Festivallen met z’n allen

De jaren zeventig waren jong en wij ook en in onze kamers rook je nog de patchouli van de flowerpower. Snotneuzen waren we, nieuwsgierig, ongeduldig en op ontdekking! Wat we zo allemaal ontdekten? Kom nou, waarde lezer, u bent ook jong geweest!
Al willen wij over één ding graag wat vertellen. Met plezier zelfs en een flinke scheut heimwee. Over onze ontdekking, namelijk, van muziek. Muziek die meer om het lijf had dan de dingedongdeuntjes op de radio van alledag. Ja, we keken naar TopPop op de Nederlandse televisie, Ad Visser in zwartwit, maar stilaan leerden we ook muziek kennen die ruimer ging, veel ruimer.

Dweepte je met ‘progressieve muziek’, dan scoorde je bij de vrienden. En, hoopte je stil, ook bij je vriendinnen. Wat er ‘progressief’ was aan die muziek kon niet één van ons echt uitleggen, maar wat er niet bij hoorde, dat wisten we wel.
Langspeelplaten lang luisterden we, schouder aan schouder rond de platendraaier van een vriend of rond die Philips-bandopnemer waarop van die handpalmgrote, bruine magneetbanden draaiden.
’s avonds zochten we op onze transistorradio gretig naar Radio Caroline, de Engelse piratenzender waarop je hoorde wat fraais er allemaal groeide en bloeide. En waar ze vertelden over festivals.
Er hing iets magisch, een beloftevolle sluier over dat woord ‘festival’. En op een keer konden we ‘Woodstock’ gaan zien! Woodstock, de film, stel je voor! Een jeugdbeweging, de KSA of de Chiro, had ‘m in huis gehaald.
Tot die avond waren onze helden enkel foto’s op platenhoezen of in ‘den Humo’. En ineens zagen we ze op het podium! The Who en Ten Years After, Jimi Hendrix en Crosby, Stills & Nash en nog een boel roergangers! Een adembenemende avond lang zat je niet in dat parochiezaaltje in Sint-Michiels maar op die iconische festivalweide, ergens in Amerika.

Met veel tijd en boterhammen groeiden we op in een almaar veranderende wereld. Een wereld waarin festivals stilaan iets van hier werden. We gingen naar ‘Rock Torhout’ en wat later in eigen stad naar het elk jaar groeiende ‘Cactusfestival’. En sindsdien komen en gaan grote en kleinere muziekfeesten, een hele resem. ‘RudrockenDudstock, ‘Redrock en

Thoprock‘, ‘Vama Veche‘ en ‘Campo Solar, ‘Elements en ‘Burgrock, ze lijken op mekaar en verschillen van mekaar gelijk een Cerclesupporter en een Clubzot. Maar allemaal noemen ze zichzelf festival.
En dan was en is er ook nog Zeebrugge. Door de jaren heen werd het strand daar ingepalmd door muziekdagen met vaak heel veel volk. Als we de hele muzikale reutemeteut van Zeebrugge op een rij zetten, komen we langs het ‘Belga Beach Festivaldat ‘Axion Beach Rock’ werd, langs ‘Polé Polé Beach, ‘We Can Dance en ‘Bomboclat. En hou u vast,

komend weekend gaat in Zeebrugge weer zoiets door! Het is nieuw en het heet ‘Live is Liveen je bent er drie dagen mee zoet. Met best wat klinkende namen en, met de weergoden in goeie doen, mogelijks weer heel veel toeloop.
Festivallen, het werkwoord, sinds lang doen jong èn oud daar vrolijk aan mee. Wie jong is, gewoon … omdat ie jong is. En wij, oudjes, omdat we ons jong zijn toch zo graag wat willen aanlengen.
Al is dat tegen beter weten in. Want wat onze jonge dagen ècht spannend maakte, dat komt nooit meer weer … die rusteloze nieuwsgierigheid en wat je er allemaal mee ontdekken mocht.

This entry was posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van 't Cactusfestival, Van feesten en vieren, Van film, Van gitaren en drums, Van zingen en spelen. Bookmark the permalink.

5 Responses to Festivallen met z’n allen

  1. Verkeyn says:

    Woodstock was echt wel het ‘overfestival’, leuk artikel Pol.

  2. Johny RECOUR says:

    Wellicht ben ik al wat ouder maar eind jaren ’50 luisterden wij thuis heel de dag naar ‘Radio Luxemburg’. ’s Morgens Nederlandstalige uitzendingen, dan Franstalige om te eindigen met Duitstalige in de late namiddag en zo kregen we een breed gamma allerlei muziek binnen. ’s Avonds was het evenwel popfeest ten top want rond 20u begon de Engelstalige zender ‘Luxemburg 208’ en kon je genieten de allernieuwste 45toeren-platen die bij ons, als het goed ging, meestal 2-3 maand later in de ether kwamen. En de jaren 65-70 blijven in mijn geheugen gegrift omwille van de muziek waar de Amerikaanse soldaten, 18-19 jarigen, in Vietnam naar luisterden. “Good Morning, Vietnam!”, ook al waren ze niet zo ‘Born to be wild’, gezien de omstandigheden.

  3. dries simoens says:

    Ik was 18 in 1968, een zeer bijzonder jaar. In enkele maanden werden evidenties doorgeprikt en beleefden we, alsof we degenen waren die dat bewerkstelligden, een plotse stroomversnelling in evoluties die reeds sinds het begin van de jaren ’60 sluimerden. Ik noem de vrouwenemancipatie, de ontkerkelijking, de gelijke burgerrechten blank-zwart, de seksuele ontvoogding – ‘make love, not war’ – de vredesbeweging, de muziekbeleving, de natuurherontdekking – ‘flower power’. Dit alles, en nog veel meer, vatten we toen samen in de slogan ‘De verbeelding aan de macht’. De ‘soixante huitards’ waren wellicht bij uitstek de dragers van – om het te zeggen met de woorden van Pol Martens – ‘die rusteloze nieuwsgierigheid, en wat je er allemaal mee ontdekken mocht’.
    Een jaar later beleefden we nog twee hoogtepunten: de eerste mens op de maan, en eindelijk een Belgische tourwinnaar – dan nog op dezelfde dag, ook nog onze nationale feestdag, 21 juli 1969! Daarna beleefden we een ‘omkeer van de tijden’. De Club van Rome zag in 1972 voor het eerst een verband tussen economische groei en milieubeschadiging. En in oktober 1973 werd – op ‘Verzoeningsdag’ – Israel aangevallen door al zijn buurlanden. Het Israelische tegenoffensief slaagde, maar de buurlanden besloten (voor het eerst) olie in te zetten als wapen tegen het Westen: de prijs voor de olie werd in een klap opgetrokken tot drievoud, en het Westerse economiemodel zou nooit meer zijn als voorheen. Voor ons land strekten de ‘golden sixties’ zich uit van maart 1958, opening van de Expo, tot oktober 1973, maar dat is althans mijn visie. Nu zie ik in: een leven zonder illusies is een leven zonder geluk.

  4. Roland says:

    Het was een overrompeling van muziekstijlen die we leerden kennen. Van meebrullen met ‘Angeline de blonde …machine’ tot het melancholisch samen luisteren en meezingen met de liedjes van Robert Long en Leonard Cohen. Films over een meeuw of over een echte superster, JC. En stoer doen op hardrock tot zelfs punk
    Zalige tijd, echt zalig !!!! Eentje blijft mijn absolute voorkeur behouden, die man werd en blijft mijn held: Mark Knopfler 🙂🎵

  5. Luc Gilliaert says:

    Geboren in 1961 ging ik algauw van muziek houden. Via een oudere zuster kwam ik al vroeg in contact met klassieke muziek en tot op vandaag vind ik het nog altijd de mooiste muziek.
    Maar de radio moest van mijn ouders meestal op zenders die vooral de populaire muziek speelden.
    Wat ouder werd ik via oudere neven bekend met muziek die quasi nooit op de radio te horen was, toch niet op de staatszenders. Die neven noemden die muziek ‘progressief’. Verdere ontdekkingen kwamen ook van vrienden.
    Om die muziek breed te ontdekken was de muziekafdeling van de Brugse bibliotheek, gestart in mei ’68 – gemakkelijk om te onthouden – een grote hulp, waar ik als dertienjarige al gretig gebruik van maakte. Ik schrijf neven en vrienden, want slechts weinig nichten en vriendinnen hoorden die muziek graag. Dat was zo in die tijd.
    Vanuit dat gegeven ontstond in mijn beleving de tegenstelling ‘commerciële’ – de snel en gemakkelijk in het gehoor liggende en door de grote massa gewaardeerde muziek – versus de ‘progressieve’ muziek waar je wat moeite moest voor doen, waar de schoonheid zich pas na enkele beluisteringen zich openbaarde en door een select publiek werd gewaardeerd.
    Vanuit mijn appreciatie voor klassieke muziek lag de ‘progressieve’ muziek mij dichter bij het hart. Een band als Pink Floyd – en nog vele andere – maakte van een album met alle nummers één verhaal, een concept. Terwijl de ‘commerciële’ albums meestal slechts een verzameling ‘mooie’ liedjes waren die niet noodzakelijk iets met elkaar te maken hadden.
    Maar wat ik eveneens ervaarde was dat bij die zo gezegde progressieve muziekliefhebbers hokjesdenken schering en inslag was. Je mocht een commercieel album niet mooi vinden.
    Toch schaamde ik me niet om bijvoorbeeld ‘Arrival’ van Abba uit 1976 met singles als Dancing Queen en Money, Money, Money ook een tof album te vinden. Maar in bepaalde kringen was het ‘not done’ daarvoor uit te komen. Grappig toch hoe ook muziek kan polariseren.
    Met het ouder worden kwamen ook jazz en wereldmuziek in mijn lijst van appreciatie. Dit alles vanuit de bevrijdende gedachte: goeie muziek = goeie muziek, van welk genre ook! Maar dat goeie muziek voor iedereen verschillend kan zijn, begrijp ik ook. Door mijn job merk ik dat jongere generaties qua muziek minder in hokjes denken en meer open staan voor wat de ganse wereld aan muziek te bieden heeft. Mijn inziens een zeer te waarderen evolutie.

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.