Koop een keer een kerk

Jan Hoet had het bij het rechte eind. De kunstkenner pakte wel vaker uit met markante overwegingen, maar wat hij toen zei is mij bijgebleven. Wellicht omdat hij het die keer over iets anders had dan zijn dada, het artistieke wereldje. Gewichtig was het onderwerp wel, Jan Hoet sprak over zijn afscheid van dit bestaan. Een fel betoog, zoals je dat van de alweer acht jaar geleden overleden kunstpaus kon verwachten. Een boodschap, zo leek het, aan al wie om één of andere reden neerkijkt op kerkelijke tradities.
Als ik doodga, aldus Jan, wil ik dat ze afscheid van mij nemen in een kerk. Kerken, zo meende hij, zijn veel meer dan alleen plekken waar een gemeenschap volgens een vastgeroest stramien met geloof bezig is. Want ook los van dat godvruchtige, zag hij in de westerse cultuur het kerkgebouw als ankerpunt bij de sleutelmomenten van het leven. In dat traditionele denkpatroon komen wij keer op keer bijeen in dat ene gebouw. Bij een geboorte, bij het kiezen voor een levenspartner, en tenslotte om voorgoed afscheid te nemen. En vooral, hij zag geen enkele andere plaats die weerkerende taak op zich nemen.
Een rouwdienst in zo’n afgepoeierd uitvaartcentrum? Jan huiverde bij de gedachte.

… en in het altijd al koele plattelandskerkje …

Die lijn waarop Jan Hoet wees, vind ik tot nu toe ook terug in dat leven van mij, van bij het prille begin. ‘k Heb het van  horen zeggen, maar toch kan ik vertellen van mijn kerkbezoek in mijn eerste levensdagen. ’t Was zo’n februarimaand zoals ze er geen meer maken. Het vroor dat het kraakte en in het altijd al koele plattelandskerkje was het zo koud dat de meid van de pastoor in de sacristie het doopwater een weinig opwarmde boven een gasvuurtje. ‘Meneer pastoor, dat klein, teer boeleke gaat ge toch niet dopen met dat ijskoud water, zeker!’ Waar een bazige pastoorsmeid goed voor is.
En ergens in een stoffig fotoalbum kijkt deze jongen, in een ongemakkelijk kostuumpje, ernstig voor zich uit, hij houdt een ferm boek in zijn hand. Zijn ‘plechtige communie‘. Andermaal een ijkpunt, de kindertijd voorbij.
Ook  ’t moment waarop mijn wederhelft en ik op gewichtige toon verklaarden dat we iets serieus van plan waren, trouwen namelijk, stonden wij twee braaf vooraan in een kerk. En mochten wij op het laatste Jan Hoet’s gedachtegang doortrekken – graag nog even tijd om daarover na te denken, dank u – worden wij ook dan nog één keer in een kerkgebouw binnengebracht.
Dus ja, Hoet had een punt. Traditioneel is een kerk de plaats waar we samenkomen bij wat er in ’t leven echt toe doet. Laten wij dus samen, pleitte felle Jan, ook wie het christendom achter zich laat, onze kerken die rol laten vervullen.

De sloop van Sint-Donaas was goed voor een uitgebreide uitverkoop van bouwmaterialen.

Al zou ik de dag van vandaag niet graag kerkgebouw zijn. Je staat als kerk al lang niet meer in ’t midden en bovendien zijn ze met te veel. Ook in onze Brugse contreien gonzen geruchten omtrent overbodige gebedshuizen. Waar is de schone tijd, toen kerk zijn een job voor ’t leven was! Hoewel. Ook in dat verhaal bevestigt een uitzondering wel een keer de regel. Daar herinnert Brugge zich een buitengewoon spectaculair voorbeeld van.
’t Was op het eind van de jaren zeventienhonderd. In de schoolboeken staat dat die van Parijs in hun revolutiegewoel de Bastille bestormden. En als ’t stormde in de stad aan de Seine, dan stak ook hier bij ons een stevige wind op. En zo kwam het dat in Brugge de oproerkraaiers een volledige kathedraal, Sint-Donaas op de Burg, steen voor steen sloopten. Amper een handvol jaren later was de revolutie overgewaaid, gooide Napoleon het op een akkoordje met de paus, machthebbers ondereen. Maar voor Brugge kwam dat onderonsje te laat, weg was Sint-Donaas. Ondergronds kunnen we de funderingen van dat monument verkennen, een magere troost.
Vandaag zijn de verschuivingen omtrent kerken aan geen kanten te vergelijken met toen. Goddank, zeggen we dan. Maar wat nu verschuift kan ook tellen. Er ligt stilaan stof op het woord ‘kerkganger’, langs de Potterierei worden in ’t Grootseminarie al een tijd geen priesters meer opgeleid en nogal wat kerkgebouwen blijven verweesd achter.

Bruges Celebratioins, ‘middeleeuws’ spektakel in de Jezuïetenkerk.

Zo’n verlaten gebedshuis een functie toekennen, het vergt nogal wat. Verbeelding, onder meer. En centen vooral. De Jezuïetenkerk in de Vlamingstraat, jaren geleden ingepalmd door een spektakelorganisatie die er ‘historische’ banketten organiseerde voor al wie een avondje middeleeuwer wou spelen? Het is daar al sinds tijden verbazend stil.
Laatst stond in de krant dat Jan De Cock, internationaal gerenommeerd kunstenaar, straks weg gaat uit het herenhuis dat hij huurt langs de Spinolarei. Mogelijks palmt hij met zijn atelier-annex-opleidingsproject de kleine Heilige Familiekerk in ’t Bilkske in.

En het Brugse kerkenfeuilleton kent nog afleveringen. Volgt u even? In de stadsrand plant de Emmaüsparochie de bouw van … een nieuwe kerk! Een gebedshuis dat voldoet aan de behoeften van een geloofsgemeenschap in de eenentwintigste eeuw, zo ongeveer klinkt de gewichtige uitleg. Wie zijn wij om ons daarmee te moeien? Vast staat, dat in

dat plan een handvol bestaande kerken hun functie verliezen. Een paar staan straks te koop. Maar hoe dan ook, binnenkort is zo’n kerk … tijd voor een nieuw woord, ‘ex-kerk‘?
Eentje ervan, het eerder jonge Sint-Willibord, wordt ingepalmd door een nabije school.
De parochiekerk van Sint-Andries, ooit het gebedshuis van de middeleeuwse Sint-Andriesabdij, zou een invulling krijgen die verband houdt met erfgoedwerking.
Sint-Baafs, lieten wij ons vertellen, blijft als gebouw alvast overeind. De samengang van kerk en pastorie in één ontwerp uit de jaren dertig zou enige architecturale waarde hebben.

Troost u, Brugge, ’t is overal van dat en hopelijk leren we uit goede en mindere keuzes die ze elders maken. En stilaan went de gedachte. Kerken die geen kerk meer zijn? Gewoon ‘ex-kerken’.
Of wij iets meenemen van het verhaal van Jan Hoet? Dat vroeg ik mij af, toen ik een paar dagen geleden toch even schrok. In een krant las ik over de sluiting van een parochiekerkje, ergens te lande. Waar lang geleden een pastoorsmeid een kommetje water opwarmde, vooraleer een moeder haar pasgeborene zorgzaam boven de doopvont hield.

This entry was posted in Het Brugge van nu, Het Brugge van toen, Van feesten en vieren, Van zin, zen en zijn. Bookmark the permalink.

22 Responses to Koop een keer een kerk

  1. Ann Broeckaert says:

    Elke zondagochtend gingen wij naar de mis. Intussen lang geleden. De jongen die later mijn echtgenoot zou worden ging om 8 uur. Daarna ontbijt. Ik, samen met mijn ouders en 2 zussen, om 11 uur. Dat was chic. En ineens hield het op.
    Wij gaan niet meer naar de mis, maar toch blijft ook voor mij de kerk een oord van berusting en dus ook voor het ultieme afscheid. Rusten in vrede.

  2. Saar Vanherreweghe says:

    Het is een gewoonte waar wij aan houden, in buitenland of dichtbij. Om, wanneer we ergens een paar dagen vertoeven, de plaatselijke kerk binnen te gaan. Wat je dan ervaart, hoeveel verschil dat maakt in het ene gebedshuis tegenover het andere. Er zijn kerken, in grotere plaatsen zowel als in kleine dorpen, waar je liefst meteen weer weg gaat. Soms voel je, zie je, dat zo’n kerk niet meer de materiële aandacht krijgt die ze nodig heeft. Verval, vuil, somberte. Maar ook de architectuur speelt daarin een rol. Bij sommige is het interieur, of de aankleding, afstandelijk, koel.
    En dan zijn er ook de gebedshuizen die je omarmen. En dat kan zowel in het barokke interieur van een katholieke kerk in een bergdorpje als in het sobere van een protestants gebedshuis in een stad waar dan ook.

  3. Jozef De Coster says:

    Veel dank voor dit overzicht van de mogelijke toekomst van enkele Brugse kerken. Boeiend, zij het ietwat droevig (ook voor ongelovigen) om volgen.

  4. Dries Simoens says:

    Zelden zo’n treffende tekst gelezen als in deze blog. Dat heet dan misschien: “het kind met het badwater verloren laten gaan”. Met het afschaffen van het Latijn heeft de RKK misschien een essentie laten varen: het klonk goed (bijna Italiaans) en we verstonden het niet, maar daardoor had het iets mysterieus dat ons intrigeerde en bijna bedwelmde, samen met de wierook en de halve duisternis die er heerste.
    De kerkgebouwen waren door onze verre voorouders opgetrokken, wat een werk van eeuwen moet zijn geweest en eigenlijk onmogelijk met de technische hulpmiddelen van toen (hoe torens opbouwen zonder kranen en op wankele steigers?). Als Huub Oosterhuis nu zingt “zomaar een dak boven wat hoofden”, dan doet hij onrecht aan het labeur van hele generaties. Nu bouwt men “stille ruimtes”, liefst ook nog ‘multifunctioneel’ en, met hun moderne verwarming, toch ergens killer dan de oude gebouwen waar men dicht bij elkaar moest schuilen om geen kou te lijden. De kerkgebouwen van weleer hadden hun eigen symbolen: een toren die naar de hemel wees, het altaar dat naar het oosten moest zijn gericht – naar de opgaande zon als voorafname op de verrijzenis, het tabernakel waarbij een rood lampje aangaf dat ‘jezuke aanwezig was’. Net als het Latijn, hadden de kerkgebouwen iets “sacraals”. Trouwens, vooraleer te worden herbestemd moeten die gebouwen heden ten dage worden “ontwijd”. Kardinaal Danneels zei ooit dat veel mensen thans in hun leven slechts drie keer in een kerk komen, en dat het betekenisvol is dat ze daarbij twee keer het kerkgebouw worden binnengedragen. Hij zei ook dat nooit het woordje “amen” zo enthousiast werd uitgesproken als in antwoord op het “ite missa est / gaat nu allen heen in vrede”, waarmee de mis werd afgesloten…

  5. Johny RECOUR says:

    Jaren 1950-60 was ik misdienaar in de wijkkapel van de Oosthoek in De Panne. In werkelijkheid was die kapel een wijkschooltje met een kleuterklas, een brede gang gescheiden van de kleuter klas en het 1e en 2e studiejaar met vouwdeuren en nog eens vouwdeuren die het altaar en het tabernakel en de kerkstoelen, enz afscheidden van de rest. De zaterdag middag werd alles omgetoverd in een heuse kapel. En na de 2e mis van 8.30u de zondagmorgen weer “verbouwd” tot schooltje. Later werd een danszaal afgehuurd die permanent ingericht werd als wijkkapel St Jan de Doper. Nu is het een jeugdheem geworden. Maar er was een heel aparte sfeer en de mensen kwamen naar de viering van Koksijde, Veurne, en nog verder “in illo tempore”.

  6. Dries Simoens says:

    Heb even onderzocht wat er overblijft (op de Burg) van de Sint Donaaskerk. Na archeologische opgravingen in 1955 werd een klein monument (een maquette) gezet op de plaats waar zich ooit de kerktoren bevond. Ook werd toen met kasseistenen de omtrek en de vorm aangeduid van Sint Donaas. Zowel de maquette als de kasseistenen werden verwijderd toen in 2002 (naar aanleiding van Brugge culturele hoofdstad) het Toyo Ito paviljoen werd opgetrokken. De omgevende waterpartij rond dat paviljoen moest – met zijn achthoekige vorm – verwijzen naar de achthoek van de plattegrond van Sint Donaas.
    Na een jarenlange procedureslag werd het paviljoen in 2013 ontmanteld en gestockeerd, in afwachting van een nieuwe bestemming (die er kwam in 2018: het heeft thans een ereplaats voor het bedrijf ICO te Zeebrugge; niet onlogisch wanneer men weet dat dit bedrijf Japanese auto’s vanuit de haven doorstuurt naar West-Europa).
    Blijft er nu niets meer over dat naar Sint Donaas verwijst? Toch wel: laatstejaars van de “Maricolen” hebben een waarheidsgetrouwe maquette van de kerk gemaakt (te bezichtigen in het stadhuis). En op de Burg staat een bord dat verwijst naar het feit dat de heilige Karel de Goede er is vermoord. Voor de rest moet men in de kelder van het hotel Crown Plaza afdalen om er de funderingen -zoals Pol schrijft – te “verkennen”.

    • Bob Vranken says:

      Het stukje muur met de stenen maquette werd inderdaad in 2002 weggenomen. Dit muurtje vertegenwoordigde een deel van het kleine koor van de Karolingische kerk, niet de toren. In de kelder van het Crown Plaza kan je inderdaad nog een groot stuk van deze koormuur zien (met visgraatverband), helemaal op het eind van de ‘zaal’ gevormd door de latere, romaanse funderingen. Wat de ‘waarheidsgetrouwe’ maquette betreft, die blijft alsnog hypothetisch.

  7. Richard Ranson says:

    Knappe bijdrage, Pol ! Aansluitend : jammer dat bij het overzicht de situatie in de Boeveriestraat ontbreekt. Enerzijds de Godelieveabdij (niet echt een kerk, maar toch met een behoorlijke gebedsruimte), anderzijds de kloosterkerk van de Minderbroeders Kapucijnen. Men weet zich daar geen raad mee, waardoor Brugge voor beide dossiers aanklopte bij… Toerisme Vlaanderen. In augustus 2021 zond tv-zender Eclips in dit verband de documentaire ‘De Tuin van Heden’ uit, volledig gewijd aan de Godelieveabdij en nog te zien via Youtube (https://detuinvanheden.be/). Helaas, het resultaat is bedroevend. Van een spirituele ruimte hoopt men een commerciële troef te maken, of hoe de wereld vierkant draait in de waan van de dag. Het cruciale probleem is dat het in Brugge verboden is te dromen. Neem nu onze goeie vriend Jozef II, de Oostenrijkse keizer die ons regeerde van 1780 tot 1790, en die in 1784 een edict uitvaardigde waardoor de kerkhoven uit de steden dienden te verdwijnen (o.a. omwille van hygiëne). Dik 200 jaar later worden mensen massaal gecremeerd, na overlijden. Zou het dan geen tijd zijn om de dood opnieuw binnen de stadspoorten te halen ? Het idee werd jaren geleden formeel ingediend, maar ketste af op scepticisme van het Bisdom. OK, dan moeten we vandaag maar even naar Lampernisse toe. De kerk van Lampernisse werd recentelijk ontwijd en is omgevormd tot een urnenkerk. In de zes houten urnenbomen kan de as van 120 overledenen bewaard worden. Het is daar een fantastisch project geworden (zie de afbeeldingen via Google) en het had net zo goed in Brugge kunnen gebeuren, zoals misschien in de Sint Walburgakerk. Maar Brugge is nooit rijp voor het denken ‘out of the box’, omdat alle voorstellen een mercantiele meerwaarde moeten opleveren, zoals voor het toerisme of het residentieel wonen. Voor de Godelieveabdij werd bvb. concreet het concept voorgesteld van de trage of vertragende Tijd : ‘Slow Time’ naar analogie met ‘Slow Food’. Wie daar even bij stilstaat, om erover na te denken, ontdekt fantastische mogelijkheden. Maar we leven in Brugge : de lokale politiek blijkt niet geïnteresseerd te zijn en er volgde nooit reactie op. Toerisme Vlaanderen dan maar. Beschamend.

    • Pol Martens says:

      Meneer Renson, even op een rijtje mijn antwoorden bij uw aanmerkingen. De teksten op deze blog willen zich graag presenteren als vertellingen, het is u ongetwijfeld bekend dat verhalen niet altijd gediend zijn met volledigheid. Er ontbreken dan ook meerdere schakels. Zoals het enkele jaren geleden gesloopte wijkkerkje van Bleimare in Sint-Andries.
      Zelf ben ik bijzonder nieuwsgierig naar wat de gebouwen in de Boeveriestraat te wachten staat. De site van Sint-Godelieve in de eerste plaats. Wat de kapucijnen betreft gaat het, naast de kerk, ook over de kloostergebouwen. Ik hoop dat uw wantrouwen ten onrechte zal blijken.
      Het project in Lampernisse was mij volkomen onbekend. Het lijkt mij echt wel bijzonder waardevol. Hallo, stadsbestuur, hallo, kerkfabrieken?

      • Dries Simoens says:

        Midden de jaren 1960 werd een leegstaand deel van het kloostergebouw van de kapucijnen reeds gesloopt en werd een (afschuwelijk) gebouw neergepoot, met ingang aan de Hauwerstraat en dienstig voor studentenkoten. Nu functioneert het als een open internaat voor alle jongens en meisjes die in Brugge school lopen, van het 5de leerjaar tot het 6de middelbaar.

        • Dries Simoens says:

          De kapucijnen hadden ook een kerk en klooster in de Sint Clarastraat. Beide gebouwen werden in 1969 doodgewoon verkocht aan de vleesindustrieel Strovi – die doorverkocht aan de stad Brugge, die er op zijn beurt een wijk met sociale woningen van maakte (met veel groen en laagbouw: er was ruimte in overvloed).

  8. Dries Simoens says:

    Een voorbeeld van een prachtige restauratie is toch wel de Sint Niklaaskerk in Westkapelle. Dit kerkgebouw uit de 12de eeuw werd drie keer door brand vernield: in 1409 door brandstichting, in 1710 door een blikseminslag en in 2013 door werkzaamheden. Meer dan een ruine bleef er niet over. Voor een heropbouw ging eerst een jaar verloren door verzekeringskwesties, na de vrijgave door het gerecht werd een jaar de stabiliteit van de ruine onderzocht. In 2019 was de heropbouw afgewerkt, en is de kerk “mooier dan ooit”. Enerzijds is er nu een intieme sacrale ruimte, om de kerk deels terug te geven aan de gelovigen. Anderzijds is er een ruimte (een “cultuurhuis”) dat een trefpunt wil zijn voor sociaal-culturele activiteiten en evenementen, die de gemeenschap kunnen versterken. Op die manier neemt de kerk zijn functie weer op als zwaartepunt in het centrum van Westkapelle. Men heeft een middel gevonden om Westkapelle en haar Sint Niklaaskerk opnieuw met elkaar te verenigen, en om traditie en moderniteit te combineren. Een voorbeeld: de doopvont is zo ontworpen dat het water niet enkel dient om te dopen, maar ook om de kist van een overledene te besprenkelen: begin en einde met hetzelfde water. Water is een symbool voor leven.

    • Richard Ranson says:

      Helemaal akkoord. Alleen al die nieuwe torenspits, die een lichtspel kan toveren en daarmee een baken of zelfs ‘landmark’ is voor de omgeving ! Zouden we zoiets verkocht krijgen aan de Unesco Werelderfgoedstad in Brugge ? Misschien dat de toeristen het niet zouden appreciëren. We moeten ons goed realiseren : toeristen komen naar Brugge omwille van de ‘authenticiteit’ (sic).

  9. Moniek Adam says:

    Zeer interessant!

  10. Jean Van Acker says:

    Nog een aanvullertje, Pol. In de vijftiger jaren volgde ik Griekse-Latijnse in Saint-Louis, ter Zilverstraat in Brugge met dagelijkse vroegmis in de lokale parochiekerk en zondagse hoogmis om 9u30 in het college, gevolgd door optredens van de laatste jaarsleerlingen die een dissertatie voorbrachten in aanwezigheid van de principaal en zijn hele gevolg van priester-leraars; de namiddag werd afgesloten met de Latijnse Vespers om 16uur en aansluitend filmvertoning in de feestzaal aan de Dweerstraat. Vooraan de zeventiger jaren werd het college uiteindelijk verkocht aan de stad Brugge die het hele complex van herenhuizen aan de Noordzandstraat en interne gebouwen, inclusief de neogotische kapel van Helleputte met de grond gelijkmaakte voor de creatie van het Zilverpand: haec olim meminisse iuvabit!

  11. Dries Simoens says:

    Ook van mij (twee) aanvullertjes. Over de collegekapel: in de stille ruimte (plaats voor spiritualiteit en inspiratie, zoals dat tegenwoordig heet) zijn onlangs de brandramen aangebracht die voorheen de neogotische kapel van de Zilverstraat sierden. Het moto van het Sint Lodewijkscollege luidt “traditie en toekomst”. Maar inderdaad, de gebouwen aan de Zilverstraat zijn voor een hoop zilveringen verpatst aan de meest biedende.
    Over de kerk van Westkapelle: het Westkapelse project heeft blijkbaar school gemaakt: uit onze buurlanden zijn architecten komen kijken. Onder meer uit Parijs, na de brand van de Notre Dame. Even is eraan gedacht de vernielde gedeelten te vervangen door meer gestileerde “moderne” constructies. Terecht is hiervan afgezien: meer dan bv. de Eifeltoren en het Centre Pompidou vormt de Notre Dame hét “uithangbord” van de Franse hoofdstad. Hieraan raken zou bijna heiligschennis zijn.

  12. Roland Rotsaert says:

    Ik ben een paar weken geleden naar een brainstorming geweest over het mogelijk hergebruik van de kapucijnensite. Er was weinig volk (de pianist en de ligmatjes ontbraken.) Ik ben er binnengegaan met het idee ‘Dat is een heel moeilijk project, je kan deze kerk – met een beperkte historische waarde – beter afbreken en er iets totaal nieuws (woningen) in de plaats bouwen’. Uit de uitleg en de rondleiding bleek dat het project al bij voorbaat gehypothekeerd is: aan de ene kant heeft een koor al een vaste stek bemachtigd en de andere kant is al herbestemd tot studentkamers (uitbreiding van de Hauwersstraat). Blijft over: de kerk en het klooster, dat niet de ‘grandeur’ heeft van een rijke kloosterorde en dat zijn interieur al grotendeels kwijt is. Een project van een vereniging die aanleunt bij de kapucijnen zou meteen afgewezen geweest zijn. Ik ben naar huis gegaan met dezelfde opinie als bij het binnenkomen, maar meer gefundeerd. Voor de ongeduldigen onder ons: het zal al bijna zomer zijn als Toerisme Vlaanderen zijn plannen bekendmaakt.

    • Dries Simoens says:

      In de jaren 1960 was bij de Kapucijnen de “bouwpater van dienst” Pater Emiliaan (Marcel De Bie). Naar zijn zeggen was hij eerder architect dan pater en psycholoog. Hij wist voor de hem geschonken gronden (ter hoogte van de Doornstraat in Varsenare) in een mum van tijd subsidies te verwerven voor de MPI Marienhove. Door de invoering van de BSO-types werden deze gebouwen kort daarna reeds gesloopt. Hij heeft daar dan een monasterium gebouwd tot huisvesting van de Kapucijnessen (ik heb daarvoor als vrijwilliger de bomen omgehakt). In 1969 heeft hij de kerk en het klooster aan de Sint Clarastraat verkocht aan de vleesmagnaat Strovi. Ook in de jaren 60 liet hij het deel van het hoofdklooster uitgevend aan de Hauwersstraat slopen en vervangen door een aartslelijk gebouw, bedoeld als studentenkoten. Toen er normen kwamen qua minimumoppervlakte, werden de kamers dan gebruikt als internaat voor het Sint Lodewijkscollege. Toen dit college een eigen internaat had gebouwd op de site ter Magdalenastraat werd het wat het nu nog steeds is: een “open internaat” voor jongens en meisjes tussen 11 en 18 jaar. Zijn laatste verwezenlijking was de verkoop – omstreeks 2000 – van de school voor visserskinderen aan de Komvest (geleid door Kapucijnen).

      • Dries Simoens says:

        De pers was destijds erover verbaasd, dat de Kapucijnen 100 miljoen frank (2,5 miljoen euro) kregen voor hun vissersschool + klooster op de site Komvest. Van buitenaf is niet te zien welke herbestemming er aan deze gebouwen is gegeven. Kan het dat die gronden ter beschikking zullen worden gesteld ( met het oog op een mogelijke uitbreiding) van de luxe-residentie Sincfal, die vlakbij is gesitueerd en waaraan ook reeds een gedeelte van de Sint Claragronden werd verkocht?

  13. Dries Simoens says:

    De opbrengsten uit bezittingen van bv. kerkgenootschappen en caritatieve instellingen worden vaak argwanend bekeken. In Nederland bestaat er daarom een belasting “van de dode hand” – zoals het daar heet. Zo vloeit alvast een deel van die dubieuze opbrengsten op een transparante manier besteed. Inkomsten die kerkgenootschappen en caritatieve instellingen halen uit giften en collecten, ontsnappen aan deze taxatie: ze worden beschouwd als “levend geld” of als “schenkingen met de warme hand” – zoals de Nederlanders dat zo mooi zeggen.

  14. Dries Simoens says:

    De geslaagde heropbouw van de Westkapelse kerk was voor een groot deel de verdienste van de toenmalige pastoor Jan Lavaert. Ik herinner mij de filmbeelden van vlak na de brand, toen hij gesteund door anderen (en aangewezen op krukken) de ruine kwam bekijken. Het noodlot wil dat hij stierf enkele maanden voor de heropening. Jan Lavaert was een bijzonder mens (trouwe klant van de Lastige Bruggeling). Priester gewijd in 1960, was hij vooral een man van sociale actie. Toen bisschop Desmet hem voorstelde in Rome verder te studeren, deed hij dat liever niet: “ik wil bij de basis blijven, en de noden van de mensen leren kennen”. Vreemd was, dat hij om de haverklap van parochie moest veranderen. Misschien was het telkens een “wegpromoveren”. Tijdens een (alweer korte) passage op Sint Gillis (waar ik toen ter kerke ging) voerde hij onder meer actie tegen de Gistfabriek (toen langs de Komvest) omdat deze een (inderdaad) hinderlijke geur verspreidde over het hele grondgebied van Sint Gillis. Toen Michel Van Maele in 1976 de verkiezingen verloor, heeft Michel Van Maele over Lavaert gezegd: “dat manneke heeft me veel stemmen gekost”. Na enkele jaren werd hij weer overgeplaatst. Van in zijn kindertijd was hij zwak van gestel. Tijdens al zijn jaren priesterschap moest Lavaert soms meerdere maanden het bed houden. Tijd die hij benutte om boeken te lezen over bevrijdingstheologen. Hij heeft ook de iconische kardinaal Romero ontmoet, wat niet velen gegeven is. Op 77 jarige leeftijd heeft Lavaerts hart het fataal begeven, vlak voor de inhuldiging van de herbouwde kerk. Had deze pastoor een zwak hart? Hij had vooral een hart dat openstond voor iedereen …

  15. Dries Simoens says:

    Het gebeurt niet vaak dat een krant (in dit geval de Zwinstreek) een biografie publiceert over een persoon die nog in leven is. Die eer viel pastoor Jan Lavaert te beurt. Zijn ouders waren schamele landbouwers, en tijdens de oorlogsjaren moest Jan Lavaert worden ingeschakeld opdat het gezin geen honger zou lijden. Hij had dus aan den lijve ondervonden wat schamelheid en ontbering was. Toen hij als jonge priester aangeduid werd tot “proost” (zoals dat toen heette) van het KWB begon hij zijn opdracht met de woorden – die bij elke jubileumviering telkens weer werden geciteerd: “beste bestuursleden van het KWB, ik voel mij vandaag hier in uw midden als een parachutist die uit een vliegtuig is neergekomen op een terrein dat voor mij totaal onbekend is”.

Een reactie achterlaten op Johny RECOUR Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.