Vlaamse Primitieven … Primitieve Vlamingen?

’t Is dat ze, wanneer ik voorbijfiets, naar mij knipoogt. Dat kunt ge moeilijk geloven, maar toch.
Langs de Dijver, naast de toegangspoort van het Groeningemuseum, prijkt een muurhoge afbeelding van Margaretha van Eyck. Eeuwen geleden deed haar echtgenoot Jan, grootmeester onder de Vlaamse Primitieven, haar dit portret cadeau. Vandaag lokt het stadsmuseum de voorbijganger met die buitenmaatse voorstelling van dat paneeltje, in ’t echt niet groter dan een krant.
Welnu, wanneer ik die avond langs de Dijver fiets, volgt Margaretha van Eyck mij met haar blik.
Heel even, ’t valt amper op. En als ik vlakbij kom, trakteert ze mij op een ondeugend knipoogje.

Heb je thuis in je collectie niet een ludieke affiche waarop diezelfde figuur nadrukkelijk knipoogt?

Even uitleggen wat gaande is. Ik ben laat op de avond op de terugweg van café De Garre in ’t Breidelstraatje. En ‘k zal het maar toegeven, na een paar huisbiertjes in dat etablissement observeer je de dingen net iets minder scherp. En neemt verbeelding het wel een keer over van helder denken. En bovendien, deze jongen herinnert zich een affiche uit zijn collectie waarop diezelfde Margaretha nadrukkelijk knipoogt. Een glaasje te veel op? Of te veel verbeelding?
En toch, ik zag zonet Margaretha van Eyck knipogen, ‘k zweer het op mijn plechtige-communie-zieltje!
Dus trek ik mijn remmen dicht, stap van mijn tweewieler en kijk achterom.
Op de stoep bij de toegangspoort van het museum staat een vrouw. Ze is klein van gestalte, maar dat doet niets af van haar kokette voorkomen. Nu ben ik allerminst de meest attente om dames te complementeren omtrent kledij en dergelijke, maar haar warmrode, wollen gewaad met de pelsen kraag maakt indruk. En haar hoofdtooi, het hoornkapsel en de wijd gedrapeerde hoofddoek laten er geen twijfel over bestaan. Vanavond word ik lachend begroet door de eega van Jan van Eyck.
We belanden in ’t Brugs Beertje, zij en ik. Ze zet graag een stapje in de wereld, zegt ze. En wat doet een mens op zo’n plek? We proeven er een paar Brugse biertjes. Ik vertel over de affiche waarop ze knipoogt. Heeft zij daar moeite mee, dat we grappen uithalen met zo’n eerbiedwaardig kunstwerk van haar man? Niet, dus. Laat komen, die maffe affiches, lang leve de leute!
Margaretha vertelt. Vertelt honderduit en bij veel van wat ze zegt zou menig historicus de wenkbrauwen fronsen. Maar als iemand weet hoe het er in haar tijd aan toe ging, is zij het wel.

Heeft zij daar moeite mee, zo’n eerbiedwaardig meesterwerk waarmee we grappen uithalen?

Jan van Eyck was getrouwd met een levenslustig madammeke. Eentje dat het gezin draaiende hield èn de zakelijke kant van Jans carrière behartigde, zelf had hij daar geen kaas van gegeten. Maar Margaretha was ook een frivool meiske van de wereld. Vond het spijtig dat haar man geen lid was van het Schildersambacht, zijn status als hoveling van de Bourgondiërs liet dat niet toe. Bij die Brugse gilde zetten ze graag de bloemetjes buiten en Margaretha miste dat wel. Maar in de Speelmanskapel aan de Beenhouwersstraat, bij de stadsmuzikanten, kwam ze graag over de vloer. Altijd ambiance, daar!
En Jan’s klanten, hoe zat het daarmee, wil ik graag weten. Ach, die lui! De ene nog meer verwaand dan de andere, verzekert ze. Die kanunnik Joris van der Paele, ge weet wel, van dat schilderij in Groeninge. Een pilaarbijter, maar kon zijn van ouderdom verkrampte poten niet thuishouden! En dan die hertog, Filips de Goede! Pretentie in geschenkverpakking! Hoe meer centen, hoe meer pluimen op je hoed!
Ja, maar jouw Jan zat er ook warmpjes in, toch? Da’s waar, maar Jan, dat was een brave vent. Te braaf voor deze wereld, te braaf en veel te serieus! ‘k Heb het hem zo dikwijls gezegd, ge moet een keer meer de bloemetjes buitenzetten, gij!
Maar hij was de ernst in persoon, mijne Jan!

Laat komen, die maffe affiches,
lang leve de leute!

Of ze weet dat we haar levensgezel en de andere schilders van haar tijd ‘Vlaamse Primitieven’ noemen? ’t Zal wel zijn, is haar antwoord. Maar Jan kwam uit Maaseik, een stad ver buiten het Vlaanderen van toen! Mijn Jan was helemaal geen Vlaming! Trouwens, nu je ’t zegt, hertog Filips liep niet hoog op met de Vlamingen. Met deze stad al helemaal niet, ’t zat er meer dan een keer bovenarms op met Brugge. Tegen mijn man had de hertog het over ‘primitieve Vlamingen’. Dat leest ge nergens in uw geschiedenisboeken, hé!
Ik kijk haar verbaasd aan, maar zij lacht breeduit. Kom, ’t leven is te kort en te schoon om ons daar druk over te maken! Ze heeft het gelijk op haar kant en dus vraag ik aan de toog nog een afsluitertje. En sla nog even een praatje met de patron terwijl hij mijn bestelling tapt.
Ik keer mij om. Zoals ik me eerder die avond omkeerde aan de Dijver. Margaretha is weg. Zomaar. Ineens. Ik vraag bij de tafel naast die van ons of ze haar zagen vertrekken. Vertrekken? Haar? U zat hier de hele avond alleen, meneer!
Er waait een koude wind door het Kemelstraatje. Ik fiets naar huis. Maak toch nog een ommetje langs de Dijver. Tegen de grijze gevel van ’t Groeningemuseum hangt een uitvergroting van een schilderij. De wat koel ogende dame op het portret kijkt schijnbaar onverschillig voor zich uit. Zoals ze dat sinds eeuwen doet.

Posted in Het Brugge van toen, Van schilderen en plaasteren | 4 Comments

Boudewijn, de oude dolfijn

In het nachtelijke dolfinarium, bij het vaalgroene licht van de nooduitgang-lampjes, oogt het rimpelloze water zo vredig als maar kan. Maar straks, als de dag begint, begint ook weer de dagtaak van Boudewijn, de oude dolfijn.
Boudewijn woont hier al vele jaren, hij is de nestor van het handvol soortgenoten waarmee hij zijn kunstjes opvoert. Die kijken op naar Boudewijn, de dorpsoudste, een vat vol levenswijsheid.

Mag het verbazen dat Boudewijn zich de voorbije dagen minder opwond dan zijn vrienden? Al is er best wel reden tot onrust, menen de andere dolfijnen. Want uit de gesprekken van hun begeleiders begrijpen ze dat er nieuws in de lucht hangt. Nieuws dat het hele dolfinarium aanbelangt, de begeleiders die er hun brood verdienen èn de waterbewoners. Maar ach, Boudewijn laat zich amper meedrijven met de waan van de dag. Al vraagt hij zich stilzwijgend af wat hij moet met die geruchten.

Dat dolfijnen denken, dat hoeven wij niet te vertellen, het kleinste kind weet dat. Meer zelfs, de oude Boudewijn neemt doorgaans rustig de tijd om zich een genuanceerde mening te vormen. Zijn dolfijnvrienden kunnen nog van hem leren. Nogal wat mensen ook, trouwens.
’t Zijn dit keer geen futiliteiten waarover de begeleiders van gedachten wisselen, weet Boudewijn.  Al hoort hij, sinds hij hier zijn kunstjes opvoert, wel vaker over lieden die hem en zijn soortgenoten weg willen uit het dolfinarium. Eerst dacht hij dat zo’n mensen iets hadden tegen dolfijnen. Maar neen, het gaat hen precies om het welzijn van zeezoogdieren.

Volgens die pleitbezorgers leiden waterdieren in zo’n dolfinarium een lastig bestaan. Wat eigenlijk nog meevalt, meent de oude tuimelaar. Al mist hij de zwerftochten in het zonneklare zeewater van zijn kindertijd, dat ontkent hij niet. En hij verveelt zich wel een keer.

Dan kijkt hij uit naar de stunts die hij met zijn soortgenoten mag opvoeren. Nou ja, mag. Pas als je doet wat ze vragen, krijg je lekkere happen. Maar daar maalt hij niet om. Kan je tenminste je energie kwijt. Sinds kort brengen hij en zijn makkers een nieuwe show, de afwisseling is welkom.
Wat Boudewijn dan weer niet begrijpt, is dat keer op keer mensen komen kijken. Mensen die om de haverklap luid met hun vinnen klappen, waarom is hem een raadsel.

Mensen, ze zijn ervan overtuigd dat ze zich kunnen inleven in het leven van dolfijnen. Was dat maar zo, bedenkt de bedaarde ouderling. Al heeft hij begrepen dat de mensensoort zich ook zorgen maakt om het leven in en om het water. Vertelden zijn begeleiders enkele jaren geleden niet over wat een kunstenaar in Brugge bouwde? Een buitenmaatse walvis die zich bij een plein dreigend oprichtte uit het water. Een blauwe vinvis, integraal opgetrokken uit plastiek afval, rommel zoals je er almaar meer vindt in zeeën en oceanen. Daar stonden de mensen bij stil, heel even, en dat was goed.

Een blauwe vinvis, integraal opgetrokken uit plastiek afval …
– foto Matthias Desmet –

En dan is er ook nog de onrustwekkend stijgende zeespiegel. ’t Schijnt dat daar moeilijkheden van komen. ‘Al zijn dat nu een keer ècht mensenproblemen’, glimlacht Boudewijn heimelijk, ‘Als je ’t ons vraagt, hoe meer zee, hoe liever!’ Maar dan, welopgevoed als hij is, corrigeert hij zich, ‘Leedvermaak, foei, tuimelaar!

Waarna hij bedenkt, ‘Toch maar eerst het nieuws dat vandaag de kop opsteekt!‘ Nieuws, maar tegelijk een oud verhaal.
Over het overbrengen van dolfijnen naar een ver oord, met veel meer levensruimte dan in deze behuizing. Boudewijn beseft als geen ander dat het dolfinarium zich niet kan meten met de zee. Vooral de jongelui onder de dolfijnen hebben het daar moeilijk mee.
En nochtans, aan het leven in zo’n bad zitten ook voordelen vast. Je krijgt op tijd je natje en je droogje, al is dat een uitdrukking die waterdieren niet gebruiken. En mankeer je iets, een griepje of zo, komt de dierenarts langs en die kent er wat van. Dat bestaan van hem en van zijn vrienden? Kon beter, kon slechter. Zoals ’t leven van mensen?

De plek waar ze over spreken, waar hij en zijn vrienden en vriendinnen heen zouden gaan, is een eiland in Griekenland. Het heet Lispi of zo. Daar, in een schilderachtige, afgedamde baai kunnen ze wennen aan het vrije leven in de zee. Zou het? Boudewijn twijfelt.
De zeeën van zijn jeugd, die zijn er niet meer, weet hij. Tonnen zwalpende kunststof,

Het heet Lispi of zo …
– foto Maria Theofanopoulou –

hij mag er niet aan denken. Dus misschien hebben wij het hier nog zo slecht niet in ons dolfinarium, meent de tuimelaar, en zwemt nog een min of meer tevreden rondje.
Maar in de nacht, sluimerend onder het roerloze watervlak, droomt hij zich de stralend blauwe vrijheid van zijn jonge jaren. Een wassende zee waarin de stad verzinkt, straten, huizen, torens. En uit het ondergelopen dolfinarium zwemt een school dolfijnen weg, een verre, zonovergoten einder tegemoet.

Posted in Het Brugge van nu, Van beesten, planten | 5 Comments

Ode aan de speed-pedelec

Is het een vliegtuig? Is het een vogel? Neen, dat is het niet, het is een kerel op een speed-pedelec.  Langs de Torhoutse Steenweg, waar je het fietspad deelt met je tegenliggers, stormt hij mijn richting uit. Slalomt rakelings langs een bakfietsmama die verschrikt opkijkt. Hij zoeft mij voorbij en zijn blik-op-oneindig laat er geen twijfel over bestaan, waar ze hem verwachten is hij onmisbaar en elke seconde telt. Zijn gehandschoende vuisten klemt hij om het stuur met een air van ‘Prijs u gelukkig  dat ik deze mustang in bedwang hou!
De voorbije jaren werd onze mobiliteit verrijkt met een rits nieuwerwetse spullen. De elektrische fiets, vooral. De bakfiets, de step en de elektrische brommer en sporadisch passeert een waaghals op zo’n mono-wheel. In de binnenstad kom je heel af en toe een zwerm segways tegen, elk beladen met een toerist.

kwam Cactus met een voor onze stad
ongezien idee op de proppen

En dan is er dus ook de glorierijke opkomst van de speed-pedelec.  Ook daar zijn we stilaan mee vertrouwd. Nou ja, vertrouwd.  Met het begrip alvast wel, al is het met voorsprong het lelijkste woord dat de voorbije jaren aan onze woordenschat werd toegevoegd. Maar of het voertuig zelf ons hart veroverde, daarover kunnen we nog een aardig boompje opzetten.
Laten wij het er intussen over eens zijn, sinds de komst van die nieuwigheden is het op weg zijn er alleszins spannender op geworden. Veiliger?

De speed-pedelec, stel je voor dat ze die al in onze kindertijd hadden bedacht. Zo’n futuristische vinding, we hadden er op de speelplaats de mond van vol! Een superfiets voor supermensen! Voor het soort lieden dat we kenden van op tv, Zorro of Batman.
Maar zo’n fiets was er nog niet, onze jaloezie betrof de knallende sportbrommers waar de iets oudere knapen in het dorp mee door de straten scheurden. En wie groot genoeg was, ging in ’t weekend uit met de auto van pa en ma!

… een opeenvolgende reeks ‘fietselingen’ waren daar niet vreemd aan.

Want de auto, dàt was vrijheid! Ook voor onze vaders en moeders was de vierwieler synoniem van een geslaagd bestaan. Daar hadden ze voor gewerkt en dat mocht gezien worden. Moèst gezien worden.
En zodoende hoorde het openbare domein zich te schikken naar dat statussymbool. Voorbeeldje? Laten we dat gemakshalve hier in Brugge zoeken. Waar de gemeenteraad in de jaren zestig serieus overwoog om de Coupure te dempen. Die nutteloze waterweg zou plaats ruimen voor een parking. Wees welkom, Koning Auto, in het hart van onze stad! Niet dat er geen parkeergelegenheid was in Brugge. Op de Markt, het Zand of de Burg liet je ongegeneerd je vehikel achter. Of in een winkelstraat, waarom niet?

Maar dan gingen we de jaren zeventig in. En die zouden voor een kentering zorgen. Een trage wending, weliswaar, maar toch. Vooreerst was er de oliecrisis die tot autoloze zondagen leidde. Je hoorde je vierwieler op stal te laten en dat was niet van willen, ’t was van moeten. Voor het eerst werd de auto niet langer enkel als oplossing gezien, maar ook als probleem.
En dus kwamen er andere tijden. Met hier bij ons de Lastige Bruggeling, stadskrant met slecht karakter en stoute tong. Met de alternatievelingen van Cactus, het lekker linkse cafeetje aan ’t Sint-Amandsplein. Kinderen van de seventies die, naast allerlei andere wereldverbetering, de fietser in het verkeer voorop stelden. In die ambiance kwam Cactus met een voor onze stad ongezien idee op de proppen, het verhuren van fietsen waarmee de bezoeker onze stad kon verkennen. Hadden ze ’t geleerd van de provo’s in Amsterdam, dè gidsstad van die dagen?
Al vergde de opwaardering van het fietsen geduld, veel geduld. Want al eind jaren

zeventig werd in onze binnenstad eenrichtingsverkeer de norm, maar ’t was nog ruim tien jaar wachten vooraleer we in sommige straten opnieuw in beide richtingen mochten fietsen. Sensibiliseringsacties  zoals een opeenvolgende reeks ‘fietselingen’ waren daar niet vreemd aan.

Er zijn veel fietsbanden versleten sinds die dagen. En fietsvriendelijke projecten opgezet, op veel plekken in de stad.  Maar we zijn er nog lang niet, dat ervaart al wie met de tweewieler op pad gaat. Ook deze knaap, die langs het tweerichtingsfietspad van de Torhoutse Steenweg op zijn hoede is voor elke auto die een zijstraat in of uit rijdt. En tegelijk uitkijkt voor overhaastige speed-pedelecs. Terwijl hij zich afvraagt, hoe het er aan toe zal gaan wanneer we binnen afzienbare tijd allemaal met zo’n snelfiets de weg op gaan. Veiliger?

Oeps, de titel van dit cursiefje! Met al dat heen en weer fietsen verloor ik die helemaal uit het oog. Maar niet getreurd, ik praat wel even met het knaapje dat ik lang geleden was. U weet wel, het ventje dat naar school fietst op zijn wat lompe jongensfiets zonder versnellingen. Die droomt van een rijwiel dat nog niet bestaat. Een raket op twee wielen waarmee hij heldhaftige streken uithaalt, zoals zijn helden van op televisie.
Op school schrijft hij er straks een opstel over, dat doet hij graag. Over een fiets, zo snel en wendbaar als de auto van Batman of het paard van Zorro. Een ode aan de speed-pedelec, kortom. Al bedenkt hij voor dat zelf verzonnen wondertuig vast wel een fraaier benaming.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van wielen en op weg zijn | 4 Comments

Kaartlezen met nieuwjaar

Vent? Welke vent?” De vraag en de guitige ogen van ons nichtje glimmen van geveinsde onwetendheid. Mijn wederhelft en ik schudden het hoofd. “De advent, meiske, de advent!”, repliceer ik met gespeelde verontwaardiging, ‘Dat zijn de weken voor kerstmis!
Voor uw oom is dat een gewichtige tijd.”, vult mijn huisgenote aan op hoogst ernstige toon, “Dagen waarin hij zich afzondert om zijn nieuwjaarsgedicht te schrijven. En dat juweeltje van woordkunst wil hij dan op zo’n overjaarse, papieren wenskaart.” Ik hoor de knipoog in haar stem.
Bij elk jaareinde is onze woonst getuige van telkens weer dezelfde gedachtewissel. En dus zet mijn levenspartner ook vandaag haar argumenten nog een keer op een rij. Want wie weet, kan in dit dispuut ons nichtje haar nonkel overtuigen van ’t gelijk van haar tante.
Nieuwjaarsgroeten, of je die nu langs digitale weg bezorgt, dan wel in een envelop met een postzegel erop, wat maakt het uit? Een wens is een wens, toch? Maar die malle oom van jou, die wil elke keer weer alles op papier!

Oudejaar in het Brugge van tien jaar geleden …

Van haar tante naar haar nonkel kijkt het lieve kind, zich bewust van de verantwoordelijkheid die op haar prille schouders rust.
Nonkel hult zich in stilzwijgen. Heel even. En dan vertelt hij over de charme van een wenskaart. Want jaarwensen horen op papier, zo hebben wij het altijd gekend en dat wil hij het liefst zo houden.
Zo’n kaart, geschreven voor wie je na aan ’t hart ligt, in de postbus deponeren? Het heeft wat en het geeft wat. Want de ene wens brengt de andere aan. En zo is er straks weer de feestelijke frisheid van nieuwjaarskaarten die, rijen dik, van boven op de boekenkast onze huiskamer opvrolijken.
Mensen groeten mekaar, dag in, dag uit. Tot ziens, salut, prettige dag verder. Daar blijft het doorgaans bij en daar is niks mis mee. Maar hoe dikwijls geven we aan, dat we mekaar ook ècht een schone tijd toewensen? Eén enkele keer, met nieuwjaar.

… het Brugge van een kwarteeuw geleden …

Meer niet. Meer hoeft ook niet. Maar als het dan toch maar zo sporadisch voorvalt, laten we het dan ook maar op papier zetten. Als een contract, eigenlijk.
En ’t is waar, het kost wat. Kaartje, postzegel, envelop. En ja, ’t leven van alledag is duur. Maar ook kostbaar. En het meest kostbare, dat is wat we voor mekaar zijn, toch? Dus laten we dat boekhoudkundig invullen als ‘investering in het meest waardevolle’.
De halve wereld zo’n kaart toesturen? Ach kom, ook een digitale groet is vele keren waardevoller dan niks. Maar wie je echt in ‘t hart draagt, die stuur je dat ene, tastbare kleinood.

Wenskaarten, het zijn geuren en tinten. Het spitsvondig ontworpen kunstwerkje met oogstrelende kalligrafie, ons toegestuurd door hartsvrienden. Een groottante die met moeizame vulpen ‘zalig en voorspoedig nieuwjaar’ krabbelt op haar klassieke kaartje met winterlandschap. De jaarwissel, dat is kaartlezen.

… en dat van een halve eeuw geleden.

Vriendschap, kameraadschap, verbondenheid en ja, misschien ook die enkele verplichte connectie, kleurrijk schouder aan schouder op een boekenkast. Geen computerscherm of smartphone kan daaraan tippen.
Was deze verzamelaar niet zo verknocht aan zijn affiches, hield hij het misschien bij nieuwjaarskaarten.

Het nichtje heeft aandachtig geluisterd naar het pleidooi van haar oom. Haar tante niet, zij kent de speech van haar huisgenoot inmiddels min of meer uit het hoofd. Trouwens, zij is meer van aanpakken dan van woorden. Dus terwijl manlief pleit, leegt ze maar alvast de brievenbus. Komt weer binnen met een krant en een weekblad. En twee enveloppen. Neen, drie. Eén ervan draagt een Hollandse postzegel. Familie van haar stuurt ons, helemaal uit Rotterdam, een nieuwjaarsgroet.
Het nichtje zucht. Wat nonkel laat besluiten dat ie toch minstens een klein beetje het gelijk aan zijn kant heeft.

Posted in Het Brugge van nu, Over affiches verzamelen, Over welzijn en gezondheid, Van feesten en vieren, Van zin, zen en zijn | 9 Comments

Van Bethlehem en de Wulgenbroeken

De Zuidzandstraat vult zich met de fluwelen stem van Mariah Carey wanneer ik van bij het Zand ’t stad in wandel. Je kan er niet om heen, Mariah vat haar ‘All I want for Christmas’ aan als een volleerde gospelzangeres. Wat na een handvol maten volgt, het swingende popdeuntje met dat olijke koor, zal het mij weer de rest van de dag achtervolgen? ’t Is een geestig lied van een aardig meiske, ik kon het erger treffen. Al duurt ook dit, zoals alle schone liedjes, niet lang. Bij de kathedraal gekomen, bedenk ik nog even dat Mariah mij zonet toezong dat ze voor haar kerst alleen maar mij wil. ‘All I want for Christmas is you’, ‘t zijn haar woorden! Maar ach, in ’t leven moet ge niet alles persoonlijk opvatten.
Trouwens, het contrast met wat volgt kan amper groter. Want langs de hoge winkelgevels klinkt het aloude ‘Maria die soude naer Bethlehem gaen’, lied uit onze meest vrome kinderdagen.
Later die middag, weer thuis, ga ik op zolder mijn cd-collectie opdiepen. De meeste van onze platen van weleer zijn daar al sinds een paar jaar beland. Al kom ik af en toe met een handjevol weer de trap af. Veelal wanneer, zoals nu, enige nostalgie mij treft.
Ik zoek en vind Jan De Wilde. Jaren geleden vulde hij een plaat met kerstliedjes. Toegegeven, de kleinkunstzanger is Mariah Carey niet. Zijn stem is van meer bescheiden komaf en bij nader toezien valt ook qua fysiek enig onderscheid te melden.

Maria die soude naer Bethlehem gaen’,
lied uit onze meest vrome kinderdagen.

Maar Jan is hier in goed gezelschap. Currende, het oude-muziek-gezelschap van Erik Van Nevel, giet een warme, barokke saus over de liederen en er is een kinderkoor. Dat maakt veel goed. Een enkele keer houdt Jan De Wilde zelfs zijn mond en laat woord en zang aan het koor met de muzikanten. Zo ook bij ‘Maria die soude naer Bethelehem gaen’. Zonder de zeurende zang van Jan krijgt het lied overigens een verrassend danstempo.
Onze met veel goesting opwarmende kachel zoemt mee en ik neem de tijd om acht te slaan op wat het eeuwenoude lied vertelt.
‘Maria die soude naer Bethlehem gaen,
kerstavond voor de noene.
Sint-Jozef die soude met haar gaen,
om haar de weg te toene.’

Die beginstrofe laat mij toe om vlotjes mee te murmelen, weliswaar niet beter dan Jan, maar bij het vervolg van ’t verhaal moet ik passen. En leert het lied ons hoe het Maria en Josef verder verging.
Zij kwamen een weinig verder gegaen,
tot aan een boerescheure.
’t Is daar dat Heer Jezus geboren werd,
daar sloten noch venster noch deure.
De stal waar het koor van Jan De Wilde het over heeft, oogt niet als een bijzonder aangename plek voor de nacht. En al helemaal niet voor een moeder om er te bevallen.

“… Wat in de eeuwen die volgden, volstond om het decor aan te vullen
met een stal, een os en een ezel.”

Dat het traditionele kerstverhaal ons nog behoorlijk bekend is, daar heeft onze leeftijd alles mee te maken. En aan onze braaf-katholieke opvoeding, natuurlijk. En niets werd in vraag gesteld, zoals we het op school hadden geleerd, zo was het geschied.
Al betrap ik er mezelf vandaag soms op, nog één en ander te willen opzoeken. Zo ook, echt waar, over wat in de bijbel staat over kerstmis. Blijkt dat van de vier evangelisten er maar twee stil staan bij de geboorte van Jezus. En geen van hen heeft het over een stal. Wel over een kribbe, een voederbak waarin het kind werd gelegd. In de eeuwen die volgden, volstond dat om het decor aan te vullen met een stal, een os en een ezel.
En zodoende stond bij ons thuis elke kerst weer hetzelfde stalletje onder de kerstboom. Met fijn ingekleurde, magere beeldjes, de traditionele figuren. Eigenlijk leek het mij daar onder die boom een gezellig onderonsje, weet ik nog.

Maar de wereld wentelt verder en later op de avond brengt het nieuws ons, heel even, naar Gaza. Naar tunnels en scherpschutters. Naar drones en gebombardeerde ziekenhuizen. Naar mensen op de dool, zoals lang geleden een man en een hoogzwangere vrouw op de dool waren. Het avondnieuws toont tochtige voddententen waarin kinderen, mannen, vrouwen schuilen. Zwangere vrouwen, ongetwijfeld ook. En weer denk ik aan dat voorvaderlijke kerstlied. Werd het kind waarover we zingen, geboren in Bethlehem? Of in Gaza? Oekraïne?

De volgende, nevelige ochtend fiets ik van onze kant van Brugge naar Oostkamp. Door de kille mist bij de Wulgenbroeken, maar de weg is mij bekend. Waar verderop, voorbij het

– foto @ Jean D’heedene –

viaduct onder de spoorweg, het boerderijtje uit de mist opdoemt, weet ik, het is niet ver meer. Maar dan treft mij hetgeen me anders zo vertrouwd voorkomt. In het ontwakend ochtendlicht houdt het zich moeizaam staande, in de weide naast de stallen, het stilaan onder zijn eigen ouderdom bezwijkende schuurtje.
‘… daar sloten noch venster noch deure …’ Waar Jezus geboren werd? Hier, bij de Wulgenbroeken?
De Wulgenbroeken, het charmante Amerikaantje met haar opgeblonken kerstdeuntje heeft er geen weet van. Dus doe mij toch maar ‘Maria die soude er naar Bethlehem gaen’.

‘Maria die soude naer Bethlehem gaen’ hoort u hier: https://www.youtube.com/watch?v=LHsC9ZHR9X4

Posted in Het Brugge van nu, Van feesten en vieren, Van zin, zen en zijn, Van zingen en spelen | 11 Comments

(OP) WEG MET DE COMPUTER !

Hoe zou het nog zijn met meneer Wille? In het korte lijstje van leerkrachten die mijn kijk op het leven hielpen uittekenen, ontbreekt zijn naam. En toch was hij het, onze leraar Wetenschappen, die mij deze week voor de geest kwam.
Dat was toen in ’t avondnieuws onze minister van Onderwijs zijn zegje deed over de ‘digisprong’ in de onderwijswereld. Zoals wel vaker, ging het over centen. Over wie die centen zal opdiepen, om elke scholier vanaf ’t vijfde leerjaar de klas te laten binnenwandelen met een laptop onder de arm. De minister had een mening, iemand van ’t onderwijs had er ook een. En zoals wel vaker, was de kous daarmee af. Over naar het volgende item.


De toekomst was een donkerkleurig doosje, een sandwich groot …

Of miste ik het vervolg omdat mijn gedachten afdwaalden naar een avond, héél lang geleden, bij ons op school? Naar die verre tijd, ergens midden de jaren zeventig van vorige eeuw. De tijd van gestencilde cursussen, opgemaakt op mechanische typmachines.
Er was een informatieavond voor ouders. En wij, een handvol leerlingen van de hogere jaren, waren ook present. We boden de aanwezigen een natje en een droogje, voor een prikje. Wellicht voor één of ander goed doel, dat herinner ik mij niet meer.
Wat ik mij wel herinner, is het onderwerp dat die keer aan bod kwam. Dat bleek goed voor een onverwacht hevige gedachtewissel. Wij, leerlingen, werden niet bij het debat betrokken, maar we luisterden aandachtiger dan tijdens de meeste van onze lessen. Want de directie kondigde aan dat wij op school de kans zouden krijgen om … een rekentoestel aan te kopen.
Wel ja, waarde ouders, uw school gaat mee met haar tijd! En zo’n rekenmachine, dat is waarlijk dé toekomst!
De toekomst was een wat raadselachtig doosje, een sandwich groot, met drukknoppen en een schermpje waarop rode, hoekige cijfers verschenen wanneer je die knoppen indrukte. Zo’n nieuwerwets ding kon in een handomdraai optellen en aftrekken, vermenigvuldigen en delen. Maar het was ook capabel om procenten, vierkantswortels en andere vernuftigheden te berekenen.
De commotie, die avond! De verontwaardiging op de gezichten van nogal wat verontruste vaders en moeders! Straks kan onze jeugd niet meer hoofdrekenen, meneer! Gemakzucht loert om de hoek, en luiheid! Een moeder verzekerde dat haar zoon onder geen beding zo’n verwerpelijk spul in handen zou krijgen. Rumoer, kortom!
En toen stond, midden het gekijf, meneer Wille op. Rustig en zelfzeker, zoals we hem kenden, met in zijn hand zijn rekentoestel en in zijn pleidooi een paar weloverwogen argumenten.

Met dit toestel, verzekerde hij, staan we weliswaar aan het einde van een oud, maar vooral aan het begin van een heel nieuw tijdperk! Een tijdperk waarin alles anders zal worden dan voorheen. Binnen enkele jaren voeren wij hier met z’n allen deze zelfde discussie over de computer!
Voor ons, jongelui, kon de dag niet meer stuk. Weer buiten, in de winterkou van de Boeveriestraat, waren we het roerend eens, ‘onze’ meneer Wille verdiende een staande ovatie. Die hij, voor alle duidelijkheid, die keer niet kreeg. Maar later die avond klonken in De Goezeput scholieren op het heil van hun leraar Wetenschappen.

Om vast te stellen dat hij het bij het rechte eind had, hoefden we niet eens zo lang te wachten. ‘Bestuurt iedereen morgen een computer’, een jaar later kwam op een decemberavond een Gentse prof met die vraag langs in ’t Leerhuys bij Groeninge. De titel van zijn lezing afsluiten met een vraagteken, dat vond de professor overbodig, hij was zeker van het antwoord. Al lag dat antwoord nog ver weg, ergens achter de horizon van de tijd.

Achter die horizon, in het jaar 1995, bracht in de Werf een vernieuwend toneelgezelschap ‘2012, now I am nationwide’, een experimenteel en futuristisch verhaal over een jongen die zijn brein verliest in een computer. Er zit iets aan te komen, leek het absurde verhaal ons te waarschuwen.
Maar ’t ging vooruit.
Want enkele jaren verder, bij de aanvang van het nieuwe millennium, trok een sensibiliseringscampagne van de overheid van stad naar stad onder de naam ‘Allen op het netro@dshow 2000

Al klonk hier en daar ook een tegenstem. Zo publiceerden rond diezelfde tijd een paar vooraanstaande lieden uit de omgeving van het Steiner-onderwijs een artikel ‘Hype, hype, hoer@?, kritische noten bij de invoering van computers in het onderwijs’.

Een breedvoerig pleidooi waarin je zinnen las als ‘De computerindustrie heeft een duidelijk belang bij het stimuleren van het computergebruik in de scholen’.
Of wat dacht u van ‘Computervaardigheid voorstellen als een nieuwe vorm van geletterdheid is een misleidende overschatting.
Verder luidde het ‘Mijn kinderen krijgen bijvoorbeeld ook les informatica op school. Wat leren zij? Microsoft Works.
Alsof de les is verworden tot een verkoopinstrument van Bill Gates.
Er wordt besloten dat ‘de nieuwe media alleen datapuin en splinters te bieden hebben’.

Maar onze stad toont in het Culturele Hoofdstad-jaar 2002 met het apenstaartje in de titel van de expositie ‘Hanse@Medici’ dat we helemaal mee zijn met het digitale verhaal. Op de affiche ontwaar je, bij de historische stadskraan, zowaar een koopman met in zijn tekstballonnetje ‘Ik mail je morgen mijn offerte’. Middeleeuws grapje.

Eens temeer blijkt hoe elk afficheontwerp vertelt over de dagen waarin het wordt uitgedacht. Zo fungeert vijf jaar geleden, bij de ‘digitale week’ van de stadsbibliotheek, iemand met een 3D-bril als bij-de-tijds campagnebeeld.

Wie beweert dat het snel gaat en almaar sneller, trapt open deuren in. Binnen pakweg twee jaar is dit al lang achterhaalde cursiefje goed voor een glimlach. Hopelijk met enig begrip voor wie het schreef.
Want je zal vandaag maar iets vertellen over, bijvoorbeeld, artificial intelligence. Bij het afronden van je laatste zin kan je alweer één en ander bijsturen. Of waarom dacht u, lezer, dat de schrijver van dit stukje hier de aftocht blaast?
En ja, enig wantrouwen omtrent de digitale snelweg is geboden. Al zijn hier de woorden van een leraar van lang geleden op hun plaats. Want al staan we onmiskenbaar aan het einde van een oud, we staan vooral aan het begin van een compleet nieuw tijdperk.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen | 7 Comments

Het ‘Woord van het Jaar’ … in 1907

Je bent jong en je wilt wat. Op de dingen vooruitlopen, bijvoorbeeld. Dat mag ons, boomers, niet verbazen. In ons eigen verre verleden waren we daar net zo sterk in. En dus keken we nu ook niet verwonderd op, wanneer enkele weken geleden al het ‘Tienerwoord van het Jaar’ werd bekendgemaakt. Het jaar loopt nog een eind, denk je dan, er kunnen zich nog nieuwe modewoorden aandienen. Maar laat knallen die champagne! Of neen, doe de jongelui maar een gin-tonic, zij verkozen tenslotte het ‘Tienerwoord van het Jaar’!
De ongetwijfeld benijdenswaardige eretitel werd dit keer toegekend aan het aloude ‘heftig’. Eerder banaal, jawel, maar ‘heftig’ promoveerde recent tot ‘alomtegenwoordig woord’. Wanneer iets indruk maakt, positief of negatief, dan is dat ‘heftig’. Let wel, boomers, laat dat over aan het jonge volkje, ’t is goed dat ge uw plaats kent in de geschiedenis.
Al weten boomers beter. Omtrent woorden en hun houdbaarheidsdatum, bijvoorbeeld. Eenmaal die gepasseerd, raken ze in de vergetelheid. Misschien zijn de gedateerde woorden die wij, oudjes, achter ons lieten talrijker dan alle woorden die het jonge grut ooit aanleerde. En dat ligt geenszins aan ons stilaan aftandse geheugen. Neem nu bijvoorbeeld de benaming van veel nuttigs uit onze jonge tijd. Van de typmachine tot het rekentoestel. En, weet u nog, de videobanden die we ontleenden in de videotheek?

Trouwens, sommige spullen die we nu nog dagdagelijks gebruiken, werden in hun verre begintijd benoemd met een ander woord dan vandaag. Zo noemde men wat in onze garage staat een automobiel en waar we ons in ons salon elke avond aan vergapen heette kleurentelevisie. En op het aanrecht in de keuken zingt een transistorradio.

Al verzinnen wij, boomers, in recenter tijden ook wel een keer een heel nieuw woord of een nooit eerder geformuleerd begrip. Hier bij ons in Brugge, bijvoorbeeld, hebben we het over het ‘levend archief’. Toegegeven, ‘levend archief’ klinkt net zo absurd als ‘vierkant wiel’ of ‘vliegende tuinslang’, maar toch. Levend Archief – het dient geschreven met hoofdletter! – is de vereniging van sympathisanten van het stadsarchief.
Dat gezelschap, dat zichzelf bijzonder serieus neemt, viert dit jaar trouwens zijn dertigste verjaardag. Dat feest kwam hier onlangs al even ter sprake, maar wij vonden een grondige reden om er nog een keer op terug te komen.

Een soort gestileerd archiefdoosje was het …

Na grondig onderzoek der archieven kwamen wij namelijk tot de conclusie dat de stichting die vandaag dertig jaar bestaat, twintig jaar geleden haar tienjarig bestaan vierde. Verrassingen zijn van alle tijden! En ook bij die verjaardag werd uitgepakt met schone initiatieven. Of wat dacht u van een tentoonstelling en … een doos?

Topstukken uit het Stadsarchief Brugge’ stond op de affiche èn op een sjiek doosje. Een soort gestileerd archiefdoosje was het, met daarin losse dossiertjes over elk van de tien stukken op de expositie. Wie zo’n souvenir meenam, kon thuis nog nagenieten van wat er te zien was.
Ondergetekende koestert tot vandaag nog altijd dat kleinood. Niet elke dag, een mens heeft meer te doen, maar het blijft een bijzonderheid in zijn collectie Brugge-spullen.

Dat komt door één van de blikvangers op de tentoonstelling. Een affiche, wat had u verwacht? En nog wel eentje van Flori Van Acker, de godfather van de Brugse affichekunst. Nou ja, eentje, een buitenmaats ding, ze is net niet zo hoog als de verzamelaar die ze sinds een tijd in huis heeft. Al is het niet dat formaat dat haar tot pronkstuk van zijn collectie maakt. Wel haar artistieke kwaliteit, de verrassend goede staat waarin ze meer dan een eeuw doorstond èn haar zeldzaamheid. En om wat ze aankondigt, natuurlijk.

… de tentoonstelling rond de Orde van het Gulden Vlies als uitschieter.
– foto Beeldbank Brugge –

De affiche verscheen in het straatbeeld in de zomer van 1907. In de annalen van Brugge blijft dat jaar voor altijd geblokletterd als hèt moment waarop onze stad zich opmaakte voor de grootste remonte sinds de neergang van haar haven in de late middeleeuwen. De lang verwachte inhuldiging van de nieuwe haven, die we vandaag kennen als Zeebrugge, was een feit. Daar kwamen een heleboel feestelijkheden bij kijken, met de tentoonstelling rond de Orde van het Gulden Vlies als uitschieter.
In zijn atelier in de Korte Vuldersstraat ontwierp Flori Van Acker voor die expositie twee verschillende affiches. Dit is er één van, de andere is gedrukt in het handiger standaardformaat en om die reden vandaag net ièts minder zeldzaam.

Wat Van Acker toont op die buitenmaatse affiche? Wel, we hadden het hier net nog over hoe tijdsgebonden woordenschat kan wezen. Daarom laat ik de beschrijving van de affiche graag over aan Maurits Van Coppenolle. In de jaren dertig schreef de heemkundige een boekje over Flori Van Acker. En zoals hij over de affiche vertelt, dat wil ik de lezer niet onthouden.
Gaat u er rustig bij zitten. Ziehier, compleet mèt oude spelling, de charme van een vergeten woordenrijkdom.

De hertog,
in zijn scharlaken mantel gehuld …

“Nog schitterender is dit plakkaat van de Gulden Vlies-expositie, waarop Filips de Goede de orde van het Gulden Vlies stichtende, is uitgebeeld.
De monarch legt zijn eed af op het open evangelieboek, gehouden door de bisschop.
De hertog, in zijn scharlaken mantel gehuld, is waarlijk majestatisch. Dit figuur maakt zich glansrijk los van het geheel, wijl den bisschop, met waardeering, maar gezag-bewust, naar den hertog buigt.
Voor een brandvenster en een muur waarop de blazoenen van Filip’s staten worden weergegeven, groepeert de flink samengestelde achtergrond de geestelijkheid,
de vaandeldragers, de herauten. Twee schildknapen, de wapens van Bourgondië dragende.
En een prelaat, die een kussen met reliek houdt.
Als men van een meesterwerk in dezen trant spreken wil, is de Gulden Vlies-plakbrief er zeker één van oorspronkelijkheid, samenstelling en uitvoering.”

Voilà, zo hoort u het ook een keer van een ander.
Hoe zeldzaam zo’n affiche is? Wel, ’t vergde toch een heleboel jaren vooraleer ik er eentje kon toevoegen aan mijn verzameling. Op de tentoonstelling in het archief, die van twintig jaar geleden dus, werd ze getoond als een samengevouwen document, ingeplakt in een album dat in de dagen van de inhuldiging van de haven met veel zorg werd samengesteld door Edmond Gilleman, een gedreven stadsambtenaar.

… samen met een andere affiche van Van Acker … in herdruk.

En tot mijn niet geringe verbazing is ze in het Gruuthusemuseum, in de zaal waar neogotiek aan bod komt, te zien samen met een andere affiche van Van Acker … in herdruk. Namaak, jawel, en dat zie je van meters ver. Het hele Gruuthusepaleis ademt neogotiek, die zaal nog meer dan andere. En midden al die kostbare stukken valt je oog op twee reproducties, glimmend als een prent in een kleuterklas. Klopt het, wat navraag ons leert, dat één en ander verband houdt met de gevoeligheid van het originele werk voor daglicht? Of heeft zo’n dubieuze keuze van doen met het simpele feit dat Musea Brugge geen origineel in huis heeft? Pakt een museum dat zichzelf respecteert uit met namaakstukken?
Flori Van Acker’s affiche verwijst naar ijkpunten in de geschiedenis van deze stad. De inhuldiging van haar nieuwe haven, één van haar spraakmakende tentoonstellingen èn de stichting van de Orde van het Gulden Vlies.  Brugge verdient beter. Flori Van Acker, ook jij verdient beter.
Zoiets vaststellen in één van onze gerenommeerde musea … Mijn beste Flori, dat was heftig!

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Over affiches verzamelen, Van feesten en vieren, Van schilderen en plaasteren, Zeebrugge, de haven | 8 Comments

Het bijna oudste beroep ter wereld

Hoewel het kleine manneke de albums van de Rode Ridder eerder onder ogen kreeg, had hij al vrij snel een boontje voor die andere gewapende stripheld, Lucky Luke. De middeleeuwse ridder, even onverschrokken als onbaatzuchtig, maakte weliswaar indruk op dit striplezertje. Album na album stond de strijder tegen onrecht paraat in de meest penibele situaties. Stoer en gespierd, maar van lachspieren had zijn striptekenaar nog nooit gehoord. Dus doe mij maar tekenaar Morris met zijn laconieke cowboy, de man die sneller schiet dan zijn schaduw.
Een week of twee geleden kwam ik ze na lange tijd weer tegen, de ridder en Lucky Luke. Bladerend door die albums op het stripfestival in ’t Sint-Lodewijkscollege, realiseerde ik mij hoezeer ik vandaag met andere ogen naar zo’n verhaal kijk. Vroeger zonder en nu mèt bril, dat ook, ja. Maar vooral hoe een mens na al die jaren zo’n avontuur anders gaat lezen! Want nu pas merk ik hoe het er bij die gasten aan toe gaat. Dag in, dag uit wordt in Lucky Luke’s Wilde Westen gejongleerd met pistolen. En bij de Rode Ridder staan ze mekaar om het minste met zwaarden en ander vervaarlijk gereedschap naar het leven. Maar in zo’n verhaal valt nergens ook maar één druppel bloed. Faut le faire!

Maar nergens valt ook maar één druppel bloed.
Faut le faire!

Ach, de eigen wetmatigheden van strips. Dat de cowboy niet één keer een baaldag kent en de ridder nooit toe is aan een sanitaire stop, daar valt mee te leven. Maar deze striplezer zit opgescheept met nog een andere bedenking. Ook zo eentje dat komt ‘met de jaren van verstand’. Hoe zit het, vraag ik mij af, met de wapens van mijn striphelden? Waar komt de revolver van Lucky Luke vandaan en wie hielp de middeleeuwer aan zijn slagzwaard? Lucky Luke’s bedenker, Morris, en Willy Vandersteen, geestelijke vader van de Rode Ridder, allebei laten ze ons daaromtrent in het ongewisse.

Vraagt u zich af of dat ertoe doet? Weet dan, dat zelfs de meest gerenommeerde archeologen mij in deze bijtreden. Want zelfs bij de holbewoners in de prehistorie waren er al lieden bij wie ‘wapenmaker’ boven de voordeur van hun grot stond te lezen. Om maar te zeggen, het gaat hier om één der oudste beroepen ter wereld.
De redelijke consensus omtrent het oudste beroep willen wij hier geenszins in twijfel trekken. Maar geloof ons, de stiel van wapenmaker komt daar meteen achteraan.
Laten we het er alvast over eens zijn, zonder die beroepsbezigheid zag de wereld er behoorlijk anders uit. Zonder het oudste beroep ook, maar laat dat onze aandacht niet afleiden van het gewichtige discours dat wij hier aanvatten.

Wie alsnog meent dat het aanzien van vaklieden die wapens in mekaar knutselen iets is van recentere tijden, vergezellen we graag op een toertje door onze eigenste binnenstad. Zoals ik laatst met een vriendengroep op pad ging. Bij een zijstraat van de Philipstockstraat lachte één van hen ‘Dit lijkt mij een fijne stad om te wonen, maar toch liever niet in deze straat!’ en hij wees naar het naambordje met daarop ‘Wapenmakersstraat’.

… hun zwaarden en goedendags
die ze meezeulden
naar de Groeningekouter.

En dan is het aan de stadsgids om te duiden dat we hier al in de jaren 1300 zo’n straatnaam kenden. Dus wie weet, haalden Pieter de Coninck en zijn kompanen in de zomer van 1302 hier hun zwaarden en goedendags die ze meezeulden naar de Groeningekouter.

Al was ook in recenter tijden niet altijd alles peis en vree in onze stede. De twee wereldoorlogen die hier in de voorbije eeuw passeerden lieten hun littekens na. En zelfs in mijn eigen herinnering sluimeren beelden die ook de lezer misschien herkent. Zoals die middag in de jaren zeventig van onze jeugd, een boel jongelui die door het stadscentrum trekken, de politie nadrukkelijk en wantrouwig in hun kielzog. Spandoeken en slogans die het wapentransport aanklagen waar de haven van Zeebrugge zich toe leent. Kordaat en luidruchtig stappen ze in de Steenstraat langs het Simon Stevinplein, waar in de etalage van wapenhandel Priem wolfijzers en schietgeweren blinken in de middagzon.

Maar laten we onszelf niets wijs maken. Er passeert weliswaar, voor zover wij weten, geen oorlogstuig meer in Zeebrugge – maakte onze optocht destijds zoveel indruk? Maar dat het wereldwijd nog altijd knettert, dat hoeven wij u niet te vertellen. En alom wordt geïnvesteerd in èn verdiend aan het aanmaken van wapens, het verhandelen ervan. ‘Beleg in de defensiesector!‘, aldus de ‘wijze‘ raad die de investeerder onlangs kreeg. Van Testaankoop, echt waar! Wonen we uiteindelijk toch met z’n allen in de Wapenmakersstraat?

‘De twee wereldoorlogen die hier
in de voorbije eeuw passeerden
lieten hun littekens na.’

Even terug naar de hoek van die straat. We zetten onze weg verder en na de aanmerking omtrent de straatnaam, merkt de grapjas van het gezelschap op ‘Dan woon ik liever in ’t Stoofstraatje!’ Mijn gezelschap herinnert zich wat ik eerder op onze toer over de Stoofstraat vertelde. Over die naam die naar een ‘badstoof’ verwijst.
Badstoven, in het middeleeuwse Brugge kon je er tegen betaling een warm bad nemen, waren aanvankelijk gescheiden instellingen, mannen hier en vrouwen daar. Maar in havenstad Brugge hadden al die zeelui die hier aanlegden – het zoute water meer dan moe – ook wel een keer zin in een lekker bad. Zo kwam het dat badhuizen stilaan een iets andere, meer frivole invulling kregen. Het ene verhaal van de gids onthouden bezoekers al makkelijker dan het andere.
Zelfs het oudste beroep kreeg in deze stad een straatnaam!’, merkt nog iemand op.

Er is de Rode Ridder, die wel een keer
een rondborstige tegenspeelster ontmoet …

Terwijl de schrijver van dit stukje bovenstaande conversatie noteert, bedenkt hij dat zijn striphelden ook dàt aspect van ’t leven aan zich voorbij laten gaan. Kruist een rondborstige schone het pad van de Rode Ridder? Wacht een in gevaar verkerende jonkvrouw, hulpeloos smachtend, op haar heldhaftige bevrijder? Haar redder blijft trouw aan zijn opdracht, zoals het van ridders in de boeken staat. Hoofse liefde en de teleurstelling van het strips lezende knaapje!

Middeleeuws hoofs

En Lucky Luke? Ach, al laat zijn tekenaar een olijke madam postvatten bij de klapdeuren van een saloon, ook de cowboy blijkt niet uit te blinken als ’t op testosteron aankomt. Tekenaar Morris laat zijn stripheld als coole bink de andere kant opkijken, het nonchalante sigaretje in de mondhoek.
Al kan ook dat verkeren. Wanneer de revolverheld na een aantal albums ook voet aan de grond krijgt in Frankrijk, krijgt Morris van zijn uitgever een lijstje met ‘gewenste aanpassingen’.
Halfblote dames? Inacceptabe!
En wanneer ook Amerika, land van cowboys en indianen, voor de strip overstag gaat is het hek helemaal van de dam. Een rokende Lucky Luke? No way! In het land waar je op elke straathoek een dodelijk wapen koopt, vindt men een stripfiguur met sigarettenpeuk levensgevaarlijk.

Maar wat lees ik hier over tekenaar Morris? Eén keer verzint hij, om al dat moraliserende gedoe van zich af te tekenen, een kortverhaal waarin een rokende Lucky Luke zich menig glas whiskey laat inschenken, nog wat stoute fratsen uithaalt en tenslotte tussen de lakens belandt met een cancan-danseres.
De Rode Ridder? De gedachte alleen al brengt hem het schaamrood op de wangen.
Zie je wel, ik heb het altijd geweten, Lucky Luke heeft meer in zijn mars! Tekent lekker buiten de lijntjes als het hem uitkomt.
En schiet bovendien sneller dan zijn schaduw. En da’s maar goed ook. Trager zou belachelijk zijn.

Honderd jaar geleden werd Morris, geestelijke vader van Lucky Luke, geboren in Kortrijk. Tot zondag 17 december loopt een retrospectieve tentoonstelling in het stadhuis van zijn geboortestad … Meer info vindt u hier.
En tot eind januari kan je in Brussel terecht voor een expo met origineel werk van de tekenaar. Dat leest u hier.

Posted in Het Brugge van toen, Over oorlog, Van boeken en schrijven | 4 Comments

Jeugd en Muziek

Versleten muziek,
die kon alleen maar sufferig klinken.

‘Jullie zijn de zestig voorbij? Zo jong nog!’ Met de glimlach waarmee ze het zegt, ontwaakt in haar blik heel even het meisje dat ze lang geleden was. Meer dan negentig levensjaren leerden haar dat elke dag zijn waarde heeft. En dat al ons rusteloos streven en alle haast van vandaag niemendal aan die waarde toevoegt. ‘Ik was nooit erg streverig. Soms naïef, dat wel.’, besluit ze, ‘Maar dat stond mijn geluk nooit in de weg, integendeel.
’t Is een herfstige, lome zondagmiddag, zo’n dag waarop een houtkachel ronkt alsof hij content is en een paar glaasjes porto doen wat ze horen te doen. Op de radio zingt een dromerige cello, iets van Bach. Wat volstaat om ons bejaarde gezelschap tot nog een filosofische overweging te verleiden. ‘Muziek verzacht de zeden’, zucht ze.

Muziek verzacht de zeden’ … Hoe omschrijf je zo’n dooddoener ook alweer? Dat noemen ze ‘een gezegde’, toch? Woorden waarmee je doorgaans alle kanten op kan. En al helemaal als de zeden verzachtende eigenschap van muziek aan bod komt.
Lang geleden, toen ik zelf nog jong was en naïef, kwam het mij voor als kreeg muziek met die wijsvingerige woorden een slaapverwekkende eigenschap toebedeeld. En omdat ik niet beter wist, bracht mij dat als vanzelf bij wat we doorgaans omschreven als ‘klassieke muziek’. Versleten muziek, die kon alleen maar sufferig klinken.

Keren wij even terug naar dat ‘lang geleden’ van mij.
In die dagen ben ik een muziekkenner, of tenminste, zo schat ik mezelf graag in. Bijna elke week ga ik langs in de stadsbibliotheek op het Jan van Eyckplein. En daar in het Tolhuis neem ik keer op keer een handvol langspeelplaten mee, die kan je daar ontlenen. Bob Dylan, The Band, Boudewijn de Groot, dat soort namen, daarover wil ik kunnen meepraten. En ’t moet gezegd, dat lukt me aardig.

… in de stadsbibliotheek op het Jan van Eyckplein.
– foto Beeldbank Brugge –

Maar op een keer heb ik – misschien, of wellicht, per vergissing – tussen dat stapeltje platen eentje mee met muziek van … Johann Sebastian Bach. ‘Brandenburg Concertos’, het is zo’n dubbel-elpee, een hoes die je openvouwt met in elke vleugel een plaat. Ik leg toch maar een keer één van die schijven op mijn draaitafel.

Wat is me dat? Werd ik ooit zo van mijn sokkel geblazen als door de fijnmazige muziek van dit selecte talentenclubje dat ene Gustav Leonhardt rond zich verzamelde? Het ene moment jubelen houtblazers alsof we zonet in ’t aards paradijs zijn aangeland. Iets verderop buigen zich strijkers in trage, melancholische lijnen, warm kippenvel. Waarna het hele gezelschap uitpakt met de ambiance van een volksdans.

Weinig later breng ik uit de bib een langspeler mee van Duke Ellington, de jazzpianist. Af en toe iets van jazz in huis halen, dat maakt indruk op je kameraden. Achterop de hoes lees ik een kort interview met de grote jazzman.
Hij vertelt … ‘There is not such a thing like old music. There is only good music and the other thing’.
Muziek wordt nooit oud, er is alleen goeie muziek en andere. Ik heb Bach gehoord, ik weet wat Duke Ellington bedoelt …

Komen we terug naar recenter dagen.
Naar een vooravond, vooreerst, een paar weken geleden. Naar het Psychiatrisch Ziekenhuis Onze-Lieve-Vrouw, bij ’t station op Sint-Michiels. Middenin dat bakstenen complex, in de neogotische kapel, wachten drie muzikanten ons op, mensen van bij ons. Marcel Ponseele, de man met de hobo, aan het klavecimbel Bart Naessens en zijn wederhelft, de innemende sopraan Amaryllis Dieltiens.
Johann Sebastian Bach staat op het programma, en Händel en tijdgenoten.
En een week of wat later naar de Ezelstraat, de Ryelandtzaal. Een ensemble van vijf musici, vijf keer viola-da-gamba. Tijd voor Henry Purcell en John Dowland en nog wat namen die je minder vertrouwd klinken.
Twee concerten, twee keer de ervaring dat muziek nimmer oud wordt. En dat muziek tot meer in staat is dan je zou vermoeden. Muziek die je meeneemt naar toen. Naar dagen waarin je jong was en naïef.
En dan, het slotakkoord. En weer in het hier en nu bedenk je, jong zijn we al lang niet meer. Naïef? Ach, herinner je de raad van iemand die het weten kan … ‘Dat stond mijn geluk nooit in de weg, integendeel.’

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van zin, zen en zijn, Van zingen en spelen | 10 Comments

Brugge neemt een selfie

In de kunstacademie, zomer 1843
– Joseph Buffa –
“Ge kent Joseph Buffa, den duivel-doet-al uit de Philipstockstraat?”
“Ha ja, die heeft van alles in huis! Ik kocht er destijds mijn sterrenkijker en laatst nog een paar gravures.”
“Ewel, nu pakt hij uit met iets héél bijzonders. Hij krijgt permissie om in de Kunstacademie in de Poortersloge een tentoonstelling te houden, iets met portretten.”
“Dat doen ze toch af en toe in de academie?”

“Hola, maar ’t zijn niet zomaar tekeningen of schilderijtjes. Buffa zegt dat het gaat om een heel nieuw procedé, een echte uitvinding. In Parijs, zo beweert hij, bedachten ze een manier om iemand die gewoon voor je staat, af te beelden op een zilveren plaat. Zonder dat er schilderen, tekenen of graveren aan te pas komt. ’t Is iets met scheikunde, met het licht dat een hele tijd op zo’n plaat terecht komt of zo. Geen kunstenaar die het kan, je ziet de persoon alsof hij of zij er echt ís!”
“Best wel bizar. Hoe noemen ze dat?”
“’t Is een raar woord, ik ben ’t vergeten, maar het is ècht ongezien, in meer dan één betekenis. ‘k Ga alleszins een keer langs, zo’n bijzonderheden interesseren mij. En iets zegt mij dat we daar nog van horen. Of zien, zo je wil.”

Ergens in Kortrijk, voorjaar 1891
– Guido Gezelle –
Gezelle heeft het er moeilijk mee, met de vooruitgang. Zoals in elk tijdsgewricht, maakt ook in zijn dagen een ‘nieuwe tijd’ zijn opwachting. En omtrent nieuwerwetse dingen staat ook nu het enthousiasme van de ene in schril contrast met de terughoudendheid van de andere.

Een ‘lichtdrukmaal‘ van Gezelle …

Dat Guido Gezelle geen nieuwlichter is, mag een understatement genoemd worden. Ronduit vooruitstrevend als dichter, blijft Gezelle op maatschappelijk gebied, zoals de meeste geestelijken van zijn tijd, de behoudgezindheid in persoon. Hij heeft het niet begrepen op al die progressie, niet op de fabriek met haar ‘dom, dwaas wiel’. De trein noemt hij ‘dat ijselijkst serpentenhoofd’. Kan fotografie op wat genade rekenen?
Hier in een lade bewaart hij een recent gedicht, ‘Moederken’. Het vers ligt hem na aan het hart, hij mist haar, de bescheiden huisvrouw die in dat huis in de Brugse Rolweg haar kroost grootbracht. Is het gedicht hem zo dierbaar, dat hij er nooit toe komt om het op te nemen in een bundel?
In het sobere vers betreurt hij dat van zijn moeder ‘geen beeltenis, geen beeld’ bewaard bleef. En Guido zou Gezelle niet zijn, mocht hij voor het begrip ‘foto’ niet een eigen woord bedenken. Een foto, voor Gezelle is dat een lichtdrukmaal.

’t En is van u hiernederwaard,
geschilderd of geschreven,
mij, moederken, geen beeltenis,
geen beeld van u gebleven.
Geen teekening, geen lichtdrukmaal,
geen beitelwerk van steene,
’t en zij dat beeld in mij,
dat gij gelaten hebt, alleene.”

In het stadsarchief, najaar 1985
– Jaak A. Rau –
Jaak is in zijn nopjes. Al zijn halve Brugse leven is hij de verwoede verzamelaar van foto’s over zijn geboortestad. Al gaat het hem minder om het tastbare, papieren document dan om het verhaal dat zo’n foto vertelt. Hoe ouder zijn vondst, met hoe meer geestdrift hij op zoek gaat naar het wat en hoe op de foto.

Maar een mens heeft ook nood aan brood op de plank. In de aanvang van zijn loopbaan bracht hem dat als bouwkundig tekenaar in het atelier van architect Wilfried Van Oyen. Later ook bij de Groep Planning in de Sint-Jacobsstraat.

Maar zie hem hier zitten, in de fleur van zijn leven als prille vijftiger, glunderend aan een bureau in ’t stadsarchief. En voor dat glunderen heeft hij zo zijn redenen. Want de ene job is de andere niet. Zeg nu zelf, voortaan kan hij op die nieuwe werkplek van hem, zijn passie als verzamelaar combineren met zijn dagdagelijkse beroepsbezigheden. Komt ervan, als je je immense collectie aan het archief schenkt en in één adem ook kan bekomen dat je dat enorme bestand aan foto’s zelf mag beheren.

Een boek met oude, Brugse foto’s, lang geleden deed Guillaume Michiels hem dat al voor met zijn magnum opus ‘Uit de wereld der Brugse mensen‘. En een paar keer kwam Jaak ook zelf al met een Brugs fotoboek in het nieuws, met ‘Het Brugge van toen’ en ‘Memoires van een stad’. En hier en nu maakt hij zich op om nog veel meer fotomateriaal te boek te stellen. Over de parochies van de binnenstad, over de Brugse rand ook. En keer op keer met een overvloed aan foto’s. En bij elke prent, niet onbelangrijk, zijn eigen, soms wat eigenwijze commentaar.
Het blijft voor altijd een moeilijk te beantwoorden vraag, wie van dit avontuur het meeste geniet, Jaak of zijn stad.

Ergens in Brugge, voorjaar 2020
– Jan Darthet –
Er is niemand op straat, de stad is leeg. Het avondnieuws ging erover, alweer. Over dat virus en hoe het ons allemaal in huis houdt, elk in zijn hoek.
Er is niemand op straat, de stad is leeg. Op een eenzame wandelaar na. Een wandelaar met een fototoestel. De fotograaf die zijn kans grijpt, en die kans is uniek. Jan Darthet beseft dat dit momentum zich maar één keer in zijn leven voordoet. Stilte, het ontbreken van geluid, in beeld vastleggen, is wat hij betracht. Ontelbaar veel roerloos Brugge, dat wil hij bewaren voor later. Op de ene plaats is de stad stil, op een andere zo mogelijk nóg stiller. Stilzwijgend, maar zelden zo veelzeggend.

Hij droomt van een boek, ‘Stilleven’, het stilste dat ooit over Brugge verscheen. Daarin wordt, terloops, verwezen naar ‘Bruges, la morte’ van Georges Rodenbach, dat andere boek over een stad vol stilte. Een boek dat, o tegenspraak, de aanzet was voor een toeloop van bezoekers.
En mocht tussen al die zwijgzame foto’s een gedicht van Peter Verhelst prijken, stel je voor. Hij ziet het al voor zich, sobere letters op sober wit, zoals de sobere stad op de foto’s in zijn boek.
Maar dat is voor later. Want de wandelaar stapt door, houdt halt, hier en daar. Neemt een foto. Want er is niemand op straat. De stad is leeg.

Aan de Rozenhoedkaai, zomer 2022
– een handvol toeristen –
‘Morgenochtend vroeg uit de veren, da’s de boodschap! En kom dan meteen hierlangs, aan de Rozenhoedkaai. Dan wacht hier, in alle rust en het meest broze ochtendlicht, het schoonste kiekje uit jullie vakantiealbum!’

Ze lachen wat onzeker, mijn gasten, wanneer ik hen op het Huidenvetterspleintje vertel over het panorama dat zich zo meteen, hier om de hoek, voor hun ogen zal ontvouwen. Om dan, een paar stappen verder, vast te stellen dat ik geenszins overdrijf. Het uitzicht op ons belfort en hoe het zich verheft boven die middeleeuws ogende, houten gevels. Aan de overkant, de imposante treurbeuk, als een Narcissus en zijn spiegelbeeld in het water van de reie. En voorbij de brug de trotse eigendunk waarmee de toren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk zich naar de hemel richt.

En begrijpen ze wat ik zonet bedoelde met dat vroeg opstaan? Want er is geen twijfel mogelijk, de duizenden toeristen in Brugge, die nemen ons te grazen. Ze staan hier met z’n allen op ’t moment waarop wij passeren. En allemaal met camera, gsm of ander beeldmachien in aanslag, klaar voor een foto, een selfie, een groepskiekje. Opzij, opzij, ik wil een foto! Ik ook! Ja maar, ik ook! En ikke! Allez, ’t is goed, maar vlug een beetje!
Brugge, een paradijs voor fotografen? ’t Zal wel zijn, maar een foto van een schone plek en een schone foto, ’t zijn twee verschillende dingen.

Bij de Peerdenbrug, zomer 2023
– Selina De Maeyer –
Ziet een Brugs ‘inboorling’ een ander Brugge dan een ‘aangespoelde’? Niemand kan het natrekken, want je bent altijd één van de twee, nooit ben je Bruggeling èn nieuwkomer.
Maar wat maakt het uit? Geen van ons ziet hetzelfde, al kijken we met dezelfde ogen. Hoewel. Is er ook zoiets als het oog van de fotograaf?
Je zou het gaan geloven, bij het doorbladeren van ‘Beeldschoon Brugge’, het pas verschenen fotoboek van Selina De Maeyer. Voor haar publicatie had Selina – een aangespoelde, trouwens – wat ons betreft, een iets origineler naam mogen verzinnen. Want je kijkt naar foto’s in zo’n boek en wat je overvalt is verbazing. ‘Verbazend Brugge’?
Het is niet eerlijk dat onze straten, pleinen en gevels zich alleen aan Selina presenteren zoals ze dat toont in haar boek. Ik wil ook zo kijken, bedenk je, ook zo zien!
Maar ach, als een boek troost kan bieden, dan zeker ook een goed fotoboek.

‘Beeldschoon Brugge’, het boek van Selina De Maeyer,
is een uitgave van Stichting Kunstboek.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van boeken en schrijven, Van schilderen en plaasteren | 5 Comments

Heb je ’t al gehoord van de Smedenpoort?

Op een dag is hij er niet meer, de buiten eigen proporties uitgegroeide treurwilg bij de Smedenpoort. En achteraf, zo gaat het altijd, realiseren wij ons het beeldbepalende van wat altijd is geweest. Beeldbepalend voor een alledaagse plek waar je ontelbare keren voorbijkwam. “You don’t know what you’ve got till it’s gone”, Joni Mitchell wist het lang geleden al.
Dag in dag uit fietste je, een loopbaan lang, door de Smedenpoort ’t stad in. Vroeger door de smalle doorgang, tussen haastige auto’s. Maar sinds lang leiden twee slanke voetgangersbruggen de wandelaar om de poort heen en rij je als fietser door de zijdoorgang, onder de laag hangende takken van de prompte boomkruin.

Misschien wou hij gewoon de poort aaien met zijn weelderige kruin.

De bejaarde treurwilg en de Smedenpoort, ze leken onafscheidelijk. Dat de wilg zo nadrukkelijk naar het poortgebouw toe leunde, was dat van ouderdom? Misschien wou hij gewoon de poort aaien met zijn weelderige kruin.
Weet je nog, hoe je op winderige ochtenden al fietsend het hoofd afwendde, om de natte blaren van een laag zwiepende tak te ontwijken? Wie weet, wilde de boom ook jou een bemoedigend schouderklopje geven.

Da’s iets van ‘t verleden, de treurwilg is weg. In een helse stormnacht scheurde zijn oude stam. Met zijn laatste krachten wist hij zijn eigen fatale val nog te breken, bang om zijn trouwe metgezel, de stadspoort, te bezeren. De poort kon hij sparen, maar zelf was de boom verloren voor goed.
Maar de Smedenpoort houdt onverschrokken stand, ook zonder de nabijheid van haar vertrouwde boom. Meer dan voorheen lijkt haar bakstenen vacht zich te koesteren aan het licht van een gulle herfstzon. Alsof ze zeggen wil, ik kom hier wel doorheen, ‘k heb al meer meegemaakt.

Daar valt wat voor te zeggen. De Smedenpoort staat hier al meer dan zes eeuwen en dan komt veel geschiedenis langs. Het rijke Brugge van weleer, havenstad waar de halve wereld over de vloer kwam, bouwde stadspoorten als burchten. In een uithoek van een schilderij van één van onze Vlaamse Primitieven ontwaar je de poort zoals ze was in haar gloriejaren.

En op zijn befaamde panoramische kaart tekent ook Marcus Gerards de Smedenpoort zoals de bouwmeesters haar ontwierpen. Maar het verhaal van stadspoorten is er een van verbouwingen. Van aanpassingen waarbij deze poort veel van haar oorspronkelijke uitstraling moest prijsgeven.
Met het klokhuisje dat sinds lang op de nok van haar dak prijkt als doekje voor het bloeden. En ja, het verhaal is bekend van dat bronzen doodshoofd op de gevel. Over de belegering van de stad door Franse troepen, waarbij een gewiekste collaborateur de vijand een handje wou helpen door hem stiekem binnen te laten. Zijn plan werd verijdeld en hij verloor er het hoofd bij. Dat we nog altijd over hem praten is zijn enige, magere troost.

En de poort? Ze blijft haar onverstoorde zelf.

Al zijn er ook vrolijker histories omtrent onze poort. Zoals het soort visitekaartje dat ik hier laatst terugvond tussen papierspullen. Het zou dateren van voor de Eerste Wereldoorlog en heeft het over … een kantwinkel in ‘la vieille Porte Maréchale’!

En nu we ’t over wereldoorlogen hebben, de Tweede viel de poort bijzonder zwaar. Toen de Nazitroepen het naar ’t einde toe afdropen, vonden ze ’t leuk om de Smedenpoort half in puin achter te laten. Ein schönes Andenken, danke!

Hoe vreemd, een half leven lang rijd je naar ’t stad en weer huiswaarts, vaak met je gedachten ver weg. Zelden bedenk je dat weinig gebouwen je zo nabij zijn als de Smedenpoort, terwijl je nooit de kans kreeg om haar binnenruimten te verkennen.

Tot een Open Monumentendag, een tijd geleden. Dus ja, ik was erbij, die keer. Naar boven langs de wenteltrap, naar de kelders ook. De bescheiden ruimten voldoen aan je verwachting, een geruststellende gedachte. Een verrassend uitzicht op de Smedenstraat krijg je er cadeau.

Maar ben je verlekkerd op oude verhalen, dan koester je het aangename weten dat je er ooit binnenkwam.
En de poort? Ze blijft haar onverstoorde zelf. Ze mist haar vriend, de ouwe, stille treurwilg, maar geeft geen krimp. Hoewel. Gisteren, in die somber druipende herfstavond, kwam je er langs. Het vaalgeel van haar kletsnatte gevel glom in het licht van de straatlantaarns … Waren het regendruppels?

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen | 12 Comments

‘Het verhaal van Brugge’, een nieuwe strip

Er is iets met zolders. Ben je op zoek naar een woonst, ga je in elk huis waar je langs komt zorgvuldig elke kamer, elke hoek inschatten. Hoeveel, hoe ruim, hoe comfortabel? De zolder? Ach, is die vakkundig geïsoleerd, dan is ’t al lang goed. Welnu, onderschat nooit het voor en tegen van een ruime zolder. Ik kan het weten, die van ons leerde het mij.
Jaren geleden namen wij onze dakisolatie onder handen. De verbazing wanneer je op zo’n keer je zolder ontruimt! Wat een vergeten overvloed daar in de loop der jaren is aangeland! En uiteraard, zo neem je je voor, wordt voortaan nog amper iets naar boven gesjouwd. Ach, voornemens, ze zijn er niet om waar te maken. Die zolder van ons? Was nooit zo vol als vandaag.

Maar waar je woont is elke zorgvuldig ingedeelde ruimte een meerwaarde. En dus benutte ik een paar jaar geleden de ‘blijf in uw kot’-weken om die volgestouwde kruin van ons huis te ordenen. Alle dozen, het zijn er veel, alle mappen en kokers vol papieren van allerlei slag, het zijn er nog meer, leeggemaakt. De zoldervloer, een doolhof van onoverzichtelijke stapels. En nu gaan we streng selecteren en sorteren, ge gaat een keer wat zien! Tenminste, dat was het voornemen. Maar na een tijd konden we weer de straat op en de stad in. De zolderladder werd omhoog geschoven. Voornemens, u weet wel. Die zolder van ons? Was nooit zo’n zootje als vandaag.

Dat aanschouwde ik met eigen lede ogen, toen ik er vandaag een kijkje ging nemen. Op zoek naar mijn strips. Tijdens het komende 11-november-weekend gaat het vierde Brugse stripfestival door in ’t Sint-Lodewijkscollege en dat bracht mij op het idee. Een fervent stripliefhebber ben ik allerminst, maar toch prikkelt een goed album nog altijd mijn jongensverbeelding.

Strips? Ooit werden ze door gecultiveerde lieden beschouwd als het minste van het minste. Strips ontnamen onze jeugd de kans om hoogstaande literatuur tot zich te nemen! De reputatie van de betere ‘graphic novel’ van vandaag zet hun stelling van weleer op de helling. En er is meer. Van Jean Paul Van Bendegem verschijnt dezer dagen een in boekvorm gegoten, warm pleidooi. De filosoof laaft zich met genoegen aan de filosofische rijkdom in stripverhalen. Zelfs de albums van Kiekeboe en Urbanus neemt hij onder de loep.

’t Is maar dat u ’t weet, gaat u straks langs op die stripbeurs in Sint-Lodewijks, dan zien we mekaar. Dat ik daar misschien met lege handen buiten kom, mag de pret niet bederven. Maar vind ik toch iets dat mij boeit, dan wil ik weten of het al niet in mijn collectie steekt. Nou ja, collectie. Een stapel strips waarin Brugge een rol speelt, niet eens zo uitgebreid en lang niet compleet, kan je dat een collectie noemen? Hoe dan ook, daarom ging ik op zolder die paar dozen met albums opzoeken. Want ja, daar zijn ze ooit beland, je kan niet alles binnen handbereik houden.
Dat bijeenzoeken van strips begon volkomen toevallig, pakweg een kwarteeuw geleden. Een appel en een ei betaalde ik op een rommelmarkt in ’t Boudewijnpark voor ‘Les Mystères de Bruges’. Het is een album in een reeks ‘Klaxon et Mycroft’, begin jaren zeventig verschenen als jeugdbijlage bij Le Soir.

Een appel en een ei betaalde ik op een rommelmarkt
in ’t Boudewijnpark voor ‘Les Mystères de Bruges’.

En zo was de trein vertrokken en haalde ik sindsdien nogal wat, enkele tientallen, Brugge-strips in huis. Op zolder, want de zin om albums aan te kopen stond sinds een tijd op een laag pitje. En dus leek het aangewezen om toch een keer mijn stapel naar beneden te halen. Om vast te stellen dat ik van een paar van die strips … twee keer een exemplaar aanschafte. Orde op zolder, daar zegt u zoiets …

Het middeleeuwse Brugge werd ontelbare keren in stripverhalen gegoten

Maar wie weet, wordt daar straks toch nog iets aan toegevoegd. Wat mij boeit? Een stripreeks die momenteel in aanbouw is, ‘Het Verhaal van Vlaanderen’. Gebaseerd op de tv-reeks, maar nu zonder presentator die bij al die historische gebeurtenissen in de weg loopt.
En wie weet, tref ik toch nog iets dat naar Brugge verwijst. Hier bij ons werken echt wel een paar gedegen cartoonisten en striptekenaars. En ook elders was altijd al stripbelangstelling voor de stad en zijn wedervaren.

Op de beurs in Sint-Lodewijks vind ik zeker ook ‘Diktator Dirk’, de reeks in ’t Brugsch Handelsblad. Die verscheen in albumvorm, toch? Of ze in mijn collectie hoort? Ik zie mijn inmiddels verzamelde strips, doorgaans van deftige komaf, verbaasd opkijken. ’t Mag iets minder grof, hoor ik ze denken.
Doch wacht eens even, bedacht ooit al iemand een stripreeks over de hele geschiedenis van onze stad? Het middeleeuwse Brugge werd ontelbare keren in stripverhalen gegoten, goeie en minder goeie.
Maar de hele Brugse historie, van in den beginne tot vandaag, van Boudewijn met de IJzeren Arm tot Dirk De fauw? Een stripalbum of een relaas in cartoons, ‘Het verhaal van Brugge’, ik haal het met veel plezier in huis. En ik berg het, beloofd, niet op zolder.
Iemand met talent èn zin om aan het tekenen te slaan?
Hallo, Marec?

Posted in Het Brugge van nu, Van boeken en schrijven | 9 Comments

Goede raad van Heidi Deneweth … en Willy Dixon

Het is in De Brug te doen, vanavond.” Terwijl ik mijn jas dichtknoopte en haar met een vluchtige zoen goeiedag zei, vertelde ik waar ik naartoe ging. Dat ze verrast opkeek, mocht mij eigenlijk niet verbazen. “De brug? Op de Burg, bedoel je, in ‘t stadsarchief?”
Informeer bij een Bruggeling naar De Brug en verbazing zal uw deel zijn. In Brugge vragen waar de brug is, da’s in een krantenwinkel vragen waar de krant ligt. En toch, er is in deze stad maar één plek die ‘De Brug’ heet. In de Hauwerstraat, de straat waarlangs u vanop ’t Zand naar de nieuwe beurshal wandelt of fietst. Sinds dat nieuwe bouwwerk zich daar met nogal wat flair ‘Beurs- Meeting en Congrescentrum‘ laat noemen, mag je niet langer met de auto vanop ’t Zand die straat in. Wel, daar in de Hauwerstraat is De Brug.
Iedereen kende daar ooit het ‘flikkenkot’, waar is de tijd. De arm der wet is er al lang weg en ’t is u ongetwijfeld niet ontgaan, dat de smakeloze jaren-zestig-betongevel een ingrijpende, bakstenen facelift onderging. En op een zijgevel is er ook de metershoge muurschildering, waarop Maria van Bourgondië zich minzaam over de stad lijkt te ontfermen. Welnu, in dat voormalig politiepand huizen vandaag een handvol stichtingen die samen De Brug vormen. Het heeft allemaal op één of andere manier van doen met vrijzinnigheid. Iets dat ‘Huis van de Mens’ heet, een Studentencentrum ook, en achterin een zaal die zich voor van alles aandient.

… een boek dat ze helemaal vol schreef.

Zo kwam daar die avond ‘Levend Archief’ bijeen. De vriendenkring van het stadsarchief bestaat dertig jaar, dat vraagt om een viering met academische allure. En daarop aansluitend, minstens zo essentieel, de informele drinkbabbel. Kers op de feesttaart was de Levend Archiefprijs, die wordt maar één keer in vijf jaar toegekend.

En dat was het moment waarop Heidi Deneweth in beeld kwam. Ik kende haar nog niet, zij is historica en bedacht een zin die luidt ‘Goede muren maken goede buren’. Dat is nuttig bouwadvies, weliswaar, maar voor een prestigieuze prijs een beetje mager en dus zette zij die zin op de kaft van een boek dat ze helemaal vol schreef. Achter op die kaft lees je dat het gaat over verbouwingen van panden in het Brugge van lang geleden en hoe het buurtleven daarmee omging.
Na de obligate lofbetuigingen kwam Heidi zelf aan ’t woord. De schrijfster had het over haar boek, natuurlijk, over mensen die haar daarbij bijstonden. De oprechte ontroering waarmee ze haar prijs opdroeg aan onze onlangs overleden archeologe Bieke Hillewaert, leerde mij dat Heidi Deneweth een mens op haar plaats is.

Bij het glas achteraf vertelde ze mij dat ze van haar inmiddels uitverkochte boek geen tweede druk verwacht. Jammer. Maar vandaag vond ik ‘Goede muren maken goede buren’ in de bib. Een prestigieuze publicatie, dat liet die plechtige bekroning van ’t archief al vermoeden. Tweehonderd bladzijden tekst in een klein letterkorps, grondplannen, grafieken, tabellen. Serieuze kost, maar desondanks charmeerde het boek mij. Dat lag aan zijn kaft.

Over Brugse schilders en grafici weet ik niet meer dan de modale Bruggeling, maar ik herken een Jules Fonteyne wanneer ik er een zie. Deze jongen zal het maar toegeven, hij heeft een zwak voor het volkse wereldje dat Jules Fonteyne schiep. Voor de eigenzinnigheid waarmee hij zich als graficus van zijn generatiegenoten wist te onderscheiden. De schilders van wat de ‘Brugse School’ wordt genoemd, bedachten een verbloemd, veredeld Brugge. Hun oogstrelende doeken toonden een stad die er nooit is geweest.

Niet zo de tekeningen en etsen van Jules Fonteyne. Jules volgde zijn eigenzinnige pad en vond inspiratie bij de armzalige maar levendige stad zoals hij die in zijn kindertijd had gekend.

Neem nu de kaft van Heidi Deneweth’s boek. Het rommelige huisje waarop we neerkijken brengt ons naar een bescheiden volksbuurt. Maar onze aandacht wordt vooral getrokken door de rafelige gewaden van twee schimmige figuren in de hoek van het beeld. Ze keren ons de rug toe. Zijn ze nieuwsgierig naar wat zich afspeelt achter het openstaande poortje?
Een tafereel uit het Brugge uit Fonteyne’s kinderjaren.
Hij groeide op in de Boeveriestraat, dus de buurt van de Hauwerstraat kende hij als geen ander. Het West-Brugge dat zich van de rest van de binnenstad afgescheiden voelde door de oude ‘statie’ op het Zand.
Maar West-Brugge was ook de Vrijdagmarkt, waar elke week de koeien en beestenmarchands voor drukte en kabaal zorgden. En ook, waar vandaag de nieuwe beurshal alle ruimte inpalmt, het pand waar de koebeesten na verkoop werden naartoe geleid, het slachthuis. Met vlakbij, in de Hauwerstraat, ‘De Vetten Os’, hoe toepasselijk kan een cafénaam zijn.

En in de rechterbenedenhoek van zijn ets doemen ze op …

De omgeving waar de kleine Jules opgroeide was één van de meest verpauperde hoeken van de binnenstad. Al ondernam die buurt af en toe één en ander om zijn somberheid van alledag op te fleuren. En ook dat ontging Jules niet. Er is zijn ets waarop hij de optocht van een processie breed uitsmeert. Witgekalkte, maar armtierige huizen. Op de voorgrond heft een pluizige hond zijn poot tegen een ook al witgekalkte muur, waartegen een knaap op een ladder een glimp tracht op te vangen van de processie die door de straat trekt. Jules Fonteyne ten voeten uit.
En in de rechterbenedenhoek van zijn ets doemen ze op, het huisje en de twee donkere figuren.

Zijn ets op Heidi Deneweth’s boek, het zou Jules plezieren. Al liet de ontwerper van de kaft de groezelige straat zorgvuldig achterwege. Jules had meewarig het hoofd geschud, als we hem uitlegden hoe dat vandaag zit met Photoshop. Zoals hij ook berustend zou zuchten bij wat wij aanvingen met het West-Brugge van zijn jeugdjaren.
Maar intussen is er de goesting om Heidi’s boek te lezen, gewoon door die prent van hem op de kaft.

Gisteren hoor ik toevallig Willy Dixon op de radio. Willy herinner ik mij als een grote naam in de wereld van de blues. En zoals onze Heidi Deneweth met dat ene zinnetje van haar, zo verzon Willy Dixon lang geleden ‘You can’t judge a book by looking at the cover‘. Heidi schreef, vertrekkend van haar idee, een boek. Dixon’s goede raad werd één van zijn bekendste songs. Laat je niet misleiden door uiterlijkheden, was zijn boodschap. Ik geloof Willy Dixon graag, ik heb vanouds een boontje voor hem. Voor hem ook, ja.
Maar voor één keer sla ik zijn advies in de wind. Is dat eigenzinnigheid? Leerde ik van Jules Fonteyne.

Over ‘Levend Archief’, vriendenkring van het stadsarchief, hier meer informatie: https://www.brugge.be/vriendenkring-levend-archief-2

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van boeken en schrijven, Van schilderen en plaasteren | 8 Comments

In Sint-Andries, een kasteel verder dan het onze

Zij wonen, net als wij, in Sint-Andries. Op ’t Peereboomveld, een kasteel verder dan dat van ons. Al is het ene kasteel het andere niet. Het hunne staat al sinds mensenheugenis te pronken midden een soort Engelse landschapstuin, zeg maar een park. De ligging van onze woonst is ook schoon, maar bescheidener. En minder oud. ’t Is te zeggen, de plek waar wij thuis zijn, daar viel tot eind jaren vijftig geen bouwwerk te bespeuren. In malse weiden, verscholen tussen dichte kanthagen en kronkelende beekjes, deden nog onbespoten koebeesten zich tegoed aan nog onbespoten gras. Maar dan kwam de nieuwe tijd. Ongevraagd werd het arcadische boerenlandschap opgedeeld met rechte straten. Er werd gebouwd dat het een lieve lust was. Van die dagen dateert dus ons kasteel. Hoe het eruit ziet? Wel, het heeft een voortuin en een voordeur. En achter die voordeur een inkomhal, een living, een keuken en warempel een toilet. Boven zijn er, naast een badkamer, een paar kamers. In één daarvan delen mijn huisgenote en ik het nachtelijke bed, een andere is volgestouwd met een verzameling, iets met affiches.

Omdat hun kasteel op de kaft prijkte
van ’t boekje van het Monumentenweekend …

Achter ons huis, een weelderig uitgegroeide zilverberk midden de onvermijdelijke pelouse en net plaats genoeg voor een ren waar hennen plichtsbewust de rol van scharrelkip op zich nemen. En aansluitend op die tuin, het ultieme sixties-statussymbool, de garage.
’t Is hier goed wonen, al geniet je op zomerdagen ongevraagd van de radio op ’t terras van onze overigens vriendelijke buurman. En al houdt ’s nachts die blaffende boxer van ons de buren wel een keer uit hun slaap. In dat opzicht woon je meer ongestoord op ’t Peereboomveld. Dus neen, het ene kasteel is het andere niet.

’t Was tijdens ’t Open Monumentenweekend dat we besloten om langs te gaan in het kasteel van onze verre buren, een paar kilometer verderop. Omdat het kasteel op de kaft prijkte van ‘t boekje van het Monumentenweekend, maar meer nog omdat zijn bewoners ons niet onbekend zijn. Da’s iets met de loopbaan van mijn wederhelft, een schoon maar te lang verhaal om hier aan te halen.
We waren er welkom, de ‘vrouwe des huizes‘ leidde ons doorheen het imponerende interieur en vertelde honderduit over hun woonplek, het wel en wee ervan. ’t Is groot en groots, dat moet gezegd, al zal je maar leven in zo’n monument. En het onderhouden.

… een behoorlijk deel van al ’t groen in ’t Brugse
is te linken aan kastelen en hun bewoners.

‘t Peereboomveld is een relatief recent gebouwd kasteel. Zo vind je er in ’t Brugse wel meer. Op Sint-Kruis is er ‘Lodewijk van Maele’, het preutse maar nog jonge gebouw dat tevergeefs zijn best doet om kasteel te zijn en oud te lijken. Al ligt ook achter dat pand een uitgestrekt en tot de verbeelding sprekend park. Dat merkten we laatst, toen we er in zo’n stijlvolle, open tent, met uitzicht op de ruime vijver, een vriendenfeest mochten meemaken. En eerstdaags worden we verwacht in het ook niet middeleeuwse maar trotse kasteel Rijkevelde, waar vrienden van ons hun huwelijk vieren.

Maar die ruim uitgevallen huizen hebben niet de pedigree van pakweg het slot van Male, dat zowat het verleden van Vlaanderen op zijn stoere schouders torst. En al boogt dat van Loppem ook lang niet op een middeleeuwse stamboom, aan het aandeel van dat kasteel in de meer recente geschiedenis van ons land werden we recent herinnerd tijdens een weekend ‘wandeltoneel’. Je werd er van woonruimte naar bureau en van keuken naar salon geleid en op elke plek brachten acteurs een sleutelmoment uit het verleden van het neogotische monument. Over de bouw ervan en over de koning die er in de Eerste Wereldoorlog, samen met prominente figuren uit die dagen, historische knopen doorhakte. Maar ook rond de beslommeringen van het keukenpersoneel. En omtrent het idee van één van de zonen des huizes, om in het kasteelpark een doolhof aan te leggen. Die doolhof, zowat iedereen in Brugge en ruime omgeving probeerde er ooit wel een keer tot bij de boom in ’t midden te geraken, toch?

… het slot van Male, dat het verleden
van Vlaanderen op zijn stoere schouders torst.

Verrassend verzonnen paden en wegen in en om hun parken en tuinen, soms lijkt het wel een stokpaardje van kasteelbewoners.
Een voorbeeld? Ik neem u mee naar Sint-Kruis. Op een boogscheut van de kerk fiets je daar door de best wel schilderachtige Bisschopsdreef. Die straatnaam verwijst naar Henricus Josephus van Susteren. Die woonde aan ’t eind van die dreef, in kasteel Rooigem. Henricus was niet de meest bescheiden bisschop van Brugge. Niet alleen ligt hij vandaag nog altijd zelfgenoegzaam te pronken op zijn marmeren praalgraf in Sint-Salvator. De dubbel opgaande eikendreef die naar zijn kasteel leidt, liet hij heel doordacht aanleggen op een verrassende as. In het buitendorp Sint-Kruis stonden alleen simpele, laag gebouwde huisjes. Die boden monseigneur van in zijn kaarsrechte dreef ongehinderd uitzicht op het Brugse belfort aan de horizon. De kerkelijke macht die zich zelfzeker meet met een wereldlijk statussymbool, zoiets.

De zorgvuldig georiënteerde dreef van bisschop van Susteren kreeg overigens navolging, hier bij ons op Sint-Andries. Wie de buurt hier kent, is vertrouwd met het Coppietersbosje. En ja, ook midden dàt bos stond ooit een kasteeltje, Zevenbergen. Een pittoresk optrekje, vertelt men.
Je hebt gelijk, lezer, straks gaat dit verhaal hier nog helemaal de sprookjesachtige toer op. Maar laat u niets wijsmaken, lieden in kastelen en hun bijhorende domeinen hadden niet zelden hun prestigieuze luxeleventje verworven op de rug van wie het veel minder breed had. Het fameuze ‘Noblesse oblige‘, de hoogstaande attitude die de bourgeoisie zichzelf steevast toedichtte, is u ongetwijfeld bekend. Aan de cafétoog werd dat schamper afgedaan met ‘Arbeid adelt, maar de adel arbeidt niet!‘. Elk cliché zijn waarheidsgehalte.
Maar anderzijds heeft het Brugse ommeland een deel van zijn uitgestrekte groen te danken aan die niet altijd frisse gang van adellijke zaken.
Vandaag is een behoorlijk deel van het Coppietersbos privédomein. Maar een ander deel is van ’t stad en zodoende vrij toegankelijk, de scholen in de buurt laten er hun

jongelui regelmatig ravotten en ondergetekende en zijn boxer komen er talloze keren langs.
Welnu, sta je daar midden de kathedraalhoge beukenstammen, dan herken je er nog altijd wat ooit een dreef was, de weg van bij het sinds lang verdwenen kasteeltje naar de stad. Ook die weg is toen nauwkeurig in een bepaalde as aangelegd. Want als in winterdagen het struikgewas er kaal is, merk je dat de verderop gelegen straat het verlengde is van de bosdreef. En ware het niet dat sinds een tijd die sombere geluidsschermen van de Expresweg het uitzicht belemmeren, dan keek je in de verte … je mag één keer raden op wat.
Kastelen, hun bewoners en hun fratsen, je kan er boeken over schrijven, ware ’t niet dat iemand ze al schreef. Maar hier, in zijn bescheiden woonst in Sint-Andries, verzint een knaap over die herenhuizen een ook al bescheiden cursiefje, een voetnoot bij die gewichtige publicaties. Terwijl in de tuin achterin zijn boxer zich opwindt om de kat van de buren die smalend op hem neerkijkt vanop een schutting. Sorry, buur, voor ‘t kabaal. Had je maar in kasteel ‘t Peereboomveld moeten wonen.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van beesten, planten | 8 Comments

Claude Monet naar de Poortersloge?

’Het is een hele schone tentoonstelling, ge moet echt een keer gaan kijken!’
Iemand had ons de expositie rond Anna Boch warm aanbevolen en dus namen we de trein voor een ‘impressionistische reis’ naar Oostende. En ja hoor, dat ‘schoon’ waarover onze adviseur van dienst sprak, bleek hier helemaal op zijn plaats. Want ‘schoonschilderen’, dat was hetgeen waarmee Anna Boch zich onledig hield.

Ha, schrijver van dit cursiefje heeft het over een vrouwelijk kunstenaar en meteen is ’t van ‘zich onledig houden’, gaan we zo beginnen, ja?

Toegegeven, die omschrijving is redelijk kort door de bocht, maar met minachting voor vrouwelijke creativiteit heeft ze niets van doen. In tegendeel, wat die dame realiseerde, de artistieke evolutie die ze doormaakte, het oogt bewonderenswaardig.
En toch houden we het bij wat u hierboven leest. Want groeide mevrouw Boch niet op in een gefortuneerde familie? Smoorrijk, centen vergaard met hun faience- en keramiekproductie. Zodoende komen we toch in de verleiding om haar hoogstaande artistieke bezigheid met ‘zich onledig houden’ te benoemen.
Want valt voor zo’n goed voorziene madam het bestaan als kunstenaar niet net iets minder zwaar dan voor wie creatief is, man of vrouw, en het moet rooien zonder centen? Voor haar generatiegenoot Vincent van Gogh, bijvoorbeeld. Volgens sommige bronnen verkocht het genie van Gogh tijdens zijn hele armtierige leven welgeteld één schilderij. Aan Anna Boch, overigens. Mevrouw Boch had aanleg voor schilderen èn oog voor vernieuwend talent.
Al hebben we ook weet van kunstenaars van bescheiden komaf die wèl in welstand leefden. Zoals die andere tijdgenoot van Anna Boch, met wie zij haar impressionistische kijk deelde, Claude Monet. Zijn tuin in Giverny, met zijn befaamde waterlelies, bezorgde hem inspiratie voor zijn meesterwerken en zodoende veel geld in het laatje.

En in Brugge? In Brugge was men met andere dingen bezig. De vernieuwende golven in de zee der kunsten bereikten de oevers van onze reien niet. Onze brave schilders, met hun weliswaar behoorlijk vakmanschap, keken de andere kant op.

Eén keer in recenter tijden, dit najaar dertig jaar geleden, liep in Brugge een tentoonstelling die ons met de neus op de grote kunststroming van die dagen drukte. ‘Impressionisme: een schone kijk’, met op de affiche ‘De hut van de visser bij Varengeville’, van Claude Monet, jawel, en met schilderijen van alle klinkende namen van die strekking, u kent ze. En mèt, zowaar hier in Brugge, die ene keer ook een paar schilderijen van Vincent van Gogh! ‘Impressionisme: een schone kijk’ was in 1993 de eerste grote expositie in het pas gerestaureerde Congrescentrum Oud Sint-Jan, dat zich trots profileerde als Brugs trefpunt voor kunst en cultuur. Vandaag herinneren de desolate voormalige ziekenzalen zich nog amper hun grootse ambitie. Kunst kom je er nog amper tegen. Actuele kunst al helemaal niet.

Sinds jaar en dag koestert deze stad zijn Vlaamse Primitieven, met terechte trots. En wat met recente kunst en Brugge? Er waren de Triënnales van een halve eeuw geleden, de vijfjaarlijkse kunstfestivals na het Culturele Hoofdstadjaar 2002, er zijn de recente Triënnales … Om de zoveel tijd een andere formule, keer op keer een andere filosofie. Deze jongen, niet belast met een overdosis kennis omtrent artistieke dingen, verbaast zich wel eens over de moeizame omgang van zijn stad met eigentijdse kunst. Wordt het in opbouw zijnde BRUSK een keerpunt? We zijn, echt waar, wreed benieuwd.

In afwachting krijgt lokaal geweld kansen en werkplekken, da’s waar. Tot voor een paar jaar in de Bond bij de Smedenpoort, of vandaag in De tank op Assebroek. En expositieruimte in de Poortersloge. Ik ging langs, deze week, daar in de Poortersloge.
De Poortersloge en actuele kunst, het voelt raar. Als een ouwe tante die met een hoodie de straat op gaat, compleet met trendy neuspiercing. ’t Is haar gegund maar ’t is wennen.
Zou de kunst van vandaag niet veel meer ademruimte ervaren in het pand waar we ’t net over hadden, het veel luchtiger Congrescentrum Oud Sint-Jan? Maar wacht, zo wordt beweerd, straks is BRUSK echt dè tempel voor zo’n dingen, ge gaat wat zien!

Voorlopig moeten we het doen met de Poortersloge. Die wordt momenteel ingepalmd door onze eigen Yves Gabriëls. Hij bracht een handvol kunstvrienden bijeen en pakt er ook uit met eigen creaties. Zoals hij dat momenteel ook doet in de inkomhal van het Biekorfzaaltje in de Sint-Jacobsstraat.
Yves Gabriëls is geen schilder, geen beeldhouwer of tekenaar. Hij is dat en nog één en ander. Een slagerszoon ook, en dus mag het niet verbazen dat iets van vlees en bloed doorsijpelt in zijn werk. Een universum waar dood en leven geen tegengestelden lijken, ergens tussen labo en informatica. Hij transformeert onze Poortersloge in een bevreemdende, kille wereld en toch lijkt hij ook te zalven, nu en dan. En een enkele keer loert zowaar ook een onverwachte, welkome flard humor om de hoek.
Ik sprak iemand die er iets van af weet, zo’n kenner, u weet wel. ‘Yves Gabriëls brengt een heel eigen schoonheid‘. Misschien is daar iets van aan, maar ’t is niet het ‘schoon’ waar onze Brugse kunstenaars van een eeuw geleden naar streefden. Laat staan de impressionisten van weleer.
Dus mocht ik vandaag of morgen Anna Boch tegenkomen of Claude Monet, dan zou ik aarzelen. Zal ik hen de expositie in de Poortersloge aanraden?
Misschien, maar niet met de melding ’Het is een schone tentoonstelling, ge moet echt een keer gaan kijken!’

Posted in Het Brugge van nu, Van schilderen en plaasteren | 4 Comments

Afscheid van de Fabiolazaal

Je kijkt verbaasd op, wanneer je het leest. Dat ze in het Boudewijnpark van plan zijn om hun lichtjes legendarische feestzaal te slopen. Dè zaal van het Boudewijnpark!
Voor we verder gaan met dit verhaal, komt voor de jongere lezer enige duiding van pas. Het gaat over feest en spektakel in ’t Boudewijnpark, over ontelbare herinneringen van een paar generaties Bruggelingen. Beurzen, buffetten en bierfeesten, concerten, te veel om op te noemen. Ik zou ze niet willen trakteren, de streekgenoten die daar op een fuif of een bal een lief tegen ’t lijf liepen.

De naam ‘Boudewijnpark’ hoeft dan weer geen uitleg, tenslotte spreken Bruggelingen niet van het ‘Boudewijn Seapark’, ze noemen dat oord nog altijd gewoon bij zijn oorspronkelijke doopnaam. Die naam maakt weinig uit, want al kent het pretpark vandaag niet meer de uitstraling van weleer, het geldt nog altijd als een moeilijk weg te denken hoek van de stad.
Dat is eigenlijk al zo sinds het verre 1971.

Héla, wacht eens even, oppert de attente Bruggekenner bij het lezen van dat jaartal, het Boudewijnpark opende toch al veel eerder zijn poorten?
En dat is nog waar ook.
Maar toen Michel Van Maele in de zomer van 1963 het feestlint van ‘zijn’ park doorknipte, deed hij dat nog niet als burgemeester van Brugge. In die dagen was hij burgervader van de nog zelfstandige gemeente Sint-Michiels. Pas acht jaar later, vanaf januari 1971 werd Sint-Michiels, samen met de andere randgemeenten, door het nieuwe Groot Brugge ingepalmd. En dus kwam het Boudewijnpark pas dan op Brugs grondgebied te liggen.

Misschien vroeg u zich, net als ik, wel eens af hoe het park ooit aan zijn naam kwam. Vandaag zou zo’n pretpark zich ongetwijfeld een meer flashy imago aanmeten. Zou ’t kunnen dat ‘Boudewijnpark’ in de sixties ook al niet bijzonder trendy klonk?
Laten we maar aannemen, dat de stichter zich liet inspireren door de naam van onze toenmalige koning, Boudewijn. Had Van Maele iets met het koningshuis? Daar lijkt het wel op, want kijk. In latere tijden was hij nauw betrokken bij de realisatie van een winkelpand in de Brugse Steenstraat, een doorsteek naar de Zilverstraat. En dat winkelcentrum doopte hij … ‘Alberthall’.
Boudewijn, Albert … hebt u hem?

Mogelijks zoeken we het wat ver, maar dateert Michel Van Maele’s neiging om bij de Saksen-Coburgs op een goed blaadje te staan al niet van jaren eerder? Laten we daarvoor nog een eind verder terugkeren in de tijd.
’t Is zondag 31 mei 1953. De stad Brugge maakt zich op voor een grootse, feestelijke gebeurtenis. De jonge koning Boudewijn komt! Zoals het een nieuwe vorst betaamt, maakt Boudewijn, die niet lang daarvoor zijn vader opvolgde, zijn officiële ‘blijde intrede‘ in de stad!

Het staatshoofd komt per trein naar Brugge en dus maakt de toenmalige burgemeester der stede, Victor Van Hoestenberghe, zich op om de koning bij het station te verwelkomen. Maar daar steekt iemand een stokje voor. Die iemand is de burgemeester van buurgemeente Sint-Michiels. Immers, Michel Van Maele – jawel, hij! – oppert een niet onbelangrijke bedenking.

Het recent gebouwde station van Brugge, waar de koning straks uit de trein stapt, is namelijk gebouwd op … grondgebied Sint-Michiels! En dus komt het de burgervader van die gemeente toe om de koning te ontvangen. Van Hoestenberghe, ge zijt dan wel burgemeester in Brugge, maar ge moet uw plaats kennen!
Zo geschiede. Terwijl een boogscheut verder een Brugse burgervader stilletjes staat te knarsetanden, wordt het staatshoofd bij het ‘Brugs‘ station verwelkomd door … de burgemeester van Sint Michiels. Die onder veel persaandacht de koning een paard cadeau doet. Welkom in Sint-Michiels, majesteit!
Michel Van Maele weet hoe je je profileert, ook op het hoogste echelon.
Tussen Michel Van Maele en de burgemeester van Brugge komt het niet meer goed. En Van Hoestenberghe’s opvolger, Pierre Vandamme, heeft het ook moeilijk met Van Maele. Enkele verkiezingen later, bij het tot stand komen van Groot Brugge, zal Michel Van Maele zijn partijgenoot zelfs opzij schuiven om zelf de grootstedelijke burgemeesterssjerp te omgorden.

’t Worden de gloriejaren van het Boudewijnpark dat, bij wijze van spreken, op zichzelf zowat de status van deelgemeente verwerft. Met zijn dolfijnen, zijn ijspiste, zijn animatie. En niet in de laatste plaats zijn feestzaal.

Terug naar vandaag. Er gaan en gingen hier bij ons de voorbije dagen een handvol iconische bouwwerken tegen de vlakte. Niet zelden plekken waar de Bruggeling zijn jonge jaren mee vereenzelvigt. In de Boeveriestraat het VTI, dieper in de binnenstad Sint-Andreas. En nu dus, straks, de Oberbayernzaal die de voorbije jaren degradeerde tot een soort stapelruimte.

O ja, jonge lezer, ‘Oberbayenzaal’, dat was de naam van de zaal waarover wij het hier al de hele tijd hebben. Ja, klinkt ook weer oubollig. Je denkt meteen aan schuimende bierkannen en lederhosen. Met haar wanden, getooid met Beierse taferelen, leende de zaal zich daar uitstekend toe.
Maar daar was in de loop van al die jaren veel meer te beleven dan dat.

Brugge viert oudejaar? Een studentenclub of een jeugdbeweging geeft een fuif? Een avond met een Vlaamse vedette of liever een recital van de grootmeester van het Franse chanson, Gilbert Becaud? Op naar ’t Boudewijnpark, naar de Oberbayernzaal!
Waarom Michel Van Maele die naam, Oberbayernzaal, koos? De vraag blijft eeuwig onbeantwoord.
Was hij onze stelling genegen, dat hij een boontje had voor het koningshuis, dan doopte hij die stek in het Boudewijnpark toch op zijn minst ‘Fabiolazaal’?

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van Brugse politiek, Van feesten en vieren, Van zingen en spelen | 15 Comments

‘Groeten uit Brugge’, de Katelijnestraat en … kunstambachten

De Katelijnestraat, een vooravond in september. De dagdagelijkse toestroom is weer een keer gaan liggen. Met een zucht komt de buurt stilaan tot zichzelf, na weer zo’n overrompelende dag die haar naar adem deed happen. Ze is zot, menen nogal wat andere straten en er zijn er alvast weinig die haar die wervelende rompslomp benijden. Maar vergis u niet, zo’n dagen zijn haar ding. Ze is de jongleur die een dozijn borden draaiende houdt op evenveel wiebelende stokjes en daar nog van geniet ook. Plichtsbewust neemt ze die taak op zich. Iemand moet het doen, meent ze.
Wij zijn op stap met een stel vrolijke kameraden die voor het eerst de stad bezoeken en daarom nemen we hen mee langs de ‘verplichte route’.

Zou ’t kunnen dat in een discreet hoekje, pakweg ergens ter hoogte van ’t Stoofstraatje, iemand dag in dag uit met een telraam alle passanten bijhoudt? Hoe dan ook, mensen die het weten, of alvast beweren het te weten, tellen zo’n acht miljoen bezoekers die elk jaar Brugge aandoen. Aan de Katelijnestraat hoef je dat niet te vertellen.

En ineens gebeurt het. Tot onze verbazing troont de jongste in ons gezelschap, een jongedame voor wie het leven vooral plezierig hoort te wezen, ons mee in zo’n winkel die uitpuilt van de bedenkelijke souvenirs. Voor je ’t weet, ben je zelf de toerist die zich vergaapt aan even banale als overdreven geprijsde prullerijen.
Piepkleine Brugse zwaantjes, vingerhoedjes en trapgeveltjes, ergens in een ver land door onderbetaalde mannen, vrouwen en wellicht ook kinderen vervaardigd uit een moeilijk te achterhalen grondstof. Plastiek? Kadertjes, een duim hoog, met daarin een leeuwtje in ‘Brugse kant’ van onmogelijk te traceren oorsprong. De raadselachtige aanwezigheid van die veelkleurige broertjes van Manneken Pis? Dwerguitvoeringen van het Atomium? ‘It’s Tuesday, this must be Belgium!
Het meisje kiest een sleutelhanger met het belfort erop. En, vreemd, al is wijn haar ding niet, toch wordt ze bekoord door een kurkentrekker met, in het namaakhout gekerfd, een gotische letter ‘B’.

Een kinderhand is gauw gevuld!” spot ik, maar onze gelegenheidstoeriste is tevreden met haar aankoop. En in de wolken om de vriendelijke, oosters ogende jongeman achter de toonbank die haar een speelse knipoog toewierp. Mijn bemerking, dat de knaap niet eens onze taal blijkt te spreken, wordt op een donderblik onthaald. Met een kordaat “Wat maakt het uit? Die jongen is hier wèl aan het werk, hé!” wordt deze criticaster zijn plaats gewezen. Brugge is de wereld en de wereld een dorp. En gij nu.

De nazomeravond die ons uitnodigt op een terrasje wordt een nazomernacht en wat we eigenlijk al wisten wordt bevestigd. De patron van het etablissement laat weten dat we aan onze laatste consumptie toe zijn. Al telt onze stad veel plekken waar je in de buitenlucht iets kan nuttigen, weinig van die terrassen hebben goesting om tot in de late uurtjes open te blijven.
En dus komen we in de tuin bij ons thuis terecht, het is er ook goed toeven. Mijn wederhelft stelt een wijntje voor en ons gezelschap kan daarmee leven. De fles komt op tafel, maar in de keuken blijkt onze kurkentrekker zoek. Triomfantelijk opent iemand haar handtas. Of hoe zo’n Brugs souvenir plots van waarde blijkt!

We zijn vertrokken voor een rondje doorbomen over toerisme in onze stad. Dat ondergetekende onlangs in het BMCC, onze nieuwe beurshal, present was bij een infoavond over dat onderwerp, is daar niet vreemd aan.
De hierboven genoemde lieden, u weet wel, die met hun telraam, mochten daar één en ander duiden. Zoals dat je de toeristenstroom niet alleen kan spreiden in de ruimte van de binnenstad, maar ook in de tijd. Ruimere openingstijden van musea? Avondlijke boottochtjes en koetsritten? Voor dorstige of hongerige medemensen meer plekken waar ze zich tot laat in de avond kunnen neervlijen?
Daar hoort ook tegenkanting bij, merkt iemand op. Maar ach, tegenwind zet je op weg naar weer andere, te volgen paden!

En dan is er dus ook dat aanbod van souvenirs en wie daar beter van wordt.
Daaromtrent las net één van ons een hoopvol bericht in een lokaal blad. Dat ‘Handmade in Brugge’, een collectief van Brugse ambachtsmensen, komt aanzetten met een betekenisvol voorstel. Een wedstrijd, namelijk.

Omtrent wedstrijden kan je ons niet tot de meest fervente voorstanders rekenen, maar wanneer ontwerpers op die manier worden uitgedaagd om een origineel én kwaliteitsvol Brugs souvenir te bedenken, gaan we graag mee in dat idee.
Een ‘wow-souvenir‘ zoeken ze en ’t is de bedoeling dat het winnende ontwerp ook effectief op de markt komt. De kandidaat-makers krijgen carte blanche, maar ’t moet iets duurzaam zijn met een goeie verhouding omtrent prijs en kwaliteit. En ja, ’t mag ook iets nuttigs zijn. Oproep aan de ambachtslui der stad, ‘Komt voor den dag met uwe voorstellen!
De inspiratiebron die ‘wijn’ heet is in onze nachtelijke tuin goed voor een rijtje ideeën. Kalligrafie, glaskunst en zelfs dichtbundels passeren de revue.
Maar, merkt iemand op, tussen de souvenirs van vandaag is af en toe toch ook iets bruikbaars te vinden? Het smalend glimlachje in mijn richting kan mij niet ontgaan.

Posted in Het Brugge van nu, Van schilderen en plaasteren, Van toeristen | 5 Comments

De ogen van Lara

Elke ochtend lag een krant in onze brievenbus. Zo’n kwaliteitskrant die haar lezers de geruststellende gedachte biedt dat ze mee zijn met hun tijd. Maar dag na dag zo’n stapeltje papier, dat zadelt je ook op met een ietwat ander gevoel. Want zo’n ernstig blad neemt niet alleen zichzelf, maar ook de wereld serieus. En veronderstelt van zijn lezers hetzelfde. En dat vergde net iets meer tijd dan we bereid waren aan krantenlezen te besteden. Zo kwam het voor dat, nog voor wij alles doornamen dat ons het lezen waard leek, op de ontbijttafel alweer een nieuwe gazet op ons wachtte.
En dan was er nog dat vage ongenoegen waar we onszelf zo nu en dan op betrapten. Ongenoegen om het stiefmoederlijke waarmee die krant ons eigenste West-Vlaanderen benaderde. Het soms amper verholen neerkijken vanuit Antwerpen, Brussel en andere ‘wereldsteden’. Een enkele keer las ik over een journalist die ‘zich naar het verre West-Vlaanderen begaf’. Klonk net niet als een vertelling uit onze kindertijd, over onze missionarissen, die koene avonturiers die het ‘primitieve’ Congolese binnenland in trokken.

We zegden De Morgen op en trakteerden onszelf op een weekblad en meteen ook op zeven dagen soepele leesruimte. Al mogen ook bij Knack de ‘grote steden’ niet klagen over een tekort aan aandacht.
Zo las ik er laatst de brief die journalist Stijn Bosmans schreef aan de burgemeester van een stad aan de Schelde. Over een plein, daar in die stad, waar ze een charmante, vertrouwde kiosk slopen. Schrijver van het luchtig neergepende artikel maakt zowaar van de gelegenheid gebruik om het grote verhaal van kiosken en hun plaats in de wereld te duiden. Het woord ‘kiosk’ blijkt warempel van Perzische oorsprong.
Daarover mijmerend kom ik tot een verrassende vaststelling … Bedenk maar een keer een woord dat rijmt op ‘kiosk’. Zelfs Van Dale kent er niet één.
En dat mijmeren leidt mijn gedachten uiteraard af naar die ene kiosk die we hier in onze eigen binnenstad koesteren, in ons Koningin Astridpark. Nog geen tien jaar geleden onderging de muziektempel in den Botanieken Hof een hoognodige maar geslaagde restauratie, dus dat charmante bouwsel blijft nog wel even.

En al wordt de botanische reputatie van het park tegenwoordig wel héél geestverruimend ingevuld – naast een zomerfleurig aroma ontwaar je er niet zelden een mild vleugje cannabis – het blijft een schilderachtig oord. En die kiosk, die is in zo’n Engelse landschapstuin net zo onmisbaar als de vijver met zijn Neptunusfontein.
Trouwens, dat onderdak voor musici, kon het praten dan zou dat vast een boeket aan boeiende weetjes opleveren.

… naast een zomerfleurig aroma – foto Benny Proot

Dat laatst op een snikhete middag ondergetekende met een groepje zielsverwanten de schaduwkoelte in de kiosk opzocht voor een riante picknick telt niet mee, daar kijkt niemand van op. Maar Brugge keek wel op toen op een dag, ergens midden de jaren zeventig, een Hollandse filmploeg het park èn de kiosk inpalmde. En vooral de reden daartoe ging in Brugge over de tong. Regisseur Paul Verhoeven was namelijk druk in de weer met het verfilmen van ‘Keetje Tippel’. Voor wie toen nog in de bloemkolen zat, even duiden.

Eenmaal in de cinema zou ‘Keetje Tippel’ uitgroeien tot één van de meest succesvolle Nederlandstalige films ooit. En naam maken als één van de eerste ‘erotische’ prenten van onze Noorderburen, die op dat vlak al enige reputatie hadden. Vandaag – de film vind je na enig zoeken integraal op Youtube – maakt niemand zich nog druk om een film met blote boezems of billen. Maar toen was bloot nog synoniem voor stout en gedurfd.
Het verhaal ‘Keetje Tippel’ is dat van een arm meisje dat in de prostitutie belandt, maar uiteindelijk kent de historie een relatief schoon einde. Het avontuur speelt zich af in Amsterdam, maar in het Vondelpark vond regisseur Verhoeven nergens een hoek die voldeed aan zijn verwachtingen zoals het Brugse Koningin Astridpark met zijn fontein en kiosk dat deed. Zo komt het dat de toen immens populaire actrice Moniek van de Ven, parasol over de frêle schouder, in ’t gezelschap van een jongeling paradeert langs een kiosk in het Amsterdamse Vondelpark … een kiosk die verdacht veel lijkt op die in onze Botanieken Hof.

… Moniek van de Ven, parasol over de frêle schouder, in ’t gezelschap van een jongeling.

En terwijl in het stuk in mijn weekblad de kiosken van allerlei steden worden genoemd, vrees ik verder lezend dat de kiosk in ‘het verre Brugge’ over ’t hoofd gezien wordt. ’t Zal toch niet weer van dat zijn?
Maar neen hoor, tenslotte komt ze ter sprake, dat zit goed. En omtrent onze kiosk geeft de schrijver terloops een weetje mee dat ik nog niet kende. Hij vernam het uit eerste hand, dus ’t is echt gebeurd. Al wat jaren geleden, maar schoon genoeg om het hier te vertellen.
Stel u voor, een zonnige zomerdag. Een jongen en een meisje hebben een afspraakje, zoals dat gaat met meisjes en jongens. Hoe de knaap heet, dat vernemen we niet. Van het meisje weten we dat wel, ze heet Lara. De jongen, neem ik aan, droomt van datgene waar jongens van dromen. En zij? Zij is een specialleke, droomt van boeken en van verhalen verzinnen.
Waar ze mekaar ontmoeten? De kiosk in den Botanieken Hof, dat lijkt het meisje een romantische plaats om af te spreken! Geen coole plek, meent de knaap, maar hij is op post. Hoe zou je zelf zijn, zo’n schoon meiske dat hem een blik waardig acht. En bovendien, die kameraden van hem zijn stik jaloers. Gelijk hebben ze, tenslotte is hij de knul die mag verdrinken in de vijverdonkere ogen … van Lara Taveirne.

Vanaf dit najaar is Lara Taveirne, samen met Marieke De Marè, Brugs stadsschrijver.
Benieuwd hoe ze die uitdaging aangaan …

Posted in Het Brugge van toen, Van boeken en schrijven, Van film | 13 Comments

Een stille groet aan Bieke Hillewaert

Steden en streken, dat zijn mensen. Ja hoor, het zijn ook huizen, straten, velden en weiden. Maar een plek is, voor alles, wat mensen ervan maken. Mensen die er komen en gaan. Die er bouwen en breken, helpen en hopen, loven en lachen, vloeken en vrijen. Die er ‘mensen’, kortom.
Daarom ook, gelijken plaatsen en steden op mensen. Neem nu die stad van ons. Die stad ontwaakt als u en ik, sluimerend en traag, in ochtendnevels die daken en torens omhullen. Al kan zo’n stad ook stralen in zelfvertrouwen, wanneer het zonlicht zijn straten en pleinen kleurt onder klaterende beiaardklanken.
Doch wanneer dreigend lage wolken zich weerspiegelen in het donkere water van zijn reien, dan zal deze stad ook somberen zoals elk van ons.
Maar soms kan deze stad – en ook dat overkomt ons mensen wel een keer – zich opgewekt voordoen, verzwijgend dat de dagen hem zwaar vallen. Zoals vandaag en de voorbije dagen.

foto Fernand Proot

Dit lijkt een zonnig Brugs najaar als alle andere. Straten, pleinen, winkels en terrassen vullen zich met volk. Bootjes, koetsen en paraplugidsen loodsen bezoekers door de oude binnenstad en de vertrouwde beiaard riedelt als vanouds. Brugge, de blije. Maar diep onder dat vrolijk kabaal knaagt iets, doet iets zeer. Al ziet niemand het.

Brugge, ons Brugge, treurt. Treurt om het heengaan, veel te vroeg, van Bieke Hillewaert.
Bieke was archeologe. Maar niet zomaar één. Hier bij ons stond zij ruim een kwarteeuw op de voorplecht van het schip dat archeologie heet. Bieke Hillewaert was ónze archeologe.
Treuren is wat deze stad doet en ook de polders eromheen. Het Zwin, zoals het is en ooit was, treurt. De vroegere havenplaatsen bij die oude vaargeul, ze treuren. Hoeke en Sluis, Damme ook. En het sinds lang vergane Monnikenrede dat Bieke zo nauw aan het hart lag.

Ooit met jeugdige geestdrift begonnen bij de Stedelijke Archeologische Dienst, verruimde Bieke Hillewaert dat team tot Raakvlak, het project dat archeologie in de wijde omgeving onder zijn hoede nam. Jong, minder jong of oud, al wie meer wou weten omtrent haar vak, haar passie, kon bij Bieke terecht.

En het Archeologisch Museum in de schaduw
van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, weet u nog?

Het vakkundig gereconstrueerde Merovingische hallenhuis in Sint-Andries was, is, bij wijze van spreken, het hare. En het Archeologisch Museum in de schaduw van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, weet u nog?
En toen ze samen met Marc Ryckaert en anderen ‘Op het raakvlak van twee landschappen’ publiceerde, kreeg al wie begaan was met het vroegste verhaal van onze contreien een standaardwerk in handen.

Jaren geleden op sleeptouw genomen door Bieke’s voordrachten en toonmomenten, door hoe ze eeuwenoud aardewerk zorgzaam in de hand nam, besefte ik, archeologie gaat niet over stenen of muren. Niet over putten of sleuven, brokstukken of botten.
Archeologie gaat over mensen. Over mensen en hoe ze komen en gaan. Hoe ze bouwen en breken, helpen en hopen. Hoe ze loven en lachen, vloeken en vrijen. Hoe ze ‘mensen’.
Dat is het schone aan archeologie. Dat was het schone aan Bieke.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van boeken en schrijven | 16 Comments

Brugge, een postzegel groot.

Brugge op een postzegel! Een vriend van ons had bij de mail die hij mij toestuurde, de afbeelding van een postzegel gevoegd. Hij noemde het een Brugse en eigenlijk was  het dat ook. Van het oude Sint-Janshospitaal herkende je op de zegel de zijgevels langs de reie. In zijn mail vroeg die vriend van ons, de kluchtigaard, of ik indertijd niet beter postzegels was gaan verzamelen in plaats van affiches. Zo’n zegels nemen een pak minder plaats in, toch? En laten we ’t maar gewoon toegeven, op dat vlak heeft hij een punt.
Want het is me wat, zo’n affichecollectie. Gedwee laat onze woonst zich inpalmen door een veelheid van ingekaderde, overjaarse affiches. En dan hebben we het nog niet over wat hier bij ons doorgaans omschrijven wordt als ‘de affichekamer’. Hoeft die plek enige omschrijving, of laten we dat aan de verbeelding van de lezer over? Vanaf wanneer vervaagt de grens tussen woonst en verzamelmuseum?
Het zal de filatelist een zorg wezen. Die bewaart zijn zorgvuldig geordende collectie in specifiek daarvoor bedachte mappen. In het boekenkastje, hier bij ons in de living, zou je meer postzegels kwijt kunnen dan affiches in het hele huis.
Helaas, helaas, om het nu nog over een andere boeg te gooien zijn we al tè lang in de weer met die zoveel ruimte inpalmende affiches. En wat zou ik ze missen, mijn gekoesterde verzamelstukken. Het verhaal van Brugge dat ze vertellen, in die affichekamer vol kaften en kokers. En de mij intussen zo vertrouwde namen van ontwerpers van al dat fraais, Flori Van Acker, Jules Fonteyne en de anderen.

Maar terwijl ik de mail van mijn vriend beantwoord, vink ik terloops nog een keer de bijlage aan, de Brugse postzegel waarover het ging. En vult de afbeelding mijn scherm, valt mij iets op in de linker benedenhoek van het kleinood. Twee letters zijn het, ‘H’ en ‘V’, schouder aan schouder. Signeerde de ontwerper de zegel met zijn initialen? Wie thuis is in de wereld van de filatelie kijkt daar wellicht niet van op. Maar wie is of was in dit geval die ‘HV’?
’t Zal toch niet waar zijn, zeker?
Het vergt onverwacht weinig schermzoekwerk om te laten bevestigen wat ik vermoed. En voor ik het goed en wel besef, ben ik weer helemaal op vertrouwd terrein.

HV’, namelijk, staat voor ‘Herman Verbaere’. En die ken ik uit het rijtje namen waarover ik het hierboven even had. Lang geleden, van kort voor de Tweede Wereldoorlog tot in de jaren zestig, verwierf Herman Verbaere als aquarellist en lithograaf behoorlijk wat faam met talloze affiches. Vooral met zijn opdrachten voor de Belgische Spoorwegen. Overal in dit landje bij de Noordzee koos hij stemmige landschappen en stadsgezichten en vereeuwigde ze doorgaans in een kenmerkend zijdezacht, ietwat melancholisch kleurenpalet. Soms leek zijn kenmerkende beeldtaal te contrasteren met de moderne boodschap die de affiches uitdroegen.
Maar dat Herman Verbaere ook met postzegels in de weer was, leerde ik nu pas.

Drie keer kreeg Brugge als reisbestemming een Verbaere-affiche. De affiche die Lissewege promootte – lang voor dat dorp bij Groot Brugge werd ingelijfd – kon ik pas recent aan mijn verzameling toevoegen. Het verstilde Lissewege nestelt zich onder zijn stoere kerktoren, Verbaere koesterde zich wat graag aan zo’n dromerige beelden.
Een wat aftands ogend exemplaar is het, sinds de affiche vele jaren geleden werd gedrukt, maakte ze al wat mee. Maar zoiets draagt bij aan de charme van het stuk.
Het meest typerende Verbaere-ontwerp in dat bescheiden Brugse reeksje is dat met het uitzicht op het belfort van bij de Rozenhoedkaai. Ook hier laat de ontwerper zich voluit kennen als de schilder met de fluwelen hand. Met de reflectie in het water van de reie, zoals de slagschaduw in de straat op de Lissewege-affiche, als amper ‘roerend’ element in het beeld.

Merkwaardig, anderzijds, en ietwat buiten de lijntjes van zijn gebruikelijke werk, is de affiche waarbij hij het Ursulaschrijn van Hans Memling in het Sint-Janshospitaal als campagnebeeld kiest. Ook hier neigen de gekozen tinten naar het weeë dat Verbaere zo herkenbaar maakt. Maar het is de achtergrond die voor de verrassing zorgt. Want zowat alle Brugse monumenten krijgen een plekje op de affiche … maar het meest iconische ontbreekt.
Bedacht hij eerst een soort drager waarop hij al die gebouwen tekende, met prominent middenin ons belfort? Om dan de eigenlijke blikvanger er bovenop te zetten, waardoor het belfort uit het zicht verdwijnt?

Nog één keer, in de nadagen van Verbaere’s loopbaan als afficheontwerper, komt Brugge in het vizier. Was het zijn eigen keuze, of liet de opdrachtgever fijntjes weten dat de tijden veranderden? Dat een meer eigentijds campagnebeeld gewenst was?

De affiche richt zich tot buitenlandse treinreizigers en promoot ons land, met Brugge als blikvanger van dienst. Herman Verbaere lijkt met de keuze van zijn achtergrond terug te keren naar de collage van zijn Ursulaschrijn-ontwerp. Dit keer wijselijk mèt belfort. Maar hier komt niet langer de subtiele schilder Verbaere tot zijn recht. Hij stelt zich, of de opdrachtgever, tevreden met een heuse fotocollage, twee kantwerksters. Het fotorealisme van de nieuwerwetse jaren zestig. Je kan je zo voorstellen, dat Herman in deze affiche stilletjes de voldoening uit zijn gloriejaren miste.

’t Is dertig zomers geleden dat aan het lange leven en de loopbaan van de kunstschilder en tekenaar een eind kwam. Maar Herman Verbaere blijft de bedenker van aardig wat ontwerpen. Dat herinnert zich de filatelist. En ondergetekende, die dat postzegel-idee van een vriend toch maar achterwege laat en verder zijn affichecollectie en zijn stad koestert. Trouwens, Brugge oogt zo onooglijk klein op zo’n zegeltje.

Posted in Het Brugge van toen, Over affiches verzamelen, Van schilderen en plaasteren | 8 Comments