Horen, zien en … Spermalie

Wat wij ons uit onze prille levensjaren herinneren, is het vooral wat we zagen of eerder hetgeen we  hoorden? Of gaat het om geuren? Zintuigen laten mekaar zelden los, in onze memorie zal dat ook wel zo zijn.
Ergens in de verste uithoek van mijn herinneringen ben ik het ukkie dat liefst achter moeders rokken aan loopt. Mijn ma en ik staan op de koer bij de achterdeur van het huis. Ik, veilig dicht bij haar, de twee mannen die langs komen ken ik niet. Tussen ons in staat, op de grijze tegelvloer, iets wat op een buitenmaatse dokterstas lijkt. De tas staat open, ze steekt vol met allerlei flesjes en potjes. De ene meneer voert het woord, hij vertelt mijn moeder wat hij allemaal te koop aanbiedt, van alles voor madammen, parfum en van die dingen. Uit zo’n flesje laat hij mijn ma een zoete geur opsnuiven. Ik wil ook even ruiken maar de man ziet het knaapje aan zijn voeten over ’t hoofd, letterlijk.

Het ‘blindenbloempje’ …
meer ‘verbloemend’ kon het niet worden. Maar ’t was goed bedoeld … ‘ten bate van onze meest beproefde broeders, de blinden‘.

De andere meneer staat erbij, zegt amper iets. Daarom kijk ik ietwat schuw naar hem op. Maar vooral om de manier waarop hij ons vanachter zijn wel heel donkere bril niet lijkt aan te kijken. Heeft hij een witte wandelstok bij?
Het is de eerste keer dat ik met een blinde in contact kom. Een venter die van deur tot deur ging, met in zijn gezelschap een blinde man. Een zinnige tijdsinvulling voor iemand met een visuele beperking? Of had het, in plaats van met integratie en betrokkenheid, eerder iets van een stout trucje? Werd hier slim ingespeeld op de compassie van de klant?
Zoals ik mijn ma heb gekend, is dat die middag zonder twijfel gelukt. De vreemde mannen waren weer weg, mijn ma vertelde aan mijn vader dat ze, terwijl de verkoper in zijn auto wisselgeld haalde, even in de tas rommelde, kijkend of ze nog wat kon gebruiken. Ze had dat nadrukkelijk gezegd aan de blinde meneer.
Die mens hoorde mij bezig maar zag het niet, ‘k wou hem gerust stellen dat ik niet stiekem iets wegnam. ’t Zijn toch echt wel dutsen, hé, zo’n mensen!’
Da’s wat je bijblijft. Ik zie ze staan, die mannen. En ik hoor mijn moeder rammelen met doosjes en flesjes. Alleen de geur is mij, hoe kon het anders, ontgaan.

Een aankondiging van het Brugse Spermalie, een niet nader omschreven ‘tentoonstelling en revue‘, die doorging in het Instituut Heilige Familie in Ieper.

Vele levensjaren later komen mijn vrouw en ik en een kennis van ons langs in het Arentshuis. Er loopt een tentoonstelling over hulpmiddelen voor mensen met een visuele beperking, ‘De wereld binnen handbereik. In het deel van mijn leven dat zich afspeelde tussen die middag in mijn kindertijd en dit museumbezoek, is één en ander omtrent visuele beperkingen mij enigszins vertrouwd. Mijn wederhelft bracht haar hele beroepsloopbaan door in Spermalie, het instituut dat voor deze tentoonstelling een flink deel van zijn archief naar het Arentshuis overbracht.
Maar toch kom ik hier verrassende verhalen te weten over wat in ’t verleden allemaal aan hulpmiddelen werd bedacht voor en door blinden en slechtzienden. Didactische spullen waarbij horen, voelen en ruiken het zien compenseren of daar toch toe bijdragen. Wie weet, liep die meneer wiens zwijgzame blik me destijds verontrustte ooit school in Spermalie. Dan benutte hij misschien wel ’t één en ander van wat hier vandaag getoond wordt.
Terug buiten, houden we even halt op het bordes van het museum. Met forse tred komt een paard met koets door de poort van het hof van Arents. Mijn vrouw en ik zien en horen ze. De vriend die ons vergezelt, tikt even ritmisch met zijn blindenstok op de arduinen stoep en lacht: ‘Ik hoor ze en ruik ze!

De tentoonstelling ‘De wereld binnen handbereik‘,
loopt tot het laatste weekend van augustus in het Arentshuis.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen | 8 Comments

Bob Dylan in Brugge

Waarmee kon je, op die voorjaarsavond van het jaar 1984, het aftandse voetbalstadion in Schaarbeek het best vergelijken? Misschien met het toen al lang verlaten, maar nog overeind gebleven oud plein van Cercle Brugge langs de Torhoutse Steenweg? Onder de dreigende regenwolken oogden de schamele tribunes rond het bescheiden stadion, daar in Schaarbeek, niet als een uitnodigende plek voor het concert van één van de grootheden uit de muziekwereld. Hoewel … de charme van vervallen oorden.
’t Was voor Bob Dylan dat zo’n kleine twintigduizend muziekliefhebbers het Brusselse voetbalplein hadden ingepalmd. Ze hadden best wel uitgekeken naar die avond. Want al stond de singer-songwriter er misschien zelf niet bij stil, ’t was de allereerste keer dat hij optrad in ons land. Dat het zijn eerste concert was waarop mijn goeie vriend Patrick en ik present waren, wist hij allicht ook niet.
Carlos Santana, als gitarist ook geen kleintje, zorgde voor een voorspelbaar maar schoon voorprogramma, en in de begeleidingsgroep van Dylan speelde ex-Rolling Stone Mick Taylor. Om maar te zeggen, we vertoefden in goed gezelschap. Maar de meute muziekliefhebbers kwam voor de meester zelf. Voor hem en zijn iconische klassiekers.
En ergens op dat drassige voetbalveld vond je dus ondergetekende en zijn boezemvriend, dertigers maar puberaal content om erbij te zijn. Op de terugweg naar het nachtelijke Brugge, de ruitenwissers vochten verwoed met de slagregen, vroegen wij ons af waarom de organisator het concert liet doorgaan tussen overjaarse tribunes van een aftands voetbalstadion. Ja, ’t was echt wel het Brusselse equivalent van ons oud Cercle-plein.
Voor jongere lezers, dat bejaarde Brugse voetbalplein lag dus nabij de Torhoutse Steenweg, veel later bouwden ze daar de Magdalenazaal. Wie meer levensjaren verzamelde, herinnert zich misschien nog dat Edgard De Smet-stadion. Cercle was er thuis tot midden de jaren zeventig. Nadat ze met Club naar Olympia verhuisden, bleven de tribunes rond het stille plein nog jaren overeind.

Bob Dylan, live op ’t oud Cercleplein,
donderdag 7 juni ’84 …

Welaan dan, als het zo nodig op een verkommerd voetbalveld moest! Dan hadden ze Dylan, in plaats van ginder in Brussel, net zo goed een podium kunnen geven op ’t oud plein van ons eigen Cercle! Konden deze fan en zijn kameraad, gewoon met de velo naar Bob Dylan!
Met zijn tournee, waar die avond in Schaarbeek deel van uitmaakte,  was de grote liedjessmid blijkbaar content, want achteraf liet hij er de langspeler ‘Real Live’ mee vullen. Dus met wat geluk stond die plaat vol met Brugse opnamen. ‘Real Live at Edgard De Smet Stadium, Bruges’, zoiets. Toegegeven, op zo’n hoes valt het rock&roll-gehalte van dat ‘Edgard De Smet Stadium’ wat magertjes uit, maar toch.
Inmiddels is Dylan niet meer in de fleur van zijn jaren. De legendarische bard werd deze week tachtig. De kans dat hij ooit nog op een Brugs podium staat wordt er niet groter op. Hoewel. Hallo, Cactus? Maar weet je wat, Patrick Keirsebilck? Die Dylan is echt wel een taaie, hij gaat nog wel even mee. Dus wacht gerust nog vijf jaar, tot zijn vijfentachtigste. Dan zit een schone Brugse lijn in dit verhaal. Want tien jaar geleden, op Bob’s zeventigste, organiseerden fans hier in Brugge al een keer een ‘Birthdayparty‘. Bij zijn verjaardag vijf jaar later, speelde een feesttent vol Brugse muzikanten een avond lang Dylan-songs. Dit jaar kan dat niet, om de alom vermaledijde reden. Maar, Cactus, hebben jullie binnen vijf jaar nog een  plek over op jullie affiche, je weet wie naar hier gehaald! Hou alvast twee plekken vrij in ’t fietsenrek!

Brugse verjaardagsfeestjes voor Bob? Jawel, de ouwe mag niet klagen over zijn Brugse aanhang. Bij zijn zeventigste ging hier al een keer een feestavondje door. En vijf jaar later vierde zowat het hele Brugse muzikantenlegioen zijn verjaardag in een spiegeltent bij de molens.

Posted in Van 't Cactusfestival, Van Brugs voetbal, Van feesten en vieren, Van gitaren en drums, Van zingen en spelen | 7 Comments

Over Benny Scott en … foute muziek

De filosofen!” laat mijn wederhelft weten vanuit het salon, en ik veer op van mijn bureaustoel. Mijn zoals altijd uitermate belangwekkende bezigheid op mijn pc moet even wachten. Want ‘De filosofen’ komen op tv!
De bijdrage van uw dienaar aan de landelijke kijkcijfers is bescheiden. Maar op maandagavond spendeert hij met graagte een korte tijdspanne voor de kijkdoos des huizes. Want Jean Paul Van Bendegem en Ignaas Devisch palmen weer het scherm in met het korte item ‘Doordenken’. De heer Van Bendegem is alom gekend als filosoof, zijn gesprekspartner Ignaas wordt dat stilaan ook. Want het praatje dat de mannen slaan is aangenaam kijk- en luistervoer. Een paar minuten ‘Filosofie voor Dummies’, bondig en met welkome kwinkslag. In het rustieke interieur dat als decor fungeert, badineren de geleerde mannen dit keer over de levensbelangrijke vraag ‘Bestaat er foute muziek?’ Aannemelijke overwegingen passeren de revue, min of meer zinnige besluiten volgen.

Terug bij mijn vertrouwde computer, merk ik dat iemand van de krant een mailtje stuurde. De redactie wil iets ondernemen omtrent een bekend Brugs lied, lees ik. Ze bedoelen “‘k En Brugge In m’n Herte!”, van de in Brugge wereldberoemde Benny Scott. Of ik misschien een affiche heb liggen over die mens?  Eén van de handige kanten van mijn collectie is dat alle affiches zijn ondergebracht in thematische, genummerde mappen. Muziek, bijvoorbeeld. Klassiek in een map, rock of jazz in weer andere. In één zo’n map, tussen affiches van Will Tura, een vergeelde plakbrief over Roger Danneels, schlagerfestivals in de beurshal, vind ik een paar affiches van Benny Scott. Op de map waarin ze steken, staat ‘Lichte genres’. Zou je, met wat daarnet op tv werd verteld, die reeks ook als ‘foute muziek’ kunnen omschrijven? Welnu, niet volgens de hogergenoemde wijsheren.

Benny Scott, 10 x 7 … ofte een optreden bij zijn zeventigste verjaardag.

Want wat bedachten zij omtrent ‘foute muziek’? Na enig telegeniek geredeneer merken de nadenkers fijntjes op dat ‘fout’ enkel zin heeft als in dezelfde context ook ‘juist’ van toepassing is. En er bestaat niet zoiets als ‘juiste muziek’. Dat is, nou ja, juist. Muziek, een symfonie of een lied, raakt je of doet dat niet. Punt.
In het verre verleden waarin ondergetekende zijn apenjaren beleefde, haalden hij en zijn vrienden muziek in huis van de Rolling Stones of Van Morrison. De Vlaamse hitparade was goed voor gegrinnik. Veel te commercieel, hé! De woorden ‘foute muziek’ waren nog niet in voege, maar we bedoelden hetzelfde.
Vandaag, vele muziekjes later, laat deze jongen zijn pc zoeken naar “’k En Brugge in m’n herte!”. En stelt vast dat verdorie zowat elk woord in dat simpele lied hem op het lijf geschreven lijkt. De volgende ochtend betrapt hij het refrein erop, dat het de hele dag door zijn hoofd blijft dansen. Het herinnert hem aan de tijd van toen, wanneer een veel te commercieel deuntje uit de Vlaamse Top Tien hem ook wel een keer een etmaal lang kon ‘ambeteren’. Toen vond ie dat gênant. Vandaag heeft hij met plezier en lichte trots “Brugge in z’n herte!” Met dank aan twee filosofen … èn Benny Scott!
De term ‘foute muziek’, zei u? Gewoon een foute term!

Een link naar het lied?
Hier komt ie … https://www.youtube.com/watch?v=Gn-XyQpGdLY

Posted in Het Brugge van nu, Van zingen en spelen | 9 Comments

Jezus was een socialist!

Ook dit Brugse voorjaar gaat voorbij zonder Meifoor. En zonder Heilig Bloedprocessie. Het zet ons aan ’t mijmeren … over kermisleute en godsdienstlessen …

Laten we het een keer hebben over de bevrijdingstheologie … Pardon, de wat? Geen nood, hier volgt ter duiding een hapje godsdienstles. Van op de schoolbanken in de jaren zeventig herinner ik mij, eerlijk waar, niet bijster veel lesinhoud. Maar die van een jonge priester met een heel eigen kijk op de Leer van de Heer, die is me bijgebleven. ‘k Weet nog hoe in die slordig maar enthousiast gegeven godsdienstlessen van hem het evangelie klonk als de ultieme oproep tot bevrijding van alle verdrukking. Geldgewin? Dividenden? Zonde! Die van Nazareth, hij sprong in de bres voor de sukkelaars! Jezus was gewoon een rooie rakker! Nogal wat klasgenoten trokken de schouders op. Ondergetekende en zijn vrienden vergaapten zich aan zo’n denkpiste, die volgens onze leraar kwam overgewaaid vanuit het getormenteerde Latijns Amerika. En ja, die kleurrijke namen die bij dat discours hoorden, Camilo Torres, Ernesto Cardenal, ’t had wel iets.
Dat ik hier en nu aan dat pleidooi terugdenk, ’t is door de Heilig Bloedprocessie. Want wat vertelde dat jong pastoorke ook alweer? Jezus, een linkse jongen, da’s één ding. Maar dat ze dat voor het eerst in verre landen bedacht hebben, daar willen we wel nog een boompje over opzetten. Want dat Jezus een sos is, dat zeggen ze in Brugge namelijk al van in de tijd van onze grootouders.
Het zit namelijk zo. Het komt voor dat de Heilig Bloedprocessie uitgaat bij schoon weer. Geen gemopper, wat dacht je. Maar laat het een keer regenen op ‘Heiligbloeddag’, ge zult wat horen! Gegarandeerd herinnert iemand zich dan dat enkele dagen eerder, op de eerste mei, de optocht van de socialisten door de stad trok onder een stralende zon! En voilà, dan haalt altijd wel eentje de oude Brugse wijsheid van stal haalt: ‘Ziet ge wel, ons Heere is voe de sossen!

Het Volkskundemuseum toont in 2013, naast kermisaffiches uit onze collectie, foto’s van Nick Hannes. Nick, die ook de schapen hierboven vereeuwigde.

Al heeft de Heilig Bloedprocessie veelal toch ook de weergoden aan zijn kant. Oeps, de Zoon Gods en zoiets heidens als ‘weergoden‘, samen in één zin? Het hoort niet, ‘k weet het. Maar ach, onze plechtige hoogdag is wel meer tegenstrijdigheden gewoon. Zie de schapen die processiegewijs langs de Meifoor passeren.
De verwondering van de toeschouwers verbleekt bij de devote verbazing van de brave kudde. Want wat doemt op in de achtergrond? De lugubere gevel van ‘Devil’s Manor’! Een verderfelijk oord dat grijnzend wacht tot al dat plechtstatige voorbij is. Waarna het godvruchtige volk zich omdraait en zich gulzig in al het zondige van de kermis stort.
De foorkramers houden zich nog even stil. Om dan meteen hun kermisgejoel te hervatten, zoals ’t hoort. Jezus, die ’t volgens sommigen niet zo begrepen had op geldgewin, en zijn processie, ze zijn gepasseerd, laat rinkelen die kassa! Trouwens, als ’t waar is, dat ons Heere in zijnen tijd aan de kant stond van de kleine man, dan kwam je hem toch zeker ook een keer tegen op de kermis?

Posted in Het Brugge van nu, Van feesten en vieren, Van stoeten en processies, Van zin, zen en zijn | 7 Comments

‘De ontdekking van de hemel’ door Pieter Aspe …

… een boekbespreking?

Hoe zal ik je aanspreken, als Pierre of als Pieter? ‘k Wou je hoe dan ook melden dat ik, bladerend door de honderden bladzijden van  het dikke boek, die ene alinea terugvond. Ik wou je erover vertellen. Het is geen sleutelmoment in ‘De ontdekking van de hemel’, het grootse verhaal van Harry Mulisch, maar toch zijn die paar woorden me bijgebleven. ’t Is wanneer het hoofdpersonage voor het eerst langs komt op de flat van een vriend …

‘Ontmaskerd’, een Aspe-marathon in 2002, in het gloednieuwe Concertgebouw, met verschillende Brugse toneelgroepen op het podium.

Het was er eerder vol, met boeken en mappen, ook op de grond en op de kleine vleugelpiano. Maar nooit lag een groter boek op een kleiner, of een map op een boek, niets leek ergens anders te kunnen liggen – als op een schilderij.’

‘Nooit lag een groter boek op een kleiner’ … dat één zo’n detail uit een lijvige roman me bijblijft. Omdat het, in dit ene geval, iets zegt over de lezer. Iets waarin hij zichzelf herkent.
’t Schijnt dat in elk van ons iets autistisch schuilt. Dat is, wat mij betreft, de amper te weerstane drang om, waar pakweg op een salontafel een klein boekje onder een groter ligt, dat op te lossen. Door, jawel, volstrekt belachelijk, de twee boeken van plaats te wisselen. Boeken, daar sol je niet mee. O ja, ze bestaan ook digitaal en da’s handig, ik weet het. Maar in mij denken roept ‘boek’ toch het beeld op van wat op papier is gedrukt. Je zal me bijtreden, Pieter, we zijn generatiegenoten. Dat wàren we, want jij bent er niet meer.

Wij hebben elkaar nooit gesproken. Al kwamen we mekaar wel een keer tegen op straat of ergens in de nabijheid van een toog. In het boek-en-koffiehuis in de Sint-Jacobsstraat, dat je een tijdlang deelde met Marec, kwam ik één keer langs, maar je was er niet. Misschien hadden we ’t anders wel over de eerste keer dat onze paden mekaar kruisten. ’t Waren de laatste maanden die ik doorbracht in de Brugse school waar ik aan ’t worden was wie ik ben. Op de speelplaats stapte een jongeman het bordes op naar één van de oude gebouwen. ‘Da’s dien Aspeslag, die nieuwen van ’t secretariaat!
Er gingen jaren voorbij, tot ‘Het vierkant van de wraak’. Het boek ging over de tong in Brugge, het speelde zich hier af. En de auteur was van hier. Hij begon te schrijven na twaalf stielen en zo. Was zelfs ooit even ‘studiemeester’. Ha, diè Aspeslag dus!

ASPEcten … in de zomer van 2003 pikt Brugge met een themawandeling een Aspe-graantje mee …

Er zijn veel boeken geschreven en gelezen, sindsdien. Dat doe ik hier niet uit de doeken, dat doen anderen wel op andere plekken. Maar in de toekomst breng ik je nog wel ter sprake, wanneer ik weer met bezoekers door Brugge wandel. In de winkelpassage tussen de Burg en de Wollestraat wijs ik dan op de achtergevel van de Heiligbloedkapel. Waar de jonge Pierre Aspeslag zich als conciërge verveelde en dan maar begon te schrijven.
Je stad zorgt verder voor zichzelf, wees maar gerust, Pieter. En de manier waarop hij dat doet, daar zal jij je verder blijven aan ergeren. Ergens ginder, wie weet waar. Misschien, Harry Mulisch indachtig, ontdek je de hemel. Je was geen heilige, maar als hij bestaat, die hemel, dan hoop ik toch dat je er komt. Omdat ik in dat geval ook nog een kansje maak. We vinden mekaar dan wel.
In afwachting lees ik vast nog wel een keer een boek van jou, beloofd.

Posted in Het Brugge van nu, Over toneel, Van boeken en schrijven | 2 Comments

Boudewijn De Groot en Peter Slabbynck

Mijn kop thee schrok van de nadruk waarmee ik ‘m neerzette op de ontbijttafel. Bij wat ik las in de krant naast mijn kom muesli ontbrak het uitroepteken. Boudewijn De Groot laat weten dat hij nooit meer optreedt, zoiets schrijf je niet zonder uitroepteken, toch? Boudewijn wordt straks 76, stond erbij en dat mag dan een leeftijd zijn waarop een mens het wat rustiger doet, maar toch. Later op de ochtend, op de radio, Na tweeëntwintig jaren in het leven maak ik het testament op van mijn jeugd …’ Boudewijn De Groot! De bladzijde die hij omslaat is er een uit je eigen leven.

Die voormiddag fietste ik naar ’t stad, voor ‘Ik was 18 in ’80’, de tentoonstelling die Peter Slabbynck met wat vrienden heeft opgebouwd in het stadsarchief. Eén van die vrienden is archivaris Jan D’hondt en daar zit een verhaal aan vast. Ze bedachten een expositie rond hun eigen jonge dagen. Dagen toen hier in Brugge Red Zebra en ander jong geweld het muzieklandschap op zijn kop zette. En Red Zebra, dat was het groepje waarin Peter de micro mishandelde en Jan de basgitaar. De late jaren zeventig, vroege eighties. Punktijden! Als bij één soort muziek een uitroepteken hoort, dan wel hierbij!

Aardige expositie, wat te zien is mag gezien worden en is goed voor meer dan één glimlach, herkenning alom. Maar bij ondergetekende is dat tijdsbeeld goed voor een even merkwaardige als eigen herinnering. Achttien in tachtig? Deze jongen was een handvol jaren ouder en ineens vertelde de radio hem dat hij geen jonkie meer was. Wat die snotapen van muzikanten speelden en meer nog wat ze vertelden, het zette hem danig op zijn plaats. Want ineens bleken al die muziekhelden van mijn lichting bol te staan van pretentie en hoogdravendheid. Simon & Garfunkel? Joan Baez en Boudewijn De Groot? Weg, ouwe knarren! Ja maar, wacht eens even, da’s wel mijn muziek, hé! Ik weet nog dat ik toen voor ’t eerst wist, ofwel ben je jong ofwel volwassen, de twee samen gaan niet.

Thuis gekomen heb ik een vroege plaat van The Eagles opgelegd. Die tentoonstelling in ’t archief roept dan wel luidkeels ‘I can’t live in a living room’ maar die living van mij laat zich aardig vullen met troostende meerstemmigheid. En zeg nu zelf, Peter, je bent zelf ook al lang geen jonge snaak meer. Oud genoeg om te weten dat een mens, ondanks zo’n zaaltje vol foto’s en memorabele spullen, ’t meest waardevolle voor zichzelf houdt … dixit Boudewijn De Groot … ‘Verder niets, er zijn alleen nog een paar dingen die ik houd omdat geen mens er iets aan heeft. Dat zijn mijn goede jeugdherinneringen, die neem je mee zolang je verder leeft.’

Posted in Het Brugge van nu, Van gitaren en drums, Van zingen en spelen | 6 Comments

Margareta’s verjaardag …

Het vereiste lang, grondig en onbevangen onderzoek. Vandaag presenteren wij dan ook met niet geringe trots het resultaat van onze studie. Ondergetekende, bescheiden amateur-geschiedkundige, vraagt een stonde van uw kostbare tijd. Want de kunstgeschiedenis hoeft dan wel niet herschreven te worden, onze bevindingen werpen wel een heel nieuw licht op één van de grootste mysteries uit het verhaal van de Westerse kunst.
Een Brugse afficheverzameling, daar moét wel een map te vinden zijn waarin “Vlaamse Primitieven” een rol spelen. Ook al is die benaming, “Vlaamse Primitieven”, volgens sommigen inmiddels achterhaald. De term zou pas in de jaren achttienhonderd zijn bedacht, in de tijd toen de kunstgeschiedenis in vakjes werd onderverdeeld. Althans, dat beweren kunsthistorici en andere schilderijgeleerden. Zogenaamde kenners, maar ik zeg u: ze vertellen onzin!
Want ze zijn er niet bij, die avond waarop Jan van Eyck en zijn Margareta de collega’s van de grote schilder inviteren bij hen thuis. ’t Is voor Margareta’s verjaardag, haar drieëndertigste.
De genodigden zien dat allemaal zitten, ’t is steevast goed toeven bij Jan en Margareta in hun riante pand in de Sint-Gillis Nieuwstraete, die we vandaag Gouden Handstraat noemen. De gastvrouw verjaart pas zondag, maar de gasten zijn al een paar dagen eerder naar Brugge afgezakt. Sommigen komen van een heel eind en dus stelden de schilder en zijn eega voor om er meteen maar een weekendje van te maken.
Die vrijdagavond is goed voor een nachtje doorzakken in Jan’s ‘mancave‘ van waar je uitkijkt op de Gouden Handrei. Daar komen nogal wat roemers wijn aan te pas. Wijn uit de Moezelvallei, in die tijd de meest gewaardeerde wijnstreek, langs het Zwin aangevoerd door Keulse kooplui.

Van uit Jan’s mancave keek je uit op de Gouden Handrei …

Jan’s toonaangevende tijdgenoten zijn allemaal present: meester Rogier van der Weyden, de grote Robert Campin, nestor van ’t gezelschap, de  jonge Dirk Bouts en nog een paar anderen. Jan’s voorstel om een schildersclubje op te richten wordt onthaald op klinkende glazen. Waarna oeverloos wordt gezwansd over een clubnaam. Iemand bedenkt het nogal pretentieuze “Art Nouveau”. Hoongelach! “Impressionisten”, probeert Dirk Bouts in jeugdige overmoed en ze liggen zowat onder tafel van ‘t lachen. Zo passeren nog een paar voorstellen, het ene nóg absurder dan het andere, wanneer Margareta haar entree maakt met haar alom geprezen kaastaart.
Waarop Rogier van der Weyden haar vraagt of zij soms een idee heeft voor een naam. Terwijl ze de romige delicatesse een plaats geeft tussen roemers en baardmankruiken, knipoogt ze: “Zeg mannen, als ge dan toch zo onnozel wilt doen, kunt ge uzelf net zo goed Vlaamse Primitieven noemen!
Maar dat is ‘t!”, juicht Robert Campin, “Geniaal, vrouwe Margareta! En het staat zo goed op affiches!”.
’s Morgens worden de heren wakker met een kater en Jan moet dat portret van zijn Margaretha nog afmaken, het verjaardagscadeau dat hij voor haar heeft bedacht. En zo raakt een verslag van die avond op de lange baan.
Maar toch: zo is het gebeurd.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van schilderen en plaasteren | 7 Comments

De lifters … een sprookje?

Zo vaak zie je ze niet meer, lifters langs de straat. ’t Was in de vooravond, op de stille landweg stonden ze, met z’n twee. Ik hield halt en vroeg waar ze heen wilden. “Naar het dorp verderop!”, klonk het vrolijk bij het meisje dat al meteen de jongen aan haar zij in de auto meetrok. Wat hen daarheen bracht, wou ik weten en hun antwoord verraste mij danig. Het meisje klonk alsof ze het zong: “Ik ben Zingen en dit is mijn vriend Dansen … Wij zijn werkwoorden!

’t Leerhuys in Groeninge herdenkt in 1975 de honderdste verjaardag van sprookjesverteller Hans Christian Andersen

Werkwoorden?” “Welja, we zijn samen op weg naar een bijeenkomst van de werkwoorden, in het Woordenhuis.” De jongen, die dus Dansen bleek te heten, nam nu het woord, trefzeker en duidelijk. “Het zit zo, wij, werkwoorden, komen heel af en toe bij elkaar om te bespreken hoe mensen ons aan bod laten komen. En sommigen onder ons vinden dat de negatieve werkwoorden tegenwoordig te veel aandacht krijgen. Daarover gaat het, vanavond.”
Weet je wat”, zei het meisje dat Zingen heette, “als je wil, kom je gewoon mee, dan zie je hoe het er bij ons aan toe gaat!” Dat vond haar vriend Dansen een goed idee. En zo kwam het dat ik die avond een bijeenkomst meemaakte van de werkwoorden.
De zaal was een pak groter dan ik verwachtte en zat afgeladen vol “Alle vaak gebruikte werkwoorden zijn er!” kreeg ik nog mee van Dansen, de jongen. Een vriendelijke heer ging het kleine podium op. “Dat is Ontmoeten, één van de positieve werkwoorden.”, wist Zingen. Ontmoeten legde uit wat volgens hem het probleem was. De mensen  nemen te weinig positieve werkwoorden in de mond, daar kwam het op neer. Zijn pleidooi was afgerond, het was de beurt aan een schriel mannetje “Profiteren, van de tegenpartij!”, wist Zingen. Profiteren vond dat Ontmoeten profiteerde van zijn status en dat alle werkwoorden hun waarde hebben, ook de negatieve. Een vinger ging de lucht in. Het meisje Twijfelen merkte op dat ze vreesde dat noch het ene, noch het andere standpunt haar kon overtuigen. En dan eiste een gewichtig personage het podium op. “Hola, Nuanceren gaat spreken, de vertegenwoordiger van de gewichtige werkwoorden!”, waarschuwde Dansen. De man, die er uit zag als een professor, communiceerde zoals dat paste bij zijn status, wierp af en toe een blik de zaal in, loerend over zijn brilletje. Niet iedereen begreep zijn redenering. Wat volgde was een geroezemoes waarbij alle werkwoorden dooreen begonnen te praten.

Winter 1979-1980 … voordrachten over sprookjes … in het Brugse Europacollege. Met prominente namen als filosoof-theoloog Max Wildiers en Hendrik Brugmans, ere-rector van het college.

Dat loopt hier straks helemaal in ’t honderd …”, zuchtte Dansen, die duidelijk moeite had met wanorde. Tot een man met warme stem de aandacht vroeg. “Oef, dat is Vertegenwoordigen, een verstandig werkwoord”, zei Zingen, nog voor ik ernaar vroeg. Vertegenwoordigen vroeg zich af, wie van de aanwezigen bij de mensen zou kunnen pleiten voor meer positieve werkwoorden. En toen stapte aarzelend een fragiel ogend, wat schuchter vrouwtje naar de micro. Wie is dat, wou ik weten. “Het verbaast mij dat Fluisteren zich in het debat mengt!”, vertelde het meisje aan mijn zijde. Fluisteren praatte zo stil dat iedereen de oren spitste, allen wilden horen wat Fluisteren te vertellen had. En dat het dametje iets te vertellen had was algauw duidelijk.
Zij merkte op dat er, naast negatieve en positieve, ook wijze werkwoorden bestaan. En toen stelde ze voor, om haar vriendin naar de mensen te zenden, om hun gesprekken bij te sturen. “En wie is die vriendin van jou dan wel?” vroeg op smalende toon Onderbreken, onmiskenbaar één van de negatieve partij.
Dat is Luisteren.”, klonk het antwoord, kalm maar zelfverzekerd. “Luisteren is een werkwoord waar we nood aan hebben. Zij is goed geplaatst om de mensen te overtuigen van een nieuwe manier van praten met elkaar.Luisteren werd naar voor geroepen. In weinig woorden, zoals je dat van zo’n werkwoord verwacht, vertelde zij dat ze de opdracht graag aanvaardde. Heel even kon je een speld horen vallen. En toen brak in de zaal een applaus los dat je niet meteen had verwacht.
Ontmoeten, die het debat had geopend, kondigde het einde van het overleg aan en de zaal liep stilaan leeg. Ik nam afscheid van Zingen en Dansen, die nog wat bleven napraten, en reed door het donker naar huis.
Thuis heb ik die avond weinig gezegd. “Je bent zo stil vanavond …”, merkte mijn vrouw op. “Ik luister liever naar wat jij vertelt.”, antwoordde ik en gaf haar een zoen.

Posted in Van boeken en schrijven, Van zin, zen en zijn | 5 Comments

Een park, een koppel …

Trouwen in het Minnewaterpark? Laatst kwam het ter sprake in de gemeenteraad. Maar tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren, weten we sinds Elschot. Al gaat het in dit geval enkel om die praktische bezwaren, wettelijk kan en mag het …
In Oostende, Poperinge en Menen kan het al. Brugge?

Er was, redelijk wat jaren geleden, ergens in een oude stad een nieuw aangelegd park. En er was ook een knaap en een meiske die mekaar graag zagen. We vertellen over de tijd, toen van stelletjes die mekaar graag zagen, verwacht werd dat ze trouwden. Zo hoorde dat. En ja, op een keer besloten ze, werk te maken van dat trouwen. Ze zochten een feestzaal, een feest zonder zaal leek hen maar niks. En een pastoor moest er ook bij. Ook dat hoorde zo. En een fotograaf. Ze kenden iemand die iemand kende die met foto’s in de weer was. En die kende een plek in de stad die geschikt leek voor schone prentjes. Het park was heel nieuw, maar wel al fraai aangelegd, vertelde die fotomens.

En zo kwam het dat je op een dag een bruid en een bruidegom met hun fotomaker in het Minnewaterpark aantrof. Zoals je dat van zo’n park verwacht waren er gras en bloemen en bomen. En tussen die bomen een pleintje waarvan de betegeling een schaakbord voorstelde. Wat zeg ik? Een reuzenschaakbord! Het leek wel een dansvloer, met een handvol tafeltjes er omheen. Elk tafeltje was op zijn beurt een schaakbord, met twee zitjes voor de spelers. Of, waarom niet, voor een koppeltje.
Wat is veranderd sinds die middag, toen? Het park is nog altijd park. De prille bomen van toen zijn hoger en struiser geworden en de struikjes struiken. En in zomertijden bloeien andere bloemen in andere perken. Maar het grote schaakbord en die tafeltjes eromheen bleven onaangeroerd.

In een stilaan vergeeld fotoalbum vind ik een jongen en een meisje die mekaar verliefd aankijken. Wat is van dat jonge koppel terecht gekomen? Wel, jong is het niet meer maar wel nog koppel. En later keerden ze nog af en toe naar het Minnewaterpark terug. Voor ‘Feest in ’t Park’ dat met zijn muziek en kraampjes het begin van elke Brugse zomer inluidt. En enkele weekends later palmt het Cactusfestival het park in. Van dat festival en van ‘Feest in ’t Park’ was nog lang geen sprake toen ze trouwden. Maar da’s dan ook al iets meer dan veertig zomers geleden.
En misschien is voor hen nog wel een reden te verzinnen om er nog eens langs te gaan. Want nu de jongen van toen dit hier zit op te schrijven, vraagt hij zich iets af. Of ’t niet leuk zou zijn om die foto van weleer een keer te hernemen? Hij zal het voorstellen aan het meiske van toen. Al zouden ze er best niet te lang meer mee wachten, vernam hij laatst. Want die van ‘t stad heeft plannen met het park. Ze gaan het helemaal herinrichten. En wat zal sneuvelen? Het schaakbord met zijn tafeltjes eromheen. Ze zullen vergeten worden. Of niet? In een oud album blijft in lengten van jaren een foto bewaard. Het bewijs van het bestaan van die tafeltjes. En van een jongen en een meiske die mekaar graag zagen. Zien.

Posted in Het Brugge van nu, Van 't Cactusfestival, Van Feest in 't Park | 8 Comments

De Ronde van Brugge

“Hebt ge ’t gehoord, Breydel, ’t schijnt dat volgend jaar de start van de Ronde van Vlaanderen weer hier rond ons standbeeld doorgaat!”
“Ja maar Pieter, da’s nog bijlange niet zeker, man! ’t Is nu al vijf jaar dat ze met heel dat spel naar Antwerpen verhuisden. Die overeenkomst tussen de gasten van de koers en die van Antwerpen loopt op zijn eind, maar ze gaan daar nog ferm over bakkeleien! Ge kunt u inbeelden dat ze in Antwerpen ’t been stijf gaan houden! En trouwens, ge krijgt dat niet zomaar cadeau, zo’n start, dat kost munten, véél munten!”

“En toch, Jan, ’t heeft wel iets, al die coureurs en heel die troep supporters hier op de Markt! Ge zijt toch ook een sportzot, ge maakt me niet wijs dat ge daar niet van genoot! Trouwens, ik herinner mij hoe trots ge waart, toen ze destijds elke zomer die marathon organiseerden!”
“Ja, waar is de tijd. Hoe zat dat ook weer, met die marathon?”
“Allez, Jan Breydel, ge weet dat toch nog? ’t Was in het jaar onzes heren 1987, gij en ik stonden honderd jaar hier op de markt. Dat vierden ze met van alles en nog wat. Met die marathon, ook,  van Kortrijk naar Brugge.
“Ja, nu ge ’t zegt, ze hebben dat dan nog jaren aan een stuk gedaan, elke zomer! Dus ja, ge hebt gelijk, voor mij mogen ze die koers weer hier in Brugge laten beginnen!”
“Het was, herinner ik mij, in 1998 dat de coureurs hier de eerste keer vertrokken. Het jaar daarvoor had Marec het precies al zien aankomen, hij heeft ons toen al op een affiche gezet met elk een velo!”
“Dat zie ik nog voor me! ‘k Weet nog dat we amper wisten wat hij ons in de handen stopte, in onzen tijd waren er nog geen velo’s!”

“Weet ge wat, eigenlijk zou ’t maar normaal zijn dat de Ronde weer hier begint! Wat hebben die van Antwerpen met die Vlaamse klassieker te maken? West-Vlaanderen en Oost-Vlaanderen hebben niet zomaar hun naam gekregen! Samen waren ze ‘t Graafschap Vlaanderen, en Antwerpen, dat ligt aan de overkant van de Schelde, de Brabantse kant!”
“Ha ja, als ge ’t zo bekijkt! Maar ze zeggen nu dat Brugge en die van aan de Schelde om ’t jaar de start zouden krijgen?”
“’De enigen die de Ronde mogen binnen halen, volgens mij zijn dat Brugge of Gent! Dàt zijn Vlaamse steden! Zeg dat Pieter de Coninck het gezegd heeft!

“Amai, hoort hem! Maar die Gentenaars, dat waren in 1302 op onze Guldensporenslag toch ook niet onze meest fervente bondgenoten? Wij, Bruggelingen, riskeerden met honderden ons leven, de Gentenaars waren met drie man en een paardenkop!
Breydel, maat, ge moet zelf ook zo hoog van uwe sokkel niet blazen, hé! Zo’n held waart gij indertijd ook niet op ’t slagveld! Er zijn er vandaag zelfs die betwijfelen of ge wel echt hebt meegevochten!”
“Let een beetje op uw woorden, hé, ventje! ‘k Ben een kop groter dan gij, ‘k geef u een stampke en ge ligt ginder bij de frietkotjes!
“Rustig, Jan, rustig, ’t was een graptje, hé! Trouwens, ge moogt niet klagen, gij. Ge staat hier op de Markt te pronken èn ge hebt een voetbalstadion dat uw naam kreeg!
À propos, hoe zit het daar eigenlijk mee, met die affaire rond dat nieuw stadion?”
“Ach, zwijgt, jong, daar gaan we nu niet over beginnen, hé! Kom, we gaan naar de koers kijken!

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van sport in 't algemeen | 9 Comments

Het dichtste café

Met cafés is het zoals met mensen. Sommige zijn pretentieus aangekleed en andere doordeweeks. Je vindt er van het opzichtige soort en er zijn er die gewoontjes in de rij staan. En zoals wij, mensen, dragen ook herbergen wel eens een heel eigen stempel. Al kan zo’n stempel in de loop van de jaren behoorlijk worden bijgekleurd.
Uit mijn schooltijd herinner ik mij een laag, witgekalkt geveltje op ’t Zand. In ’t Putje ging je een potje biljarten, in een sfeertje van ons-kent-ons. Dat geveltje is er nog altijd. Maar de tapbiljart, die is weg. Het pand is vandaag deel van hotel-restaurant ’t Putje, een deftige dame om U-met-hoofdletter tegen te zeggen.

En er is nóg een Putje, op Sint-Andries. Of liever, daar wàs een Putje. Sinds een paar weken is dat cafeetje dicht. Dat zijn alle cafés in deze benarde dagen, maar ’t Putje gaat nooit meer open. Tegen de cementgrijze gevel hangt een blauwzwart spandoek en daar staat het allemaal op. “Aan al onze klanten & de harde kern van Club Brugge, bedankt voor de mooie jaren, we zullen jullie missen”. “Slik”, dat staat er net niet bij.

We hadden het net over stempels, wel dat was nu een keer een drankgelegenheid met een kanjer van een stempel, zie! Want dat van die harde kern, daar is geen spandoekletter van overdreven. Al wie op zondagmiddag wel eens langs de Gistelse Steenweg passeerde, kent het schouwspel. Club speelt straks thuis en aan ’t Putje staat volk. Zoveel volk dat dranghekkens de rijweg behoeden voor de meute blauwzwarte voetbalzotten die vrolijk de hele stoep èn het fietspad bij hun stamcafé inlijven. Die harde kern, dus.

En ja, lieden van minder welwillende aard fronsen nu de wenkbrauwen. Want was het niet dàt cafeetje dat een handvol jaren geleden een paar keer werd gesloten op aangeven van de toenmalige burgemeester? ’t Moet zijn dat een verliesmatch wel een keer aanleiding gaf tot een onredelijke tackle tegenover een ongelukkige voorbijganger. Of meende een klant met een pintje teveel op dat een geparkeerde auto buitenspel stond? Dus ja, ’t is waar, het café kreeg een rode kaart van de burgemeester en die had daar wellicht redenen toe.

Voetbaltempeltje als de gelegenheid zich voordeed, volkskroeg op alle andere dagen. Alleman welkom, ook. Als ik ’t goed heb, wat soms voorvalt, hing je er op rustige stonden wel een keer aan de toog met buurtbewoner Jean Blaute. Bierkenner en brave mens. Om maar te zeggen, dat van die forse voetbalhistories is maar een deel van ’t plaatje.
Maar nu is ’t dus gedaan met ’t Putje. En wat komt in de plaats van het wat afgeleefde pand? Appartementen, liet ik mij vertellen. Ze zullen de buurt opwaarderen, heet dat dan. Een imago kan worden bijgekleurd, zoals eerder gemeld. En wat met de klanten-voetbalzotten? Waaraan kunnen die straks hun centen kwijt? Tot voor een paar dagen had ik hen gezegd, gij kunt ook uw imago opwaarderen, koop een beursaandeel van uw voetbalploeg! Maar die vlieger gaat niet op, hoor ik nu.
Sint-Andries is een volkscafé armer. Sprak deze knaap die er zichzelf op betrapt dat hij er nooit over de vloer kwam. Schaam je, buurtbewoner! Nochtans was van alle cafés deze het dichtst bij je woonst. ’t Is waar, dezer dagen zijn alle drankgelegenheden dicht. Maar ’t Putje is gesloten, voor altijd. Van alle dichte cafés in je buurt is dit, in meer dan één betekenis, het dichtste.

Posted in Het Brugge van nu, Van Brugs voetbal, Van sport in 't algemeen | 2 Comments

Roger Raveel en zijn nichtje, Delphine Lecompte

Sinds we braaf bij de kachel zitten in plaats van op café, verzin ik soms wat woorden die samen gedichtje spelen. In deze thuistijden moet een mens ièts ondernemen om zijn bestaan te verantwoorden. En soms komen mijn verzonnen woorden redelijk goed overeen. De betere rijmelarij, zoiets. En waarom ik die ontboezemingen van mij wel eens loslaat op Facebook? Tja, noem het naïef tegengas tegen alle venijn waarmee dat netwerk zich inlaat. En mocht ik het daar niet zetten, niemand zou het ooit lezen, ’t zou ook wat zijn.

Laatst had ik er pas iets nieuws opgezet en de belangstelling voor het kleinood overtrof meteen mijn verwachtingen. Wat een mens zijn ijdelheid streelt. Heel even toch. Want algauw snap je dat niet zozeer je schrijfsel, dan wel het onderwerp met de pluimen gaat lopen. Komt ervan als je het dezer dagen over Delphine Lecompte hebt. ’t Was een gedicht over onze dichteres die recent door de stedelijke musea werd uitgenodigd om ‘hun’ dichteres te worden.
Delphine Lecompte, wie haar kent heeft er een mening over. En veel volk kent haar, dat maakt veel meningen. En natuurlijk gebeurde Facebook-gewijs het onvermijdelijke. In de kortste keren werd uitgeweid dat het een lieve lust was. Of ’t waar is dat Delphine de kleindochter is van dokter Herman Lecompte. Mensen weten dat graag, al doet het er amper toe.
Hoewel. Familiebanden verklaren soms wel wat. Al leerde ik dat je ook familie kunt zijn zonder bloedverwantschap. Ik leg even uit. Wist u dat Delphine Lecompte familie is van Roger Raveel, de schilder? Neen, hij is niet haar grootvader langs moeders kant. En het lijkt mij aannemelijk dat ze mekaar nooit hebben ontmoet. Maar toch, Delphine en Roger hebben meer gemeen dan veel broers en zussen. Véél meer. ’t zit hem in die eigen, eigenzinnige blik van hen. Als je ’t mij vraag, zijn ze gewoon familie.

Raveel droeg Brugge een warm hart toe. Een warm maar kritisch hart. Voor de tweede Triënnale, die van 1971, verzorgde hij niet alleen een affiche, onaangekondigd verrezen van zijn hand ineens houten zwanen op de reien. En dat was niet voor de schoon ogen van de burgemeester. Bijlange niet, toen burgervader Michel Van Maele hoorde dat de houten beesten bedoeld waren als aanklacht omtrent de destijds stinkend vuile reien, kon hij Roger’s subtiele humor maar matig appreciëren.  Even werden de zwanen door de mannen van ’t stad weggehaald, wat meteen goed was voor meer dan landelijke persbelangstelling.

Maar het kwam goed tussen Raveel en Brugge. Jaren later, in de zomer van 1996, liep in de stadshallen een expositie naar aanleiding van de 75ste verjaardag van de kunstenaar. En bij die gelegenheid keerde een handvol van zijn zwanen-met-gaten nog een keer terug naar de inmiddels propere reien. In ’99, het Gezellejaar, ontwaarde je op een bloementapijt op de binnenkoer van de hallen zo’n Raveelzwaan-met-vierkant. En een paar jaar later werden onze winkelstraten gesierd met baniervlaggen met Raveel-motieven. ’t Zijn tot nader order de vrolijkste die er ooit wapperden. De schoonste, ook.


In 1975, het jaar waarin Raveel 75 wordt, loopt in de Garemijnzaal een tentoonstelling. En keren zijn zwanen nog één keer terug op de Reien.

In de komende maanden loopt in BOZAR in Brussel een overzichtstentoonstelling over Raveel. Misschien maken eindelijk ook buitenlandse kunstliefhebbers kennis met Roger’s witte vierkanten.
Die lege plekken en gaten, Raveel’s curiosum. Daar is ie weer met zo’n vierkant! En tegelijk ogen ze zo vertrouwd dat je ze zou missen. Zo’n beetje zoals Delphine haar schrijfsels overlaadt met bergen adjectieven. In één zin van haar vind je bipolaire vissers, schizofrene alpacafokkers, dementerende orgeldraaiers en alcoholistische meubelmagnaten. Zucht. Maar stonden ze er niet, je zou Delphine niet herkennen.
En net als Raveel heeft de dichteres iets met Brugge. ’t Zal wel zijn, ze woont in de stad. Ja, maar ze kijkt er ook naar met andere ogen dan die van u en mij. Dat zal blijken uit de gedichten die ze in de komende maanden pleegt voor onze musea.  Je vindt er momenteel eentje bij de toegangspoort van Groeninge aan de Dijver en het leest niet bepaald als een lofzang. Je staat erbij en kijkt ernaar.
Ongeveer zoals destijds de burgemeester bij ’t zien van de zwanen van Roger Raveel. Nonkel Roger, zou Delphine zeggen.

Benieuwd naar ons bescheiden dichtwerk dat we opdroegen aan Delphine Lecompte? Vink dan in de ‘omslag’, bovenaan de blog, het item ‘Brugge berijmd‘ aan. Je vindt er … Brugge berijmd.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Onze huisdichter, Van boeken en schrijven, Van Brugse politiek, Van feesten en vieren, Van schilderen en plaasteren | 5 Comments

Honderd Dagen volgens Pol De Prest

In een lade, onderaan in een gammele kast, vind ik een oude krant. Nu ja, geen document waar archivarissen van watertanden. Het nieuws van vrijdag 4 juni 1999. En toch verrast het gemak waarmee zo’n kurkdroog stapeltje papier je moeiteloos meevoert, dik twintig jaar terug in de tijd. En hoe die tijd sindsdien veranderde.
Alleen al bij het formaat van zo’n gazet kijk je op. Ik trok het voor u na, het Brugsch Handelsblad van deze week past precies twee keer in het tafelbladvullende exemplaar van destijds. Ruimte genoeg dus, voor een uitgebreid interview. Een vraaggesprek, bijvoorbeeld, met Pol Deprest.

Wijlen Pol De Prest
Toen twee jaar geleden een spijtige valpartij in zijn restaurant in de Oude Burg hem fataal werd, verloor de Brugse horecawereld met het overlijden van Pol De Prest één van zijn meest spraakmakende roergangers.


Een krantenpraatje met een man met een mening
Voorjaar 1999 … Stefaan Van Volcem komt langs bij Pol De Prest voor een babbel, ’t is voor in de krant. Een mening is bij Pol per definitie een uitgesproken mening, de interviewer hoeft maar te noteren. Een knaap met allure ook, zoals Fernand Proot, fotograaf van dienst, hem laat poseren op de stoeprand. Drukdoende met zijn gsm, dat toen nieuwerwetse en dus trendy kleinood. Die opinies van hem krijgen in het interview alle ruimte en die kans laat Pol niet liggen. Als knaap in de fleur van zijn leven, net de dertig voorbij en als deejay, ervaren uitbater van enkele horecazaken en organisator van zo’n beetje vanalles en nog wat, kan hij meepraten over wat leeft in zijn stad.
Over zijn begindagen als manusje-van-alles bij de lichtjes legendarische disco Timewind van Francis Vandendorpe en de inmiddels ook veel te vroeg overleden Jan Roussel. Over een waaier aan ervaringen in de horeca. Waarom het uitgaansleven zich in die dagen verschuift van ‘den Eiermarkt’ naar de kroegen op ’t Zand? Pol heeft er een verklaring voor. En een kijk op de Honderd Dagenvieringen.

1998 … WIP, Werkgroep Interscholieren Platform, organiseert een alternatief 100 Dagenfeest!
Vrijdag 12 maart 1999 … Pol De Prest èn WIP slaan de handen in mekaar!

Ha, die Honderd Dagen!
Jaar na jaar zet Pol als ambitieuze organisator zijn schouders onder zo’n viering. Als commerçant pur sang doet hij dat op zijn manier. En volgens sommigen is dat een benadering waarbij het alleen om de centen draait. In 1998, het jaar voor dit interview,  bouwt de ‘Werkgroep Interscholieren Platform, WIP voor de vrienden, een alternatief Honderd Dagenfeest, met aandacht ook voor alternatieve muziekgenres. Dat Pol’s ‘kapitalistische’ project daarmee wordt gecounterd, is meegenomen. Maar wellicht klinken bij het WIP, zijtak van de Brugse Jeugdraad, ook minder hardvochtige stemmen. Want kijk, een jaar later blijkt het water dan toch niet tè diep. In het vraaggesprek blikt Pol dan ook terug op de Honderd Dagen van dat voorjaar, waarbij het ‘Interscholieren Platform’ èn zijn evenementenproject zowaar voor het eerst samen in zee gaan.
Bestaat toeval? Sommigen menen van niet, maar ik geloof er wel in. Toeval is het zout op de patatten van ’t leven en dus vond ik deze ouwe krant louter toevallig in de week waarin in normale tijden de stad wordt ingepalmd door jong volk dat zijn Honderd Dagen viert. Dat het dit jaar niet zo’n vaart loopt hoeft geen uitleg. Kom je langs het verraderlijk stille Zand, lijkt het alsof daar niet één café te vinden is.
Maar laat ons uitzien naar betere tijden. Waarin we weer vrijelijk terrassen èn glazen vullen. Om te klinken op het heil van alle cafébazen. En van alleman die, gelijk Pol De Prest zaliger, zijn of haar schouders zet onder al wat deugd doet. Losbandige Honderd Dagenfuiven, bijvoorbeeld.

Posted in Het Brugge van nu, Van feesten en vieren | 2 Comments

Een Franse brug in Brugge

Brugge en zijn bruggen …
… van een oud verhaal gesproken.

’t Was zo’n lome dag op de schoolbanken, in een tijd toen iedere leraar nog een bijnaam had. De man die vooraan in de klas zijn best deed om onze aandacht gaande te houden noemden we Simonne. Slappe Simonne, eigenlijk, volgens ons ongenadige oordeel kwam dat overeen met de slungelige manier waarop hij bewoog. En Simonne had een reputatie. Op twee vlakken. Vooreerst liet hij zich makkelijk afleiden. Stelde je een vraag die in de verste verte niets met de leerstof van doen had, ging hij aan ’t vertellen. Je kon er donder op zeggen, dat nu en dan iemand die geen zin had in de les, hem om de tuin wist te leiden.
En daarnaast was er zijn bijzondere kijk op de wereld. Steevast begon  Simonne het eerste lesuur van de dag  met een soort gepreveld gebed. En als we daar dan uitleg over vroegen, waren we zoet voor op zijn minst een kwartier.  Zijn tekst bleek een fragment van het Wilhelmus, het Nederlandse equivalent van ons Belgisch Volkslied. Simonne was, zo vertelde hij trots, een overtuigd Dietslander. Voor hem waren Vlaanderen en Nederland één natie. Of tenminste, dat hoorde zo te zijn. Vlaanderen boven! Of liever, Dietsland boven! Vlamingen en Walen? Een andere wereld! Zo’n mens, dus. Ge ziet van hier dat we af en toe vroegen hoe dat ook weer zat met dat Wilhelmus van hem.

Donderdag 4 april 1974 …de nog niet eens voltooide brug over het kanaal wordt gedynamiteerd.
Bron: Stadsarchief Brugge – www.erfgoedbrugge.be

Maar dan die keer, dus. Midden die saaie lesdag, ineens, een oorverdovend gedaver in de verte. Een klaslokaal met trillende ruiten. En dan was ‘t weer stil. Maar we wisten wat het was, want het zou vandaag gebeuren. ’t Was de hoge brug die ze pas hadden gebouwd, over het kanaal naar Gent. Die zou het sluitstuk van de nieuwe Ringlaan worden. Voortaan zou je vanuit Sint-Kruis om de stad heen naar ’t station rijden. Tot die tijd kon dat van die kant van ’t stad alleen maar doorheen de binnenstad. Maar dat sluitstuk, die brug, was nog niet eens in gebruik en nu al zaten barsten in de betonconstructie. En dus moest het bruggevaarte worden neergehaald. Om het te herbouwen. ’t Leger kwam eraan te pas, het  hele boeltje werd gedynamiteerd. Die knal was het!

Brugge en zijn verkeer …
… van nóg een oud verhaal gesproken …

De rest van de les deed Simonne zijn reputatie alle eer aan. Hij liet zijn leerstof voor wat ze was en begon een discours. Immers, de wijze man wist wat was misgelopen! De brug was ontworpen door Franse ingenieurs! Franse, stel je voor! En dan te bedenken dat onze Hollandse broeders, met al hun expertise omtrent waterwerken en bruggen, dat ongetwijfeld veel deskundiger hadden aangepakt! Jongens, zo zie je maar hoe schoon het zou wezen, wij en die van Holland samen! We knikten instemmend en de schoolbel rinkelde.
Ik dacht aan Simonne zaliger, toen ik las over een nieuwe brug die ze plannen bij ’t station. Een passage waarlangs voetgangers en fietsers de bijzonder drukke Ringlaan zouden oversteken. Daar valt veel voor te zeggen, nu bij ’t station, langs die ooit nieuwe ringlaan, dag in dag uit kolonnes auto’s passeren.
Al hoor ik, ergens in een Diets Walhalla, iemand zuchten …
Dat ze bij het bouwen van die nieuwe brug toch best te rade gaan bij onze noorderburen. Pardon, bij onze volksgenoten.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van wielen en op weg zijn | 11 Comments

’t Zijn meelopers …

Marie Pintelon (1894-1969) krijgt een straatnaam
in Sint-Andries

’t Zijn toch zulke meelopers, onze politiekers!
– Hoezo?
– ’t Is toch waar, zie ze op de kar springen van ’t minste modegrilletje dat passeert! Daar was laatst een meisje van de televisie dat meende dat te weinig straten naar vrouwen zijn vernoemd. En kijk, daar komen de verkozenen onzer stede met het heugelijke nieuws: Brugge krijgt een paar vrouwelijke straatnamen! Meelopers zijn het!

– Tja, als ge ’t zo bekijkt …
Men vertelt mij dat één van die straten wordt genoemd naar Marie Pintelon. Haar naam en faam hoort bij de kraamkliniek langs de Sint-Annarei. Veel Bruggelingen herinneren zich dat moederhuis. Als ze er al niet geboren zijn. Het moederhuis kwam er in de jaren dertig, op initiatief van onder meer vroedvrouw Marie Pintelon.
Een vroedvrouw stond aan de wieg van een moederhuis, flauwer kunnen we onze woordspelingen moeilijk bedenken.

Jeanine Behaeghel’s
eerste solotentoonstelling
in het Huidevettershuis, 1965

Affiches van Jeanine, onmiskenbaar kinderen van hun tijd …

En er komt een Jeanine Behaeghelstraat. Jeanine Behaeghel willen wij u met graagte duiden. Haar tachtigste verjaardag hadden we vorig jaar gevierd, mocht zij nog onder ons zijn. Jeanine overleed in 1993, amper drieënvijftig jaar jong. Het artistieke testament dat zij ons nalaat, beslaat nogal wat hoofdstukken. Nadat zij hier in Brugge de basis van haar grafische loopbaan legde als leerlinge van onder meer Albert Setola en Luc De Jaegher, trok ze naar de kunstacademie van Düsseldorf en naar London. De titel van haar expositie in ‘t Huidevettershuis, ‘Studio Behaeghel, publicitaire grafiek & fotografie’, zegt waar ze op dat moment, in 1965, voor stond. Geheel onbekend was ze toen al niet meer in Brugge.
Het logo-visje van de Korrekelder, dwergtheatertje aan het Kraanplein, was van haar hand. En nogal wat frisse afficheontwerpen waarmee de Korre in die jaren Brugge grafisch wakker schudde.

Maar Jeanine wou en ging vooruit. En gaandeweg liet zij boekomslagen, affiches en advertenties voor wat ze waren en ging zij schilderen. Een eigen taal bedenken. “Plastische stenogrammen” noemde zij haar werk. En ergens in de jaren tachtig ging ze beeldhouwen.
Komt u wel eens in de Biekorfbibliotheek? Het stille achtertuintje, waarlangs u de bib uit gaat, naar de parking, kant Naaldenstraat? Midden een in winterslaap gedompeld stukje groen prijkt op een grijze sokkel een getorste sculptuur. Een zweem van mos op het witte marmer geeft het beeld iets van berusting. “Penelope” van Jeanine Behaeghel.


Wat een parcours: van speelse affiches voor een vestzaktheatertje naar een universum dat van steen is, maar eigenlijk van leven. Het is het parcours van Jeanine Behaeghel, naar wie straks een nieuwe straat wordt genoemd, ergens bij de Sint-Pietersplas, op een boogscheut van de plek waar ooit haar atelier en woonst was.

‘Penelope’ in de binnentuin van de Biekorf

Jeanine was met veel meer doende dan met affiches. Maar toch, een straatnaam, de afficheverzamelaar wordt daar stil blij van. Een paar straten die aan dames worden toegekend, ’t is een voornemen van onze politici. Onze politiekers, zijn ’t meelopers? Ik loop met plezier een eindje mee.

Jeanine Behaeghel
(1940-1993)
Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Over toneel, Van schilderen en plaasteren | 9 Comments

Brand in het hospitaal!

Langlopende exposities, ze zouden ze moeten verbieden. Zo’n tentoonstelling waar je een heel seizoen naar toe kan, da’s om moeilijkheden vragen. Of ze zouden je op z’n minst een berichtje mogen sturen als ’t bijna gedaan is. Ondergetekende weet er als geschoold uitsteller alles van. ‘Ha, die expositie loopt nog twee maanden? We hebben nog een zee van tijd!’ Maar uitstel en afstel, ge kent het. Ineens is zo’n zee van tijd opgedroogd en kan je ’t vergeten.
’t Scheelde niet veel of ook ‘Memling Now’ ging aan mijn neus voorbij. Maar kijk, ’t is verlengd, tot eind deze maand. Waarvoor dank. Een nichtje belde mij met de vraag of ik er met haar heen wou. Want nonkel Pol kennende, liep hij zeker al een paar keer langs op die tentoonstelling, hij zou haar vast wel deskundig kunnen rondleiden. Waarna nonkel Pol moest bekennen … dat hij zijn bezoek aan ‘Memling Now’ had uitgesteld …

Waarde lezer, nog even, tot eind februari kan u terecht in ’t hospitaalmuseum in de Katelijnestraat voor ‘Memling Now’. Advies van een uitsteller: stel uw bezoek niet uit.
Voor dat nichtje van ons was Hans Memling een weerzien na heel veel jaren. Ze vertelde hoe ze als klein meisje aan de hand van haar grootmoeder in Groeninge de fameuze Hans Memling-tentoonstelling bezocht. Dat was in 1994, wist ik haar te melden.
De expositie die nu loopt is van een heel ander kaliber. In de schaduw van de gekende meesterwerken van Memling laten hedendaagse kunstenaars van alle kanten van de wereld zich meeslepen door wat de schilder lang geleden heeft gekonterfeit.
Memling krijgt een paar gevestigde namen over de vloer. Wel kunstvolk waar hij ongetwijfeld vreemd van opkijkt. Meteen bij het begin staat of ligt een moeilijk te omschrijven sculptuur. Een half weggesmolten, gotisch altaar? Je ziet drieluikjes zoals de meester ze destijds schilderde, maar daarop geen portretten van de middeleeuwse elite, wel de strakke blik van straatjongens uit New York, in baskettenue. Op de zolder, onder het grootse middeleeuwse gebinte, brengt een trage video je middenin een brandend boslandschap. De hitte van het beeld laait op in de houten stilte. Videokunstenaar David Claerbout op z’n sterkst.
Niet alles op de tentoonstelling heeft die kracht, maar mijn nichtje en haar nonkel appreciëren toch een aardig deel ervan. Weer buiten, op de kasseien van de Katelijnestraat, passeert een lichte huivering bij de gedachte, de vraag, hoe Hans Memling zelf zou aankijken tegen wat hier wordt getoond.
Ontwaart hij, met zijn middeleeuwse blik, in die kunst, voor hem vijf eeuwen verderop in de tijd, de duivel? Help, het hospitaal in brand! Of knikt hij instemmend, in een poging om te begrijpen?
Al goed en wel, maar laat ons dat denkspel een keer toepassen op onszelf. Zet ons af, vijfhonderd jaar ver in de toekomst, op een tentoonstelling in dit tegen dan nog veel oudere gebouw. Zullen wij allicht ook grote ogen trekken?
Maar weet je wat ik vooral hoop? Dat ze in die zesentwintigste eeuw toch al op ’t gedacht gekomen zijn, om de mensen een mailtje te sturen als hun  expositie bijna afgelopen is.

Posted in Het Brugge van toen, Van schilderen en plaasteren | 7 Comments

Posted in Zonder categorie, voorlopig | Leave a comment

Kris en nonkel Henri

Wat ons geheugen meeneemt en wat het laat liggen. Vorige week probeer ik mij voor de geest te halen wanneer we Kris De Bruyne voor het laatst zagen. Niet meer te achterhalen, meent mijn huisgenote. Net wanneer ik dat beaam, komt mijn nochtans veelal lamentabele memorie aanzetten met het soort verband waar ik zelf van opkijk.
Onze herinneringen zijn een koffer vol papieren, een rommeltje. Maar toch, diep je daaruit één zo’n blad met herinneringen op, hangt een ander papiertje er onverwacht aan vast.

We zitten in de stadsschouwburg, een winteravond. Een goeie plek, ergens middenin, parterre. Kris De Bruyne met zijn groep, bijgekleurd door een handvol strijkers. Deze jongen heeft een boontje voor de liedjes waarmee Kris een presentabel oeuvre uitbouwde, dus dat kan moeilijk mis lopen. En het loopt niet mis. Al kom ik na het concert, op weg naar huis, tot de conclusie dat Kris niet met een repertoire uitpakt waar je vrolijk van opkikkert. Een vaststelling die mijn wederhelft volmondig beaamt. Was zij liever thuis gebleven, vanavond? Misschien geldt dat ook voor mij.

Er stonden meer namen op de affiche,
dat weekend in de Zeven Torentjes,
maar op de affiche prijkte
een flink besnorde Kris De Bruyne.

Maar hoe gaat dat. Een paar maanden vooraf kocht je kaarten voor een beloftevolle avond, een concert van een begenadigd liedjesschrijver. Maar net als het verleden neemt ook de toekomst ons te grazen. Ze laat niet in haar kaarten kijken, waarom zou ze. En dus staat daar zoveel weken later ineens dat concert op je kalender. En is de dag ervoor iemand overleden. Een oude oom, een minzaam mens met wie het aangenaam omgaan was. Nonkel Henri, hij stierf in de winter van 1999.
Het stemt je triest maar ’t leven gaat door, toch? Een nieuwe dag vangt aan zoals dagen dat doen, ook al ging iemand dood. En wat verstrooiing zal ons goed doen, zeker? En dus zit je die avond toch maar in een schouwburg. Liedjes, applaus. En een beetje verdriet.

We zagen Kris De Bruyne verschillende keren aan het werk. In Loppem en ooit een keer in een tent bij de Zeven Torentjes in Assebroek. In de stadsschouwburg, ook. Op een zaterdagavond en ’t was in het jaar 1999, dat weet ik zeker, nu. Het was de laatste keer dat we Kris hoorden. Dat weet ik ook zeker. Sinds vorige week.
Doe nonkel Henri de groeten van ons, Kris, wil je?

Posted in Van zingen en spelen | 13 Comments

Kinderen, kids en helden …

Een groet aan Jaak Vissenaken
De woorden waarmee wij onze dagdagelijkse babbels stofferen, staat u ooit stil bij wat ze betekenen? Een huis en een woning, je woont in allebei, wat maakt het uit. En, om maar iets te vragen, wat wil het woord ‘kind‘ zeggen? Kom, doe niet flauw, dat weet het kleinste kind. Okee, maar stel de vraag, tot wanneer een kind een kind is, en we worden alert! Hola, ’t gaat over onze kids! Ja, papa, mama, over uw kinderen.
Mijn kameraadjes en ik, wij waren destijds geen kids. Kinderen des te meer. En tot wanneer waren wij dat? Een paar dagen geleden verrasten mijn gedachten mij met een onvermoed antwoord op die vraag.
’t Was op een onverwacht moment, ik las over het overlijden van Jaak Vissenaken. Van alle acteurs was Jaak niet de meest legendarische. Geen Jan Decleir of Matthias Schoenaerts. Maar toch een begenadigd acteur, een goeie die ook wel een keer regie deed. Bruggeling, trouwens, en dus ging ik op zoek naar meer info. En affiches.

Begin jaren zeventig was ‘De Bruiloft’ van Bertolt Brecht een regie van hem. Een verrassend concept, in onze beurshal werden de toeschouwers verwelkomd als genodigden op een echt trouwfeest, vertelde mij Tony Willems die in het stuk meespeelde. Met Annelies Vaes, de vrouw van zijn leven, stond Jaak in de Korrekelder. Met ‘Pas de deux’ van Hugo Claus en met ‘Spiegels’. En hij trok vele en volle zalen, zowel hier als bij onze noorderburen met ‘De Vrije Madam’, een stuk van onze eigen Rudy Geldof.
En hij had een rol in ‘De Vorstinnen van Brugge’, op de vaderlandse televisie. En, naar ik meen, ook een paar bijrolletjes in reeksen waar de kinderen die wij waren naar keken. In zwart-wit, wat dacht je. Dat was me wat, die wekelijkse hoogtepunten in ons kleine bestaan. Series, buitenlandse of van onze eigen BRT, het maakte niks uit. Zorro, Kapitein Zeppos, Batman, Johan en de Alverman, heldenverhalen! En weet je wat? Die helden, dat waren geen acteurs! Senne Rouffaer? Neen, dat was ècht kapitein Zeppos, punt!
En dat brengt mij bij mijn recente bedenking. Bij het antwoord op de vraag, tot wanneer je kind bent. Je bent kind zolang je helden op tv ook èchte helden zijn . Tot de dag, de spijtige dag, waarop je door hebt dat er geacteerd wordt. Of mijn stelling klopt, laat ik graag over aan mensen die daar geleerde meningen over hebben.
Maar ik zit er, meen ik, niet ver naast.


Als Jean-Baptiste Bariseele met zijn nichtje Bietje in ‘De Vorstinnen van Brugge’

In de krant stond dat Jaak Vissenaken vooral bekend is van een kinderreeks in de jaren negentig. Ik kan mij ‘Postbus X’ amper voor de geest halen, maar het was populair bij het klein grut van die tijd. Was Jaak daarin ook niet één of andere held? Dan zagen de kinderkijkers geen Jaak, wel een held! We zijn een kwarteeuw verder, sommige van de kinderen die dweepten met ‘Postbus X’ hebben inmiddels zelf kinderen op de wereld gezet. Kinderen met weer nieuwe verhalen van op tv.
Wat ik jullie, kleine mannetjes en vrouwtjes, ‘kids’, toewens?
Dat je je helden lang mag koesteren. Tot je op een keer , geen ontkomen aan, merkt dat achter de bühne acteurs voor je klaarstaan. Mensen zoals jij en ik.
Maar niet getreurd. Er opent zich een nieuw gordijn. Een ander kijken, een ander zien. Het zien van acteertalent. En, stel je voor, misschien is het je gegund, het talent om je zelf thuis te voelen op dat podium. Een plek waar je nooit genoeg van krijgt. Al heb ik dat laatste alleen van horen zeggen.

Jaak Vissenaken en Annelies Vaes in ‘Spiegels’ in de Korrekelder, 1976.
Posted in Over toneel, Van zingen en spelen | 6 Comments

Dries is dul

Dries is dul. Voor wie niet vertrouwd is met onze streektaal, als een West-Vlaming ‘dul’ is, dan is hij ‘boos’. En kent u het woord ‘verbouwereerd’? Da’s geen dialect,  het staat gewoon in de dikke Van Dale als synoniem voor ‘verbijsterd’. Dus is Dries, naast dul, ook verbouwereerd.
Los van de vraag of hij daar reden toe heeft, willen wij eerst even onze bezorgdheid uiten. Want de heer Andries Van den Abeele, over die mens gaat het, is al een eind voorbij de tachtig en voor lieden van zijn leeftijd is dul zijn niet gezond. Voor u en mij ook niet, overigens, maar ’t kan wel opluchten. Hopelijk lucht het ook Dries op, want hij is ècht wel dul.

Wie is Andries Van den Abeele ook weer? Even een paar trefwoorden. Zette zich vanaf de zestiger jaren met Stichting Marcus Gerards in voor restauratie van oude panden in de binnenstad. En in de lokale politiek werd hij een kernspeler. In 1972 zette hij zijn schouders onder een ‘structuurplan’ dat de toekomst van Brugge uittekende, een spraakmakend document. Later was hij één van de voortrekkers van ‘SOS voor een leefbaar Brugge’. En transfereerde hij van de toenmalige CVP naar de Liberalen, maar dat terzijde. Want wij willen hier verder ingaan op de huidige gramschap van Dries.

Die heeft van doen met de wijze waarop zijn Stichting Marcus Gerards plots weer onder de aandacht komt. Er verscheen een boek, ‘Een droom van een stad’ van Eric Van Hove. ’t Lezen waard, maar de manier waarop zijn stichting daarin aan bod komt, daar is hij niet content mee. Het is vooral een prentje in dat boek dat hem de gordijnen in jaagt. Een prentje?

Wel, ’t zit zo. ‘De Lastige Bruggeling’ was een krantje, lang geleden. Een ongegeneerd naar links leunend gazetje dat graag een weinig vleiend portret schetste van de Stichting Marcus Gerards. De spotprent waar Dries boos om is stond ooit in de Lastige. Een skelet met vlammend zwaard jaagt mensen hun huis uit. Op de gevel prijkt een plakkaat dat zegt dat Stichting Marcus Gerards het pand restaureert. En een meneer zwaait likkebaardend met bankbiljetten. De Stichting als vehikel om ’t kapitaal te dienen, zeg maar. En daar lacht Dries niet mee.

We verstaan u, Dries, maar ach, ’t is een prent uit de Lastige Bruggeling. Ze is in zwart-wit en wat ze vertelde was dat ook. De cartoon wordt in het nieuwe boek ‘profetisch’ genoemd, de auteur had dat genuanceerder gekund. Maar die mens zat destijds in de redactie van de Lastige, dat weet gij ook, Dries. En we pakken toch allemaal graag een keer uit met de straffe stoten uit onze apenjaren?
Dus ge moogt u niet zo dul maken, meneer Andries, da’s slecht voor uw tikker.
Weet ge wat, ik heb  hier nog ergens een oude langspeelplaat liggen. Hebt ge een pick-up in huis, ge moogt ze een keer lenen. Ze is van 1972, u was druk doende met het structuurplan, voor muziekjes was geen tijd. Eric Van Hove kende ze allicht wellicht wel, in dat in patchoeli dampende studentenkot waar hij een tijdje later stoute stukjes begon te pennen voor de Lastige Bruggeling. Leg ze maar een keer op, Dries, muziek verzacht de zeden. ’t Gaat helpen om u niet meer zo dul te maken. Ge kunt altijd wat leren van liedjes. ’t Is een plaat van Rod Stewart, ze heet ‘Never a dull moment’.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van Brugse politiek | 12 Comments