijg ik nog over de stapel knipsels waarvan deze verstokte Brugge-verzamelaar zich al tijden afvraagt wanneer hij ze eindelijk een keer op straat zal zetten. Ergens in een uithoek van onze woonst, een torentje van wankel gestapelde kartonnen dozen propvol krantenpapier, van toen je nog papier van doen had om informatie te bewaren.  Nieuws van vroeger, ooit min of meer geordend per onderwerp.
Zoals dit hier, een mapje met knipsels over Michel Van Maele. Was die mens niet in 2003 overleden, dan vierde hij dezer dagen zijn honderdste verjaardag. Weinig stadsgenoten drukten hun stempel op Brugge zoals Michel Van Maele dat deed. Met de dadendrang waarmee burgemeester-zakenman Van Maele door het leven stapte vul je makkelijk een paar doorsnee mensenlevens. Dat hij zich met al die ondernemingszin een paar keer serieus misrekende is deel van het verhaal dat inmiddels uitgebreid is gedocumenteerd. En niet enkel in die oude gazetten van mij.

Pierre Vandamme en Michel Van Maele, schouder aan schouder, althans voor de verkiezingen …

Een samenvatting? Begin er maar eens aan. Over die jongeman die burgemeester werd, niet van Brugge maar van het toen nog landelijke Sint-Michiels dat hij liet uitdeinen met woonwijken die zich schaarden rond KMO-bedrijven en een nieuw recreatiedomein, het Boudewijnpark. Hoe hij omtrent de fusie met Groot Brugge eerst tegen en dan heel erg voor was. Wie hem van dichtbij meemaakte, weet nog dat Van Maele’s mening zich wel vaker zo’n lepe ommezwaai permitteerde. En ’t legde hem vaak geen windeieren.
Want kort na de eerste verkiezingen van dat nieuwe Brugge liet zijn populariteit hem toe om partijgenoot Pierre Vandamme de burgemeesterssjerp te ontfutselen. Bij de inhuldigingsstoet die hij zich liet welgevallen, de laatste in de geschiedenis van de stad, werd hij in een koets vergezeld door Brugs senator Frank Van Acker, de socialist die hem een handvol jaren later op zijn beurt een politieke hak zou zetten. Maar voor het zo ver was zette Van Maele de bakens uit. Waarbij de zakenman politicus speelde en andersom. Hij haalde het Brugs voetbal uit financiële miserie, realiseerde het Olympiastadion, het Zilverpand en andere Alberthallen, dronk voor het oog van de pers ostentatief een glas van het door hem gezuiverde water van de reien, liet de stad Beisbroek en de Zeven Torentjes kopen en pakte uit met een structuurplan voor de binnenstad.

En Van Maele droomde. Van een watertram op de Brugse binnenwateren, op het Zand zou daartoe de overwelfde reie weer open gelegd worden. Elders in de stad kan je ze nog aanwijzen, de bruggen die hij liet herbouwen met die watertram voor ogen. Om maar te zeggen, Van Maele zat niet stil.
Maar dat niet stil zitten geen garantie is voor blijvend succes leerde hij … net iets te laat. Hoe politiek en commercie soms wel héél dicht tegen mekaar aan hurkten, ’t begon op te vallen. En dat een stout stadskrantje dat Lastige Bruggeling heette, één en ander tegen ’t licht hield omtrent grondspeculatie en dat soort zaken hielp niet echt.  Vriend en tegenstander werd zenuwachtig, waarna in 1976 een monstercoalitie een einde maakte aan zijn korte loopbaan als Brugs burgervader.

De fratsen van Michel Van Maele spreken nog altijd tot de verbeelding van minder jonge stadsgenoten. Soms is aan de toog zo’n oud verhaal nog goed voor enig gegniffel. Over de in Van Maele’s tijd uitgetekende Expressweg en hoe die zich bij de Koning Albertlaan ineens met zo’n hele wijde bocht langs Sint-Michiels heen buigt. Iets met een onteigening die voor een connectie van de burgemeester erg ongelegen kwam? ” ’t is van horen zeggen, maar …” Of iets over af en toe een scheve schaats. Michel Van Maele, man van de wereld, ook dat. Bij zijn overlijden noteert een plaatselijk verslaggever, bij het vernoemen van de echtgenote van de oud-burgemeester, de gevleugelde woorden: ‘Hij had bij haar geen kinderen’.
Niet langer dan vijf jaar droeg zakenman Van Maele in Brugge de burgemeesterssjerp. We kennen lieden die meer tijd  nodig hebben om minder te realiseren. Politici?
Vriend en tegenstrever herinneren zich Michel Van Maele, die door zijn entourage tot in lengten van dagen als ‘burgemeester’ werd aangesproken, als man die al wie hij ontmoette kon thuiswijzen. Of dat toch nastreefde. Ons kent ons, zoals het eraan toe ging in de plattelandsgemeenschap waar hij als jonge knaap zijn bewogen loopbaan aanvatte.
Wedden dat hij ze bij naam kende, de vuilnisophalers die in zijn straat passeerden?

Posted in Het Brugge van toen, Van Brugs voetbal, Van Brugse politiek | 14 Comments

Met de lijnbus naar ’t leven …

Naar Brugge kwam je met de bus.
De schooljongetjes die wij waren, net onze plechtige communie gedaan
in dat  buitendorp van ons, op weg naar de grote school.
De bus reed bij de Kruispoort ’t stad in.
Er was nog tweerichtingsverkeer in de Langestraat, stel het u vandaag een keer voor.
Meestal stapten wij af bij de Molenbrug, de
Meulebrugge,
om dan langs de Sint-Annarei naar ’t college te slenteren.
Was de bus wat vroeger, gingen we er ook wel een keer af bij de Kruispoort,
en dan door het nog slaperige Sint-Anna naar de Potterierei.
En soms begon die tocht met de ‘beklimming’
van de molenterp van de Bonne Chieremolen, bij de stadspoort.

Daar stonden ze, in de ochtendkilte, onder die roerloze molenwieken,
een paar jongetjes met voor zich een heel leven
en aan hun voeten een uit zijn slaap ontwakende stad.
Eén van hen dacht toen, of tenminste, vandaag gelooft hij graag dat hij dat toen dacht,
dat is hier een schone plek.
Een schone plek, misschien, om te leven.
En hoe gaat dat, je groeit op,

gaat dus naar een school in Brugge.
En dan naar een andere school.

Omdat het je in die ene wat te moeilijk wordt, je bent lang geen bolleboos.
Je leert een meisje kennen waarvan je meent dat het je lief is
en dan een ander dat zowaar ook zelf heel even vindt dat ze je lief is.
En dan nog eentje waarvan je denkt dat het je lief is,
maar dat blijkt dan niet te kloppen, het is je vrouw.
En je trouwt en vindt een huis dat je thuis wordt.
En werk vind je ook.
In die stad die van jou is, intussen.
Soms leid je mensen rond die de stad komen bezoeken.
En van die plek waar je woont ga je wat spullen opzij leggen.
Affiches, vooral, en na verloop van tijd wordt dat meer dan zomaar opzij leggen.
Affiches van een stad die je graag in je armen sluit.
Zoals je ook wel een keer … je vrouw in je armen sluit?
Neen, niet zo. Of toch, zo ongeveer.

Een stad die je soms doet sakkeren om wat ie uitspookt.
Zoals je ook wel een keer …
?

Vandaag schrijf je een stukje over die stad van jou.
Want inmiddels weet je wel zeker …
dat is hier geen onaardige plek. Om te leven.

Posted in Het Brugge van toen, Over affiches verzamelen, Van wielen en op weg zijn | 5 Comments