Groote Oorlog, kleine mensen

Er staat een beeld in Vladslo. De begraafplaats van Vladslo is, zoals de meeste plaatsen waar onze doden rusten, een stille plek.  Alleen weegt de stilte daar veel zwaarder. En dat komt door dat beeld. Wie ze ooit zag, zal mij erop wijzen dat het niet om één, maar om twee sculpturen gaat. En dat is waar, maar op geen enkele plek zag ik ooit twee kunstwerken die op zo’n schrijnende toon samen van één verdriet vertellen. Twee sculpturen, ja, maar één beeld.
Naar mijn bescheiden aanvoelen is daar in Vladslo de Groote Oorlog dichterbij dan waar dan ook. Dichterbij dan in Ieper, al grijpt de monumentaliteit van de grootse Menenpoort je daar naar de keel. Dichter, ook, dan op al die andere oorlogsbegraafplaatsen in de Westhoek. Omdat wie in Vladslo langs komt, oog in oog staat met twee mensen die de oorlog overleefden. Maar het is een overleven dat de tragiek in zich draagt van hun zoon

Peter, die daar aan hun voeten begraven ligt. Op die wrange oktoberavond van het jaar 1914 was het krijgsgeweld pas begonnen, maar voor Peter was de oorlog over. De oorlog en zijn jonge leven.
De gruwel van waaruit het kind van deze twee mensen nooit terugkeerde, noemen we de Groote Oorlog. Alsof er kleine oorlogen bestaan. ‘Zou een heel klein beetje oorlog soms niet beter kunnen zijn?’, vroeg Stijn Meuris zich ooit met schorre stem af. Neen, dus. Elk gewelddadig conflict, hoe kortstondig ook, hoe kleinschalig of onbelangrijk in de wereldgeschiedenis, voor wie er een kind, een ouder, een vriend aan verliest is het de Groote Oorlog.
De herinnering aan voorbije oorlogen en hoe verschillend elk van ons daarmee omgaat, het blijft mij altijd weer verbazen. Ik ken mensen voor wie het uitpluizen van oorlogsgeschiedenis hun dagelijks bezig zijn bepaalt. Of anderen, voor wie het ondenkbaar is, in de omgeving van een oorlogskerkhof te passeren zonder er halt te houden. Wanneer ik hen probeer uit te leggen dat nogal wat oorlogsplaatsen mij confronteren met een soort heldenverering waar ik het moeilijk mee heb, kijken ze mij niet zelden meewarig aan. Alsof ik niet, net als zij, getroffen wordt door wat oorlog doet met mensen.

Maar nergens stond
‘En op het laatst riep ik om mijn moeder’.

Enkele weken geleden bracht een groepsuitstap naar het herfstig schilderachtige Zuid-Limburg en de Voerstreek, ons naar twee oorlogsbegraafplaatsen uit de Tweede Wereldoorlog. Het was goed dat ze op het programma stonden, ik vernam er dingen die mij over die plaatsen in die oorlog niet bekend waren. En tegelijk trof mij weer dat contrast tussen die smetteloos verzorgde monumenten die zo’n  plekken zijn en de hartverscheurende, smerige echtheid van wat zich er ooit afspeelde. Langs het bijna triomfantelijk aandoende toegangsgebouw kwamen we bij de witte stenen. Een naam, een jaartal, een plaats van herkomst. Heldengraven. Maar nergens stond ‘En op het laatst riep ik om mijn moeder’. We keerden naar de bus terug, op weg naar elders. En ik dacht aan Vladslo.
Laat mij maar mijmeren bij het kleine. Bij het nietige dat keer op keer versmacht wordt onder oorlogsgeweld. Laat mij, hier in eigen stad, even halt houden bij de namen van de slachtoffers van twee oorlogen, zoals die te lezen staan op de zijmuur van de kapel in de Kartuizerinnenstraat. Bij de kleine monumentjes aan de Kazernevest, waar genadeloze kogels levens wegmaaiden.

Oorlogen ontstaan niet.
Het zijn mensen die ze maken.
Maar nooit kleine mensen.

Hier in mijn boekenkast staat ‘Album 14-18’, het boek van Carl De Keyzer en David Van Reybrouck. Het staat er sinds de herdenkingstentoonstelling van de Eerste Wereldoorlog, hier in Brugge, acht jaar geleden. Een boek dat de oorlog tracht te tonen zoals hij echt is geweest. Op foto’s, bladzijden groot, staan mensen. Soldaten en burgers, maar allemaal gewoon mensen. Foto’s, sommige zo ontluisterend als de oorlog zelf.
En eerstdaags fiets ik zeker een keer langs de August Derrestraat in Assebroek. Op de stoep bij het huisnummer 47 draagt sinds kort een ‘stuikelsteen’, een simpele kassei, een messing plaatje met de naam ‘Mathieu Hinoul’ erop. Mathieu, de schooljongen, woonde hier.
Stel u een school in Brugge voor, op een doordeweekse dinsdag, de 17de november van het jaar 1943. Mannen in uniform komen twee leerlingen uit hun klas weghalen, Mathieu en zijn vriend André. Tot die dag waren de twee jongens, kinderen nog, actief in het verzet. Ze stierven in gevangenschap.
En dan is er nog die tentoonstelling in het stadsarchief, omtrent de Onbekende Soldaat die in onze hoofdstad onder de congreskolom rust en de merkwaardige taak die oorlogsinvalide Reinold Haesebrouck uit Assebroek daarbij op zich nam.
Doe mij maar die verhalen over de kleine man en vrouw. Over zij die nimmer een oorlog maakten. Want oorlogen, laten we dat nooit uit het oog verliezen, doen zich niet voor. Oorlogen ontstaan niet. Het zijn mensen die ze maken. Maar nooit kleine mensen.
Diegenen die vandaag oorlog maken, in Cherson, in Tigray of Aleppo, zal ik hen een mail sturen? Vragen om een keer met mij mee te komen, heel even maar? Dat volgende bombardement, die geplande luchtaanval kan wel even wachten, niet?
“Waarheen”, zouden ze vragen. “Toch weer niet naar hier of daar zo’n pronkerig oorlogsmonument uit vroeger tijden?”
“Neen” zou ik antwoorden, “Naar Vladslo. Er staat een beeld in Vladslo.”

This entry was posted in Het Brugge van toen, Over oorlog. Bookmark the permalink.

20 Responses to Groote Oorlog, kleine mensen

  1. Richard Ranson says:

    ‘Het treurende ouderpaar’ te Vladslo werd getekend door grafisch kunstenares Käthe Kollwitz, nadat haar zoon Peter Kollwitz vroeg in de oorlog in 1914 sneuvelde aan het front, bij Esen, Diksmuide. Raf Seys, een heemkundige uit Koekelare, publiceerde er in eigen beheer een prangend boekje over : ‘Käthe Kollwitz in Vlaanderen’, 1964. Wie dat wil lezen, neemt best contact op met de Provinciale Bibliotheek West-Flandrica, niet langer te Brugge, thans in Kortrijk.
    Anderzijds kan men in Koekelare het unieke ‘Kathe Kollwitz Museum’ bezoeken, in Cultureel Centrum De Brouwerij, dat een collectie grafisch werk bevat.
    Käthe Kollwitz woonde en werkte meer dan 50 jaar in Berlijn. Het Käthe Kollwitz Museum in Berlijn beschikt over een van de grootste collecties van haar werk. In 1937 maakte zij nog een sculptuur ‘Moeder met dode zoon’, eveneens ter herdenking van Peter. Dat kleine ontwerp werd later monumentaal uitvergroot en staat nu als beeldhouwwerk tentoongesteld in de Neue Wache. In Berlijn heb ik het daar gezien, het is mij bijgebleven, het is verpletterende kunst.

  2. dries simoens says:

    Inderdaad een prachtige tekst, ook qua sfeerschepping. Mij troffen vooral de woorden “Op het laatst roept iedereen om zijn moeder”.
    Ook mijn grootvader, oorlogsvrijwilliger tijdens in 14/18, heeft dat opgemerkt … Bij stervende soldaten zijn de laatste woorden ‘mama, Muti, maman …’
    Een dichter zei het aldus: “Als er aan het einde een moeder is, die ons onvoorwaardelijk opneemt, zoals ze ons aan het begin onvoorwaardelijk heeft losgelaten – hoe licht zou sterven zijn”.
    Opmerkelijk ook … men vecht voor het ‘vaderland’, maar men wordt begraven in Moeder Aarde…

  3. Céline Vank. says:

    Boeiende tekst, Pol. Dat de beelden van käthe kollwitz op een begraafplaats staan waar Duitse soldaten begraven liggen, dat blijft onvermeld, dat verbaast mij enigszins.

    • Pol Martens says:

      Het was een keuze, Céline. Dat het Amerkaanse begraafplaatsen waren die we in het Limburgse bezochten, komt evenmin ter sprake.
      Ik wou, eerder dan over winnaars en verliezers, een verhaal vertellen over mensen.

      • dries simoens says:

        Ik treed uw keuze bij, Pol. Laat minstens één dag, bij dat ene beeld daar in Vladslo, de stilte overheersen. En dan doet het er niet toe in welke taal – Nederlands, Frans of Duits – de noodkreet van de stervende soldaat werd geslaakt, of de jammerklachten van de moeder werden uitgeschreeuwd. Stilte kan soms meer “zeggen” dan spreken…

  4. Daan V. says:

    Gelukkig neemt de jongste tijd, weliswaar beschamend laat, de belangstelling toe voor verzetstrijders, de onschatbare waarde van hun werk en de velen onder hen die door wie dan ook werden verraden.
    Mijn hele jeugd hoorde ik vooral vertellen over de repressie. Alleman kende namen van ‘slachtoffers van de repressie’. De fouten, die bij die vervolging onmiskenbaar begaan zijn, werden breed uitgesmeerd. Terwijl verzetstrijders, die kon vrijwel niemand bij naam noemen.

    • Richard Ranson says:

      Pol verwijst in zijn blog naar de buitenmuur van de Militaire Kapel in de Kartuizerinnenstraat, waar in de gedenkstenen ook de naam ‘Fernand Moust’ staat vermeld.
      Over die man wou ik meer vernemen, wat me onder meer op het spoor bracht van de familie Wynsberghe op de Garenmarkt, waar vader Wynsberghe maker was van muziekinstrumenten, export incluis.
      Tijdens de Tweede Wereldoorlog namen die mensen noodgedwongen de vlucht uit Oostende, het waren Oostendenaars, ze spoelden aan in Brugge. Zoon Ivan Wynsberghe sloot zich aan bij het verzet, hij werd hier een lokale hoofdman bij ‘La Sarcelle’, wat een vrij onbekende aftakking was van het Geheim Leger. Na de oorlog zette Ivan de zaak van zijn vader verder, op de Garenmarkt.
      Fernand Moust ligt als oorlogsslachtoffer begraven op de stedelijke begraafplaats Brugge. Over hun verhalen werd nog nooit iets gepubliceerd.

  5. De Deyne Guido says:

    Pol, ik ben al verschillende keren langs geweest op de begraafplaats in Vladslo.
    Steeds was en ben ik onder de indruk van het treurende echtpaar.
    Het is er stil, maar je wordt er ook stil van!

  6. Paul Monballieu says:

    Mooie tekst. Tragisch is ook dat Käthe Kollwitz door het nazi-regime verguisd is.
    Al haar bronzen beelden werden omgesmolten om kanonnen te maken. Gelukkig waren ze de mallen vergeten, zodat ze opnieuw gemaakt konden worden.

  7. Pol Martens says:

    Een terechte aanvulling van Dries … Hij wijst ons op het lied dat Vermandere schreef over Vladslo …
    U vindt het langs deze link, maar uiteraard pas nadat YouTube ons in een reclameclip iets onmisbaars laat ‘ontdekken’ … https://www.youtube.com/watch?v=Xy8yD30miAM

  8. Johny RECOUR says:

    Zoals zoveel families is er ook bij ons in verschillende takken een binding met beide wereldoorlogen. Mijn grootvader was leerling-bakker en meldde zich in 1915 als 16jarige vrijwilliger. Te jong. In 1916 probeerde hij het opnieuw en werd uiteindelijk aanvaard en naar het peloton ‘bakkerij’ van het Belgisch leger in Noord-Frankrijk gezonden, waar 24u aan een stuk brood werd gebakken voor de troepen.
    Mijn vader was in 1940 met moeite 14 jaar en begon met vrienden kwajongensstreken uit te halen die de Duitse bezetter niet kon waarderen. Zoals hun fietsen stelen, hun benzinetanks of banden laten leeglopen, en vooral wapens en munitie die te grabbel lagen na ‘Operatie Dynamo’ op het strand van De Panne verzamelen en verbergen.
    In juni 1942 werd hij als 16 jarige opgepakt en naar strafkampen in Duitsland gestuurd. Veroordeeld om eventueel onthoofd te worden, zoals onder andere Jan Guilini .
    In mei 1945 joegen de Russische ‘bevrijders’ hem uit het kamp en als 19jarige was hij op zichzelf aangewezen. Toch is hij erin geslaagd weer thuis in De Panne te geraken. En zoals hem waren er veel stille getuigen.
    Reden te meer om Rudyard Kipling’s woorden, geschreven voor zijn zoon die sneuvelde in 1915, telkens opnieuw in gedachte te houden : “Lest we forget” .

  9. Bruynooghe Afons says:

    Peter is gesneuveld en begraven in ‘Eesse’, spelling van die tijd. Ik ben geboren en getogen in Esen. Ik ken de plaats van zijn graf. Zijn moeder Käthe kwam ieder jaar voor enkele dagen naar Esen om het graf te bezoeken en logeerde in een afspanning in de buurt van het graf.
    Wanneer het graf werd overgeplaatst naar ‘Vlazele’, het Vladslo in de taal van de streek, weet ik niet.

    • Pol Martens says:

      Alfons, bedankt voor je aanvulling. Ik heb even voor jou nagekeken wanneer het stoffelijk overschot van Peter naar Vladslo werd overgebracht.
      Dat blijkt in de periode 1956-1958 te zijn, samen met talloze Duitse gesneuvelden, vind ik hier op een wiki-pagina over de begraafplaats van Vladslo: https://nl.wikipedia.org/wiki/Deutscher_Soldatenfriedhof_Vladslo

      • Richard Ranson says:

        Raf Seys, ik vermeldde hem eerder – zie hoger – schrijft er in zijn boekje het volgende over : “… Peter Kollwitz, een 18-jarige vrijwilliger uit Berlijn, die op 23 oktober 1914, dus heel in het begin van de oorlog, te Esen zijn jong leven voor Duitsland inboette. Eerst op het Roggeveld begraven, werd hij in 1956, samen met de andere 1.538 kameraden die daar werden ter aarde besteld, naar de Praet overgebracht. Ter zelfdertijd verhuisde het beeldhouwwerk ‘Het treurende ouderpaar’ naar Vladslo, om daar, zoals voorheen te Esen, bij zijn graf te worden opgesteld.”
        Nog steeds luidens Raf Seys werd het Praetbos, aan het kruispunt van de steenweg van Vladslo naar Leke en de oude heerweg van Diksmuide naar Brugge, door Guido Gezelle ‘de Praet’ genoemd in ‘Loquela’. Ik lees hoe zich daar, komend uit de richting van Koekelare, aan linkerzijde ‘een typisch Duits gebouw in vakwerkconstructie bevond, een uit de eerste wereldoorlog overgebleven hotel, dat – heden als boerenwoning – nog de naam van het bos in de voorgevel draagt.’
        Raf Seys schrijft verder “In het Praethotel kwamen destijds de Duitse soldaten uit de wat verderop gelegen vuurlinies rust en ontspanning zoeken bij hun ‘Schnaps’ die zij uit de verre ‘Heimat’ meebrachten, en bij hun liederen over al wat zij er achterlieten.”
        Raf Seys besluit : “De steenweg van Vladslo naar Leke loopt door de Praet als een breukstreep tussen hun leven en de dood.”
        Käthe Kollwitz logeerde dus vermoedelijk in het ‘Praethotel’, in de dichtst mogelijke nabijheid van haar zoon, Peter!?

  10. Roland Rotsaert says:

    Al die belangstelling voor de vorige oorlogen had een aansporing moeten zijn om al wat mogelijk was te doen om de huidige oorlog in Oekraïne te vermijden. Dat is niet gebeurd …
    Ik kan alleen maar hopen dat diplomaten nu achter de schermen aan het werk zijn om het conflict op te lossen, maar ik vrees eerder dat het de zoveelste eindeloos aanslepende oorlog zal worden… En waar blijven de milieuactivisten? In een oorlog worden toch ook reusachtige hoeveelheden energie verspild?

  11. Dieter Viaene says:

    Hier word ik stil van, één van de mooiste en meest zinnige artikels die ik de laatste tijd gelezen heb. Ik ben opgegroeid in de Westhoek, de sporen van de oorlog waren nooit veraf. Achter een bureau in het Brugse Vrije wordt een traan weggepinkt …

  12. Roel Struyve says:

    Weer heel mooi geschreven Pol. Bedankt!

  13. Ann Broeckaert says:

    Inderdaad mooi geschreven.
    In mijn laatste roman ‘De dingen die voorbijgaan’ vertel ik hoe mijn vader, als kind, de eerste wereldoorlog ervaarde, zijn broer verloor en mee moest vechten in de tweede wereldoorlog en daardoor zijn zoontje nauwelijks zag opgroeien. Het ventje overleed in 1941.
    Morgen is er om 11.00 uur een herdenking van de gefusilleerden in Tillegembos, 10/11/1942. Dus 80 jaar geleden!

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.