Kijk daar, een schooljaar! En voor je ât goed door hebt is het alweer voorbij. Althans, zo voelt het aan voor wie de schoolbanken lang geleden liet voor wat ze waren. Met alle begrip voor onze schoolgangertjes van vandaag. Want begin je eraan als jong veulen, dan doemt september op als de aanzet tot weer een eindeloze hoeveelheid schooldagen.
Doch laten we redelijk wezen, schoolvolk, wacht jullie enkel een saaie tijd vol saaie lessen? Of valt dat af en toe toch mee?
Trouwens, waarheen zou dat jonge leven jullie leiden zonder al wat je opsteekt op school? Antwoorden? Hoeft niet. Maar wacht, die vraag roept bij mij iets op van lang, héél lang geleden. Zo gaat dat met mensen die zelf van lang geleden zijn.

Will Tura
Kom, we gaan terug naar mijn eigen jongenstijd, op bezoek bij een nichtje van mij. Zij is een vurig fan van de meest geliefde Vlaamse zanger in die dagen. En dus ligt op de platenspeler bij haar thuis altijd weer vinyl van Will Tura. Zelf ben je allerminst in de wolken met zoân gedoe maar dankzij je nichtje blijven sommige van Turaâs liedjes je bij tot in lengten van jaren. Zoals dat ene, op één of andere langspeelplaat. Het gaat over de eerste schooldag en er komt een kinderkoor aan te pas. En ergens in dat niemendalletje betrap je Will op een hoogst bizar pleidooi. Want wat dacht je van ⊠âMaar wees blij dat je naar school mag, anders blijf je dwaas en dom!â Dwaas en dom, echt waar, dat zingt Will. Sommige levensliedjes hebben nu eenmaal weinig met nuance van doen.
En nu we in dat verleden van mij zijn beland, gaan we ook maar meteen naar school.
Jimmy Frey
Deze puber ging naar een jongensschool. Een school waar leraren zowat allemaal een bijnaam hadden. We kregen les van âde Zageâ en âde Sigarreâ en van âSimonneâ. En er waren âde Pinneâ en ‘Sidonie‘. En de turnleerkracht ging uiteraard door het leven als âden Beulâ. Het verhaal ging dat een leerling, hij was nog niet lang bij ons op school, aan de leraarskamer ging aankloppen en vroeg of meneer Debeul er was.

En wijzelf, de leerlingen, spraken mekaar veelal aan met onze familienaam. Dat stond stoer en stoer was de norm.
Al had één van ons ook een lapnaam, âden Jimmyâ, onze klasgenoot die zowaar dweepte met Jimmy Frey. Je weet wel, die van ‘Rozen voor Sandra‘.
Dat soortement liedjes, Will Tura en Jimmy Frey en konsoorten, vonden wij meisjesmuziekjes. Dus onze Jimmy viel uit de toon, maar dat kon hem worst wezen. Bruggeling Jimmy Frey was een Groot Zanger, wist hij en daar viel niet mee te lachen. En dus lachten we niet. Want de Jimmy van onze klas was een knaap waarmee we allemaal omzichtig omgingen. Geen makkelijke jongen, Jimmy nam geen blad voor de mond. Zinde iets of iemand hem niet, dan zou alleman dat weten. Jimmy zette je voor schut als hem dat goed uitkwam. En wat voor hem grappig was, hoorde je ook plezant te vinden. Dat ik hem veelal tĂš recht voor de raap vond, hield ik wijselijk voor mezelf. Tot op een dag.
Walter Capiau
De school had iets te vieren. Wat dat was, ben ik vergeten. We trokken met de hele schoolgroep naar het Boudewijnpark, de fameuze Oberbayern-zaal. Er was iets met muziek, allicht. Kleinkunst of zo? Maar wat mij bijbleef was een soort voorprogramma. Ze hadden daartoe een in die dagen populair man uitgenodigd. Walter Capiau was zijn naam. Later zou die Capiau furore maken op tv, maar in die dagen was hij populair op de radio. Al vonden wij die middag zijn grappen maar flets en blijkbaar had hij dat door. En dus meende sympathieke Walter ons op zijn hand te krijgen door een leraar op het podium te halen. Onze leraar Wetenschappen.

de fameuze Oberbayern-zaal.
Die van Wetenschappen had aanzien. En misschien om die reden ook geen bijnaam. De school keek naar hem op, ook wie maling had aan dat vak vond hem een vent uit één stuk. Hij respecteerde ons, wij hem. Alleen, ât was geen adonis die je op een catwalk verwacht.
Capiau stelde wat vragen en de wetenschapper deed zijn best om gevat te antwoorden. En dan, ineens, vond de radioman het nodig om iets te verzinnen dat hij zelf ongetwijfeld geestig vond ⊠over onze wetenschapsleraar zijn uiterlijk.
Onze leraar, altijd al een tactvol man, deed alsof hij het niet hoorde. Maar wat volgde was ⊠een muisstille zaal. Niemand lachte. De boodschap kon amper duidelijker. Lach met al wat je wil, maar met onze, ónze leraar Wetenschap zijn voorkomen lach je niet, zelfs al heet je Walter Capiau.
Al moet ik toegeven, ik verwachtte een bulderlach. Eén lach, die van den Jimmy verwachtte ik. We zaten op dezelfde rij, hij en ik. Heel even keek ik zijn kant op. En wat ik zag, verraste mij danig. Jimmy draaide met zijn ogen. Onze Jimmy, de soms zo boertige knaap die er steevast als eerste bij was om met mensen de spot te drijven, schudde van verontwaardiging het hoofd. Hoedje af, Jimmy, was wat ik toen dacht.
Stond hij op dat ogenblik op om Capiau midden de bomvolle zaal de huid vol te schelden, het had mij allerminst verbaasd. Maar dat vond onze tegendraadse te veel eer voor de flauwerik op het podium.
Onze Jimmy is altijd zijn onveranderlijke zelve gebleven, daar niet van. Met zijn opzichtig doen en laten. Maar zelf herinner ik mij, al die levensjaren later, wat ik die dag

leerde. Dat mensen die tegendraads in ’t leven staan hun goeie kanten vaak heel deskundig weten te verbergen.
Mijn beste schoolgangertjes van vandaag, misschien dragen jullie straks, zoals ik destijds, weinig mee van hetgeen in jullie cursussen staat. Maar wat in die schoolzone van jullie allemaal te leren valt dat nooit in examens wordt gevraagd, ât is dat wat ik jullie dit schooljaar toewens. Met de groeten van den Jimmy.



























































































