Kijk daar, een schooljaar!

Kijk daar, een schooljaar! En voor je ’t goed door hebt is het alweer voorbij. Althans, zo voelt het aan voor wie de schoolbanken lang geleden liet voor wat ze waren. Met alle begrip voor onze schoolgangertjes van vandaag. Want begin je eraan als jong veulen, dan doemt september op als de aanzet tot weer een eindeloze hoeveelheid schooldagen.
Doch laten we redelijk wezen, schoolvolk, wacht jullie enkel een saaie tijd vol saaie lessen? Of valt dat af en toe toch mee?
Trouwens, waarheen zou dat jonge leven jullie leiden zonder al wat je opsteekt op school? Antwoorden? Hoeft niet. Maar wacht, die vraag roept bij mij iets op van lang, héél lang geleden. Zo gaat dat met mensen die zelf van lang geleden zijn.

Will Tura
Kom, we gaan terug naar mijn eigen jongenstijd, op bezoek bij een nichtje van mij. Zij is een vurig fan van de meest geliefde Vlaamse zanger in die dagen. En dus ligt op de platenspeler bij haar thuis altijd weer vinyl van Will Tura. Zelf ben je allerminst in de wolken met zo’n gedoe maar dankzij je nichtje blijven sommige van Tura’s liedjes je bij tot in lengten van jaren. Zoals dat ene, op één of andere langspeelplaat. Het gaat over de eerste schooldag en er komt een kinderkoor aan te pas. En ergens in dat niemendalletje betrap je Will op een hoogst bizar pleidooi. Want wat dacht je van 
 ‘Maar wees blij dat je naar school mag, anders blijf je dwaas en dom!’ Dwaas en dom, echt waar, dat zingt Will. Sommige levensliedjes hebben nu eenmaal weinig met nuance van doen.
En nu we in dat verleden van mij zijn beland, gaan we ook maar meteen naar school.

Jimmy Frey
Deze puber ging naar een jongensschool. Een school waar leraren zowat allemaal een bijnaam hadden. We kregen les van ‘de Zage’ en ‘de Sigarre’ en van ‘Simonne’. En er waren ‘de Pinne’ en ‘Sidonie‘. En de turnleerkracht ging uiteraard door het leven als ‘den Beul’. Het verhaal ging dat een leerling, hij was nog niet lang bij ons op school, aan de leraarskamer ging aankloppen en vroeg of meneer Debeul er was.

En wijzelf, de leerlingen, spraken mekaar veelal aan met onze familienaam. Dat stond stoer en stoer was de norm.
Al had één van ons ook een lapnaam, ‘den Jimmy’, onze klasgenoot die zowaar dweepte met Jimmy Frey. Je weet wel, die van ‘Rozen voor Sandra‘.
Dat soortement liedjes, Will Tura en Jimmy Frey en konsoorten, vonden wij meisjesmuziekjes. Dus onze Jimmy viel uit de toon, maar dat kon hem worst wezen. Bruggeling Jimmy Frey was een Groot Zanger, wist hij en daar viel niet mee te lachen. En dus lachten we niet. Want de Jimmy van onze klas was een knaap waarmee we allemaal omzichtig omgingen. Geen makkelijke jongen, Jimmy nam geen blad voor de mond. Zinde iets of iemand hem niet, dan zou alleman dat weten. Jimmy zette je voor schut als hem dat goed uitkwam. En wat voor hem grappig was, hoorde je ook plezant te vinden. Dat ik hem veelal tĂš recht voor de raap vond, hield ik wijselijk voor mezelf. Tot op een dag.

Walter Capiau
De school had iets te vieren. Wat dat was, ben ik vergeten. We trokken met de hele schoolgroep naar het Boudewijnpark, de fameuze Oberbayern-zaal. Er was iets met muziek, allicht. Kleinkunst of zo? Maar wat mij bijbleef was een soort voorprogramma. Ze hadden daartoe een in die dagen populair man uitgenodigd. Walter Capiau was zijn naam. Later zou die Capiau furore maken op tv, maar in die dagen was hij populair op de radio. Al vonden wij die middag zijn grappen maar flets en blijkbaar had hij dat door. En dus meende sympathieke Walter ons op zijn hand te krijgen door een leraar op het podium te halen. Onze leraar Wetenschappen.

We trokken met de hele schoolgroep naar het Boudewijnpark,
de fameuze Oberbayern-zaal.

Die van Wetenschappen had aanzien. En misschien om die reden ook geen bijnaam. De school keek naar hem op, ook wie maling had aan dat vak vond hem een vent uit één stuk. Hij respecteerde ons, wij hem. Alleen, ’t was geen adonis die je op een catwalk verwacht.
Capiau stelde wat vragen en de wetenschapper deed zijn best om gevat te antwoorden. En dan, ineens, vond de radioman het nodig om iets te verzinnen dat hij zelf ongetwijfeld geestig vond 
 over onze wetenschapsleraar zijn uiterlijk.
Onze leraar, altijd al een tactvol man, deed alsof hij het niet hoorde. Maar wat volgde was 
 een muisstille zaal. Niemand lachte. De boodschap kon amper duidelijker. Lach met al wat je wil, maar met onze, ónze leraar Wetenschap zijn voorkomen lach je niet, zelfs al heet je Walter Capiau.
Al moet ik toegeven, ik verwachtte een bulderlach. Eén lach, die van den Jimmy verwachtte ik. We zaten op dezelfde rij, hij en ik. Heel even keek ik zijn kant op. En wat ik zag, verraste mij danig. Jimmy draaide met zijn ogen. Onze Jimmy, de soms zo boertige knaap die er steevast als eerste bij was om met mensen de spot te drijven, schudde van verontwaardiging het hoofd. Hoedje af, Jimmy, was wat ik toen dacht.
Stond hij op dat ogenblik op om Capiau midden de bomvolle zaal de huid vol te schelden, het had mij allerminst verbaasd. Maar dat vond onze tegendraadse te veel eer voor de flauwerik op het podium.
Onze Jimmy is altijd zijn onveranderlijke zelve gebleven, daar niet van. Met zijn opzichtig doen en laten. Maar zelf herinner ik mij, al die levensjaren later, wat ik die dag

leerde. Dat mensen die tegendraads in ’t leven staan hun goeie kanten vaak heel deskundig weten te verbergen.
Mijn beste schoolgangertjes van vandaag, misschien dragen jullie straks, zoals ik destijds, weinig mee van hetgeen in jullie cursussen staat. Maar wat in die schoolzone van jullie allemaal te leren valt dat nooit in examens wordt gevraagd, ’t is dat wat ik jullie dit schooljaar toewens. Met de groeten van den Jimmy.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van leren en studeren, Van zingen en spelen | 6 Comments

Het strand van Nieuwmunster

Een avondje aperitief-bij-ondergaande-zon aan zee in Wenduine, iemand heeft er een strandcabine en nodigt haar vrienden uit. Wat valt tegen zo’n invitatie in te brengen? En dan nog op zo’n milde zomeravond die ons allerminst hoeft aan te porren om samen vanuit Sint-Andries daarheen te fietsen.
Ondergetekende verzint een route, weg van de drukke weg, doorheen de schilderachtige uitgestrektheid van de Meetkerkse moeren en de polders. Het gezelschap verwacht een onberispelijk parcours, tenslotte is deze jongen het gidsen gewoon. Als stadsgids weliswaar, maar gidsen is gidsen.

Maar dat die gids zijn huiswerk pas op ’t laatste moment en dan ook nog in zeven haasten in mekaar knutselde, dat blijft onder de radar. En bovendien, sinds hij dit landschap voor het laatst verkende ging al wat tijd voorbij.
Het gevolg? Zijn voornemen om er een nonchalant kronkelende tocht van te maken neemt hem onderweg in het ootje. Een paar keer loodst hij zijn volgelingen gezwind maar onhandig een verkeerde landweg in en in de verte lachen de kerktorens van de polderdorpen in hun vuistje.
Er rest deze knaap weinig om mee te pronken, maar eind goed al goed, bij de strandcabine worden wij opgewacht door onze gastvrouw Ăšn haar vanouds smaakvolle picon.
De glazen zijn fris en bijgevolg de babbels los. Uiteraard mĂšt onvermijdelijke evaluatie omtrent onze  fietstocht en zoals wel vaker bij strandbabbels, komt ook de zee ter sprake en wat die doet met mensen. Waarom zoveel zomervolk de zee aanbidt. En hoe een winters strand een heel ander verhaal vertelt dan het vrolijke joelen van deze zomeravond.
Iemand wijst op een boot die roerloos op de einder lijkt uit te rusten van het verre varen. Terwijl een ander schip dat graag nog voor donker aanlegt, traagzaam richting Zeebrugge stevent. Ja, ook om de wereld te bereizen hebben we de zee van doen.
Zal ik iets vertellen over Brugge en de zee, over het Zwin en zijn voorhavens? Over onze stad die in recenter tijden met zijn Zeebrugge een nieuwe uitweg zocht naar zee?
Momentje, waarde gids, over een weg zoeken naar zee maak je ons vanavond niks meer wijs!

Over onze stad die in recenter tijden met zijn Zeebrugge een nieuwe uitweg zocht naar zee?

En toch brengt mijn voorzet één van ons op een idee. Zij woont sinds jaar en dag in het nabije Nieuwmunster. Ja jongens, jullie hebben gelijk, ook daar fietsten we daarstraks langs.
Maar of we het meest recente weetje over Nieuwmunster al hoorden? Dat het dorp zijn strand weer opeist!
Nieuwmunster? Strand?
Het blijkt een historie die ons terugvoert naar de jaren zeventig.
De jaren zeventig, toen het merendeel van de Belgische gemeenten betrokken werd bij een fusiecampagne. Nieuwmunster, bijvoorbeeld, vond onderdak bij het naburige Zuienkerke. En De Haan en Wenduine zouden samen één gemeente vormen.
Maar daar dook zowaar een spelbreker op. Want lag tussen die twee kustgemeenten niet een strook strand die altijd al bij Nieuwmunster hoorde? Een uithoek van die gemeente reikte met wat duinbos en duinen tot enkele honderden meter ongerept strand.
Wenduine en De Haan hadden een probleem en het heette Nieuwmunster Plage. Doch die van de polder bleken de moeilijkste niet. Ridderlijk stonden ze hun stukje Belgische kust af en De Haan en Wenduine konden trouwen zoals gepland.
Nieuwmunster hield voorgoed op met kustgemeente zijn. Maar vandaag, zoveel jaren en een paar generaties later, dromen nogal wat Nieuwmunstenaars – zo heten die van Nieuwmunster – van het opnieuw ‘heroveren’ van hun strand. Een droom die ze deze zomer inkleuren met een handvol speelse acties. Ludieke speldenprikken, want ze

… een handvol speelse acties.
– foto Dorpsraad Nieuwmunster –

zijn ook niet van gisteren en beseffen dat hun droom wellicht droom blijft, hoe kort van bij hen de afstand tot het zandstrand ook mag wezen.
Waarop er eentje, de speelvogel in ons gezelschap, wijst op ‘afstand tot het zandstrand’. Heeft dat iets van een tongbreker? Zeg het snel tien keer na mekaar en je struikelt over je woorden, meent hij. Wat volgt is een uitdaging. Wie bedenkt met zo’n strandwoorden de strafste tongbreker? We eindigen bij ‘het strandzand van Cadzands zandstrand’. Van diepzinnige gesprekken gesproken.
En zo kabbelen, picontje bij de hand, de avond en ons gekeuvel rustig verder. Tot men zich terloops afvraagt langs welke weg we straks naar Brugge terugfietsen. De plezante van daarnet werpt een gespeeld verwachtingsvolle blik in mijn richting. Gespeelde verontwaardiging vanuit de groep.
Waarop de gastvrouw ons weer bij de les brengt wanneer ze wijst naar de einder. Waar de

zon, een ansichtkaart waardig, zwijgzaam in zee zinkt. Naar andere zeeën van de aarde, zegt ze, soms zeeën waar ze geen picon drinken op zomerstranden.
Een overweging waar zelfs een vrolijk benevelde vriendengroep stil van wordt. Had nu iemand een gitaar, we zongen een oud kamplied.

Posted in Het Brugge van nu, Over de wereld, Van toeristen, Zeebrugge, de haven | 15 Comments

Zal ik het hen vertellen? Of zwijgen? Een Brugse Belofte …

18 augustus 1304
Zal ik het hen vertellen? Zeg ik het aan de vrouwen die een belofte deden? Of zwijg ik?
Die vrouwen en meisjes in het Brugge van 1304, ze zien hun mannen optrekken naar een slagveld. Een slagveld, schrikwekkend als alle vorige. Die vrouwen bidden. Ze leggen een belofte af. Om de terugkeer van wie vechten gaat. Het is geen overwinning die ze vragen, geen heldenglorie voor hun strijders. Enkel dat ze zouden weerkeren, ongedeerd.
Zal ik hen zeggen dat we nog altijd vechten?

14 december 1917
Zal ik zeggen wat gezegd moet worden? Of hou ik het stil om haar te sparen, de grootmoeder van mijn moeder?
Twee van haar zoons zag zij het huis uit gaan. Opgeroepen om te ploeteren in de loopgraven van wat de Groote Oorlog zou worden. En zij bidt. In simpele woorden vraagt ze om minder, veel minder dan je van moeders verwachten zou.

Dat toch minstens één van haar kinderen in leven mag blijven, ’t is al wat ze vraagt.
Vandaag, een brief. De facteur leest hem voor, zelf is ze niet zo geletterd. Dat Willem gevallen is op het Veld van Eer, staat in de brief. Na Cyriel, het jaar eerder, nu ook Willem. Geen van hen zou ze ooit weerzien.
Laat ik haar weten dat we ook vandaag mekaar nog onverdroten naar het leven staan?

Woensdag 28 mei 2025
De jongelui die trots poseren voor een foto in de krant, zal ik hen duiden wat gaande is?
Wie ze zijn? Zijn het niet de verre, verre kinderen van de moeders die ooit in vroeger tijden een belofte aflegden?
Of ik het hen zal uitleggen, dat vechten van ons? Laat maar, als iemand het weet dan zijn zij het. Kinderen van hun tijd, tenslotte.
De laatstejaars van de Maricolen, studierichting ‘Publiciteit’, die elk een ontwerp indienden omtrent de ‘Brugse Belofte’. Met Luna Denys voorop, haar frisse ontwerp werd gekozen om als nieuwe affiche de Belofte aan te kondigen.

– eigen foto –

Zij zijn de toekomst, die jongelui, hun eigen toekomst. Dat weten ze zoals ze ook weten wat ik wil vertellen.
Hen hoef ik niet uit te leggen waar het vandaag op aan komt.
Op raketten, tanks, gevechtsvliegtuigen, drones waarvan gezegd wordt hoe onmisbaar ze wel zijn. En dat zoiets geld vergt, veel geld.
Hen wordt geleerd dat elders bespaard moet worden. Maar dat ‘elders’, is dat niet alles waar een samenleving, de wereld, nood aan heeft, ùcht nood?
En wees maar zeker, ze beseffen meer nog dan u en ik hoe wij faalden.
Eeuwen verstreken sinds onze Brugse vrouwen hun belofte aflegden.
Meer dan een eeuw ging voorbij sinds twee grootnonkels van mij nooit weerkeerden van de Groote Oorlog.
En toch zijn het vandaag, al die veldslagen en oorlogen verder, wapens waar we nood aan hebben. Dat leren wij hen. Alleen 
 hun fout is het allerminst. Die van vorige generaties des te meer. Onze generatie?
’t Waren woorden van Ingeborg Bachmann, Oostenrijks schrijfster, die mij laatst bij mijn nekvel grepen … ‘De geschiedenis onderwijst voortdurend, maar zij vindt geen leerlingen …

Vrijdag 15 augustus 2025
… en straks stroomt de stad weer vol zomerdrukte, vol gejoel. Maar vanmorgen zien de oude gevels, terwijl ze zich nog de slaap uit de ogen wrijven, hoe dat aloud gebruik zich voltrekt. Hoe Brugge een belofte in ere houdt.
Hopend op een behouden terugkeer van een veldslag. Van alle veldslagen van lang geleden 
 Helaas, ook van vandaag.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Over de wereld, Over oorlog | 8 Comments

Jongerdom in Brugge

Kijk eens wat de digitale postbode in mijn computerbrievenbus dropt!
Een mail van onze gidsenvereniging is zelden opzienbarend. Een opdracht, doorgaans, voor een klant die veelal de vertrouwde route vraagt, van ’t Minnewater langs het begijnhof en voorbij de Onze-Lieve-Vrouwekerk en de Dijver naar de Burg om te eindigen op de Markt.
Maar dit mailtje kleurt buiten die voorspelbare lijntjes. Dit keer is Stad Brugge de klant. De opdracht, op een nabije namiddag, is voor deze jongen en een handvol collega-gidsen. Plaats van afspraak, de Burg. Van daar kiest elk van ons zijn eigen parcours met in ons kielzog elk een meute volgelingen. En die hebben allemaal iets gemeen. Allemaal zijn ze Bruggeling en elk van hen wordt dit jaar vijfenzestig en daarom inviteert de stad hen op een wandeling in eigen heimat.
Deze gids kijkt graag uit naar dat jaarlijks ritueel. Met zijn gasten dolend door minder voor de hand liggende Brugse straatjes is hij in de kortste keren meer stadsgenoot onder stadsgenoten dan stadsgids. En gegarandeerd komen zijn ‘locals‘ weer met de meest onvermoede lokale herinneringen op de proppen. Als gids steek je altijd wat op, op zo’n keren. Op stap met de oudjes, dus.

… de erfenis van de moeilijke kindertijd
waarin zij opgroeiden?

Hela, wacht eens even!
Oudjes, die Bruggelingen met vijfenzestig op de teller? Wil iemand er deze stadsgids op wijzen dat hij zelf die leeftijd al even achter zich liet?
Trouwens, dat hij vergeet te melden dat naast Stad Brugge ook de Seniorenadviesraad instaat voor het organiseren van die wandelingen, ligt dat aan zijn genoegzaam bekende verstrooidheid of eerder aan die voortschrijdende leeftijd van hem? In dat geval klopt hij best een keer aan bij die seniorenraad. Daar weten ze ongetwijfeld hoe je op je ouwe dag de fitheid van je brein op peil houdt.

Mijn grootvader zaliger wist een raadseltje. ‘Iedereen wil het worden maar niemand wil het zijn, rara wat is het?’ Dat het antwoord ‘Oud!’ was, wisten we omdat opa dat grapje ook het vorige nieuwjaar vertelde. Wat hij zich overigens niet meer herinnerde, maar wij hielden ons graag voor de domme. Om opa te plezieren en om het bescheiden nieuwjaar dat hij elk jaar uit zijn beduimelde portefeuille opdiepte. Brave mens, mijn opa.
Die brave mens, mijn moeders pa, was geboren in 1900. Zijn eega was iets jonger. Hen wachtte een beladen bestaan. De donkere dagen van de Eerste Wereldoorlog beleefden ze als puber, een woord dat in dat dorp van hen wellicht niemand kende. Een andere wereldoorlog overschaduwde de fleur van hun leven. Je zou van minder somber door de dagen gaan.
Maar onze grootouders hielden zich staande. Zoals dat hoorde in hun tijd, werd in soberheid een ruim bemeten kroost opgevoed. Onbewust drukten zij die soberheid uit in hun van vrolijkheid verstoken kledij. Ik herinner mij mijn opa en oma zoals ik hen zag door mijn kinderogen. In die kindertijd van mij waren ze zestigers, zo jong als de Bruggelingen die ik straks op sleeptouw neem. Maar ze droegen, met die bescheiden kleren van hen, ook een oud voorkomen met zich mee. Was die onwrikbare kledingstijl, als je die zo noemen mag, de erfenis van de lastige kindertijd waarin zij opgroeiden?

Gebrek aan verjonging, mag men aannemen.

Ze lieten ze aan zich voorbijgaan, de almaar andere wendingen die de wereld keer op keer nam. Wendingen die, naarmate de tijd verstreek, mekaar almaar sneller opvolgden. Na de oorlog was er de wervelend toenemende levensstandaard, de frivoliteiten van de jaren zestig, ondanks het klimaat van een koude oorlog en nog hield het niet op.
Dat gold ook voor de plaats die ‘oude mensen’ in onze samenleving opeisten. Ik herinner mij, ’t was op onze zwartwit-televisie thuis, ‘Jonger dan je denkt’, een wekelijks programma, gericht op wat ‘derde leeftijd‘ was gaan heten. Het toonde wat je op je ouwe dag kon aanvangen met je leven. Compleet met belerend uitgelegde turnoefeningen-voor-ouderen en zo.
Dat in onze dagen de minder jonge medemens zijn bestaan in eigen handen neemt, mag lovenswaardig genoemd worden.

Al dient heel af en toe een vleug nuance of ironie als voetnoot toegevoegd.
U herinnert zich ons aller dokter Herman Lecompte en het onwaarschijnlijk lange leven dat hij voor de mens van de toekomst en zichzelf mogelijk achtte. Zijn ophefmakende ‘Misschien word ik wel duizend jaar!’ Dokter Lecompte hield geen woord, overleed op zijn achtenzeventigste.
En midden jaren negentig kon je hier bij ons bij een verkiezing je stem uitbrengen op de lijst WOW, dat stond voor ‘Waardig Ouder Worden’. Sindsdien is nimmer iets vernomen omtrent WOW, de partij hield gewoon op te bestaan. Gebrek aan verjonging, mag men aannemen.

Maar er bloeiden en bloeien in de loop der jaren uiteraard ook ontelbare te koesteren initiatieven. Zoals die keer, toen in de Brugse stadsschouwburg het ‘Young@Heart Chorus’ aantrad. Het toert nog altijd, het koor van Amerikaanse oudjes, met een repertoire dat gaat van Rolling Stones tot Coldplay.

En ook sterk, straks, een heleboel Brugse vijfenzestigjarigen die op weg gaan met ondergetekende en zijn collega-gidsen. Met z’n allen maken wij de overstap naar het ‘Jonger dan je denkt’-statuut. Laten we gaan voor een meer opwekkend equivalent voor ‘ouderdom’. Zoiets als ‘jongerdom’?
Want, waarde lezer, het leven begint bij vijfenzestig en mocht u dat betwijfelen, dan laat ik u achter met de diepzinnige woorden die ooit een wijs man in de mond nam. Ik wens u verhelderende inzichten bij het overwegen van dit filosofisch beladen enigma. Het luidt als volgt:
‘Iedereen wil het worden, niemand wil het zijn, rara wat is het?’

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Over welzijn en gezondheid | 9 Comments

MA Festival Brugge, ons Tomorrowland

Ge kunt u aan geen kanten die ambiance voorstellen! Die vibes waarin de hele festivalweide opgaat in een tranche van onweerstaanbare beats!
Onze buurjongen ging voor het eerst naar Tomorrowland en dat zullen we geweten hebben.

Hij vertelt over zijn wedervaren en ik luister gedwee. Dat zo’n megafuif ook heel wat ‘minder jonge’ bezoekers aantrekt, verzekert hij met klem. Een boodschap voor de goede verstaander. Of daar iets voor te zeggen valt, voor een trip naar Boom? Een weekend vol klanken die in onbestemde toonaarden zonder onderbreking uit moeilijk te omschrijven machines rollen?
Oordelen zonder kennis van zaken, het is me wat, al kent mijn jonge buurman mij lang genoeg om te weten dat ik die beker liever aan mij voorbij laat gaan.
En bovendien, merk ik op, in de aanloop naar dat dreunfeest was er al geen ontkomen aan het schier infantiele enthousiasme waarmee de pers zich door Tomorrowland op sleeptouw liet nemen. En toen na die ontluisterende brand in zeven haasten een nieuw podium werd gebouwd, waren de heren en dames van de pers al helemaal het nuchtere noorden kwijt. Dat noodpodium kreeg zowat de status van achtste wereldwonder toebedeeld. Geslepen jongens, die van Tomorrowland. Ze weten hun doelpubliek naar hun hand te zetten, dat moet je hen nageven.
Buurman is maar matig onder de indruk van mijn aanmerkingen maar dit ochtendlijke uur, de eerste zonnewarmte brengt de zomer in de veranda achter ons huis, nodigt niet uit tot discussie. En dus kijkt buur toe – zijn nieuwsgierigheid siert hem – hoe ik doende ben met een map affiches die vertellen over klassieke muziek in Brugge. Het Brugse MA Festival, Musica Antiqua, gaat van start en daar wil ik mijn volgende afficheverhaal aan linken.

We bladeren langs oude en minder oude aankondigingen van concerten. Kijk, een affiche over een avond in 1961, het Westvlaams Kamerorkest was nog maar pas door dirigent Dirk Varendonck opgericht.
En hier, deze uit 1969, met rechtsboven een logo ‘FVB’. Dat verwijst naar ‘Festival van Vlaanderen Brugge’, dat veel later MAfestival zou gaan heten.
Dat hier is een specialleke. Het Westvlaams Orkest van daarnet brengt een avond Beethoven in de stadsschouwburg. Solist van dienst is Igor Oistrach. De vader van Igor, David Oistrach, was een violist van wereldfaam. Zoon Igor genoot een gedegen reputatie, maar voor de meeste muziekliefhebbers was de familienaam Oistrach toch onlosmakelijk verbonden met de voornaam van vader David. Betrappen we het Westvlaams Orkest hier op een leep promotietrucje door de voornaam van zoon Igor achterwege te laten?

Maar keren wij terug naar Festival van Vlaanderen Brugge. In ’t begin van de jaren zeventig kiezen ze een vast campagnebeeld. Ze zoeken het niet ver, hebben het bij wijze van spreken in het Sint-janshospitaalmuseum maar weg te knippen uit dat wereldvermaard veelluik van Hans Memling. Op de voorgrond zit een prinselijk uitgedoste Heilige Catharina, maar het is hem uiteraard te doen om de engel. Die tokkelt fijntjes op zo’n ‘portatief orgel’. Een courant instrument in Memlings tijd dat natuurlijk verwijst naar de oude muziek waarop het festival zich toelegt.
Dat devote schilderij doemde als affiche zovele jaren op in de straten van Brugge dat het op den duur gewoon werd vereenzelvigd met het festival. Maar met het omdopen van Festival van Vlaanderen Brugge tot ‘Musica Antiqua’ ofte MA Festival kwam men

aanzetten met jongere affiches. Frisser, meer van vandaag. Een snor die lijkt op de klankgaten van een cello of, dit jaar, een blote madam gevangen in een warmrode gloed, we laten ons helemaal gaan. Ons MA Festival, beste buurman, is bij de tijd! En die ambiance op zo’n avonden, je kan je dat nauwelijks voorstellen! En weet je wat, ook jongelui komen naar zo’n klassieke concerten! Een boodschap, ja, voor de goeie verstaander.
Mijn jeugdige gebuur overschouwt de affiches op de verandatafel. Eentje die haar publiek op ’t verkeerde been zet met een verzwegen voornaam. Een andere waarop een op zich al belachelijke pruikenman een ridicule snor krijgt op gekleefd. Humor, voorwaar! En een affiche met ronduit wulpse allures. Weet je wat ik merk, zegt buurman en hij zwijgt even. Dat die organisatoren van klassieke muziekskes verdomd bedreven zijn in het naar hun hand zetten van hun doelpubliek! Wie zei daar iets over Tomorrowland?

Posted in Het Brugge van nu, Van feesten en vieren, Van zingen en spelen | 2 Comments

Het Zwart Huis in een cowboyfilm

De gevel, er is iets met die gevel. Dat het Zwart Huis pronkt met de grootste schermgevel van de stad, merkt een aandachtige Bruggeling op en da’s waar.
Je vindt hier bij ons een paar zo’n huizen waarvan de gevel zich ongegeneerd een stuk hoger opricht dan het achterliggende zadeldak. Waardoor zo’n pand nóg groter lijkt dan het in werkelijkheid is. Sommige dingen zijn van alle tijden, ook in de late middeleeuwen kwam het erop aan al wie je huis passeerde te imponeren.
Maar ’t is iets anders dat mij intrigeert aan die overweldigende bakstenen gevel.

… een concern dat kiest
voor de naam ‘Gulden Vlies’.

Weet je wat het is? Zoals het imposante gebouw op je neerkijkt als je de straat in fietst, daar steekt iets van eigenwijsheid in. Met zijn sluwe spleetogen, hoog in zijn schermgevel, lijkt het je met licht wantrouwen te volgen. Wie weet, heeft het Zwart Huis het aan die koppige uitstraling te danken dat het destijds overeind bleef bij de komst van de stadsschouwburg.
Want met de bouw van de schouwburg, ergens in de jaren achttienhonderd, neemt men geen genoegen met het bouwwerk op zich. Neen, de hele wijk krijgt ervan langs. Kronkelsteegjes ruimen met tegenzin plaats voor prestigieus hoge, Brussels ogende lijstgevels. Het heeft er alle schijn van dat ook in de achterliggende Kuipersstraat die grootstedelijke pretentie de norm wordt, maar een paar eeuwenoude gevels blijft halsstarrig overeind. Niet met ons, heren architecten! Eén van die weerstanders, het meest beeldbepalende, is het Zwart Huis.

Voor de Eerste Wereldoorlog wordt op een binnenkoer achter het middeleeuwse Zwart Huis een zaal gebouwd. Cinema Zwart Huis is een feit. Tot begin jaren tachtig, wanneer de bioscoop in handen komt van Rex, een concern dat kiest voor de naam ‘Gulden Vlies’.
Maar in ’t najaar van 1994 verschijnt in het Brugse straatbeeld een notariĂ«le aankondiging. Rex is failliet, de cinema staat te koop. En komt in handen van Patrick Declerck, overbekend Brugs filmmens. Weet iemand wat hem op de naam ‘Liberty’ brengt? Maakt weinig uit, voor u en mij blijft de zaal gewoon zichzelf, ’t Zwart Huis.
Het staat buiten kijf, de komst van Kinepolis gaat met grove borstel door het bioscooplandschap in de binnenstad.

Weet iemand wat hem
op de naam ‘Liberty’ bracht?

Vanaf 2007 wordt in de cinema in de Kuipersstraat alleen nog sporadisch een film vertoond. Voor ‘De Andere Film’, voor ‘Cinema Novo’ of het Jeugdfilmfestival. Ergens tussen 2007 en 2010 zet een Britse dame, Clare Allen, zelfs haar moedige schouders onder toneelavonden in het Engels, een gedurfd maar kortstondig initiatief.
Door de jaren heen houdt de horecaruimte in het Zwart Huis stand, met de achterliggende filmzaal als schone slaapster.

Maar recent komen twee prinsen langs die het op zich nemen om haar te wekken. ‘Er was een keer een Bruggeling en een Amerikaan’ klinkt als de aanzet van een belegen mopje maar het is de beide heren menens. De oude filmzaal beleeft, als ’t van hen afhangt, binnenkort een zoveelste tweede leven. Als een soort museum over zichzelf en de filmwereld, al dromen de heren in kwestie ook luidop van premiùrevoorstellingen en samenwerking met filmfestivals. Dromen doet vooral deugd als datgene waarvan je droomt ook werkelijkheid mag worden.
En de gevel van ’t Zwart Huis? Hij vertrouwt erop dat het goed komt. Al geeft hij geen krimp als ik er voorbij fiets, als vanouds begluurt hij mij. Roerloos, een schietgrage knaap in zo’n revolverduel in één van die ouwe cowboyfilms.

Posted in Het Brugge van nu, Over toneel, Van film | 2 Comments

Een kwestie van koningen … de koningskwestie?

Op doordeweekse dagen schieten we aardig met mekaar op, de man in de badkamerspiegel en ik. Vanmorgen lukt dat opschieten minder. Zijn gedachten lezen valt doorgaans mee, maar de bezorgdheid waarmee hij mij aankijkt 
 Of ik het meen, vraagt hij zich af. Of ik heus iets wil schrijven over de koningskwestie.
De koningskwestie! Je hebt dat naoorlogse verhaal alleen van horen zeggen, manneke! En ik verzeker je, als dat vaderlandje van ons door één hoofdstuk uit zijn geschiedenis tot op het bot werd geraakt, dan wel door de koningskwestie!
Begin er maar een keer aan, aan die historie omtrent die Tweede Wereldoorlog. Al van bij het begin had koning Leopold III het verkorven bij zijn regering. Er was zijn eigengereide kijk op het verloop van de oorlog, zijn houding tegenover de bezetter en nog wat factoren, te gewichtig en veel te gecompliceerd voor een schrijver van niemendalletjes!
Mijn verbolgen blik hindert Spiegelman allerminst in zijn onverstoorde pleidooi. Over het naoorlogse tumult dat het land liet wankelen en de volksraadpleging die de natie verdeelde. ‘Weg met Leopold!’ versus ‘Leve Leopold!’ Waarna de vorst zijn kroon overdroeg aan de nog jonge Boudewijn.
Was dat hetgeen je zeggen wou, Spiegelman? Ewel, luister dan nu een keer naar mij. ’t Is maandag onze Nationale Feestdag. Over wat in onze stad zoal te vinden is omtrent onze vorsten, daar schrijf ik straks een stukje over. ‘Een kwestie van koningen’ gaat het heten. Da’s iets anders dan die koningskwestie, toch?

Spiegelman lijkt enigszins gerustgesteld. Ik geef hem nog mee dat mijn verhaal zou beginnen in ’t Provinciaal Hof. Nergens in Brugge vind je zoveel vorstelijke koppen bijeen, nu ze daar recent een handvol bustes van koningskoppels schouder aan schouder hebben gezet.

Dat onze eerste vorst, Leopold I, ontbreekt is logisch. Er was in het Brugge van zijn tijd nog geen sprake van het Provinciaal Hof.

Albert I met zijn Elisabeth, Leopold III met Astrid en Boudewijn en Fabiola. Werd bij elke blijde intrede zo’n beeldenpaar aangemaakt? Toch niet, onze twee jongste koningskoppels, Albert en Paola en Filip en Mathilde, moeten het stellen zonder borstbeelden.
Dat onze eerste vorst, Leopold I, ook ontbreekt is logisch. Er was in het Brugge van zijn tijd nog geen sprake van het Provinciaal Hof. Later kreeg hij wel een straatnaam in Kristus-Koning. Al had het ook elders gekund. In het Koning Albertpark, achter ’t concertgebouw, pronkt één van zijn opvolgers, Albert I, op zijn bronzen paard. Eigenlijk kon ook onze eerste vorst aanspraak maken op die plek. Was het niet daarlangs dat in de zomer van 1838 de allereerste trein Brugge binnenreed, met aan boord Leopold I en zijn Louise-Marie?
Zijn zoon, de tweede Leopold, bedachten we dan weer met de hoofdlaan van ’t Stubbekwartier. Ook hij ontbreekt in ’t Provinciaal Hof, al was hij een fervent voorstander van

de neogotische heropleving van Brugge, waar het Hof in paste.
De sierlijke letter ‘L’, hoog op de nok van het gebouw, verwijst dan ook naar hem. En binnen is er dat buitenmaats groot schilderij uit 1865. Leopold laat zich in de straten van Brussel toejuichen. Zijne Hoogheid … zijne hooghartigheid? De gruwel die zich later in zijn naam in Afrika zou afspelen, daarvan hadden zijn onderdanen nog geen weet.

Leopold II wordt opgevolgd door zijn broers zoon, Albert I. Waarom Albert en zijn koningin Elisabeth in ’t Provinciaal Hof niet schouder aan schouder staan? ’t Is mij een raadsel, al maakt het patina van elke buste duidelijk wie bij wie hoort. Elisabeth, die met zelfzekere blik van ons wegkijkt, trekt alle aandacht naar zich toe.

December 2000 … Hopelijk was de expositie in de abdij van Zevenkerken deskundiger opgebouwd
dan haar schamele affiche.

Terwijl de norse ogen van Leopold III dan weer contrasteren met de lieflijke trekken van zijn Astrid. De verbitterde koning? We zouden ze onbesproken laten, toch, de koningskwestie? De verontwaardiging om het huwelijk, midden de oorlog, van de weduwnaar met Lilian Baels en zo? Laten we liever verwijzen naar het Astridpark, de Botanieken Hof. De jammerlijk verongelukte koningin Astrid kreeg ook daar een bescheiden borstbeeld.
Kregen haar zoon Boudewijn en zijn Fabiola zo’n prominente plaats midden de beeldengroep toebedeeld omdat ze tot in lengten van dagen hùt iconische Belgische vorstenpaar blijven? Bo en Fab, ultiem rolmodel van huwelijkstrouw in goede en kwade dagen? Onze latere vorsten erven een hele boterham.
Al torst ook Boudewijn zware lasten op zijn frĂȘle schouders. Als jonge gast wordt hij plotsklaps koning van zo’n roerig land en daar is algauw de Congolese revolutie en het nimmer ontraadselde verhaal rond de moord op Patrice Lumumba. En

wellicht wordt hij voor altijd herinnerd om die fameuze offday van hem bij de bekrachtiging van de abortuswet 
 Het koningschap, het is me wat.
Die gedachte vergezelt mij wanneer ik van ’t Provinciaal Hof naar huis terug fiets, naar Sint-Andries. Langs de Legeweg waar de betonnen doorsteek onder de spoorweg mij onverwacht met mijn neus op ons Belgisch verleden duwt. Vermoeide letters zijn het, maar ook na al die jaren laten ze geen twijfel toe.
Vanavond kijk ik Spiegelman recht in de ogen. Ik verzeker hem, hij mag op zijn twee oren slapen. Koning hoeft hij nooit te worden. Zijn knipoog wenst mij goedenacht.

Posted in Het Brugge van toen, Over de wereld | 3 Comments

Het Cactusfestival op de kaart van Marcus Gerards

Hond en baas op wandel aan de vesten, bij de Smedenpoort. Jongedame komt vrolijk aangefietst, ze houdt halt als ze mij opmerkt. Ha, jij bent het!

Je woont bij ons in de buurt en je was leerlinge in de school waar ik mijn boterham verdiende. Een babbel. Over Hond van mij en die van jou. Over je twee kleine koters thuis, jouw overvolle leventje en het iets minder drukke van mij. En, dat herinner ik van een vorig praatje, dat je bijna altijd mijn afficheverhalen leest. Alleen, en da’s wel nieuws, mag het best wat minder vaak over lang geleden gaan, over stambomen of vergeelde stratenplannen. “Geschiedenis en zo, ik vind er weinig aan!”
Zo gaat dat, wie jong is, is van nu en liever nog van straks.
“Weet je wat”, zeg je, “’t is dit weekend weer Cactusfestival, doe mij een plezier en schrijf daar een keer iets over!”
En terwijl je terug op je fiets stapt geef je nog mee 
 ‘En maak ons niet wijs dat het podium van Cactus al op de kaart van Marcus Gerards stond!’
Weg ben je, wuivende jurk in de zomerbries. Ik kijk je na tot het zonnegeel van de Smedenpoort je meeneemt, de stad in. Hond kijkt mij vragend aan. Waarom blijf je hier staan dromen, baas?

Het Cactusfestival, daar schreef ik al eerder over, bedenk ik. En dus fiets ik in de namiddag naar ’t Minnewaterpark waar straks het muziekfeest doorgaat, wie weet vind ik daar wat inspiratie tussen het groen. Het park is al even in feeststemming. Laatst was er een zaterdag lang de ambiance van ‘Feest in ’t Park’. Speelt dat multiculti tentenkamp min of meer voorprogramma van het Cactusfestival?
Ja, ‘Feest in ’t Park’ en Cactus in amper een paar weken tijd, het doorgaans sluimerende Minnewaterpark heeft zo zijn eigen cadans als ’t op feesten aan komt. Al laat het zich heel soms ook inpalmen door druktes van een heel andere aard. Zullen we er lukraak een paar benoemen?

Wij waren erbij die avond, vijftien najaren geleden, het Minnewaterpark stond in vuur en vlam. De flamboyante, poĂ«tische vuurzee waarin een stel Franse kunstenmakers het openingsweekend van cultuurfestival ‘Brugge Centraal 2010’ onderdompelde is ons bijgebleven. Het park en zijn omgeving in bedwelmend vuurdronkenschap.

Een andere keer, langer geleden, begin jaren tachtig, die paar zomers waarin het Minnewaterpark zich tooide met sculpturen. In een enthousiaste bui vroeg een krant zich af of het park zich voortaan zou meten met het Antwerpse Middelheim. Zo’n vaart liep het niet, maar tussen al dat groen stond het daar wel vol beeldhouwwerk. Het project was een idee van wijlen Jef Vandecaesbeek, zelf beeldhouwer en broer van een destijds in Brugge wereldberoemde madam, Loetje van de Schoare.

We diepten de affiche van de editie 1983 voor u op. Het ontwerp, een knipoog naar Roger Raveel, was uit inzendingen van eindejaarstudenten aan de kunstacademie geselecteerd. Het kwam uit de bol van Guy Buseyne die later zelf naam zou maken als beeldend kunstenaar.

Het Minnewaterpark schreef zijn eigen levensverhaal dat we nog amper kunnen wegdenken uit de binnenstad, al werd het domein pas eind jaren zeventig aangelegd. Dat het er kwam lag niet voor de hand want midden de verkavelingsdrift van toen kwam de site even in beeld als mogelijke villawijk. Je zou het allerminst verwachten, maar die groene long heeft de stad te danken aan burgemeester Michel Van Maele. Zijn reputatie als inhalig zakenman indachtig, mag dat verrassend heten.
Die oorspronkelijke verkavelingsplannen verklaren op hun beurt wel de spijtige sloop van een soort retrokasteel dat er vroeg in de vorige eeuw was gebouwd. Ene meneer Ludovic Fraeys de Veubeke, rechter van beroep, woonde er. Ludovic gaf zijn eigen naam aan zijn woonst, goed voor de zowaar fraaie benaming ‘Fraey Huis’.

… de spijtige sloop van een soort retrokasteel …
– foto Beeldbank Brugge

Zoeken we verder in het verleden van onze stad, dan vinden we het Minnewaterpark als bleekweide waar linnen in de zon ‘te bleken’ werd gelegd. En nieuwsgierig als we zijn, gaan we op zoek. Op de kaart van Marcus Gerards, altijd een dankbare bron. Daar komt een waterrijke hoek in beeld, een kronkeling van reien, al het vergt weinig moeite om er min of meer ons Minnewaterpark te traceren. Een blekerijweide? Ze zeggen dat pas

eind jaren vijftienhonderd Brugse blekerijen vermeld worden. Marcus zijn kaart dateert van 1562. Het verleden laat ons graag in het ongewisse, wat onze leergierigheid alleen maar voedt.
Al kan dat sommigen geen ene moer schelen. Zo ken ik een jongedame die hoegenaamd niet maalt om historieverhalen.
Beloofde ik haar daarom iets te schrijven over het Brugge van vandaag? Over het Cactusfestival. Daar kwam weinig van in huis. Maar ik kan wel bevestigen, van het podium van ’t Cactusfestival is op de kaart van Marcus Gerards geen spoor te bekennen. Dat zocht ik dan wel weer voor jou uit. Graag gedaan.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van 't Cactusfestival, Van Feest in 't Park, Van feesten en vieren, Van zingen en spelen | 6 Comments

Marxtje en ik en de Canon van Brugge

Wij fietsen naar de markt van Brugge, ’t is valavond maar nog zomers warm. Wij, dat zijn ‘kameraad Marxtje’ en ik. Dat mijn fietsgezel niet echt Marxtje heet, dat kon u vermoeden, zo’n bizarre manier om een naam te spellen. Destijds was er natuurlijk wel Marx, Karl voor de vrienden, maar het valt te betwijfelen of die zich als Marxtje liet aanspreken.
Maar ‘kameraard Marxtje’ kan leven met zijn roepnaam die past bij zijn redelijk donkerrode kijk op de samenleving. Een doorwinterd Marxist, hij? Ach neen, hij laat zich al tù graag betrappen op hoofs koketteren met contraire denkspelletjes. We hebben hem door en Marxtje weet dat.

Waarover straks meer, laat mij eerst duiden wat ons naar de markt brengt. ‘Het belfort vertelt’, het zou mij verbazen mocht u daar nog niks omtrent hebben vernomen. ‘Het verhaal van Brugge, prestigieus lichtspektakel op de markt van Brugge’, zo staat het op de affiche die de elf avonden aankondigt.
Terwijl we over ’t Zand passeren, vertel ik dat het mij geenszins verbaast dat de markt van Brugge weer wordt ingepalmd door zo’n totaalspektakel. Dat plein is van geen kleintje vervaard als het op prestigieuze evenementen aankomt.
Mijn jeugdig gezelschap kijkt ietwat vragend mijn kant op.
Weet, jonge vriend, door de eeuwen heen liet onze markt zich graag overrompelen door allerlei festiviteiten.
En wat daar met kop en schouders bovenuit stak, zo vervolg ik mijn verhaal terwijl we in de Steenstraat de altijd verraderlijke putten ontwijken, is het Heilig Bloedspel. Die evocatie werd sinds eind jaren dertig zowat om de vijf jaar opgevoerd. Voor tienduizenden toeschouwers, editie na editie. Die van 1962 zou de laatste worden.
Stilaan dagen op de markt meer en meer toeschouwers op en de beiaard heet ze welkom. Vrienden en kennissen komen langs en uiteraard ontwaren we her en der ook leden van het ’11 juli-komitee’ dat zijn schouders zet onder deze avonden. Dat brengt mij bij hun voorzitter die, naar mij werd verteld, in het Franse Rouen op het idee kwam voor dit lichtspektakel. Daar ondernamen ze iets gelijkaardigs op hun kathedraal. Iets met licht? Bij voorzitter Pol Van Den Driessche ging 
 nou ja, een lichtje op.

Trouwens, al wat jaren geleden vond die voorzitter de tijd gekomen om het aloude Heilig Bloedspel vanonder het stof te halen. Had hij het zwaar-op-de-handse scenario in gedachten dat men in de joligheid van de jaren zestig al achterhaald vond? Dat zijn vader in dat Heilig Bloedspel ooit de Jezus-rol op zich nam is mogelijks niet vreemd aan zijn voornemen. Zag Pol zichzelf al in de rol van Verlosser? Zijn plan werd in stilte afgevoerd.

Doch ziet, kameraad Marxtje, vanavond laat de markt van Brugge zich weer inpalmen door een hoogst zelfverzekerd project. Het mocht wat kosten en dat deed het ook. Eerder kwam het nieuws dat Burgrock, festivalletje dat zich altijd linkt aan de Vlaamse feestdag, een sabbatjaar inlast. Intussen weten we waarom.

Vanavond en de komende avonden komen de uitgespaarde centen aardig van pas. Samen met subsidies vanuit stad en Vlaamse gemeenschap. En sponsoring.
Inmiddels is het duister gevallen. De beiaardier tokkelt ‘Vlaanderen Boven’ van Raymond en dan zwijgen de klokken.
Uit luidsprekers rollen traag aanzwellende klanken over het plein. ’t Gaat beginnen! Maar voor het begint krijgt het ruim toegestroomde publiek op de gevel van het belfort ongevraagd warrige beelden van logo’s en merken geserveerd 
 Boter bij de vis, vuistregel in het sponsorwereldje. Lichtjes geagiteerd schudt kameraad Marxtje zijn jongenshoofd, dat is hij aan zijn antikapitalistische imago verplicht.
Maar wat volgt, slaagt er vlotjes in om ons bij de les te houden. Het adjectief ‘wervelend’ mag van stal gehaald en door de begeleidende vertelling – het belfort neemt zelf het woord – laten we ons graag op sleeptouw nemen. Technisch valt weinig aan te merken. Hoewel, het Franse koppel naast ons probeert de vertaalde ‘onderschriften’ op hun smartphone te volgen, maar verliest daarmee ongewild nogal wat van hetgeen op de belfortgevel te bewonderen valt.
Laten we voorts de dingen benoemen zoals ze zijn, wie een van nostalgie doordrenkt flamingantisch pleidooi verwacht, blijft op zijn of haar honger zitten. Het verhaal van onze stad – van toen tot nu – dwarrelt en stroomt over en langs de oude toren naar beneden. Onvermoede maar kranige keuzes worden gemaakt. De Gulden Sporenslag die als sociaal conflict wordt benoemd, in plaats van het aloude Vlaamse ontvoogdingsverhaaltje. En het vermelden van de gruwelijke terechtstellingen in deze ooit om zijn homofobie beruchte stad.
Ook het Brugge van vandaag krijgt zijn moment de gloire met sport en nog van alles. En met de opbeurende, net niet sloganeske teneur waarmee het belfort zijn pleidooi afrondt is het vrolijk naar huis terugkeren. Op de terugweg trakteer ik graag nog eentje, benieuwd als ik ben naar de beoordeling van kameraad Marxtje. Die meteen mijn verwachtingen inlost door maar deels mijn enthousiasme te delen. TĂš rooskleurig, meent hij, terwijl hij schol-gewijs zijn werkmanspint optilt.
Hoezo, te rooskleurig?

Welja, weinig mis met Jan van Eyck en konsoorten, mompelt Marxtje, maar toch weer nogal platgetreden clichés.
Zelfs in de Canon van Vlaanderen hebben ze meer aandacht voor de sociale geschiedenis! Waar bleef Achiel Van Acker, vader van onze sociale zekerheid? En ‘paster’ Fonteyne die hier in Brugge het Daensisme trachtte te belichamen!
Ach, Marxtje, in een half uurtje tijd kan je moeilijk alles en iedereen benoemen, hé.
Ewel, repliceert mijn tegenspeler, hadden ze dat onnozel verhaal over die ridicule berenmutsen van de Engelse koninklijke garde maar achterwege gelaten! Dat die ondingen hier bij ons werden bedacht, wie maalt erom? In die uitgespaarde tijd konden ze een ander textielverhaal vertellen.
Welk verhaal, wil ik weten.
Over de sjofele kantwerksters en hun ‘kantmadammen’, opkoopsters die de dikke winst van dat vlijtige thuiswerk opstreken! Misschien zet het een enkele toerist aan het denken, wanneer hij straks zijn ogen uitkijkt bij onze etalages vol kant van bedenkelijk oosterse komaf.
Waardig voorstel, Marxtje, zoiets een plek geven in de projectie. Maar tegen de tijd dat die toerist hier het onderschrift op zijn smartphone ontcijfert, gaat het lichtspel alweer over Club of Cercle.
Club, repliceert Marxtje, kreeg op die projectie te veel aandacht, Cercle moest zoals altijd het onderspit delven!
Ons Marxtje? Salonrevolutionair maar boven alles rasechte Bruggeling!
Laat ons daarop klinken! ’t Is aan jou om te trakteren, kameraad, kan een uitgebuite werkmens zich dat veroorloven?

Nog tot vrijdag 11 juli kan je ‘Het belfort vertelt’ meemaken, een eerste vertoning vangt aan rond 22.30 uur, de tweede een half uur later. Vroeger langs komen hoeft niet, er daagt best wat volk op maar ’t is geen overrompeling.

Posted in Het Brugge van nu, Van feesten en vieren, Van stoeten en processies | 4 Comments

Te weinig toeristen

Het belfort, altijd opnieuw het belfort. Al moet dat vermaledijde belfort in de toren van de Onze-Lieve-Vrouwkerk zijn meerdere – zijn hogere – erkennen, toch eist dat ene monument keer op keer zijn plaats op als icoon van onze stad. Waarom komt wie het over Brugge heeft almaar opnieuw aanzetten met datzelfde bouwsel? Waarom liet ondergetekende onlangs het vorige logo voor zijn affichecollectie, met het belfort als uitgangspunt, vervangen door een nieuw logo met een knipoog naar 
 het belfort?

Veel ligt natuurlijk aan de herkenbaarheid van zijn silhouet. De drieledigheid van die toren met het kenmerkende kroontje op zijn oude hoofd, dit kan alleen Brugge wezen! Maar droegen andere blikvangers, het stadhuis, de poortersloge, het concertgebouw, ook niet hun picturale steentje bij aan het imago van deze stad?
En je raadt nooit hoe ik onlangs, op een plaats waar ik al ontelbare keren langs kwam, met verbazing om mij heen stond te kijken. Ineens realiseerde ik mij de doorslaggevende rol, lang geleden, van die ene plek in wat Brugge als toeristische bestemming zou worden. Dat ik daar nooit eerder over nadacht! Daar stond ik, lichtjes van mijn slag 
 midden de Hof van het Arentshuis bij de Dijver.

Was deze stad een brief aan de wereld, dan was de tuin van het Arentshuis zijn postzegel. Bescheiden in zijn onmisbaarheid, zoals het postzegels betaamt. Een postzegel, voorzien van een duidelijk leesbare afstempeldatum, het jaar 1911.
In de recente geschiedenis van onze stad mag het jaar 1911 zich niet beroepen op de status van meest genoemde jaartal. Maar er voltrokken zich in en om die tijd een handvol markante feiten en verbazend vaak was de tuin van het Arentshuis daarbij het decor van dienst.
Al was de aanzet tot die gebeurtenissen al wat eerder gegeven. Op zaterdag 11 juli 1908, toen een stel prominente kameraden de koppen bijeen stak om ‘Die Roya’ te stichten
Met in de naam van hun vereniging een verwijzing naar de Brugse reien, luidde de omschrijving – die leest vandaag ietwat bevreemdend – ‘Maatschappij ter bevordering van het vreemdelingenverkeer’. Het promoten van Brugge als toeristische bestemming, dus.
De stedelijke overheid lag nog niet wakker van toerisme, maar ‘Die Roya’ meende dat Brugge best wat meer bezoekers mocht verwelkomen. En maakte meteen werk van zijn voornemens.

– foto’s Beeldbank Brugge –

Er werden een paar boekjes gepubliceerd die je onder meer kon kopen in een charmante kiosk aan de Sint-Salvatorskathedraal, een eerste aanzet tot toeristisch infokantoor. Later zou hun ‘chalet’ verhuizen naar ’t ‘statieplein’, het Zand, bij de ingang van het station.
En dan kwam Die Roya ook nog aanzetten met een spraakmakende affiche, ‘Brugge kunststad’, een creatie van Flori Van Acker. En wanneer liet Die Roya die tot de verbeelding sprekende affiche op de wereld los?

In het daarnet al gekoesterde jaar 1911! Wat ons terugleidt naar ons uitgangspunt, de Hof van het Arentshuis.

… de praalboot van Die Roya op het Minnewater …
– foto Beeldbank Brugge –

Kort daarvoor kwam het Arentshuis in handen van de stad en in ‘ons’ 1911 werd de tuin opengesteld voor het publiek. Wat blijk geeft van enige toekomstvisie, want toen al had men de Hof in gedachten als verbinding tussen het recent als museum ingerichte Gruuthuse en … het pas jaren later te bouwen Groeningemuseum!

Om dat plan te vervolledigen werd ook het fameuze brugje gebouwd. De ‘eeuwenoude’ Bonifaciusbrug dateert van het jaar … ja hoor, 1911.
Dat de bootsmannen die er onderdoor varen niet vertellen dat hun ‘bridge of love’ amper een goeie eeuw oud is, we kunnen ’t verstaan.

Achterin de tuin werd meteen ook de zuidelijke poort voorzien, waarlangs sindsdien de koetsiers hun paard en rijtuig richting begijnhof loodsen.
En de doorgang in een zijmuur leidt de argeloze bezoeker vanzelf naar … Groeninge, het museum.
Dat de twee zuilen in Doornikse steen, eenzame restanten van de op de Markt verdwenen waterhalle, ook rond datzelfde jaar in de tuin werden opgesteld, dat kon u al vermoeden. De uiteraard veel jongere ‘Ruiters van de Apocalyps’ van Rik Poot markeren op hun eigen manier de Hof als toeristisch knooppunt.
Want dat is de Hof van Arents vandaag, een draaischijf waaromheen het bezoekerslegioen zich wentelt dat dag in, dag uit ons Brugge doorkruist.
De Bruggeling, die komt er amper maar fietst vrolijk langs de Dijver, slaat geen acht op de onschatbaar cruciale betekenis van de Hof van Arents in het toeristenverhaal van ons stad. En vraagt zich misschien zuchtend af of Brugge niet stilaan … genoeg toeristen over de vloer krijgt.

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van toeristen | 2 Comments

De pannenkoeken van de kruisvaarder

Pannenkoeken? Je wou al eerder iets vertellen over de kruisvaarders en de veelal weinig lovenswaardige fratsen waarmee die mannen de wereldgeschiedenis bijstuurden.  Maar je kon niet meteen een aanleiding bedenken. Tot zich vandaag eindelijk een uitgelezen kans aandient 
 in de vorm van een stapeltje ruim bemeten, gul met bloemsuiker besprenkelde pannenkoeken.

… iets vertellen over de kruisvaarders … 

De zon doet wat van haar wordt verwacht op deze fietstochtdag. Zodoende merkt op de terugweg iemand van ons op dat dorst stilaan zijn opwachting maakt. Waar kunnen we dat vieren?
Of hier iets verfrissend in de buurt is, vragen wij ons af. Waarna de koptrekker van ’t moment een verrassend besluit neemt door ons groepje de dreef naar Zevenkerken in te loodsen.
Zevenkerken? Bij de paters? Welja, de cafetaria. Oord dat wij doorgaans gniffelend omschrijven als voorbehouden voor mensen op leeftijd. Maar laten we toegeven, daar op het gazon onder de fruitbomen vallen wij inmiddels ook zelf almaar minder uit de toon. En ’t is waar, daar staan een paar aangename bieren op de kaart. Maar eenmaal onze glazen geleegd, laten wij ons verleiden door de verlokkelijke geur van pannenkoeken aan een nabije tafel. Weinig later dampt op elk van onze borden zo’n warmbruine lekkernij.

Zevenkerken, dus. ‘k Weet nog de eerste keer dat ik hier kwam met wat vrienden. Was het een soort bezinning? Ach neen, daarvoor ging het er te informeel en nonchalant aan toe.
We waren het soort ‘opgroeiende knapen die de wereld gaan veranderen’.
Iemand tokkelde wat op een gitaar, je kon ongegeneerd ‘The Times They Are a-Changin’ zingen en het nog geloven ook.
We waren min of meer lid van een groepje dat zich om één of andere godvergeten reden ‘Gamma‘ liet noemen. Een losvast genootschap van studenten en scholieren die zich op sleeptouw lieten nemen door een hoogst markant figuur. Luc Vranckx gaf als priester les in een paar Brugse scholen – godsdienst, uiteraard. Hij woonde in een heel bescheiden huisje in de Boeveriestraat. Boeiende middagen, daar bij Vranckx. Of avonden in cafĂ© de Goezeput.

Dat Luc ons met zijn ‘Gamma‘ vooral wilde behoeden voor de destijds wervende extreemlinkse wind, het Rode Gevaar van ‘Amada‘ en konsoorten? Daar waren wij ons amper van bewust. Veel later zou de naam Luc Vranckx overigens opduiken in redelijk donkerrechtse middens.
Maar in die schooltijd van ons speelden wij dus als ‘Gamma’ een weekendje lang wereldverbeteraars in een soort woonschuurtje in de schaduw van de abdij van Zevenkerken. En Luc, hij vertelde.

Het enige wat van dat eerste  bouwsel rest
is de toren van de parochiekerk van Sint-Andries.

Over de plek waar we waren, in de bossen bij de ‘Sint-Andriesabdij Zevenkerken’, zoals ze officieel heet. Dat de abdij eigenlijk niet zo heel oud is, vertelde hij, ze werd pas rond het jaar 1900 gebouwd op initiatief van ene Gerard van Caloen, zoon van de fameuze van Caloens van ’t kasteel van Loppem.
Een herstichting werd het, eigenlijk de erfgename van een eerdere, eeuwenoude beneditcijnerabdij die de Franse Revolutie niet overleefde. Het enige wat van dat eerste  bouwsel rest is de toren van de parochiekerk van Sint-Andries. Daar was dus ooit die eerste abdij waaraan de deelgemeente haar naam dankt.

Chagrijnig ventje, onze Robrecht?

De stichting van die oorspronkelijke monnikengemeenschap, da’s een heel bijzondere historie. Die had namelijk van doen met – u voelt ‘m komen – een kruistocht, de eerste.
Robrecht, graaf van Vlaanderen, trok samen met de meer tot de verbeelding sprekende Godfried van Bouillon op naar Jeruzalem. Die eerste kruistocht werd een ongemeen bloederige bedoening, en volgens sommige bronnen liet onze graaf zich lang niet onbetuigd als ’t op moorden en plunderen aankwam. Chagrijnig ventje, onze Robrecht?
Hoe ging het verhaal ook weer? Over één van hun vele gevechten waarbij graaf Robrecht met zijn leger in het nauw gedreven werd, wanneer hij plots in de wolken een Sint-Andreaskruis meende te herkennen. Inderhaast beloofde de graaf aan de heilige Andreas een abdij als hij en zijn trawanten behouden zouden thuis geraken. De heilige verhoorde zijn gebed en zo verrees in de nabijheid van onze stad een Sint-Andriesabdij.

Dat van die kruisvaarders die de geschiedenis hertekenden, waar we het daarnet over hadden, was dat niet wat sterk gezegd? Wel neen, waarde lezer, volgt u even.
Stel, onze graaf Robrecht bleef thuis, ging nooit op kruistocht. Dan hoefde hij op dat slagveld die gelofte niet af te leggen. En was er nooit sprake van een Sint-Andriesabdij, die bij de Franse Revolutie dan ook niet werd gesloopt. En dus plande Gerard van Caloen geen nieuwe abdij van Zevenkerken. Waar dan ook nimmer een monnik met het idee voor de dag kwam om een cafetaria te openen. En dientengevolge – het woord! – dampten hier ook geen pannenkoeken voor de neus van een handvol fietsers. Robrecht, de kruisvaarder, was zelfs verantwoordelijk voor onze pannenkoeken.
Zeg nog een keer dat die kruisvaarders het verloop van de wereldgeschiedenis niet bepaalden.

Posted in Het Brugge van toen, Over de wereld, Over oorlog, Van zin, zen en zijn | 4 Comments

Of kunst ook schoon mag wezen

Met de jongelui naar een tentoonstelling, eentje omtrent de ‘Brugse School’.
De kunstenaars van die schildersclub hebben mekaar in onnoemelijk lange tijd niet meer ontmoet, dus de expositie voelt ietwat als een reĂŒnie van klasgenoten van vele academiejaren geleden. En hoewel wij eerder toevallig en onaangekondigd langskomen, voelen ook wij ons meteen welkom.
De ‘Brugse School’, dus. Van die artistieke lichting beleven nog amper een paar oud-strijders hun inmiddels zeer oude dag. Op die tentoonstelling in dat hoekhuis in de Sint-Jacobsstraat zijn het dan ook niet de kunstenaars in eigen persoon die mekaar weerzien, het zijn hun schilderijen die er een klasreĂŒnie houden.
En nu is ’t aan mijn jong gezelschap, het prille volkje dat pakweg de Belgische Frank of Boudewijn en Fabiola nooit heeft gekend. En die ‘Brugse School‘ al helemaal niet. Want ‘Brugse School’, allemaal goed en wel, maar waarover gaat het hier eigenlijk?

Wel, jongelui, er hoorden een paar generaties kunstenaars tot die ‘Brugse School’. Ze floreerden pakweg van voor de Eerste Wereldoorlog tot een heel eind in vorige eeuw. Doorgaans opgeleid in onze kunstacademie waar sommigen later ook als lesgever aan de bak kwamen. Het gaat om nogal wat namen, maar eentje, Florimond Van Acker – ‘Flori’ voor de vrienden – steekt daar met kop en schouders bovenuit.
Als schilder ùn als directeur van de academie groeide Van Acker uit tot peetvader van de kliek. We besparen jullie graag een resem namen, maar ’t is goed mogelijk dat bij de opa of oma van jullie pa of ma een kadertje met iets van Emile Rommelaere, Louis Reckelbus of een gelijkgestemde schilder boven het dressoir hing.
Wat de ‘Brugse School’ geliefd maakte? Wel, op het gros van wat ze op doek zetten was Brugge met zijn schilderachtige hoeken en kanten te bewonderen. Bewonderen, want als die mannen in één ding bedreven waren, dan zeker in het pittoresk weergeven van hun thuisstad.

… sommigen later ook als lesgever
aan de bak kwamen.
– foto Beeldbank Brugge –

Elk met zijn eigen palet, maar zonder uitzondering braaf binnen de artistieke lijntjes. Op straffe vernieuwingsdrang zal je die gasten nimmer betrappen.
Liever bedachten zij in gulle kleuren, een Brugge zoals zij het zagen. Of liever, zoals zijzelf en hun publiek het zich droomden. Romantiek in elke penseeltrek, gul strooiend met het warmst denkbare licht. Nergens een storend element. Vakkundig herschiepen ze hun stad, schoner en meer ongerept dan die ooit in ’t echt is geweest.

Zoals op het doek van Louis Reckelbus op die affiche van een vroegere tentoonstelling. De godshuisjes van het Rooms Convent ogen, hoe scheefgezakt ook, toch vooral lieflijk. Je kan je voorstellen, er was een markt voor zo’n schilderijtjes.

Laat ons een keer de klok terugdraaien, helemaal naar de gloriejaren van de ‘Brugse School’. Wellicht treffen we ze her en der in de stad aan ’t werk, een Albert Goethals of een Guillaume Michiels. Zitten ze aan één of andere reieboord achter hun schildersezel? Vaak, maar lang niet altijd. Neem nu Flori Van Ackers ‘De Meebrug in de sneeuw’. Ik kan mij moeilijk voorstellen dat hij daar in ’t putje van de winter zit te verkleumen aan de Groenerei.

… de behaaglijke warmte van zijn atelier in de Korte Vulderstraat.

Maar Flori is een fervent liefhebber van de nog jonge fotografie. Een goeie foto met de juiste lichtinval en hij kan aan de slag in de behaaglijke warmte van zijn atelier in de Korte Vuldersstraat.
Wat onze Brugse schilders op doek zetten is, binnen hun beeldtaal, best sterk.
En al verzetten intussen elders in de wereld een Picasso, een Egon Schiele of een Marcel Duchamp voorgoed de kunstbakens, de ‘Brugse School‘ kijkt ostentatief de andere kant op. Elk zijn stiel, Brugge vraagt om brave schilderijtjes, Brugge krijgt wat het wil. Mag kunst nog schoon wezen, of hoe zit het?
En vandaag? Wel, nog tot eind deze maand huist de ‘Brugse School’ in een pand in de binnenstad, op de hoek van de Sint-Jabobsstraat en de Naaldenstraat. Daar loopt een expositie met nogal wat van die namen. En mocht je willen, kan je er eentje kopen.

Een werk van toen, maar lang niet meer aan de prijs van toen. Want, jong volkje, in jullie interieur staat wellicht geen dressoir zoals toen bij opa en oma. En zodoende is jullie generatie niet meer op zoek naar een Brugs tafereeltje voor boven dat meubel.
En dat doet iets met vraagprijzen.
Waarom ik zelf die kans laat liggen? Omdat bij ons de plek boven wat min of meer als dressoir kan doorgaan al is ingepalmd door … een affiche, wat dacht je. ’t Is een litho van Flori Van Acker, dus toch ook een beetje ‘Brugse School‘.
Maar wie weet, zijn jullie onverhoopt gecharmeerd door wat ons hier op de tentoonstelling toelacht. Een lekker ouderwets schilderijtje, als contrapunt midden jullie ongetwijfeld trendy woonkamer 

Of kunst ook gewoon schoon mag wezen? Zeg dat die met zijn affiches het gezegd heeft.

Meer info omtrent de tentoonstelling vind je hier: www.brugarto.be

Posted in Het Brugge van toen, Van schilderen en plaasteren | 7 Comments

Hoe sterk is de eenzame fietser

Wat doordeweekse tevredenheid en kleine ergernissen met mekaar gemeen hebben? Allebei komen ze achteloos langs en waaien zo weer voorbij. Zoals hier aan de ontbijttafel in dit huis van ons. De radio vertelt over ‘het dagelijks leven in de seventies’. Reacties zijn welkom, zo gaat dat dan. Maar wat hoor ik? De vriendelijke radiomadam kondigt die tijd van toen aan als ‘de jaren zeventig van vorige eeuw’! Vorige eeuw?
Die glorietijd van deze luisteraar en de zijnen ligt al vijftig lange jaren achter ons, dat is op zich al confronterend genoeg. Dat wij ook nog ‘van vorige eeuw zijn‘ hoeft er heus niet bij vermeld. Een lichte ochtendlijke ergernis is mijn deel.
Maar dan kiest de radio voor een muziekje. Eentje uit die zomertijd van ons bestaan. Boudewijn de Groot zingt ‘De reiziger’, een lied van 
 wel ja, een halve eeuw terug. De zanger maakt in één keer mijn ochtend goed en vervlogen is het nukkigheidje van daarnet.

En mijn hoofd, dat dwaalt af naar ons flatje van toen, drie hoog in de binnenstad. Naar de langspeelplaten die er rondslingerden. Ook ‘Hoe sterk is de eenzame fietser‘ van Boudewijn. En ik weet, als was het gisteren, met dĂ t lied, ‘De reiziger’, opende de plaat … met woorden, vertrouwd als oude vrienden …
‘Geef de reiziger een stoel,
geef hem brood en droge kleren,
laat hem zitten bij de haard 
’
Boudewijn zingt en in mijn krant lees ik dat hier in Brugge Wegwijzer ermee ophoudt. Wegwijzer, de voortreffelijke stichting die sinds jaar en dag vanuit de Beenhouwersstraat iedereen de weg wijst naar allerlei wegen waarlangs de wereld zich laat ontdekken. Wegwijzer, de groep die jaar na jaar in de stadshallen de Reismarkt in goede banen leidt. Wegwijzer houdt op met wijzen.
Mijn krant lezen, mijn yoghurt proeven Ăšn naar Boudewijn de Groot luisteren, is dat multitasken? Ik vraag het mijn tafelgenote die zich net niet verslikt in een ochtendlijke aardbei. Maar Boudewijn is uitgezongen en ik blijf achter met de vraag of Wegwijzer wellicht nogal wat reismensen verweesd achterlaat. Mensen die, omdat de aardbol nu eenmaal rond is, graag ronddolen.

Wat denk je, merkt mijn wederhelft op, hebben zij Wegwijzer nog van doen? Inmiddels vinden ze het antwoord op al hun reisvragen op dat scherm waarop ook jij zo graag van alles opzoekt, toch?
Ze heeft een punt. Waarschijnlijk zucht Wegwijzer zoals ook mijn boekenkast zucht omdat ik haar wijsheid almaar minder raadpleeg.
En mijn huisgenote bedenkt nog iets. Dat de Reismarkt niet meer doorgaat terwijl de doorsnee burger nooit eerder zo vaak en zo ver weg van huis was. We rennen, rijden, vliegen dat het een lieve lust is.
Ik repliceer met een veronderstelling. Stel je even voor dat Wegwijzer ermee ophoudt om een heel andere reden. Dat zo’n instelling overbodig wordt omdat op een dag niemand nog verre reizen maakt. ’t Vergt weinig moeite om daar een paar argumenten voor te verzinnen.
Dat het achterwege laten van vliegvakanties onze ecologische voetafdruk drastisch mildert, bijvoorbeeld. Dat verlost zijn van alle stressvolle reisplanning onze gemoedsrust ten goede komt. En dat we ons vragen stellen bij de vaak bedenkelijke werkomstandigheden van wie in die verre vakantieoorden naar onze verwende pijpen danst.

En bovendien, al spendeer ik mijn hele leven reizend langs zo veel plekken als maar kan, op het eind van mijn bestaan stel ik vast dat nog veel meer plaatsen overblijven waar ik niĂšt ben geraakt.
Bij deze een oproep aan onszelf.
Laat de aardbol rond wezen zonder er kost wat kost elke uithoek van te verkennen. Thailand, Zuid-Afrika, PatagoniĂ«, ’t zijn treffelijke oorden maar genieten van een imposante zonsondergang kan ook dicht bij huis.
Allez kom, de weg op, de fiets is het nieuwe vliegtuig!
Trouwens, het lied dat mij zopas aan ’t dagdromen zette, ‘De reiziger’, gaat over al ons vruchteloze onderweg zijn, toch?

De woorden zijn van Lennaert Nijgh, de tekstdichter van Boudewijn de Groot.
Of is ’t andersom en was Boudewijn de zanger van Lennaert Nijgh? Want als geen ander wikte en woog Nijgh zijn woorden tot ze feilloos vertelden wat hij vertellen wou.

… de langspeelplaten die er rondslingerden.

En zo concludeert hij in
zijn lied ‘De reiziger’ 

‘Geef de reiziger
het woord,
laat de reiziger vertellen.
Maar hij schudt

zijn hoofd en wacht.
Hij heeft
overal gezocht,
hij heeft
nergens
iets gevonden
en hij heeft
niets meegebracht 
’

Lennaert Nijgh over ver weg gaan en het weer thuiskomen dat daar onvermijdelijk op volgt 
 En wacht eens even. Nooit eerder legde ik dit verband 
 tussen ‘De reiziger’ en de foto op de hoes van Boudewijn de Groot zijn plaat. Die verwijst naar het titellied van de langspeler, daarover geen twijfel. Maar de zanger met zijn zoontje fietsend door dat zanderige landschap … Ik zocht het op – op dat scherm van mij, wat dacht je – ’t was ergens in de duinen bij Zandvoort.
De zanger op reis in eigen achtertuin en kijk, de fiets is het nieuwe vliegtuig.
Boudewijn de Groot wees toen al de weg, in de jaren zeventig. Dat was in de vorige eeuw, jawel 


‘De reiziger’, het lied, vind je hier … https://www.youtube.com/watch?v=8PIn7o4hqJc

Posted in Het Brugge van nu, Over de wereld, Van toeristen, Van wielen en op weg zijn | 7 Comments

Toen de paus naar Brugge kwam

Hij doet zijn verhaal en in die baardige kop van hem glimmen de ogen van een schooljongetje dat trots vertelt over de spreekbeurt waarmee hij zijn klas verbaasde. Met zijn reputatie is beeldend kunstenaar Johan Tahon de grenzen van ons land al langer ontgroeid, maar een sculptuur in opdracht van de paus, daarmee kan lang niet iedereen uitpakken. En dus pakt Johan er graag mee uit, in een filmpje.
De milde woorden die hij kiest om paus Franciscus te omschrijven – ‘een vriendelijke man met een ontwapenende lach, als een lieve grootvader’ – laten er geen twijfel over bestaan, de privĂ© audiĂ«ntie die hem te beurt viel beschouwt hij als een hoogtepunt, niet enkel in zijn artistieke maar ook in zijn persoonlijke bestaan.

… in bruikleen aan ons Provinciaal Hof.

Van ‘Metanoia’, het beeld in kwestie, creĂ«erde Johan meerdere exemplaren. EĂ©n gaf hij in bruikleen aan ons Provinciaal Hof. Johan is tenslotte van Menen en dus West-Vlaming. Maar de paus hoeft dus niet naar Brugge te komen om het te bewonderen, hij heeft er eentje bij hem thuis.
Anders zou het wel ferm nieuws zijn, hĂ©, de paus die om Johan Tahon zijn beeld te zien helemaal vanuit Rome naar Brugge komt. Een paus die Brugge aandoet? Ja, Franciscus was vorig jaar in Belgenland. En ’t is deze zomer dertig jaar geleden dat Johannes Paulus langs kwam. Maar Brugge lieten ze allebei links liggen.
Hoewel, waarde lezer, ziehier een voetnoot bij bovenstaande bedenking. Een voetnoot waarvoor wij u meenemen naar het Brugge van een dikke halve eeuw geleden, naar het voorjaar van 1974.
We spreken van donderdag, de 23ste mei, Hemelvaartdag. ’t Is rustig weer, amper zon maar er dreigt geen regen en dus trekt zoals vanouds de Heilig Bloedprocessie door de stad. Enkele dagen daarvoor vragen een handvol schoolkameraden zich af of dat niet geestig zou zijn, een keer mee opstappen in zo’n processie. En wanneer hen verteld wordt dat ze als bataljon boogschutters worden ingezet is de pret compleet.

Het is dat adolescentenlegertje van toen dat ik laatst terugvond, bij toeval. Bij ons thuis in een schoendoos die zich geroepen voelt om voor oude foto’s te zorgen. Het is zo’n vierkant fotootje zoals ze werden geschoten met de kodakjes van toen. Na al die jaren zowaar een nog behoorlijk kleurvast documentje.
Het decor, bevlagde gevels. Op de achtergrond ontwaar je de toenmalige cinema Memling in de Hoogstraat.
Maar het is uiteraard het stel marcherende kornuiten dat alle aandacht opeist. Voorop stapt een soort hofnar, maar in hun redelijk lomp ogende vechtersuitrusting met die wellicht kartonnen helm en die boog over hun schouder ogen vooral de soldeniers indrukwekkend.
Of er een reden is om nu met die foto voor de dag te komen? Om de boogschutter op de voorgrond, bijvoorbeeld. U treft hem die ene dag waarop hij zich laat betrappen in iets dat kan doorgaan voor een legeruniform. Ondergetekende kan het weten, hij kent hem redelijk goed.
Maar er is nog iets. Iets met pausen, juist ja. Met één bepaalde paus. Want die jongelui in hun pakken die vervaardigd lijken van matrassenmateriaal, die passeerden eerder in de optocht langs de Sint-Salvatorskathedraal. Daar keken, vanop een soort eretribune, een paar rijen genodigden toe.

– foto Beeldbank Brugge –

Ook van die tribune vond ik een foto. Weliswaar niet in die doos van ons, maar toch een foto. Met vooraan rechts burgemeester Van Maele, voor die plechtige gelegenheid in zijn meest pronkerige staatsiedracht, compleet met zo’n steekhoed. Er zijn een paar andere prominenten, met helemaal links bisschop Emiel Jozef De Smedt.

De bisschop maakt een grapje. Toch niet over de groep boogschutters die net voorbij stapt? Hij vindt zijn mop alvast leuker dan zijn toehoorder naast hem. Die lijkt er met zijn gedachten niet echt bij. Zit Karol Wojtyla met zijn hoofd bij de gang van zaken in het Vaticaan? Daar had hij wat redenen voor, vier jaar later zou Karol Wojtyla verkozen worden als Johannes Paulus II.
De paus was hier. Weliswaar nog als kardinaal, maar toch hier in ons Brugge.
Wie de lieden waren die daar de tribune bevolkten? Daar hadden de jongelui die er voorbij marcheerden geen idee van. Het was hun wereldje niet.
Het wereldje van mannen, wat die pausenwereld betreft alvast uitsluitend van mannen. Mannen op leeftijd die een man op leeftijd aanwijzen.
En een plein vol mensen. Mannen en vrouwen. Sommige die bidden, anderen die trappelen van kinderlijk ongeduld. Wachten op rook uit een schouw en de kleur van die rook.
Wat voor paus ze willen en zo, er komen vragen van journalisten. Allerlei antwoorden. Tot op dat plein in Rome een meisje zo’n vraag krijgt voorgelegd. Een meisje, jong als die jongens van toen. Ze haalt haar schouders op, denkt even na en zegt 
 ‘Zo’n paus, waarvoor hebben we die eigenlijk nodig?’
Het meisje in Rome en Johan Tahon in zijn atelier, elk met een eigen kijk op de dingen. Jeugdige nieuwsgierigheid op het Sint-Pietersplein, wachtend op nieuws maar verbaasd om al die geestdrift om haar heen. En een bezadigd man die terugblikt op zijn ontmoeting met Franciscus. Zij met een concrete vraag. Hij die in dat filmpje van hem bedachtzaam besluit “Franciscus is gewoon een mooie, oude man, zo simpel is dat. En dat instituut 
 tja, jongens 
”
Amai, besluit de boogschutter van lang geleden, een boel serieuze dingen om over na te denken.

Het filmpje, waarin Johan Tahon aan het woord komt, vindt u hier: https://player.vimeo.com/video/960130464?badge=0&amp%3Bautopause=0&amp%3Bplayer_id=0&amp%3Bapp_id=58479%22

Posted in Het Brugge van toen, Van stoeten en processies | 2 Comments

Een kermis die ‘Brugge’ heet

De stadsgids heeft een afspraak, zondagochtend om acht uur in een hotel. Zowat zijn hele beroepsleven lang werd hij rond dat uur op zijn werkplek verwacht. Maar hij is al even met pensioen en dan rinkelt zo’n wekker op een voorjaarse zondagmorgen best wel verrassend vroeg.
Maar de echte verrassing, die volgt nog, wanneer ik even later de ochtendlijke stad tegemoet fietst. Pas wanneer ik door de krappe fietsdoorgang van de Smedenpoort rij, ontwaar ik een eerste, zwijgzame voetganger. Verderop passeren welgeteld twee auto’s en hooguit een paar fietsers.

– foto Jan Darthet –

Het Zand, de Steenstraat 
 stilteplekken zijn het. De haastige nervositeit van een stad op weg naar werk en school verwacht je allerminst, maar toch verrast diezelfde stad om de roerloosheid waarmee hij zijn zondag aanvat. De Markt, toegedekt onder een laken van ochtendrust. De groene luiken van de vertrouwde frietkramen als gesloten ogen van een nog sluimerend belfort.
Ietwat lusteloos draait een eenzame taxi de Vlamingstraat in, in de Wollestraat passeert mij één moedige jogger en de Rozenhoedkaai houdt zijn adem in, wetend wat komt, later op de dag.
Er zijn fotoboeken die ons Brugge tonen als mensenloze plek. Er is ‘Stilleven’, fraai album van fotograaf Jan Darthet, melancholisch souvenir van de mondmaskerdagen. En Selina De Maeyer verraste een tijdje geleden met ‘Beeldschoon Brugge’, een boek vol slaapdronken stadsgezichten.
Maar dit is geen fotoboek, dit is hier en nu en Ăšcht.
Gewoon op een milde zondagochtend vroeg uit de veren komen, meer hoeft niet voor een afspraak met deze rimpelloze ochtendstraten. Stilzwijgend en toch veelzeggend.

Een week later. Afspraak, zaterdagvoormiddag om elf uur aan het Concertgebouw. Ik tref mijn gasten tussen een wirwar van kermisattracties. Sinds een paar dagen zet de Meifoor het Zand en omgeving naar haar jolige hand.
Zal ik mijn gidsenverhaal maar meteen aanvatten met de Meifoor die haar oorsprong vindt in onze jaarmarkt van eeuwen geleden? In ons middeleeuwse Brugge waren dat commerciĂ«le hoogdagen, neringdoeners kwamen van heinde en verre en ook jongleurs en kunstenmakers maakten ’t schoon weer.
De ambachtslui, de lakenverkopers, pottenbakkers en andere makers zijn van lang vervlogen tijden. Maar de jongleurs en fratsenverkopers, die komen nog altijd. Alleen niet meer met goocheltrucjes of dansende beren, wel met botsauto’s en zwaartekracht tartende torenmachines. Onze jaarmarkt van weleer werd kermis.

Mijn Hollands gezelschap en ik vatten onze verkenning aan doorheen de ‘Gouden Driehoek’. Je weet wel, langs Begijnhof en Dijver en, jawel, de inmiddels stampvolle Rozenhoedkaai.
Zo’n belangstellend groepje op sleeptouw mogen nemen, dat garandeert de gids een aangename middag. Ze willen het fijne weten over de Madonna van Michelangelo, over Gezelle en het borstbeeld van Juan Vives.

Hun verbazing in de Katelijnestraat om het aanbod in sommige etalages! Geef ze maar een keer ongelijk. Brugse souvenirs alom. Ja, maar ook Manneken Pis, een stuk of tien in alle denkbare kleuren. Een tricolore sjerp, gewikkeld om een kanariegeel Atomium. Een rij figuurtjes uit Star Wars, zowaar. ‘Dit lijkt wel een spellenkraam, altijd prijs, die kermis van jullie loopt gewoon door tot in deze winkelstraat!’, grapt er eentje.

– foto Selina De Maeyer –

Brugge, een toeristenval, zot van commerciële glorie? Geld moet rollen, zeggen ze. Hoe kader je dat, als brave stadsgids? Maar dan bedenkt die gids een naar zijn bescheiden mening schoon alternatief, een genietbaar tegengewicht.
Waarde vrienden Nederlanders, ziehier een aanbod.
Jullie kwamen daarnet met de fiets hierheen vanop de camping in Sint-Kruis waar jullie caravans staan? En jullie blijven nog een dagje? Welaan dan, een voorstel voor morgen, zondag. Een ochtendlijk voorstel.
Sta op bij het krieken van de dag. Wees paraat om pakweg zeven uur. En kom naar Brugge. Fiets langs straten, pleinen, langs de Markt, de Burg, de Rozenhoedkaai, verdwaal in een slaapstad. Een stiltestad die onlangs zelfs mij kon verrassen.
Ze vinden het idee, zoals je dat van Hollanders verwacht, hartstikke leuk. Maar of de volgende ochtend hun wekker rinkelt, daar op die camping aan de Veltemweg? Aan de andere kant van de stad, in Sint-Andries, wordt deze jongen er alvast niet door gewekt.

Posted in Het Brugge van nu, Van feesten en vieren, Van toeristen | 4 Comments

Assebroekse Meersendag

Soms heeft een mens genoeg aan een aangenaam gezelschap dat zijn tijd neemt op een door de zon verwende namiddag. Onze wandeling door de Assebroekse Meersen zit erop en het landschap heeft ons verbaasd omdat wij dit voorjaar het anders zo zompige lappendeken van weiden, akkers en waterloopjes konden verkennen zonder er natte voeten aan over te houden. Of hoe een verontrustend droge lente zich ook wel een keer van haar aangename kant laat zien.

Niemand in ons gezelschap laat zich betrappen op haast, daar op het terras bij het Leenhof, en zoals dat dan gaat, praten wij over het wel en wee van het dagelijks bestaan. Om tenslotte elk onze kant op te gaan, elkeen naar zijn eigen dagelijks bestaan, zijn eigen wel en wee.
Al die tijd wachtte mijn fiets op mij onder de bomen van het dorpse pleintje bij de kerk, daar in Ver Assebroek. En terwijl ik ‘m verlos van de lompe slotketting waarmee ik hem aan een bank heb vastgemaakt, realiseer ik mij heel even in welke markante hoek van ons Brugge ik hier ben terechtgekomen.
Vlakbij de Assebroekse Meersen, waar het heerlijk op adem komen is in het meest ongerepte natuurgebied van onze regio. En dan sta ik ook nog onder de kruinen van het meest pittoreske kerkpleintje dat je op ons Brugse grondgebied kan aanwijzen. Wie ben ik, dat ik die onverwachte overpeinzing niet zou aangrijpen om een keer het kerkje binnen te gaan?

Het kerkje van Ver Assebroek. In een heel ver verleden stond hier al een kapelletje, zeggen lieden die dat ook maar van horen zeggen hebben. Dat gebedshuis werd een kerk en zag eeuwen voorbijglijden, zo gaat dat als je lang meegaat.
En driehonderd jaar geleden werd het verhaal van deze plek ineens echt spannend. Het pleintje waar ik hier om mij heen kijk, het Pastoor Verhaegheplein, is genoemd naar de priester die in die tijd kwam aanzetten met een Mariabeeld dat een mirakelverhaal met zich meedroeg.
Enfin, sindsdien wordt in de kerk van Ver Assebroek een miraculeus Mariabeeld vereerd. Kan u, waarde lezer, net als deze jongen, bogen op een braaf katholieke opvoeding, dan verbaast het u allerminst dat hier in mei, vanouds Mariamaand, wat meer volk langs komt dan anders. En bent u ook amper verwonderd om de stille schroom waarmee ondergetekende die middag de kerk binnen gaat.

Het beeld op een zijaltaar is bescheiden in omvang, omgeven door een uit zilver gesmede bloemenkrans staat het in een soort schrijn. Zowel de Mariafiguur als het Jezuskind op haar arm dragen een kroon. Een kanjer van een kroon, eentje van een formaat waaronder elk normaal mens zou bezwijken. Maar van mirakelbeelden mag enig bovenmenselijk vermogen verwacht worden, aldus de oneerbiedige gedachte waarop deze zondaar zich in deze plechtige omgeving laat betrappen.

In zijn jongensjaren vond deze scholier de lessen Godsdienst doorgaans op zijn minst boeiend, maar de weg die hij sindsdien aflegde bracht hem langs inzichten die behoorlijk ver afweken van wat hem ooit werd onderwezen. Al kwam hij, door mensen in zijn dichte omgeving, nog met de regelmaat van een kerkklok in contact met devotie en kerkgang.
Hij hoorde van de wekelijkse zondagsmis, de bedevaarten naar Lourdes en andere geloofsplekken. In de meimaand vanuit Oostkamp te voet naar Ver Assebroek, zonder zich daar veel vragen bij te stellen.
Had het niet iets geruststellends, te weten dat een oudere generatie die tradities in ere hield? Die gebruiken waar je je als jonge gast vrolijk kon tegen afzetten?
En vandaag? Vandaag, met almaar meer jaren op je teller, stel je wel nog de kritische vragen van toen, maar omtrent de antwoorden word je stilaan stiller.
Wat je nog meedraagt, na al die levenstijd? Geloof met een spreekwoordelijke korrel zout? Ongeloof mĂšt de bagage die ze je ooit meegaven? Hoe zit het nu, heeft alles zin of is alles toeval?
Kijk, zo gaat het met toeval. ’t Is de ochtend na onze Assebroekse Meersendag. In mijn brievenbus vind ik De Morgen. Foutje van de postbode, ik heb helemaal geen krantenabonnement. Maar goed, door dat toeval lees ik die morgen een krant. Een column van Ilja Leonard Pfeijffer. Waarin hij zichzelf terloops omschrijft als 
 katholiek atheïst. Soms komen ze louter toevallig van pas, de woorden van een ander. Of is het ene toeval minder toevallig dan het andere?

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van beesten, planten, Van zin, zen en zijn | 8 Comments

Wedstrijden zijn voor paarden, niet voor musici.

Fiets je naar ’t conservatorium in de Sint-Jacobsstraat, dan is voor je tweewielpaard plaats voorzien in de fietsenberging achter het Huis Casterman, het bijhuis van de ‘muziekschool’. Je komt er langs het Palmstraatje. En daar, op een brok natuursteen die ze aan een muur hebben vastgemaakt, staan die woorden, ‘Wedstrijden zijn voor paarden, niet voor musici‘. Schots en scheef gebeiteld staan ze er. Was het een kalligraaf die ze kapte? Of veeleer een bengel die voor het eerst een beitel in de hand gestopt kreeg? Of wie weet, schuilt achter de tegendraadse slordigheid die het citaat van zijn steenkapper meekreeg een speelse knipoog naar de muziek van BĂ©la BartĂłk, de man die de verrassende mening omtrent paarden en muzikanten verkondigde.

BĂ©la BartĂłk, componist uit de eerste helft van vorige eeuw, zette tijdens zijn leven zijn tere schouders onder allerlei initiatieven om volksmuziek van de vergetelheid te redden, maar zelf componeerde de Hongaar een eigenzinnig gedurfd oeuvre bijeen. ’t Waren allerminst zonnedeuntjes Ă  la Rossini of wiegende Strausswalsen waarmee BartĂČk uitpakte. Dat zijn muziek in het donkere Duitsland van de jaren dertig werd gecatalogeerd als ‘Entartete Kunst’ zegt veel.
Dus misschien was het een volleerd kalligraaf die doelbewust het citaat van BartĂłk zo schijnbaar slordig aan de steen toevertrouwde.
Wedstrijden zijn voor paarden? In onze tijd, waarin elke week wel ergens een medemens ‘in de prijzen valt’, een schrijver of een acteur of een meesterkok, lijkt ons bestaan één oeverloze wedstrijd. Onze planeet wentelt vrolijk om haar as, als was het de holle, glazen stolp waaruit af en toe een genummerd Lotto-balletje neervalt. Altijd prijs!

… noteert zo’n ervaring wat graag in zijn curriculum.

Lang voor ons dolgedraaide millennium dacht de componist al het zijne over de gretigheid waarmee musici loerden op allerlei prijzenpotten. Het muzieklandschap is danig veranderd sindsdien, maar ook vandaag zijn wij vertrouwd met een muziekwereld die geenszins onderdoet voor welke competitieve discipline dan ook. Deze week maakt het klassieke muziekvolk zich op voor de Koningin Elisabethwedstrijd. Jonge pianisten van over de hele wereld zakken af naar Brussel waar ze zich met mekaar meten. En na lange avonden vol virtuositeit zal wat als een vakkundige jury wordt omschreven één van hen naar huis sturen met een Eerste Prijs. Een wereld van verschil, schijnt het, zo’n prijs winnen of niet.

… tot in lengten van dagen vereenzelvigd
met dat jolige liedjesfeest.

Maar ook wie in zo’n competitie vrede moet nemen met een eervolle vermelding, noteert zo’n ervaring wat graag in zijn curriculum.
Da’s alvast één voorrecht dat deelnemers aan de Koningin Elisabethwedstrijd gemeen hebben met al wie ooit naar het Eurovisie Songfestival mocht.
Straks vergaapt het televisiekijkende deel van onze planeet zich weer aan het Songfestival. Ook daar krijgt eentje alle lof, maar ook wie gewoon deelnam wordt tot in lengten van dagen vereenzelvigd met dat jolige liedjesfeest.

Wedstrijden zijn alleen voor paarden? We kunnen er hier in Brugge ook wel weg mee, met muziekwedstrijden. Met jaar na jaar onze eigen Red Rock Rally.
Vanaf dit jaar heet het festivalletje gewoon Red Rock. Zonder ‘Rally’, maar een competitie blijft het. En nogal wat keren kon jong volk zich wagen aan een preselectie van Humo’s Rock Rally, nog zo’n avond voor muzikale strevers.

We zullen ons met onze opsomming maar tot muziek beperken, zeker? Sport laten we aan ons voorbij gaan. Al kan je er moeilijk onderuit, ook in ’t voetbal staan we hier in Brugge op scherp. Met een ploeg die zopas een niet onbelangrijke bekerfinale won en ambitieus lonkt naar de titel van landskampioen. En een andere die zich uit de naad voetbalt om verder in de hoogste klasse aan de bak te komen.
En neen, omtrent politiek houden we helemaal onze mond. Al heeft u overschot van gelijk, waarde lezer, als iemand de kunst van het eufemistisch benoemen van competitiedrang onder de knie heeft, dan wel de politicus.
Maar wacht, houden ze daar ergens in een piepklein staatje bij de Middellandse Zee niet een bijzonder belangwekkende wedstrijd? Het wachten op witte rook uit een schoorsteen, heeft dat ook niet iets van competitie? Zeg niet dat wij dat gezegd hebben.

Wedstrijden, de beste zijn, de knapste, de slimste, ’t is des mensen. Ook al kraste hier in Brugge iemand iets in een steen over wedstrijden en paarden. Trouwens, was u er ooit bij, bij zo’n koers waarbij ze paarden opjutten om als eerste over een eindstreep te hollen? De meeslepende ambiance die van zo’n middag uitgaat. Het dreunen van paardenhoeven, het kraaien van een opgewonden publiek, ze blijven nog even nazinderen.
Al komt het voor dat zo’n paard aan dat rennen enig letsel overhoudt. Of, in ’t verleden, soms erger.
Daarom … zomaar even een bedenking. Mensen die het tegen mekaar opnemen in wedstrijden, doorgaans kiezen die daar zelf voor. Wat je bezwaarlijk kan beweren over paarden.
Misschien, mijn beste Béla, had jij het gewoon bij het verkeerde eind.
Toegegeven, het klinkt behoorlijk tegendraads: ‘Wedstrijden zijn voor musici, niet voor paarden’.

Posted in Het Brugge van nu, Van Brugs voetbal, Van gitaren en drums, Van sport in 't algemeen, Van zingen en spelen | 6 Comments

Honderdduizend socialisten overrompelen Brugge

Ze weet het van de conciĂ«rge zelf, dus wat ze vertelt zal wel waar zijn. ’t Is iets van lang geleden. Zelf is ze te jong om ervan mee te spreken, van die dagen van de ‘Witte Woede’ toen de zorgsector wekenlang de straat op trok. De goegemeente had oren naar de verzuchtingen van verpleegkundigen, opvoeders, zorgend volk, omtrent omkadering en verloning. Nu de politieke wereld nog. En dus werd met overtuiging gestaakt en betoogd, ook door wie daar doorgaans zou voor passen.
Ook hier in Brugge, waar op een woelige dag een luidruchtige meute betogers opstapte naar de Markt en er het Provinciaal Hof inpalmde. Toen gebeurde het. Met een list wisten de betogers, de sloebers, de conciërge van het gebouw in een kantoortje op te sluiten. Pas toen hun eis om de gouverneur te spreken werd ingewilligd, kwam de brave mens weer op vrije voeten.
Ze vertelt het met iets van medelijden in haar stem en wijst erop dat de conciërge zich het jammere voorval nog haarscherp herinnert.

Tja, de grenzen van fatsoen, op zo’n bewogen momenten tasten actievoerders ze wel eens af‘, merk ik op, ‘En gaan ze erover, dan is dat beschamend. Maar anderzijds, betogingen, ze zijn van alle tijden en vaak nodig.’
Waarop zij vertelt hoe haar ouders soms nog heroïsche herinneringen ophalen aan hun strijdlustige jeugd. Aan rakettenbetogingen, aan de Witte Mars. Mensenmassa’s die de hele hoofdstad inpalmden, tot niemand nog vooruit of achteruit kon.
Betrap ik ook mezelf op het misschien wel met lichte trots terugdenken aan die memorabele momenten? En zo gebeurt het dat deze jongen aan ’t vertellen gaat. Zij luistert geduldig.
Ik heb het over die Brusselse oktoberzondag in het jaar 1983.
‘De begrippen West en Oost gaan nog gebukt onder de last van de Koude Oorlog. ‘Geen raketten!’ luidt de slogan waarachter vanuit alle windstreken manifestanten de hoofdstad binnenstromen. Nooit voorheen zag Brussel zoveel volk samentroepen. Een vredige optocht zou het worden, en daarover ging het ook, over vrede.
Ook vanuit Brugge trekt een kolonne bussen naar de hoofdstad. Wij stappen mee in de optocht, samen met vierhonderdduizend anderen, al raken we niet ver in die mensenzee. Niemand raakt ver, zo lijkt het wel. Alleszins niet tot bij het hoofdpodium. Daar zijn de obligate speechen en een paar korte optredens, maar wie maalt daarom? Hoewel, deze jongen kent een lichte teleurstelling.

Omdat ze zo schoon kon zingen.

Het moment waarop we bij de bus terugkomen hoor je een lied dat klinkt vanop het verre, aan het oog onttrokken podium. Melanie! Melanie zingt! Betogen allemaal goed en wel, maar op zo’n keer Melanie missen, dat vindt de betoger in kwestie ferme pech. Ooit, in zijn schooltijd, was Melanie een warmkleurige poster in zijn jongenskamer. Omdat ze zo schoon kon zingen.’
‘Alleen daarom?’ vraagt mijn toehorend gezelschap met hoorbare nieuwsgierigheid. Enfin, de ontwapenende blik van een lang niet onaardig meiske, het had ook wel wat. Waarop ik wijselijk van wal steek over die andere Brusselse oktoberzondag, jaren later in 1996.
‘Al weken staat het land in rep en roer. Er is de verbijstering en woede die volgt op de arrestatie van Marc Dutroux en de bevrijding van twee van zijn slachtoffertjes. Verontwaardiging ook, omtrent de werking van veiligheidsdiensten, gerecht Ăšn politiek. Het begrip ‘spaghetti-arrest’ tekent de dagen.
Die zondag leidt al die onvrede tot de ‘Witte Mars’, in een ongewoon samengaan van frustratie en hoop. Driehonderdduizend betogers palmen Brussel in. En weer zijn wij van de partij. En net als dertien jaar eerder, bij de rakettenbetoging, staan we een aardig deel van de namiddag stil, wachtend op een mars die eigenlijk nooit echt mars wordt. Maar beklijvend is het wel, zo’n ervaring.
’

‘En jullie waren er toch maar bij!’, beklemtoont mijn luisteraar.
Veel heldhaftigheid vergde het niet om deel te nemen aan die twee spraakmakende betogingen. ’t Is waar, we maakten ze mee. Maar ondanks onze aanwezigheid draait de aarde nog altijd ongestoord rondjes om de zon.
Anderzijds, de meest memorabele optocht die hier bij ons in Brugge doorging, daar kunnen we dan weer niet van meepraten. Wegens net iets te lang geleden, op die zondag in 1957 lag deze knaap nog in de luiers op zijn moeders schoot.

Een Brugse septemberzondag, dus, in het jaar 1957. Ons land worstelt zich door woelige naoorlogse jaren. Er zijn de naweeĂ«n van oorlog, van collaboratie en repressie. De moeizame economische heropleving. En een schoolstrijd die de bevolking verdeelt in voorstanders van het ‘vrije’ katholieke onderwijs en ‘die van de staatsscholen’.

‘Vroege verkiezingsstunt’ had ook gekund.

En midden al dat tumult besluit de Belgische Socialistische Partij om haar sterke man, eerste minister Achiel Van Acker, in zijn eigenste Brugge te eren met een tweedaagse hulde. Op de affiche, zijn foto en de aankondiging van een ‘nationale betoging’. Maar komende zomer zijn ’t verkiezingen, dus ‘vroege verkiezingsstunt’ had ook gekund.
En dat het onvergetelijk wordt, dat zullen ze in Brugge geweten hebben.
Gisteren, zaterdag, huldigden de sossen hun voorman al een keer in een overvolle stadsschouwburg. En later die avond werd het Zand het decor van ‘feeĂ«rie van Bengaals vuur, donderbussen en sterrenregen’. Vuurwerk, kortom.
Vandaag, zondag, wordt aan het geboortehuis van Van Acker in de Klaverstraat een gedenkplaat onthuld. En dan trekt zich van bij de Ezelpoort een stoet op gang waarin een amper te tellen aantal sympathiserende verenigingen mee opstappen. Vendelzwaaiers, sportverenigingen, praalwagens. Rond negen uur in de avond passeert het laatste muziekkorps op de Markt voorbij de eretribune van waar Achiel en de zijnen al die tijd de optocht bewonderen. Al die tijd, dat wil zeggen 
 zeven lange uren.
Voorstanders van het socialistische gedachtegoed schatten die dag de toestroom van toeschouwers op om en bij de honderdduizend. Dat zijn er meer dan twee keer zoveel als

bij een zeer geslaagde Heilig Bloedprocessie. Wie minder enthousiast is omtrent het linkse maatschappijbeeld schat diezelfde opkomst uiteraard iets lager in, dat lees je in de plaatselijke pers. Het verhaal van de waarheid en waar die doorgaans ligt. Al ontwaar je ook in de Brugse kranten ongegeneerde verwondering omtrent het hele gebeuren.
De nationale verkiezingen in het najaar maken straks een eind aan het premierschap van Achiel Van Acker, maar hier en nu is dat nog lang niet aan de orde.

Wij kunnen ons amper voorstellen wat voor chaos het die keer moet zijn geweest. De grootste Brugse massabijeenkomst ooit, die kunnen ze Achiel en onze stad niet meer afpakken.

Voor wie het straks, op 1 mei, voelt kriebelen, dit valt er in Brugge te beleven met het Feest van de Arbeid: https://nieuws.vooruit.org/1meibrugge

Posted in Het Brugge van toen, Over de wereld, Over oorlog, Van Brugse politiek | 2 Comments

Voordracht met lichtbeelden

“Mocht ik weer jong zijn en weten wat ik nu weet, ‘k zou het anders aanpakken, je zou wat zien!” Dat soort gevleugelde bewoordingen waar laatavondbabbels zich wel eens toe lenen, u kent ze ongetwijfeld. Allemaal goed en wel, weer jong zijn en zo, maar hoe hij het dan zou aanpakken, dat laat de bevlogen spreker meestal aan onze verbeelding over. Zijn voornemen klinkt er alleen maar stoutmoediger door.
Maar laten we nu een keer aannemen dat het u of mij overkomt, bij wijze van hypothese. We mogen terug naar onze jonge jaren mĂšt alle kennis en levenservaring die we sindsdien verwierven. Et alors? Alles wat we destijds aan ons voorbij lieten gaan en waarvan we later zogezegd spijt hadden, wat doen we ermee? Zetten we echt als schaamteloze aanstellers allerlei losbandige bloemetjes buiten?

Ach, weet je wat ik denk? Zie ons daar staan, weer kind en aan de grond genageld van verbazing. Verwonderd om alles van vroeger dat weg was en dat we nu ineens mogen weerzien. Pukkie, onze straathond met zijn groezelige vacht. De wuivende lakens aan de wasdraad in de lentefrisse moestuin bij het huis. Ons ma haar stovers met frieten. De vrolijke deuntjes van Radio Veronica op onze transistorradio.
Al het leuke en schone van toen, stel je voor. We vinden gewoon geen tijd voor alle zotte dingen die wij ons voornamen!
Want het zou wel wat zijn, een keer teruggaan naar toen. Naar de kermis op het dorpsplein. Bij de boksauto’s klonk uit de krakende luidsprekers een deuntje van de Monkees. De meisjes van toen? En in de zomervakantie op kamp in de Ardennen. En weet je nog, Kapitein Zeppos, op de televisie bij ons thuis. In zwartwit, natuurlijk. In Amerika, zo vertelden ze, hadden ze televisies met kleur. Maar hier bij ons moest je voor kleurbeeld in de cinema zijn. Hoewel, er waren ook diavoorstellingen. En of die in kleur waren!

Zo’n avond met dia’s, herinner ik mij, daar ging altijd iets gewichtig van uit. Het uitklappen van het gammele, blikken tafeltje waarop die wat geheimzinnige projector hoorde te staan, het meestal wankele scherm en het ontrollen van het snoer tot bij het net iets te verre stopcontact. En dan het doven van het licht in de kamer. Het zoemen van de projector. En ja, daar was de eerste dia. Er hing iets van een ritueel in de lucht.
Wat ik ook nog weet – of zijn de kleuren van die herinnering wat verbleekt? – is dat de geestdrift van lieden die met dia’s kwamen aanzetten zelden recht evenredig was met het doorgaans matig enthousiasme van degenen die werden uitgenodigd om ze te aanschouwen.

Daar was nichtje Fabienne die haar vakantie in Oostenrijk met ons wou delen. Bergen, dalen, chalets en mensen die we van haar nog pluimen kenden. Tante Christiane en nonkel Georges, ze waren naar Lourdes geweest en van elk uur van hun bedevaart bestond een dia.
Geef ons dan maar pater Omer, die was missionaris in een ver en donker land. De dia’s die hij meebracht waren tenminste vergezeld van het soort heldhaftige verhalen waar missionarissen graag mee uitpakten. Al duurde zelfs zo’n sliert Afrikaanse scenes wat al te lang. Maar niemand waagde het om midden de verhaallijn van nonkel Omer zijn hand op te steken en te vragen of er nog veel prenten volgden. Zelf had nonkel jĂ ren geduld aan de dag gelegd om zijn missiepost uit te bouwen, dus niet één van ons durfde enig ongeduld uiten.

Maar ‘t zit erop, het verkennen van onze jonge jaren, we keren behouden terug naar vandaag de dag. Waarin, zo liet ik mij vertellen, dia’s in fotografenmiddens toch nog een tijdlang een hebbeding bleven. En uiteraard bedachten slimme koppen een trucje om oude dia’s digitaal te vertalen. Want overleefde iemands projector de tijd, dan staat hij veelal sinds lang op zolder stof te vergaren.
Maar geen nood, dit digitale tijdperk voorziet opvolging voor zowat alles wat je kan bedenken. Dus ook voor de goeie ouwe diavoorstelling. Lang leve de inmiddels wereldwijd omarmde PowerPoint, handigheidje dat zich om wellicht louter nieuwerwetse redenen laat spellen met een hoofdletter middenin.

Dus ja, ze bestaan nog, de lichtjes opdringerige mannen en vrouwen die veronderstellen dat de toeschouwer met blijheid uitkijkt naar een uiteenzetting met lichtbeelden. Meer zelfs, ondergetekende is zo eentje. Want terwijl u dit schrijfsel leest, is hij in de weer met

de voorbereiding van een heuse vertelavond waarvoor hij u bij deze graag uitnodigt.
Avansa, de stichting die allerlei vormingen en cursussen aanbiedt, is u bekend. Daar houdt men een avond vrij voor uw dienaar en het verhaal van zijn afficheverzameling.
Voorwaar mùt lichtbeelden ofte PowerPoint-presentatie. Het luchtig vertelsel dat ik voor u verzin, in vroegere dia-tijden noemden ze dat een ‘causerie’. Voelt u enige nieuwsgierigheid opwellen, dan vindt u hieronder de praktische wetenswaardigheden.
’t Is op donderdag 8 mei, dag waarop ik u hartelijk welkom heet in de lokalen van Avansa op Sint-Pieters. Inschrijven vooraf is nodig, zo blijkt.
Zullen we meteen maar iets afspreken, onder vrienden? Meent u tijdens de uiteenzetting dat het qua timing welletjes is geweest, steek dan discreet uw hand op. De knaap vooraan zal weten hoe laat het is.
U vindt hier enige nuttige inlichtingen: https://avansa-brugge.be/activiteiten/brugge-in-affiches-causerie

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Over affiches verzamelen | 5 Comments

Verjaardagsfuif … op het stadhuis

Zeggen dat maandagavond op het stadhuis al wie belangrijk is in Brugge present tekende mag ietwat overdreven heten. Ook deze bescheiden Bruggeling ontving een invitatie voor de feestzitting bij de negentigste verjaardag van Andries Van den Abeele, dus ook eenvoudige lieden waren welkom. Maar toch, die avond liet ‘le tout Bruges’ zich ten stadhuize zonder tegenstribbelen verwennen. Na de obligate speeches ùn een gevat dankwoord van de jarige glommen in vlot gevulde glazen bubbels van het betere soort en laveerden behendige serveuses door het publiek om verfijnde hapjes in gulle vrijgevigheid aan te leveren. Wat op zijn beurt ruimte schiep voor menige vlotte babbel.

Een avond later op de week, een terras aan de Vismarkt. Mijn vriend M, vanouds rooie rakker en nog altijd gespeeld tegendraads, wil graag horen hoe ik mijn passage op het stadhuis overleefde. Hij steekt van wal met het vermoeden dat bij de verjaardag van zo’n verstokte nostalgicus als Dries Van den Abeele alleen het kruim van rechts denkend Brugge opdaagde. Ik mag hem meteen teleurstellen. Al leek mij de kans klein dat die avond één van de genodigden plotsklaps met gebalde vuist de Internationale zou aanheffen, toch vertoefde je daar midden een gezelschap van divers politiek pluimage.
Enigszins gerustgesteld laat mijn cafégenoot nog een paar proletarische pinten aanvoeren en vraagt zich af wie dat riante verjaardagsfeestje van Dries betaalde. Toch de belastingbetaler niet?
Daar heb ik geen kijk op, maar het lijkt mij onwaarschijnlijk dat ’t stad Brugge elke negentigjarige met enige naambekendheid zou fĂȘteren met centen uit de stadskas.
En hoe saai waren de onontkoombare toespraken, wil mijn kameraad weten.
Die voldeden aan de verwachtingen. Dat wil zeggen, het meeste van wat ter sprake kwam was het gros van de toehoorders genoegzaam bekend en dientengevolge duurden ze langer dan gewenst. Maar toen alleman zich opmaakte om het aangename deel van de avond aan te vatten, nam Dries Van den Abeele zelf nog kort het woord. Om los uit de pols en met een kwinkslag één en ander te duiden en te bedanken wie bedankt moest worden. Als krasse ouwe knar de plechtstatige bewoordingen van de twee eerdere sprekers meteen laten vergeten, het lukte hem moeiteloos.
Je kan veel zeggen van Dries Van den Abeele en er is in de loop van zijn lange leven ook veel over die mens gezegd en geschreven, maar zelfs op zijn ouwe dag kan niemand beweren dat hij de gave van het woord mist.

Hoe was Dries als politieker? De man die al in de zestiger jaren als CVP-kandidaat zijn neus aan het Brugse politieke venster stak, werd begin jaren zeventig schepen van Stadsvernieuwing. In die dagen kwam onder meer door hem het befaamde Structuurplan tot stand. Een toekomstbepalend document, vooral voor de binnenstad. Terwijl zich toen al veel van wat er voor de doorsnee Bruggeling echt toe deed op de rand afspeelde. Een voornemen dat in het ‘gele boek’ ter sprake komt, de binnenstad weer aan meer bewoners helpen, werd alvast niet gerealiseerd.
Vanaf 1982 nam VdA een reeks politieke sabbatjaren. Maar in 1994, dertig jaar na zijn eerste keer in de gemeenteraad, dook toch weer de naam Van den Abeele op, ditmaal op affiches van de liberale VLD. Maar zijn terugkeer naar de Gotische Zaal bleek van korte duur.
Vriend M, altijd in voor een verhaal uit lang vervlogen tijden, herinnert zich uit onze strijdlustige jaren de persoon van Dries Van den Abeele als een geliefkoosde tegenpartij voor al wie vanuit lekker linkse hoek stad en maatschappij wou kneden. Zo was er de Marcus Gerard Stichting, met Dries als voortrekker. Het selecte gezelschap dat zich opwierp als redder van bedreigd bouwkundig erfgoed werd door het alternatieve volkje steevast afgeschilderd als een vehikel voor het grootkapitaal dat de volksmens zijn woonst ontnam om ze na restauratie te gelde te maken. Het in een Brugge-boek publiceren van een spraakmakende cartoon uit de ooit beruchte Lastige Bruggeling was zelfs jaren na datum nog goed voor enige commotie.

… spraakmakende cartoon uit de ooit beruchte Lastige Bruggeling

En toch is vriend M het met mij eens, de lange weg die Dries Van den Abeele als strijdvaardig en niet zelden wantrouwig Bruggeling aflegde laat zich onmogelijk kenmerken door één of een handvol momenten.

Ook niet door de actie ‘SOS voor een leefbaar Brugge’ die in de prille jaren negentig de stad kleurde met een in het oog springende affiche. En weer ging het om bezorgdheid om het onroerend erfgoed in de stad. En om het toerisme en de druk die daarvan uitging. Of wat daar in die dagen voor doorging.
Hoeveel publicaties Dries op zijn naam mag zetten, vanop dit avondlijke terras is zoiets onmogelijk in te schatten, dus die laten we voor wat ze zijn. En Koninklijke Commissies en dat soort prestigieuze instellingen waar Dries kind aan huis is, die spoelen we ook maar door. Tussen pot en pint moeten de dingen een beetje overzichtelijk blijven, hé.
Ik vertel mijn vriend over een recent interview dat ik las. Waarin de negentigjarige, aldoor alerte Dries zijn verontwaardiging uit over het voornemen om op de Burg het jaren-zestig-kantoorgedrocht, uitkijkend op de bomenkant van het plein, aan een projectontwikkelaar toe te vertrouwen. Dat pand moet gesloopt worden, aldus de geĂŻnterviewde. Gun ons het op die manier vrijgekomen zicht op de indrukwekkende neogotische achtergevel van het Provinciaal Hof, merkt hij terecht op,

Het zicht op de indrukwekkende neogotische achtergevel van het Provinciaal Hof …

een troef voor het oudste plein van onze stad, de Burg. De stad en de wereld zijn niet meer wat ze ooit waren en je kan de vraag stellen in hoeverre de visie van iemand van negentig nog relevant is, maar ook wie meent dat iemand als Dries steevast de bal misslaat, slaat de bal ook wel eens mis.
Vriend M merkt nog op dat onze gefĂȘteerde door de jaren heen echt wel veel Bruggelingen tegen de haren in streek. Hoge bomen vangen veel wind, laat ik mij ontvallen. Dat vindt vriend M dan weer geestig, de eerder bescheiden gestalte van Dries omschrijven als hoge boom.  Om dan, na nog een glas, de lichtjes benevelde bedenking te formuleren dat Andries VdA in zijn lange leven menige steen verlegde in de Reie. Wat wij van onszelf dan weer aardig bedacht vinden voor een beschermer van oude bouwsels, de uitdrukking ‘steen verleggen’.
Dries, ons voorlaatste glas is op jouw gezondheid!

Posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van Brugse politiek, Van feesten en vieren | 5 Comments